Wouter Linmans

Aan de Vliet, naast het regionaal archief in Leiden, staat een bronzen beeld van een mensfiguur die op symbolische wijze twee werelden overbrugt. Het beeld staat op de plek waar in 1620 de Pilgrim Fathers vertrokken. Ze voeren onder de Vlietbrug door, in de richting van Delfshaven, gingen in Groot-Brittannië aan boord van de Mayflower, en zetten koers naar de Nieuwe Wereld. Het monument aan de Vliet, vervaardigd door Gert van der Woude, staat er sinds 2003. Op een lange gedenksteen aan de voet van het monument staan de familienamen van Leidse Pilgrims. Allerton, Bradford, Carpenter, Fletcher, Masterson, Winslow: Engelse calvinisten die begin 17de eeuw naar Nederland uitweken. Ze vestigden zich in Leiden waar ze elf jaar woonden.

Monument aan de Vliet ter nagedachtenis aan het verblijf van de Pilgrim Fathers in Leiden, door Gert van der Woude, 2003. Foto: Wouter Linmans, 2020.

In de binnenstad, aan de voet van de klokkentoren van de Hooglandse Kerk, staat het Leiden American Pilgrim Museum, een grote naam voor een klein museum. Twee eeuwenoude woningen zijn ingericht met meubels uit de tijd van de Pilgrims en tonen aspecten van het dagelijks leven. Ik ben er begin dit jaar voor het eerst geweest. Het voelt alsof je een tijdcapsule binnenstapt. De kleine vloertegels rond een oude haard zijn nog origineel en het ruikt er naar meubelstukken uit de 17de eeuw (er staat zelfs een middeleeuwse stoel, waar je even op mag zitten).

Na een reis van meer dan zestig dagen gingen de Pilgrims in november 1620 aan land op het schiereiland Cape Cod, niet ver van de huidige stad Boston. In hun kielzog werd in de loop der jaren een indrukwekkende reeks monumenten opgericht, waaronder het beeld aan de Vliet in Leiden, een glas-in-loodraam in de Pelgrimvaderskerk in Delfshaven, en grote stenen monumenten in Southampton (Groot-Brittannië) en Provincetown (Verenigde Staten). Een aantal Pilgrims bleef in Leiden achter, waaronder hun geestelijk leider John Robinson. Een plaquette aan de buitenmuur van de Pieterskerk herinnert aan zijn dood – vermoedelijk het meest ingetogen gedenkteken voor de Pilgrims. ‘Buried Under this House of Worship, 4 Mar.1625. In Memoria Aeterna Erit Justus’.

Dit jaar is het 400 jaar geleden dat de Pilgrims naar de Nieuwe Wereld vertrokken. Leiden is één van de steden waarin die gebeurtenis wordt herdacht. Museum De Lakenhal verzorgt een speciale tentoonstelling over de reis: ‘Pilgrims naar Amerika – en de grenzen van vrijheid’. Erfgoed Leiden en Omstreken heeft de opdracht gegeven om 3d-impressies van vier locaties in Leiden rond 1610-1620 te laten maken. Beide initiatieven laten de bezoeker op een bijzondere manier kennis maken met de wereld en het gedachtengoed van de Pilgrims vierhonderd jaar later. Kijk voor meer informatie over de herdenking van 400 jaar Pilgrims op. www.mayflower400leiden.nl/.

En wil je meer weten over Leiden American Pilgrim Museum, lees dan het topstuk van Jeannette van der Kamp in Holland 2018-2 over het verborgen Amerikaans erfgoed in Holland.

Podcast Koen van Toen | Aflevering Twee Noordwijkse Engelandvaarders (1943) (duur: 8:53 min)

Gesignaleerd door Lisa Lucassen

Juist in deze tijden van thuisblijven zijn podcasts een ideale manier van tijdverdrijf. Voor Koen Marijt was de crisis aanleiding om met zijn bedrijf Koen van Toen een eigen podcastserie te beginnen. Informatie over allerlei aspecten van de Noordwijkse geschiedenis was al uitgezocht en lag klaar om middels lezingen aan het publiek verteld te worden. Toen bijeenkomsten slechts beperkt mogelijk waren, was het creëren van een podcastserie een ideale manier om de geschiedenis naar de mensen te brengen. Zijn serie bevat voornamelijk verhalen over deze badplaats tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook voor niet-locals zijn de verhalen die Koen vertelt intrigerend.

Neem de aflevering over de twee Noordwijkse Engelandvaarders Leendert Hellenberg en Leendert den Hollander. Twee neven die in 1943 een sprong in het diepe waagden door de overtocht naar Engeland te maken. Ik ken verhalen over mannen die het jammerlijk niet gelukt is. De twee studenten Willem Heilbron en Dolf Scherpbier, bijvoorbeeld, probeerden al eerder in september 1941 de Engelse kust te bereiken via het strand van Katwijk. Met hun vouwkano kwamen zij helaas niet ver. Ze moesten hun poging afblazen. Gelukkig konden zij wegkomen zonder gezien te worden. Zal het deze twee neven uit Noordwijk wel lukken? Zeker als je bedenkt dat het 1943 is. Je kan niet zomaar het strand op lopen met een boot. De gehele Nederlandse kust is verboden terrein, ook wel Sperrgebiet genoemd. Dus hoe willen deze twee mannen dit voor elkaar krijgen?

Koen bouwt zijn verhaal goed op. Oplopend naar de climax. Het verhaal van Leendert Hellenberg en Leendert den Hollander is gebaseerd op persoonlijke brieven van Hellenberg. Hierdoor komt het verhaal tot leven en kun je je goed voorstellen hoeveel spanning deze mannen hebben gevoeld tijdens hun overtocht naar Engeland in 1943. Ik luister graag podcasts met een persoonlijk verhaal. Een verhaal waarin de personen tot leven komen aan de hand van historische bronnen. De afleveringen van historicus Koen Marijt maken nieuwsgierig en zijn een aanrader om te luisteren. Het zijn boeiende verhalen die je voor even mee terug de tijd in nemen.

Beluister hier de aflevering Twee Noordwijkse Engelandvaarders (1943): https://www.koenvantoen.nl/podcast/

Henk Looijesteijn

Hollanders laten zich voorstaan op hun nuchterheid. Maar nog diep in de 20ste eeuw waarschuwden ze allerwegen hun kroost weg te blijven bij de waterkant. Daar lagen immers tal van verdrinkende waterspoken op de loer. Vele namen hadden deze waterschrikken, als krulleboes, haantje pik, boeman of bul, maar in heel Holland, van de Hoeksche Waard tot de Anna Paulownapolder, troffen de volkskundigen van het Meertensinstituut vooral de bullebak aan. Op de verspreidingskaart uit 1965 ontbreken meldingen uit Amsterdam en omgeving, maar juist in de hoofdstad zijn nog sporen te vinden van deze gevreesde waterschrik.

Afb. 1 Overzichtskaart Watergeest en waterschrik door P.J. Meertens e.a., 1965. Geraadpleegd via Joep Kruijsen en Nicoline van der Sijs (samenstellers) (2016), Meertens Kaartenbank, op www.meertens.knaw.nl/kaartenbank/; eerste versie gelanceerd in 2014.

Op negen minuten lopen van mijn huis vind je de Bullebaksluis, daar waar de Bloemgracht en de Lijnbaansgracht elkaar kruisen. Tegenwoordig is het een brug, maar toen het in 1613 werd gebouwd was het een sluis naast de Raampoort, zodat je vanuit de Bloemgracht de Singelgracht op kon varen. Al in de 17de eeuw werd de sluis in verband gebracht met de bullebak, die overigens overal in Amsterdam te vinden was, hetgeen niet verbaast gezien de vele verdrinkingen in vroegmodern Amsterdam. De geschiedschrijver Jan ter Gouw (1814-1894) legde het aan de sluis verbonden volksverhaal vast in zijn boek Amstelodamiana (Amsterdam 1874; blz. 177-178): de bullebak ‘was een ijselijk waterspook, dat in diepe kolken woonde, en altijd op de loer lag, om den onvoorzigtige, die zich te digt op ’t kantje waagde, bij de beenen te pakken en in de diepte te sleepen. Ook dit sluisgewelf werd voor een schuilhoek van den Bullebak gehouden: bij donkeren avond kon men hem horen brullen en ’t water horen ruischen van zijn gewoel; ja, er waren lieden die zijn kop met vurige oogen over de sluisdeur hadden zien uitkijken’.

Afb. 2a-b De Bullebaksluis, waar tot de 19de eeuw een ‘ijselijk waterspook’ woonde die onvoorzichtige Amsterdammers in het diepe water verdronk.

Vooral als er gespuid werd, liet de bullebak dus van zich horen, totdat de wallen en het sluisgewelf werden afgebroken. Niemand wist waarheen de bullebak verhuisd was, aldus Ter Gouw; blijkbaar was dat naar het uiteinde van de Lijnbaansgracht, waar die aansluit op de Brouwersgracht, want de brug daar kreeg de bijnaam Bullebak, en heet tegenwoordig ook ambtelijk zo. Maar wie nu langs de kalm kabbelende wateren van de Lijnbaansgracht loopt, kan zich niet voorstellen dat daar ooit een verdrinkend monster rondwaarde.

Overigens ontbreekt het Amsterdam niet aan een plaatsvervangende urban legend, al moet men ervoor naar Nieuw West. Tussen 1948 en 1956 werd de voormalige Sloterdijkermeerpolder daar vergraven vanwege de zandwinning wat nodig was voor de aanleg en bouw van deze nieuwe stadswijken. Het daardoor ontstane en voor Hollandse begrippen buitengewoon diepe meer – op sommige plekken zelfs dertig tot veertig meter diep – werd bestemd voor buitenrecreatie. Vanaf 1957 mocht men er zwemmen, maar in de eerste weken verdronken al twee zwemmers in het midden van het meer, waar het water het diepst en koudst is. Sindsdien heeft het meer met name in hete zomers meer levens geëist. Vandaar dat moeders al in de jaren zestig hun zwemlustige kinderen waarschuwden voor het monster van de Sloterplas…

Afb. 3 De wateren van de Sloterplas herbergen naar verluid ook een verdrinkend monster – is het meer de huidige woonst van de bullebak? Hij woonde er al toen het nog een polder was…

Nu geeft het toch te denken dat ook de boeren in de verdwenen Sloterdijkermeerpolder gewoon waren hun kinderen te waarschuwen voor de bullebak… En zeg nu zelf, zo’n ruim en diep meer is toch prettiger wonen dan die smalle Lijnbaansgracht.  


Voor wie meer wil weten, Peter Paul de Baar schreef over de bullebak in Ons Amsterdam (https://onsamsterdam.nl/stadslegenden-de-bullebak). Zie voor het monster van de Monsterplas: Fred Martin, Jan-Paul van Spaendonck en Anthonie Holslag, Het monster van de Sloterplas (Amsterdam 2015).

Coolsingel, Kalverstraat, Dorpsstraat of de Hoogstraat. Wie kent ze niet? De één ontmoet er zijn idolen, de ander gaat er winkelen. Straten zijn vaak onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van een stad of een dorp. Soms leiden ze ook tot controverses. J.P. Coenstraat, kan dat nog wel? 

In samenwerking met de Gemeente Vlaardingen en Museum Vlaardingen duikt Holland. Historisch Tijdschrift op woensdag 29 juli van 10 tot 11 uur in de fascinerende geschiedenis van Hollandse straten. Tijdens een online webinar te volgen via Facebook vertellen drie sprekers hoe specifieke straten in Amsterdam, Schiedam en Vlaardingen ons meer kunnen vertellen over de geschiedenis van deze drie steden. Klik hier voor het programma.

Frank de Hoog

Afb. 1 Gezicht op Ter Heijde aan Zee. Foto: Frank de Hoog, 2020

Ter Heijde (of ‘De Heij’ voor Westlanders) is vrijwel tegen het strand aangebouwd. In het verleden werd dit vissersdorp herhaaldelijk door de natuur bedreigd. Enkele keren heeft de zee het oude vissersdorp in zijn geheel verzwolgen. Maar geregeld wisten de dorpsbewoners dit te voorkomen door de bedreigde delen van het dorp af te breken en verder landinwaarts weer op te bouwen. Ter Heijde staat daarom ook bekend als een wandelend dorp. [1]

Niet alleen door de natuur maar ook door het handelen van de mens moest Ter Heijde herhaaldelijk opnieuw worden opgebouwd. In 1943 gaven de Duitsers het bevel om het oude vissersdorp in zijn geheel te slopen voor de aanleg van de Atlantikwall. Deze plaquette uit 1946 aan de gevel van het eerste huis aan de enige toegangsweg naar Ter Heijde herinnert aan de vierde keer dat het dorp zal opbloeien.

Afb. 2 Plaquette ter herinnering aan de herrijzenis van het dorpje Ter Heijde aan Zee. Foto: Frank de Hoog, 2020

In 2019 kreeg dit verhaal een bijzonder vervolg. Via Twitter schonk de Nederlandse zanger en auteur Bastiaan Ragas aan de gemeente Westland een plaquette ter herinnering aan het heuglijke feit dat Ter Heijde aan Zee voor de vierde maal herrezen was. Het bord hing in de voormalige burgemeesterswoning in Lisse toen de ouders van Ragas dit huis kochten. De vorige bewoner, burgemeester Berends, had deze plaquette op 7 december 1960 gekregen van de inwoners van Ter Heijde toen hij burgervader was van de gemeente Monster, waar het vissersdorpje onder viel.[2]

De boodschap van beide herinneringsplaquettes is in elk geval duidelijk: deze Hollandse plek komt er altijd weer bovenop.

Meer lezen over deze kustplaats? In 2010 verscheen een artikel in Holland over de teloorgang van de visserij in dit dorp. https://tijdschriftholland.nl/wp-content/uploads/Holland2010_2web.pdf


[1] https://www.hvmonsterterheijde.nl/over-monster-en-ter-heijde

[2] https://www.ad.nl/westland/hoe-een-historische-plaquette-uit-ter-heijde-in-de-verzameling-van-bastiaan-ragas-terechtkomt~a3f84b5c/

In het Zuid-Hollandse Gouda liggen inmiddels niet minder dan 258 struikelstenen. Drijvende kracht achter de lokale organisatie is de jazz-zangeres Soesja Citroen, die hiervoor recent het ereburgerschap van haar woonplaats verkreeg. Zij besloot om de struikelstenen, waarop slechts naam, geboortejaar, deportatie en plaats en datum van moord vermeld staan, toe te lichten in een boek van eigen hand. Per adres wordt het verhaal verteld van de bewoners, hun familiare en professionele achtergrond en hun lotgevallen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bart Wallet heeft het boek voor ons gerecenseerd. Zijn bevindingen leest u hier.

Gouds papieren monument

Bart Wallet, Assistant Professor in Politieke en Religieuze Geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam

Eerst werden joden slechts als Nederlanders herinnerd, toen als gemeenschap en tegenwoordig als individuen. Zo laat zich in het kort de ontwikkeling van de herinneringscultuur rond de tijdens de Tweede Wereldoorlog vermoordde joden schetsen. Het is onmiskenbaar dat vanaf omstreeks de eeuwwisseling de aandacht niet meer zozeer naar joden als groep met gedeelde ervaringen uitgaat, maar naar de heel persoonlijke lotgevallen van elk van hen sinds 1940. Dat uit zich duidelijk in de dynamiek van de monumenten: gedenkplaatsen voor de joodse gemeenschap als geheel waren dominant in de periode 1970-2000, thans zijn het vooral Stolpersteine die geplaatst worden. Dit van oorsprong Duitse initiatief van Europese proporties, beoogt om omgekomen joden te herdenken door middel van een struikelsteen in het trottoir voor het laatste in vrijheid gekozen woonadres.

Goudse struikelstenen

Ook in het Zuid-Hollandse Gouda liggen inmiddels niet minder dan 258 struikelstenen. Drijvende kracht achter de lokale organisatie is de jazz-zangeres Soesja Citroen, die hiervoor recent het ereburgerschap van haar woonplaats verkreeg. Zij besloot om de struikelstenen, waarop slechts naam, geboortejaar, deportatie en plaats en datum van moord vermeld staan, toe te lichten in een boek van eigen hand. Per adres wordt het verhaal verteld van de bewoners, hun familiare en professionele achtergrond en hun lotgevallen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De overlevende familieleden worden daarbij ook vermeld. De informatie wordt aangeboden op staatsnaam, alfabetisch geordend. Wat verwarrend is dat de bijgeleverde genummerde plattegrond met 64 locaties een andere volgorde hanteert – vermoedelijk in volgorde van plaatsing van de struikelstenen.

Het boek is een hybride publicatie. Het biedt enkele bladzijden per locatie, die afhankelijk van het beschikbare materiaal zoveel mogelijk vertellen over de vermoordde Goudse joden. Ook drie gedichten van de hand van lokale dichters die bij de onthullingsplechtigheden worden voorgedragen, zijn toegevoegd. Daarnaast wordt in een ander deel van het boek allerlei meer algemene informatie gegeven over de oorlog, joodse geschiedenis en het Stolpersteine-project. Tot slot bespreekt Citroen haar herinneringen aan Hans Citroen, haar Haags-joodse grootvader die Auschwitz overleefde. Deze drie onderdelen worden bijeengehouden door het persoonlijk engagement van de auteur. In al die stukken is zij zelf aanwezig als kleindochter, organisator en onderzoeker. Het is duidelijk dat zij haar hele ziel en zaligheid hierin heeft gelegd en met een respect afdwingende volharding het Goudse struikelstenenproject trekt.

Herinneringsdocument

Deze insteek maakt dat het boek in dubbele zin een herinneringsdocument is. Ten eerste omdat het voor de vermoordde Goudse joden op deze manier een papieren monument opricht; ten tweede omdat het boek als expressie van de Jewish memory van de auteur begrepen moet worden. In zijn invloedrijke boek Zakhor heeft de Amerikaanse historicus Yosef Hayim Yerushalmi onderscheid gemaakt tussen Jewish history en Jewish memory. Waar de eerste staat voor een moderne, wetenschappelijke historische benadering, die uitgaat van afstand tussen verleden en heden, wil Jewish memory juist heden en verleden op elkaar betrekken. De joodse traditie is, vanuit dit perspectief bezien, doortrokken van deze herinneringsmodus. Zo is ook Hier woonden een uitdrukking van de verwevenheid van heden en verleden, van de betekenis die de Sjoa heeft voor de identiteit van overlevenden en hun nazaten. Maar ook van de potentie daarvan voor een bredere stedelijke samenleving als de Goudse.

De herinneringsinsteek wordt overigens ook goed zichtbaar in de locatiebeschrijvingen. De informatie over de vermoorde joden komt uit een veelheid van bronnen (die helaas niet geannoteerd wordt): politiearchieven, Joodse-Raadkaarten, familiedocumenten, maar vooral ook veel oral history. Voormalige schoolkameraadjes en buurtkinderen vertellen hun herinneringen aan de joodse Gouwenaren. In die zin had dit boek ook kunnen heten: Gouda herinnert. Vanuit dat perspectief bezien, levert Citroen veel materiaal aan voor de studie van hoe de herinnering aan de vermoordde joden voortleeft.

Citroen benoemt het niet, maar het lijkt duidelijk dat dit pas het eerste boek is van wat een tweeluik moet gaan worden. Hier worden de portretten gepresenteerd behorend bij de 258 thans geplaatste struikelstenen. In totaal zijn echter 388 joodse Gouwenaren vermoord en het streven is hen allen met een struiksteen te eren. Dan kan een vervolg op dit boek niet uitblijven. Met Hier woonden heeft Citroen de stad Gouda alles in handen gegeven om de gehoorzaam uitgeleverde, soms ruw verraadde en vervolgens uitgemoorde joodse gemeenschap te blijven herdenken. Als uiting van piëteit naar de vermoordden, maar ook als opdracht voor het heden.

Soesja Citroen, Hier woonden. Stolpersteine Gouda, Gouda: uitgave in eigen beheer, 2020, 304 pp, ISBN 978-90-9033039-6. Prijs: €32,50

Valika Smeulders

Als kind verslond ik verhalen over leeftijdsgenoten in verre streken en situaties die mij vreemd waren. Ik begon met sprookjesboeken waarin kinderen terechtkwamen bij heksen, reuzen en boze stiefmoeders. Dat werd levensechter: ik volgde Remi die Alleen op de wereld rondzwierf en liet me meevoeren door Anne Frank naar Het Achterhuis. Zij namen mij mee naar een wereld van onrecht, waarin zij ondanks alles bleven doorzetten en hopen. Wat zij meemaakten was verdrietig, maar hun verhalen wekten ook bewondering en riepen op tot zelfoverstijgende moed.

Verhalen over onrecht blijken ook veel bezoekers te trekken. Zo wordt Het Achterhuis jaarlijks bezocht door 1.250.000 mensen. Maar ook het Dickens Festijn in Deventer, dat ondanks de vrolijke naam draait om weeskinderen die met kerst in de kou staan, telt jaarlijks 125.000 bezoekers Omdat ik mij beroepshalve bezighoud met ‘moeilijke geschiedenis’, onder meer verbeeld in musea, maak ik mee hoe deze op bezoekers overkomt. In gastenboeken en tijdens gesprekken lees en hoor ik regelmatig hoe belangrijk zij het stilstaan bij onrecht vinden, vanwege de tijdloze en universele relevantie. De confrontatie met onrecht aangaan is geen zelfkastijding, maar inspireert tot empathie, het relativeren van ‘je eigen sores’ en dromen over een betere wereld. Daarvan getuigen bezoekers, afkomstig uit India tot Zweden en Ecuador tot Nederland, van slavernijmusea in Ghana tot Curaçao.

Afb. 1 Ontwerp voor een beeld van Anton de Kom. Model van hout van Jikke van Loon, 2005. Collectie Rijksmuseum.

Tegelijkertijd gaan in het publieke debat stemmen op die ervoor pleiten het Nederlandse slavernijverleden op de achtergrond te houden. Met een benaming als ‘de Gouden Eeuw’ wordt in een schitterende vermomming in feite een grote grijze schim geworpen over een deel van de nationale geschiedenis.

Een schim waarin veel kansen verloren gaan. De kans om te analyseren waarom een systeem gebaseerd op ontmenselijking ingevoerd kon worden en zo lang kon bestaan. De kans voor zelfreflectie, die onze politieke hoofdstad Den Haag, tegenwoordig Stad van Vrede en Recht, zou versterken. De kans om te onderzoeken wie er onder het systeem hun weg moesten zien te vinden, wie er vrijwillig en onvrijwillig deel van uitmaakten en wie ertegen in verzet kwamen. Zonder in de valkuil van het veralgemeniseren van heldendom te stappen, denk ik dat er gedurende die eeuwen veel meer stemmen tegen slavernij bestonden dan nu gedacht wordt, zowel onder slaafgemaakten als niet-slaafgemaakten. En daarmee gaat in deze schim ook de kans verloren ons te laten boeien en inspireren door al die mensen over wiens doen en laten we nu nog veel te weinig weten.

In 2020 richt het Rijksmuseum in Amsterdam de schijnwerpers op tien van deze individuen in een tentoonstelling over slavernij met een biografische opzet. Dit is niet het enige museum dat steeds meer aandacht besteedt aan een complexer narratief over ons koloniale verleden. In die complexiteit verliezen sommige vertrouwde namen iets van hun glans, doordat schimmige praktijken voor het voetlicht komen, maar worden we ook een aantal nieuwe helden rijker.

Deze column verscheen eerder in Schimmige zaken in Holland (2019). Dit nummer, met daarin ook een interessant artikel over slavenverzekeringen, is te koop in onze webwinkel.

Roosje Peeters

Afb. 1 De toegangspoort van de burcht van Leiden, met rondom de poort familiewapens van Leidse burggraven. Foto: Roosje Peeters, 2020.

Midden in het centrum van Leiden ligt een eeuwenoude burcht. Deze bevindt zich op een strategisch punt: op de plek waar de Oude en de Nieuwe Rijn samenstromen. Reeds in de loop van de 9de en 10de eeuw is op deze locatie een motte opgeworpen, een kunstmatige heuvel, die werd gebruikt als toevluchtsoord in tijden van nood. Waar eerst houten gebouwen stonden, is waarschijnlijk in de 13de eeuw een tufstenen versterking aangelegd op bevel van de graven van Holland. In volgende eeuwen hebben verschillende verbouwingen, uitbreidingen en restauraties plaatsgevonden. Net zoals de jaarringen van een boom wijzen de verschillende steensoorten in de ringmuur op de ouderdom van het bolwerk en de verschillende stadia in haar bestaan.


Afb. 2 Gezicht op de burcht van Leiden, met links het hertenkamp en vooraan de fontein. Ets door Abraham Delfos, 1763-1770. Collectie Rijksmuseum.

Tegenwoordig is de burcht bijna volledig omgeven door een krans van woningen (die een prachtig uitzicht moeten hebben!) en slechts toegankelijk via een steeg en een poort. Al in de 14de eeuw is de burcht ingesloten door bebouwing en verliest zij haar eigenlijke militaire functie. Sindsdien heeft zij vele andere bestemmingen gekend. Zo is eind 17de eeuw een ware lusthof aangelegd in en rondom de burcht, compleet met doolhof, fontein, volière en hertenkamp. In de 21ste eeuw is daar geen spoor meer van te bekennen, maar de burcht is nog steeds een van de belangrijkste monumenten van Leiden en nog immer welbezocht. Studenten ontspannen in het gras op de heuvel en genieten van de avondzon. Toeristen lopen er langs de vele informatiebordjes en bewonderen de familiewapens van Leidse burggraven bij de poort. En menig Leidenaar beklimt met familie en vrienden de ringmuur om tussen de kantelen te genieten van het mooie uitzicht in alle richtingen.

Afb. 3 Uitzicht vanaf de kantelen op het weeshuis (links) en de Hooglandse kerk (rechts) in Leiden. Foto: Roosje Peeters, 2020.

Arjan Nobel

Oud-Beijerland, 1977 Ambtenaren ruimen de kluis op van het gemeentehuis. Naast rommel vinden ze ook allerlei waardevolle spullen. In een hoek liggen twee sleutelbossen. ‘A. Rood Molendijk Oud-Beijerland’, valt te lezen op het bruine kaartje aan de ene bos. ‘Huissleutels van den Jood Mozes van Tijn Huidenkoopman Kerkstraat’, meldt het papiertje dat aan de andere sleutels hangt. Ambtenaar Koos Schipper twijfelt even, maar kan het niet over zijn hart verkrijgen de bossen weg te gooien. Hij typt een briefje met wat achtergrondinformatie en brengt ze naar het Streekmuseum Hoeksche Waard in Heinenoord.[1]

Huissleutels van de familie Rood en Van Tijn in Oud-Beijerland. Collectie Museum Hoeksche Waard, Heinenoord.

Oud-Beijerland, 11 augustus 1942 De Molendijk ziet zwart van de mensen. Het lijkt wel alsof het hele dorp is uitgelopen. Verschillende mensen – op hun kleding een gele ster – banen zich een weg door de menigte. Onder hen bevinden zich slager Abraham Rood, zijn vrouw Betje Rood-den Hartog en hun kinderen Elias en Vrouwtje Sara. Vandaag moeten enkele Joden uit Oud-Beijerland zich melden in Rotterdam. Ze zullen tewerk worden gesteld in Duitsland. Iedereen weet ervan. Slager Rood – volgens Oud-Beijerlanders een ‘goede slager’ – heeft het zelf verteld aan zijn klanten. Het woord ‘onderduiken’ is gevallen, maar Rood is een optimist: ‘Ik ga wel werken’. Daar komt de tram. De Joden en enkele Oud-Beijerlanders die hun dorpsgenoten een stukje zullen vergezellen, stappen in. Arie Duifhuizen, een vriend van Elias Rood, maakt stiekem een paar foto’s. Hij kiekt een lachende Abraham Rood, terwijl deze in de tramopening staat. ‘Ik ben zo weer terug’ en ‘Tot gauw’, roept Rood nog. Langzaam zet de tram zich in beweging in de richting van Rotterdam.

Oud-Beijerland, september/oktober 1942 Het leven in het dorp heeft weer zijn gewone gang genomen. Slagerij A. Rood aan de Molendijk is nog steeds gesloten, maar er is een teken van leven in de vorm van twee korte briefjes. Het ene is geschreven door Betje, het andere door Vrouwtje Sara. De toon is optimistisch: ‘met ons gaat het best’. Betje doet de groeten aan ‘alle Beijerlanders’ en in het bijzonder aan ‘de buren’ van de Molendijk. ‘Indien het mogelijk is schrijven we later maar als het niet aankomt is het nog geen reden om ongerust te zijn.’ Ongerust of niet, ook andere Joodse Oud-Beijerlanders melden zich in Rotterdam. Eind oktober vertrekt huidenkoopman Mozes van Tijn, samen met zijn zussen Rijntje en Matje en de tachtigjarige Jetje van Leeuwen die bij de familie is ingetrokken. Met zijn vieren bewonen zij een huis in de Kerkstraat, naast de synagoge waar Van Tijn koster is. Ook dit huis komt leeg te staan.

Een lachende Abraham Rood in de tramopening, 11 augustus 1942. Collectie Museum Hoeksche Waard, Heinenoord. Foto: Arie Duifhuizen.

Heinenoord, 2007 Medewerkers ruimen de kluis op van het Streekmuseum Hoeksche Waard. In een hoek ligt een papieren zak met daarin twee sleutelbossen. Allebei zijn ze voorzien van een kaartje, met daarop een tekst. Nieuwsgierig laten ze de sleutels door hun handen gaan. Wat is dit precies? Onder in de zak zit een brief van een zekere ‘J. Schipper’. Die verschaft meer duidelijkheid. Het gaat om de huissleutels van twee Joodse families die in de oorlog zijn omgekomen. Vergast in Auschwitz. Abraham, Betje, Elias en Vrouwtje Sara Rood op 30 september 1942, Mozes en Rijntje van Tijn op 2 november van dat jaar. De zieke Matje van Tijn overleed op 5 december 1942 in Rotterdam; de laatste rustplaats van Jetje van Leeuwen is onbekend. Wat rest zijn twee sleutelbossen. Een herinnering aan een inktzwarte periode. Vandaag de dag worden zij permanent geëxposeerd in Museum Hoeksche Waard, ter nagedachtenis van het gezin Rood van de Molendijk en de familie Van Tijn uit de Kerkstraat in Oud-Beijerland.

Deze bijdrage is eerder als ‘Topstuk’ verschenen in Holland 52.2 (2020).


[1] Achtergrondinformatie over de sleutels is te vinden in: Gerda den Hartog, ‘De Joden’ in: Loek Dekker e.a., Oorlog in de Hoeksche Waard 1940-1945 (Heinenoord 2015) 83-101, aldaar 84 en 86-89.