Isabel Casteels

Afb. 1 Overzichtskaart met de Oude en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (www.landschapinnederland.nl)

Als ik naar buiten kijk vanuit mijn huidige woning, zie ik een idyllisch en onstedelijk stukje water en groen. De Zilveren Schaats, zoals het terrein heet, is een mini-natuurgebied midden in de stad Utrecht.

Dit stukje natuur blijkt verbonden te zijn met de geschiedenis van Holland. Sinds het einde van de zestiende eeuw werden in Holland inundaties succesvol ingezet als verdedigingstactiek. Na het Rampjaar 1672, toen de Republiek werd binnengevallen door Engelse, Duitse, en Franse troepen, kreeg de Hollandse Waterlinie een meer permanent karakter, ter bescherming van het gewest Holland. Zonder Utrecht, want deze strategische stad was toen al ingenomen door de Fransen. Om ook Utrecht binnen de linie te betrekken, werd tussen 1815 en 1870 de Nieuwe Hollandse Waterlinie aangelegd. Niet alleen was Utrecht nu beter verdedigbaar, ook waren de Hollandse steden beter beschermd tegen moderne wapens, doordat hun afstand tot de linie vergroot werd.

Afb. 2 Kaart van het gedeelte van de Nieuwe Hollandse Waterlinie tussen de Zuiderzee en de Lek met weergave van de inundatiegebieden en de verdedigingswerken, ca. 1875. Het Utrechts Archief, catalogusnummer 2093-1.

Bij de afgravingen voor de wallen voor een gedekte weg tussen de forten De Bilt en Vossegat, in Utrecht Oost, ontstond een meertje. In de winter bleek dit meertje te veranderen in een uitstekende schaatsbaan. Daarom richtte een aantal officieren hier in 1879 De Zilveren Schaats op, een schaatsvereniging voor de elite van Utrecht. In de twintigste eeuw werd het meertje verbonden met de Biltsche Grift en de Utrechtse Minstroom. De nieuwe watergang werd vernoemd naar de oude ijsclub. Omdat het terrein altijd voor publiek afgesloten is geweest, heeft de natuur zich ongehinderd kunnen ontwikkelen. Tegenwoordig is het natuurgebied een thuis voor zeldzame en bedreigde planten en vogels, een kudde Maasduinschapen en een aantal bijenvolkeren.

Zo vormt de geschiedenis van de Zilveren Schaats als het ware een afspiegeling door de jaren heen van wat de Utrechtse stadsbewoners belangrijk vonden: van verdedigingswerken, naar vrijetijdsvereniging, tot natuurbehoud. 

Afb. 3 Anoniem, ‘Afbeelding van schaatsers op de ijsbanen van de Utrechtse IJsclub De Zilveren Schaats te Utrecht’, ca. 1900-1910. Het Utrechts Archief, catalogusnummer 300544.

Meer weten?

  • Bas Nugteren, De Zilveren Schaats. Een water, een wijk, een vereniging in Utrecht-Oost, 1879-1943, Historische Reeks Utrecht 34 (Matrijs 2005).

Danièle Rigter

Een van mijn ‘guilty pleasures’ is het tv-programma Blauw bloed en dan vooral het onderdeel koninklijke ‘outfits’. Wat mij het meest fascineert is de vraag hoe de kleding waarin de leden van het koninklijk huis in het openbaar optreden, functioneert als keurslijf. Is het mogelijk dat de leden van de verschillende koninklijke families zich senang voelen in hun uiterlijk vertoon?

Afb. 1 Standbeeld van koningin
Wilhelmina door Nico Onkenhout,
1968. Foto: Danièle Rigter, 2020

In Eenzaam maar niet alleen schetst koningin Wilhelmina haar leven in een gouden kooi. Beeldhouwer Nico Onkenhout gebruikte dit boek als inspiratie voor zijn beeltenis van de als sober bekend staande ‘Willemien’. Zijn standbeeld staat op het Koningin Wilhelminaplein in Amsterdam. Door van haar hoed een helm te maken drukte hij het martiale imago uit dat de koningin tijdens de oorlog had verkregen.

Het beeld maakt om verschillende redenen een vervreemdende en verloren indruk. Het is te groot, te fors en niet koninklijk genoeg. Het staat volgens mij ook niet op zijn plek. Qua stijl zou het uitstekend passen in het plan Zuid maar in plaats daarvan staat het een kilometer daar vandaan, op een winderig plein tussen onooglijke hoogbouw.

Het beeld van Onkenhout staat op het Amsterdamse Koningin Wilhelminaplein, vlak voor het World Fashion Centre. En daar valt het beeld ogenschijnlijk uit de toon’. Wat doet uitgerekend de minst goed geklede ‘royal’ voor de ‘onvermijdelijke vestigingsplek voor modebedrijven’? Het blijkt echter dat er een periode in haar leven was dat beroemde modehuizen haar leveranciers waren en dat Wilhelmina zich kon meten met mijn andere ‘guilty pleasure’, keizerin Sissi.

Corona doet anno 2020 de mode-industrie op de grondvesten trillen. Misschien kan de standvastige en strijdbare Willemien inspireren om te overleven in deze voor de bedrijfstak donkere dagen.

Afb. 2 Standbeeld van koningin Wilhelmina door Nico Onkenhout, 1968. Foto: Danièle Rigter, 2020

Kijk voor meer informatie op:

De spin in het web, de alleskunner of de duizendpoot. Slechts enkele omschrijvingen waarmee Cees de Jong beschreven kan worden. Hij was de spil waar de illegaliteit om draaide. Het verhaal van De Jong wordt beschreven door auteurs Charles Coster van Voorhout en Hans Hoffmann. De oud-journalisten deden jarenlang uitgebreid onderzoek naar de geschiedenis van het verzet in Bloemendaal en omgeving. Dit resulteerde in een omvangrijke publicatie over deze verzetsman in hart en nieren. Redacteur Koen Marijt nam voor ons het boek ter hand en schreef er deze recensie over.

Een verzetsman in hart en nieren

Koen Marijt, redacteur van Holland. Historisch Tijdschrift

De spin in het web, de alleskunner of de duizendpoot. Slechts enkele omschrijvingen waarmee Cees de Jong beschreven kan worden. Hij was de spil waar de illegaliteit om draaide. Het verhaal van De Jong wordt beschreven door auteurs Charles Coster van Voorhout en Hans Hoffmann. De oud-journalisten deden jarenlang uitgebreid onderzoek naar de geschiedenis van het verzet in Bloemendaal en omgeving. Dit resulteerde in een omvangrijke publicatie over deze verzetsman in hart en nieren.

In 29 korte hoofdstukken beschrijven de auteurs diverse verzetsactiviteiten vanaf de Meidagen in 1940 tot aan de Bevrijding. Elk hoofdstuk heeft zijn eigen onderwerp en de verhalen zijn kort. Hierdoor leest het boek prima weg. In elk hoofdstuk komt Cees de Jong op de een of de andere manier aan bod. Soms treedt hij als verzetsman op de voorgrond op, soms blijft hij op de achtergrond. Desalniettemin blijkt dat De Jong de kern uitmaakte van het verzet. De auteurs zijn geen historici pur sang . Zo ontbreekt een uitgebreid notenapparaat. Dat is erg jammer, omdat sommige beweringen door de nieuwsgierige lezer niet gecontroleerd kunnen worden. Een voorbeeld is de verklaring waarmee men moest laten zien geen Jood te zijn: Dit stuk papier, in de volksmond al snel bekend als de ‘ariërverklaring’, leidde overal tot hevige discussie. ’Klopt dat wel? Als het in heel Nederland tot grote discussie had geleid, waarom werden de verklaringen dan en masse getekend? Het zijn vragen die tijdens het lezen opkomen en waarbij je als lezer graag zou willen weten welke bronnen gebruikt zijn. Achterin is wel een lijst met bronnen opgenomen, maar dit biedt niet voldoende houvast om diverse beweringen daadwerkelijk te controleren.

Daarnaast schrijven de auteurs af en toe wat subjectief. In hoofdstuk 14 wordt, bijvoorbeeld, de uittocht van Duitsers en NSB’ers op Dolle Dinsdag als volgt beschreven: ‘Voor de Duitsers in Bloemendaal was het nieuws uit Londen aanleiding om verscheidene gebouwen te ontruimen en met een grote colonne tanks en legervoertuigen de wijk te nemen. De volgende dag, dinsdag 5 september, verlieten de ratten het zinkende schip.’ Als journalist kom je hier wellicht mee weg, maar een historicus zou meer afstand moeten bewaren.

Wat wel te waarderen is in dit op het eerste oog stukje regionale geschiedenis, is dat de focus niet alleen op Bloemendaal ligt. Er worden ook verzetsactiviteiten buiten de gemeentegrenzen, onder meer in Haarlem en Amsterdam, beschreven. Zo wordt de moordaanslag op Fake Krist uitgebreid beschreven. Krist was een Nederlandse politieagent, werkte intensief samen met de Duitse bezetter en spoorde Joden, onderduikers en verzetslieden op. Op 25 oktober 1944 werd hij door verzetslieden uit Haarlemmermeer doodgeschoten. Door deze stap buiten de gemeentegrenzen is het boek niet alleen voor de inwoners uit Bloemendaal, maar voor alle Noord-Hollanders een interessante publicatie.

De vormgeving van het boek is redelijk op orde. De cover, met daarop de Hollandse driekleur, valt goed op. Illustraties bij de tekst ondersteunen het verhaal, maar het is jammer dat alle foto’s in het boek zwart-wit zijn. Natuurlijk zijn er niet veel kleurenfoto’s uit de bezettingstijd, maar ook hedendaagse foto’s, zoals van het Kennemer Lyceum dat in 1944 op de nominatie stond om gesloopt te worden, zijn zwart-wit. Hierdoor is het her en der wat eentonig. De vormgevers hebben dit gebrek vermoedelijk op willen lossen door de kaderteksten van kleur te voorzien. Dit is goed gelukt. Daarnaast zijn er diverse quotes opgenomen op de pagina’s waar afbeeldingen ontbreken. Voorzien van een groene achtergrond voegen deze ietwat saaie quotes niet veel toe aan het verhaal. Het boek werd dit jaar in het kader van 75 jaar bevrijding uitgegeven. Helaas heeft een van de auteurs dat niet meer mee kunnen maken. Charles Coster overleed in 2016. De publicatie heeft geen winstoogmerk en wordt tegen kostprijs aangeboden. Dit maakt de aanschaf voor een ieder die interesse heeft in de Tweede Wereldoorlog en het Nederlandse verzet aantrekkelijk. En voor wie geen zin heeft om te lezen zal er ook een luisterboek verschijnen, ingesproken door niemand minder dan de bekende Nederlandse acteur en neef van Cees de Jong, Gijs Scholten van Aschat. Hij zal vast ontzettend trots zijn op zijn oom Cees, de verzetsman waar we eigenlijk niet meer om heen kunnen.

Charles Coster van Voorhout (†) en Hans Hoffmann, Verzet in Bloemendaal. Cees de Jong en zijn vrienden in de oorlog, Uitgever: Jan C. de Jong, 2020, 286 pp, ISBN: 9789090328300. Prijs: € 5,37

Ad van der Zee

Tijdens het thuiswerken in coronatijd is het nodig om geregeld achter je beeldscherm vandaan te komen en een wandeling te maken. Nu heb ik het geluk dat ik in de buurt woon van Wandelbos Groenendaal in mijn woonplaats Heemstede. Het is een parkachtig bos met prachtige oude bomen en zo’n beetje mijn achtertuin. Het barst er van de vogels en je komt er soms reeën tegen. Ik hield er ook af en toe kantoor tijdens die mooie voorjaarsdagen in mei van dit jaar. Gezeten op een houten bankje, laptop open geklapt en iPhone bij de hand, kon ik vanuit het bos zelfs inloggen op het netwerk van mijn organisatie, als het moest. In andere tijden vliegen er nogal wat vliegtuigen van of naar Schiphol over, maar nu heerste er totale rust. De merels, mezen en roodborstjes zongen me toe, zo was thuiswerken een feest!

Afb. 1 Werkplek van de auteur bij een van de Zocher-vijvers. Foto: Ad van der Zee, 2020

Nu had het maar weinig gescheeld of dat mooie wandelbos was er nooit gekomen. Het huidige parkbos maakt deel uit van de oude buitenplaatsen Bosbeek, Meer en Berg en Groenendaal die in de 17de eeuw waren ontstaan en sinds het midden van de 19de eeuw eigendom waren van de familie Van Merlen. Eerdere eigenaren, onder wie de bankier John Hope en de Amsterdamse familie De Neufville, hadden in de 18de en vroege 19de eeuw het parkbos laten aanleggen en verfraaien door de vermaarde landschapsarchitecten Daniel Marot (1661-1752) en Jan David Zocher (1763-1817), aanvankelijk in barokstijl, later in Engelse landschapsstijl. Er waren eiken en linden geplant langs rechte lanen met lange zichtlijnen, maar er waren ook slingerpaadjes, vijvers en beekjes, helemaal in de Zocherstijl. Enkele eiken zijn gedateerd op ongeveer 1770 en zij staan er nu nog! Ten einde de vijvers van genoeg water te voorzien en voor voldoende druk te zorgen voor de fonteinen had John Hope in 1781 zelfs een pomphuis met ‘vuurmachine’ laten bouwen – de tweede stoommachine van Nederland. Een klein windmolentje zorgde er voor dat er water vanuit elders naar het parkbos werd aangevoerd. Ook waren er hier en daar verscheidene folly’s, zoals het zogenaamde ‘Graf van Rousseau’, een belvédère en een schelpen-nis. Door de samenvoeging met aanpalende kleinere hofsteden en buitenplaatsen was er rond 1900 een groot landgoed van 62 hectare gegroeid.

Maar in 1912 was de laatste eigenaresse, de douairière Van Merlen, overleden en haar erfgenamen wilden van de buitenplaats af. Er waren voldoende potentiële kopers. Het landgoed is gelegen op oorspronkelijke oude duinen uit de vroege Middeleeuwen. De bomen omhakken, het zand afgraven en verkopen en de vrijgekomen grond in gebruik nemen voor de bloembollenteelt, dat zou een mogelijkheid zijn en in de omliggende gebieden, met name in Hillegom, was dat dat toen een gangbare praktijk. De boeren wilden wel, maar gelukkig beschikte Heemstede over een initiatiefrijke burgemeester die dat niet liet gebeuren.

Afb. 2 Lange zichtlijnen over rechte paden is een kenmerk van het Groenendaalse Bos. Foto: Ad van der Zee, 2020

Een openbaar wandelbos

David Eliza van Lennep (1865-1934), was een man met een vooruitziende blik en daarom benaderde hij in januari 1913 uit eigen beweging de erfgenamen of Groenendaal wellicht te koop was. Heemstede was in die tijd een landelijk dorpje en nog lang niet de welvarende forenzengemeente die het in de jaren ’20 en ’30 zou worden, maar Van Lennep zag wel mogelijkheden om die kant op te gaan. Er waren al beginnetjes zichtbaar van uitbreidingen. Om een aantrekkelijke vestigingsplaats voor Haarlemmers en Amsterdammers te worden zou een openbaar wandelbos een goed selling point zijn voor zijn gemeente, zo had hij bedacht. Dergelijke grote openbare recreatiegebieden waren er niet zoveel en om Heemstede in de vaart der volkeren op te stuwen stelde hij zijn gemeenteraad voor om het landgoed te kopen. De vraagprijs was 325.000 gulden, een gigantisch bedrag, het tienvoudige van de jaarlijkse opbrengst aan gemeentelijke belastingen en dat voor een bos dat alleen bedoeld zou zijn om in te wandelen en verder niet productief in traditionele zin. Om een dergelijke hoeveelheid gemeenschapsgeld te besteden aan een wandelbos was in die tijd ongehoord, maar Van Lennep kon zijn raad overtuigen en de koop werd gesloten, waarbij de koopsom uiteindelijk op 318.000 gulden werd bepaald. De landhuizen zelf werden afgesplitst van het landgoed en apart verkocht.

En het bleek te werken, Van Lennep was werkelijk visionair geweest. Groenendaal trok vanaf de officiële opening in 1913 tal van dagjesmensen uit de wijde omtrek en in de jaren daarna vestigden zich steeds meer nieuwe inwoners vanuit Haarlem en Amsterdam in Heemstede. Er kwamen gaandeweg allerlei recreatieve voorzieningen in het wandelbos, zoals een café-restaurant, een speeltuin, een tennispark en een kinderboerderij, maar de weldadige rust is nog steeds aanwezig. Dat had Van Lennep toch maar mooi voor elkaar gekregen en daar kun je hem als 21ste-eeuwse thuiswerker alleen maar dankbaar voor zijn.

Afb. 3 De voormalige Tolpoort van de trekvaart Haarlem Leiden, gedateerd 1695, vormt sinds 1934 de toegangspoort tot het tennispark. De stadswapens van Haarlem en Leiden staan bovenop de pilaren. Foto: Ad van der Zee, 2020.

Tot slot nog een mooi detail over Groenendaal. Toen in 1928 het treinstation Heemstede-Aerdenhout (een voorganger van het huidige station) werd gebouwd en de tolpoort van de trekvaart Haarlem-Leiden die daar sinds 1657 stond (in 1695 vernieuwd) moest worden afgebroken, besloot men een paar jaar later om die tolpoort weer op te bouwen in het Groenendaalse Bos. Tot op de dag van vandaag vormt die poort de toegang tot het tennispark ter plaatse. En zo is er voor deze trekvaartliefhebber ook in Groenendaal nog altijd wat aan historisch erfgoed te genieten.

Meer lezen?

  • Over de cultuurhistorische waarde van Groenendaal, met ontwerpen van Zocher en Marot zie dit rapport van de gemeente Heemstede: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/images/Heemstede/i252912.pdf
  • Over de geschiedenis van het Groenendaalse Bos is in 2013 een informatief boek verschenen van de Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek: Groenendaal, van buitenplaats tot wandelbos, (div. auteurs).

Jeannette Kamp

In Holland staat een huis. Om precies te zijn op de hoek van de Beschuitsteeg en de Nieuwstraat in Leiden, tegenover de Hooglandse kerk. Het huis valt op door haar oude steen, scheve muren en kleine duren en ramen, waarmee het scherp afsteekt bij de rest van de gebouwen in de omgeving. Maar wat heeft dit huis – dat ca. 1365-70 gebouwd is en het oudste nog bestaande huis in Leiden is – te maken met de banden tussen Holland en Amerika? En welke rol speelt dit huis als we het hebben over de ‘Hollandse’ identiteit in Amerika? In eerste instantie helemaal niets. Tot aan de Reformatie deed het huis dienst als priesterwoning, waarna het in gebruik werd genomen als woonhuis en werd opgedeeld in verschillende kleinere appartementen. De stad kon deze extra woonruimte goed gebruiken. Leiden groeide in deze periode namelijk explosief door de komst van verschillende geloofsvluchtelingen uit heel Europa die in het open en tolerante Holland een nieuw heenkomen zochten.

Afb. 1 Leiden American Pilgrim Museum, hoek Nieuwstraat-Beschuitsteeg. Foto: Herenld / CC BY-SA (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0)

En dan blijkt dat het huis toch van alles maken heeft met de Hollandse identiteit in Amerika. Het huisvest namelijk het Leiden American Pilgrim Museum. In 1607 vestigde zich – na een kort verblijf in Amsterdam – een klein groepje Engelse separatisten in de stad. Net als vele anderen, voelden zij zich aangetrokken tot Holland door de mogelijkheid om in relatieve vrijheid hun eigen geloof te belijden. In 1620 verliet een deel van dit groepje de stad weer om met de beroemde Mayflower de Atlantische Oceaan over te steken en zich daar als een van de eerste groepen kolonisten te vestigen. Deze groep, die uiteindelijk bekend is komen te staan als de Pilgrim Fathers, is van uitermate groot belang geweest voor de vorming van de (hedendaagse) Amerikaanse identiteit. Zo werd Thanksgiving, een belangrijke Amerikaanse feestdag door hen geïntroduceerd. De pelgrims worden door vele gezien als de oer-Amerikanen bij uitstek. Het kunnen aantonen een afstammeling van de pelgrims te zijn, verleent dan ook prestige. Een aantal Amerikaanse presidenten, zoals De Bush-familie en Barack Obama, heeft voorouders die voor hun vertrek naar Amerika in Leiden hebben gewoond.

In het oude middeleeuwse Hollandse huis belicht het Leiden American Pilgrim Museum het dagelijks leven van de separatisten in Leiden en hoe vormend deze periode is geweest. Het museum beslaat niet meer dan twee kleine vertrekken en is maar op beperkte tijden geopend. Van buiten is het ook nauwelijks zichtbaar: een uithangbord of vlag ontbreekt. Al bij binnenkomst wordt duidelijk dat de Hollandse tolerantie van centraal belang geweest is. In plaats van een kassa maken ze in  het museum gebruik van een collectebus uit de Waalse kerk. In de stad kwamen de pelgrims in contact met andere geloofsvluchtelingen, met name uit de Zuidelijke Nederlanden. Sommige van deze vluchtelingen volgden de pelgrims naar Amerika. Een van hen was Philippe de Lannoy, voorouder van de latere presidenten Frankline Delano Roosevelt en Ulysses S. Grant. De ruimte van het museum is ingericht als een 17de-eeuws woonhuis om de bezoeker te laten ervaren hoe het leven voor de pelgrims in Leiden moet zijn geweest. Wat vooral wordt benadrukt is de beperkte ruimte die ze hadden. Tafels stonden het grootste gedeelte van de tijd ingeklapt tegen de muur en om die reden werd vooral de onderkant rijkelijk versierd. Een van de hoogtepunten van de collectie is een originele sok uit de zeventiende eeuw, die bij restauratiewerkzaamheden aan de bedstede werd teruggevonden.

Afb. 2 Zicht vanuit het Leiden American Pilgrim Museum, 2009. Foto:Herenld / CC BY-SA (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0)

Hoe vormend zijn de jaren in Leiden geweest voor de Pilgrim Fathers? Brachten ze iets Hollands mee naar Amerika? Een voorbeeld is het civiele huwelijk dat ze in de koloniën introduceerden. Dit was rechtstreeks gebaseerd op het Hollandse huwelijksrecht. Daarnaast speelde de Leidse universiteit als centrum voor theologische debatten een cruciale rol in de vorming van de opvattingen van de pelgrims over religieuze vrijheid. En zelfs het oer-Amerikaanse Thanksgiving heeft volgens historici belangrijke Hollandse wortels. De pelgrims zouden zich bij de vormgeving van het oogstfeest onder andere hebben laten inspireren door de jaarlijkse viering van het Leids ontzet op drie oktober waar ze in hun tijd in Leiden getuige van waren geweest. Uiteindelijk besloten de pelgrims de stad, die zij omschreven als een ‘fair & bewtifull citie, and of a sweete situation’ toch te verlaten om hun kinderen niet al te veel te laten verhollandsen. Holland-Amerika met mate dus.

Deze bijdrage is eerder verschenen in Holland-Amerika (2018.2). Het complete nummer is hier te bestellen.