Door Torsten Feys

Terug naar de bakermat

In 2024 stelde de gemeenteraad van Zandvoort zijn Toeristische Visie 2040 voor met als devies ‘gastvrij, sportief en jaarrond aantrekkelijk’. Toerisme is al lang de toekomst van Zandvoort, maar waar ligt nu de oorsprong van deze symbiose? Wanneer werd de kiem juist gelegd en, nog belangrijker: door wie, hoe en waarom?

Koen Marijt, die net een boek over nabijgelegen Noordwijk aan Zee publiceerde, klopt met deze vragen aan bij de gemeenteraadsleden. Ze richten een lokale historische werkgroep op ter ondersteuning van het boekproject dat het 200-jarige jubileum van Zandvoort als badplaats meer ruchtbaarheid geeft. Deze lovende opzet is een schoolvoorbeeld van het ontstaan van nieuwe inzichten over het lokale verleden . Het rijk geïllustreerde eindresultaat lost op vele vlakken de verwachtingen in. De enige keerzijde is dat het boek door de tijdsdruk wat ruwe kantjes heeft, zoals enkele tekstuele slordigheden. De uitgesponnen eerste en laatste hoofdstukken verdringen onnodig de essentie die in de middenhoofdstukken staat waardoor interessante onderzoekspistes onderbelicht blijven. Daarom leest dit boek eerder als een begin- dan als een eindpunt van een mooie samenwerking die het volledige, rijke verleden van Zandvoort als toeristische trekpleister onder de loep kan nemen. De huidige focus op de jaren 1820 leert ons veel over het ontstaan van de badcultuur, niet alleen in Zandvoort maar in het algemeen.

Initiatiefnemers en hun rekenraam

De hoofdrolspelers zijn vijf notabelen uit Haarlem en Amsterdam: W.P. Barnaart, W. van der Vlugt, Jacobus Enschedé, D.J. van Lennep en P. van Lennep. Een reconstructie van hun levensloop toont hoe hun interesses en sociale netwerken samenkomen bij de uitbouw van Zandvoort tot badplaats. Ze boekstaven dit in een Plan eener Negotiatie, een financieel voorstel van hun project dat investeerders moet overtuigen 150.000 gulden vrij te maken. Buiten Scheveningen bestaat in Nederland nog geen gelijkaardig initiatief, dat toen enkel in Groot-Brittannië ingeburgerd was. Toch slagen de commissarissen in hun opzet door zelf tientallen aandelen van 1.000 gulden aan te schaffen, maar vooral door ze bij derden onder te brengen. Dat koning Willem I ook tien aandelen inkoopt, illustreert de politieke en economische connecties van de initiatiefnemers. Vele andere projecten stranden reeds in deze cruciale fase, die doorgaans onderbelicht blijft maar hier bijzonder inzichtelijk wordt gemaakt.

Het opgehaalde geld dient om twee bekende infrastructurele ingrepen te financieren. Een straatweg naar Haarlem moet de toegankelijkheid van Zandvoort verhogen, niet in het minst voor de koetsen van rijke badgasten  die moeilijk aarden op onverharde zandwegen. De grootste investering gaat naar de inrichting van een badhuis. Hiernaartoe wordt zeewater opgepompt en verwarmd, zodat gasten hun kuur kunnen volgen zonder de gure open zee in te hoeven. De eerste sporen van een Plan eener Negotiatie dateren van 1825, en nauwelijks drie jaar later zijn de klinkerweg en het badhuis al opgeleverd. De commissarissen gaan duidelijk goed voorbereid en efficiënt te werk. Ze werven niet zomaar arbeiders, aannemers of architecten aan. Niemand minder dan architect T. Suys tekent het badhuis, de toenmalige hofarchitect van Willem I en later van Leopold I. Ook hun boekhouding klopt netjes, want de uitgaven blijven onder het geraamde budget. De uitgebreide nieuwe informatie over deze beginjaren brengt helder in kaart wie de betrokkenen van het eerste uur waren en hoe een uitgekiend plan werd gerealiseerd.

Beweegredenen

De notabelen zijn kinderen van hun tijd. Onder invloed van de romantiek verandert het beeld van de zeekust radicaal. Van een gevaarlijke en onherbergzame plek wordt de kust bewonderd om haar natuurlijke pracht en heilzame kracht. In Engeland beleeft de badcultuur aan zee haar doorbraak en steekt zij mede dankzij de vijf genoemde hoofdrolspelers het Kanaal over. De commissarissen benadrukken het belang van hun project ter verbetering van de gezondheid van streekgenoten (lees: gegoeden). De zeelucht, maar vooral het baden in en zelfs drinken van zeewater, schenkt geneeskracht tegen talrijke ziektes. Het project wordt bovendien als een economische reddingsboei voor Zandvoort opgeworpen. Aanhoudende politieke onlusten had de vissersgemeenschap in structurele armoede geduwd. Vooral de bouw van infrastructuurwerken komt de betrokken lokale gemeenschap ten goede. Hoe de lokale bevolking op lange termijn van dit elitaire toerisme profiteerde, blijft minder duidelijk. De weg wordt zelfs hertekend zodat de elite op weg naar het badhuis het armlastige dorp kan vermijden. Ook voor overnachtingen lijken de eerste toeristen eerder op Haarlem te rekenen. Het budget voorziet niet in een hotel en de logiesvoorzieningen blijven zeer beperkt. Winstoogmerk lijkt geen drijfveer voor de commissarissen; een plek uitbouwen om van de nieuwe hype te genieten des te meer.

D. van Lennep drukte de visionaire hoop uit dat hun project de inwoners van Zandvoort uit hun lijden zou verlossen en: ‘de zaden zou zaaien van een welzijn dat het gelukkigste resultaat voor de toekomst belooft.’ Zelf in zijn stoutste dromen kon van Lennep niet bedenken dat deze toekomst tot in de Toeristische Visie 2040 zou reiken. In dit interessante boek blijven wel enige vragen onbeantwoord. Zoals in welke mate de lokale vissersgemeenschap zelf vorm gaf aan deze nieuwe toekomst op langere termijn, of werd deze vooral door buitenstaanders ingevuld? Hoe gingen ze om met de seizoensgebondenheid van toerisme en wanneer nam sport een plaats in naast gezondheid? Genoeg invalspunten voor een vervolg waarin het verleden de toekomst overbrugt.

Koen Marijt (red.) En Zandvoorts heilig strand is van mijn ‘togt het doel’. Historisch onderzoek naar de aanleg van de straatweg en het badhuis in Zandvoort (1825-1828). Haarlem: Creative Cave Publishers, 2025, 162 blz., ISBN 9789491733352. Prijs €14,95.

Door Vincent Vlek

Op reis door Noord-Holland biedt een kleurrijk geïllustreerde introductie op de collecties van het Noord-Hollands Archief. Het boek staat onder redactie van Myrthe Krom en Patrick Vlegels, beide zelf respectievelijk als kunsthistoricus en historicus werkzaam voor het Noord-Hollands Archief. Het werk toont zeer uiteenlopende verhalen en beelden uit het Archief en rond de geschiedenis van Noord-Holland.

Het archief en de schatten die daar verborgen liggen

Het boek is opgebouwd uit tien hoofdstukken van verschillende (kunst)historici, conservatoren en een enkele sociaal geograaf, waarin telkens een thema uit de geschiedenis van Noord-Holland aan de hand van archiefstukken wordt uitgediept. Het leerzame eerste hoofdstuk wijkt af van deze opzet en gaat over de geschiedenis van het Noord-Hollands Archief, dat is gevestigd in de Janskerk in Haarlem. De hoofdstukken worden verder afgewisseld met korte intermezzo’s waarin een historische figuur of fenomeen uitgelicht wordt. Zo begeleidt een verhaal over ‘de tuinbaas’ Cornelis de Wilde, die de tuin van een buitenplaats beheerde, het stuk van Christiaan Bertram over de Noord-Hollandse buitenplaatscultuur. Op die manier wordt bijvoorbeeld ook de bijdrage van Koen Marijt over Noord-Hollandse badplaatsen aangevuld met een bijlage over de historische ontwikkeling van badmode. 

Het boek biedt de lezer een inkijkje in de wereld van het archief en de schatten die daar verborgen liggen.  Het is een uitnodiging om het archief zelf een keer te bezoeken en laat zien dat er veel meer mogelijkheden zijn voor onderzoek in dit archief dan de lezer op het eerste gezicht misschien zou denken. Met zijn vele prachtige illustraties en beschrijvende teksten leest het boek als een klassieke tentoonstellingscatalogus. Dit is ook niet geheel verwonderlijk, omdat er afgelopen jaar in het Archief een expositie was die gepaard ging met het boek.

Perspectief door de tijd heen

Door de historische opbouw van het archief en zijn collecties, die uiteengezet wordt in het eerste hoofdstuk, waarbij het oude Rijksarchief in Noord-Holland gefuseerd is met gemeentearchieven uit voornamelijk het Kennemerland, is er een zekere focus op de omgeving van Haarlem. Amsterdam en West-Friesland komen daardoor bijvoorbeeld minder aan bod. Desondanks weten de verhalen ook de lezer te boeien die geen speciale band heeft met het Kennemerland. Opvallend is dat er in de meeste bijdrages is gekozen voor een diachroon perspectief. Zo begint het intrigerende stuk van Krom over kunstenaarsverenigingen met gildes uit de late middeleeuwen, om via onder andere kunstacademies uit de 18de eeuw, kunstenaarscollectieven uit de 19de en 20ste eeuw uit te komen bij de huidige Vishal in Haarlem, die sinds 1993 de zelfstandige en gelijknamige kunstenaarsvereniging De Vishal huisvest. Dit perspectief door de tijd heen zorgt ervoor dat de zeer uiteenlopende onderwerpen aan relevantie winnen voor elke lezer en biedt bovendien de mogelijkheid om de rijkheid van de archiefcollecties te tonen aan de hand van zeer verschillende documenten en prenten.

Toon eerder wervend dan kritisch

Het voorwoord is van de directeur van het Noord-Hollands Archief, Willeke de Groot, en is misschien daarom weinig kritisch. Het was hier bijvoorbeeld interessant geweest om wat dieper in te gaan op de maatschappelijke rol van het archief, bewaarcriteria en voor- en nadelen van digitalisering van archieven, die overigens wel benoemd worden. Ook in de andere teksten komt dit niet echt terug, hoewel de bijdrage van Lisa van Beek en Alexander de Bruin over fotografie van het Sluizencomplex IJmuiden hierop een welkome uitzondering vormt. Vooral in het voorwoord, maar ook in de andere bijdrages, is de toon van de tekst wat te wervend. Zo staat er in het eerste hoofdstuk: ‘Het gebouw wordt van tijd tot tijd verbouwd, gerenoveerd en onderhouden. Daarmee blijft de Janskerk als publiekscentrum voor het Noord-Hollands Archief voor de komende decennia.’

Ook is het af en toe niet helemaal duidelijk op welk publiek de tekst zich richt. Zo wordt aan de ene kant het woord ‘legateerde’ gebruikt in plaats van bijvoorbeeld ‘liet na’, maar wordt aan de andere kant wel uitgelegd wat perkament is. Daarnaast mist er soms wat consistentie tussen de verschillende bijdrages, bijvoorbeeld in welke schrijfstijl een moeilijke term nader moet worden uitgelegd.

Als catalogus en inkijkje in het archief voor de geïnteresseerde liefhebber slaagt het boek in zijn opzet, ook al is de toon hier en daar wat kritiekloos en gaan de bijdragen soms te weinig in op interessante spanningen. De prachtige afbeeldingen die de teksten begeleiden geven lezers een historische sensatie die smaakt naar meer. Het boek is dan ook voornamelijk interessant voor de historicus die zelf niet in de gelegenheid is om een archief te bezoeken of nog onbekend is met de mogelijkheden van het Noord-Hollands Archief.

Myrthe Krom en Patrick Vlegels (red.),  Op reis door Noord-Holland. Verhalen uit de collecties van het Noord-Hollands Archief. Zwolle: Uitgeverij Wbooks, 2025, 239 blz., ill., ISBN 9789462587182. Prijs €29,95

Door Gabriëlle Negrón

Kunstcanon in beton?

In zijn Schilder-boeck (1604) zweeg Karel van Mander over ‘Nederlantsche vrouwen die t’Pinceel gheoeffent hebben’ – alsof zij eenvoudigweg niet bestonden. Ruim een eeuw later waagde Arnold Houbraken zich in zijn Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen (1718–1721) aan een voorzichtige correctie: dertien biografieën van vrouwen op een totaal van meer dan vijfhonderd kunstenaars. Het blijft een voetnoot in een mannenboek.

Ook de moderne kunstgeschiedenis bleek hardleers. In The Story of Art (1950) van Ernst Gombrich figureerde één vrouw; de eerste editie van History of Art (1962) van Horst Woldemar Janson telde er geen. Toch kreeg ik, ruim vijftig jaar later, als student kunstgeschiedenis nog steeds Gombrich en Janson als fundament aangereikt. De canon beweegt traag. Tegen die achtergrond is het niet meer dan terecht dat Janneke Budding in Meesteressen van het penseel vraagt wie de vrouwelijke schilders van de zeventiende-eeuwse Lage Landen waren. Zij kiest dertien kunstenaars en probeert hen terug te schrijven in een geschiedenis die hen eeuwenlang slechts zijdelings vermeldde.

Het speelveld van de Republiek

Voordat Budding haar dertien ‘meesteressen’ introduceert, schetst zij de economische en maatschappelijke context van de 17de eeuw. Volgens haar verschoof na de Nederlandse Opstand tegen Spanje – het opdrachtgeverschap van kerk en hof naar een brede burgerlijke markt van regenten, kooplieden en ambachtslieden. Kunst werd handelswaar. Halverwege de eeuw zouden in Holland tussen de vijf en tien miljoen schilderijen zijn geproduceerd. De val van Antwerpen in 1585 en de komst van Zuid-Nederlandse kunstenaars versterkten die ontwikkeling. Op basis van boedelinventarissen betoogt Budding dat schilderijen niet alleen in grachtenhuizen hingen, maar ook bij de middenstand. In het midden van de 17de eeuw zou een aanzienlijk deel van de huishoudens kunst bezitten.

Tegelijkertijd benadrukt Budding dat het schildersvak strikt gereguleerd bleef via de Sint-Lucasgilden. Toelating vereiste opleiding en kapitaal, en vrouwen werden slechts in geringe aantallen toegelaten. Volgens Budding bood de verstedelijkte, protestantse Republiek relatief veel werkruimte voor vrouwen, maar onder invloed van het calvinisme werd de norm tegelijk scherper afgebakend: de vrouw hoorde primair in het huishouden. Ze verwijst naar Jacob Cats, door haar getypeerd als de grote ‘zedenmeester’ van de eeuw, die in zijn bestverkochte Houwelick (1625) het vrouwenleven ordende in vier fasen: bruid, echtgenote, moeder en weduwe. In dat spanningsveld van commerciële kansen en morele begrenzing situeert Budding haar dertien vrouwen.

Eerherstel of herhaling?

Budding licht haar selectie slechts summier toe. Ze kiest voor een combinatie van bekende en minder bekende namen en dat resulteert in een veelzijdig gezelschap: Susanna Horenbout, Levina Teerlinc, Maria Faydherbe, Michaelina Wautier, Clara Peeters, Judith Leyster, Maria van Oosterwijck, Aleijda Wolfsen, Maria Sibylla Merian, Johanna Koerten, Gesina ter Borch, Alida Withoos en Rachel Ruysch. Miniatuur-, stilleven-, bloem- en genreschilders, een beeldhouwer en een knipkunstenaar – Budding laat overtuigend zien dat vrouwen in uiteenlopende disciplines actief waren, met intrigerende en vaak internationaal georiënteerde carrières.

Toch schuurt hier iets. Na haar proloog over vergeten namen sluit Budding veel hoofdstukken af met het hedendaagse succes en de zichtbaarheid van deze vrouwen. Daarmee ondergraaft zij deels haar eigen these van vergetelheid. Ruysch, Van Oosterwijck, Leyster, Ter Borch en Peeters zijn inmiddels wisselend vertegenwoordigd in de Eregalerij van het Rijksmuseum. Werk van Merian is recent aangekocht en Faydherbe staat op de Belgische Topstukkenlijst. Wautier en Ruysch kregen recent nog grote solotentoonstellingen. Daarnaast wijst Budding op hun popularisering: werk van Peeters verschijnt op telefoonhoesjes en mokken, Van Oosterwijck op T-shirts en Leyster zelfs op behang, wat volgens haar duidt op een heuse ‘Leyster-gekte’. Tegelijk noemt ze Maria de Grebber slechts terloops in het lemma over Leyster, terwijl De Grebber een onderbelichte Haarlemse kunstenaar is die nog altijd geen prominente plek in Nederlandse musea heeft.

Opvallend is bovendien dat Budding zich nadrukkelijk beroept op Linda Nochlin, Laura Mulvey, Germaine Greer en de Angelsaksische feministische traditie, maar de Nederlandse feministische kunstgeschiedenis grotendeels onbenoemd laat. Historische “vrouwententoonstellingen” en initiatieven als 1001 Vrouwen en het Digitaal Vrouwenlexicon onder leiding van Els Kloek en het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis blijven buiten beeld, terwijl juist dat laatste veelvuldig als bron wordt benut.

Budding concludeert dat het tij keert, al is er nog een lange weg te gaan. Daarin valt haar moeilijk ongelijk te geven. Dat het debat nog altijd gevoelig ligt, bleek recent toen De Telegraaf musea verweet ‘door te slaan met woke’ door werk van mannen te vervangen door dat van vrouwen. De canon is dus niet langer beton, maar ook geen rustig vaarwater. Wat Budding vooral biedt zijn heldere, zorgvuldig uitgewerkte biografieën van haar ‘meesteressen van het penseel’; kunstenaars die niet als uitzondering, maar als volwaardige tegenhangers van onze 17de-eeuwse meesters gelezen moeten worden.

Janneke Budding, Meesteressen van het penseel. Vrouwelijke kunstenaars in de 17e eeuw. Gorredijk: Sterck & De Vreese, 2025, 206 p., ill., ISBN 978946471427215. Prijs: €27,90

Door Lex van Tilborg

Wanneer in mei 1940 de Nederlandse regering halsoverkop het land ontvlucht, dragen de ministers het hoogste gezag over aan opperbevelhebber Winkelman en aan de belangrijkste ambtenaren van de tien ministeries, de secretarissen-generaal. De rol van Winkelman is na de capitulatie gauw uitgespeeld, maar die van de secretarissen-generaal niet. Zij blijven direct onder de Duitse bezetter het hoogste Nederlandse gezag vertegenwoordigen en zijn als zodanig verantwoordelijk voor de aansturing van het overheidsapparaat. ‘Pas goed op het land en als het te gortig wordt moet je aftreden’, luidde hun laatste instructie. De tien van Den Haag. Topambtenaren tijdens de bezetting van Stephan Steinmetz volgt het optreden van deze topambtenaren: we zitten met ze aan de vergadertafel, we volgen hun privégesprekken en worden deelgenoot van de vele dilemma’s waar zij zich in deze periode mee geconfronteerd zagen. Hoewel Steinmetz allerlei beleidsterreinen behandelt – van de bescherming van het overheidsapparaat tot werkgelegenheid, openbare orde en voedselvoorziening – ligt de nadruk terecht bij de rol die de topambtenaren speelden bij de invoering van allerlei anti-Joodse maatregelen, die uiteindelijk leidden tot de deportatie van ongeveer 140.000 Nederlandse Joden.

Perspectief van de topambtenaar

In zekere zin is dit een verhaal waarvan de lezer de afloop al kent. We weten immers dat de Nederlandse overheid op alle niveaus – van burgemeesters tot de politie en van de tot de NS – de vervolging van de Joodse bevolking heeft gefaciliteerd. Dat geldt ook voor de topambtenaren. Het is niet de vraag of ze tekort zijn geschoten, het is de vraag hoe ze tekort zijn geschoten en hoe verwijtbaar hun optreden is geweest. Steinmetz kiest ervoor om het perspectief van de secretarissen-generaal centraal te stellen: wat wisten ze, wat hadden ze kunnen weten, wat was hun speelruimte, hoe kwamen ze tot hun besluiten? Door ‘het diafragma zo ver dicht te draaien dat we hún perspectief innemen, kunnen we met hen oplopen.’ Steinmetz toont daarbij begrip voor de lastige positie waarin de topambtenaren zich bevonden. Ze zagen zich voortdurend voor dilemma’s gesteld die hen buikpijn bezorgden, waarbij ze moesten kiezen tussen twee kwaden. Opstappen of ontslagen worden – wat gebeurde, slechts twee secretarissen-generaal zaten de hele ‘rit’ uit – betekende vervangen worden door een NSB’er. Bovendien waren de secretarissen-generaal ervan overtuigd dat een gezamenlijk aftreden het land in chaos zou storten.

Fundamenteel verdwaalpunt

Juist de nuances in het beeld dat Steinmetz van de topambtenaren geeft, zorgen ervoor dat het extra pijnlijk aanvoelt wanneer deze mannen – stuk voor stuk democratisch ingestelde ambtenaren die de rechtsstaat in hoog aanzien hadden – al vrij snel een verkeerde afslag nemen en zich door de Duitsers een moeras van ongrondwettelijkheid in laten trekken. Het is verbijsterend om te zien hoe overijverig sommige van hen zich hebben gedragen bij het uitvoeren van de Duitse bevelen. Onthutsend is ook het overnemen van de logica van de Duitse bezetter in het geval van het gedwongen ontslag van alle Joodse ambtenaren. Steinmetz identificeert het besluit van september 1940 om geen Joden meer te benoemen tot ambtenaar als het fundamentele ‘verdwaalpunt’ van de topambtenaren. De secretarissen-generaal wisten dat dit rechtstreeks tegen de grondwet inging, ze tekenden protest aan, maar gingen toch na enkele dagen akkoord. Daarmee was het fundament voor de verdere anti-Joodse maatregelen gelegd en vond er onder de topambtenaren nauwelijks nog een principiële discussie over nieuwe anti-Joodse maatregelen plaats. Of zoals Steinmetz het vlijmscherp verwoordt: ‘In september 1940 riep een verbod voor Joden om ambtenaar te worden vragen op vanwege discriminatie, in mei 1941 riep een verbod voor Joden om een park te betreden de vraag op wat een park is.’ 

Steinmetz draagt verschillende factoren aan als verklaring voor het optreden van de topambtenaren: het vooroorlogse ambtelijke DNA, met zijn nadruk op gehoorzaamheid; het in Nederland wijdverspreide ‘lichte’ antisemitisme; Duitse misleiding enerzijds en een naïef geloof  tijdens de eerste jaren van de bezetting in de redelijkheid van de Duitse bezetter. Tot slot een overschatting van de eigen rol, want de secretarissen-generaal waren ervan overtuigd dat hun aanblijven cruciaal was voor het vertrouwen van de Nederlandse bevolking, terwijl in werkelijkheid bijna geen Nederlander wist wie zij waren.

Onder je huid

De tien van Den Haag is een schitterend boek dat een genuanceerd en tegelijkertijd onthutsend beeld schetst van het optreden van de hoogste Nederlandse ambtenaren tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het knappe is dat Steinmetz precies laat zien hoe en waar het mis ging zonder in te boeten aan nuance en complexiteit en zonder een moreel oordeel te vellen. Hij laat zo de lezer de ruimte om zelf na te denken over de morele implicaties van het optreden van de topambtenaren. Het is daardoor ook een boek dat onder je huid gaat zitten. Wat vind ik hier nu eigenlijk van? Ik loop na lezing van dit boek nu al dagen rond met die vraag. Een pasklaar antwoord heb ik nog steeds niet. Ook dat is knap.              

Vincent Steinmetz, De tien van Den Haag. Topambtenaren tijdens de bezetting. Amsterdam: Boom, 2025; 288 blz., ill., ISBN 9789024469956. Prijs: €29,90

Door Romy Beck

In 2018 verschenen de Wereldgeschiedenis van Nederland en de Wereldgeschiedenis van Vlaanderen. In deze boeken werd verteld hoe Nederland en Vlaanderen de wereld mede hebben vormgegeven en hoe tegelijkertijd landen, dichtbij en ver weg, de ontwikkeling van beide gebieden hebben beïnvloed. De succesvolle boeken werden in 2022 gevolgd door Nog meer wereldgeschiedenis van Nederland. Drie jaar later verschijnt weer een nieuw deel in deze serie: Wereldsteden van de Lage Landen. Stadsgeschiedenis van Nederland en België, onder redactie van Nadia Bouras, Jan Hein Furnée, Hilde Greefs, Jelle Haemers, Manon van der Heijden en Anne-Laure Van Bruane. Hierin richten meer dan vijftig historici hun blik op de stad, en laten zij zien hoe steden internationale vervlechtingen hebben belichaamd en bevorderd.

Steden hebben in de Lage Landen – het gebied dat we nu kennen als Nederland en België – altijd een invloedrijke rol gespeeld. Zoals de auteurs laten zien, waren ze ‘al sinds de oudheid nauw vervlochten met de rest van de wereld, door migratiestromen, handel, politieke overheersing en culturele uitwisseling’ (p.10). Rond 1700 woonde tussen de 29 en 46 procent van de mensen in steden, terwijl dit in de rest van West-Europa hoogstens 15 procent was. Kenmerkend voor de Lage Landen was dat hier sprake was van een fijnmazig netwerk van relatief kleine steden die dicht bij elkaar lagen. Als de redacteuren spreken over wereldsteden dan bedoelen ze niet zozeer miljoenensteden, maar juist dit netwerk dat zorgde voor dynamiek en een grote variatie aan functies. Vandaar ook dat zij ervoor pleiten om de stedelijke ontwikkelingen altijd te bestuderen in samenhang met de (stedelijke) wereld eromheen (p.12). 

Veel variatie

In dit boek komen veel steden aan bod. Voor Holland zijn dat Alkmaar, Amsterdam, Den Haag, Leiden, Rotterdam, Schiedam en Voorburg. In korte hoofdstukken van zeven à acht pagina’s belichten de auteurs telkens één kenmerk van een stad, variërend van klein tot groot en van uitzonderlijk tot alledaags. Daarnaast is er in deze bundel ook veel aandacht voor het koloniale verleden van verschillende steden. Zo laat Merel Blok in de bijdrage over Schiedam zien dat de geschiedenis van jenever – het bekendste exportproduct van de stad – ook nauw verbonden is aan slavernij. De drank diende als consumptiemiddel voor tot slaafgemaakten op plantages en als ruilmiddel voor machthebbers. ‘Via de drankenmakelaars in Rotterdam en Zeeland en hun leveranties aan slavenhandelaren is er een duidelijk verband te leggen tussen Schiedams gedestilleerd en de trans-Atlantische slavenhandel’ (p.229).

Een ander interessant hoofdstuk is dat van Jenna The, waarin de rol van dieren in Amsterdam en de wereld eromheen wordt besproken. The bestudeert de functies die duiven, honden en paarden in de stad hadden. Laatstgenoemde waren bijvoorbeeld niet alleen nodig voor de paardentram, maar vormden ook een bron van voedsel. Afgeschreven mijnpaarden uit Engeland werden per schip naar de hoofdstad vervoerd, waar zij hun einde vonden in het slachthuis. Exotische dieren zoals apen, papegaaien en panters kwamen richting de stad voor in de in 1838 opgerichte dierentuin Artis.

Zoals deze voorbeelden laten zien, kent het boek een enorme diversiteit aan verhalen. In andere ‘Hollandse’ hoofdstukken lees je bijvoorbeeld over Alkmaar als laatmiddeleeuwse hofjesstad of over de opvoering van een operette in 19de-eeuws Den Haag. De verschillende bijdragen maken deze bundel tot een levendig geheel. De kracht van dit boek is tegelijk ook zijn zwakte. De grote variatie in steden, perioden en onderwerpen gaat soms ten koste van de onderlinge samenhang. Het overkoepelende thema biedt weliswaar een verbindend kader, maar de afzonderlijke bijdragen hebben vooral een eigen karakter en focus. Het resultaat is een bundel waarin zeer uiteenlopende onderwerpen naast elkaar staan en die de lezer op toegankelijke wijze met deze diversiteit laat kennismaken. Wie zich verder wil verdiepen, kan terecht bij de literatuurlijst ‘Verder lezen’ die elk hoofdstuk afsluit.

Nadia Bouras, Jan Hein Furnée, Hilde Greefs, Jelle Haemers, Manon van der Heijden en Anne-Laure Van Bruaene (red.), Wereldsteden van de Lage Landen. Stadsgeschiedenis van Nederland en België. Amsterdam: Atlas Contact, 2025; 448 blz., ill., EAN: 9789045051055. Prijs: € 34,99.

Door Raymond Fagel, Universiteit Leiden

Syackkus de la Faielle

De hoofdrol in dit boek is weggelegd voor een relatief onbekende Antwerpse koopman van internationale allure uit de late 16de eeuw die lange tijd in Haarlem heeft gewoond. De kennis over zijn leven – en vooral over zijn daden – is grotendeels afkomstig uit de vele brieven van hem die bewaard worden in het rijke archief van zijn in Leiden actieve zwager Daniël van der Meulen, eveneens van Antwerpse komaf. Diens zuster Anna had het in een brief uit 1585 overigens over ‘Syackkus de la Faielle’, zodat we ons niet al te druk hoeven te maken over de correcte uitspraak van zijn bijzondere naam. Zijn door Goltzius getekende portret wordt bewaard in Teylers Museum.

Eric Wijnroks promoveerde in Nijmegen op een proefschrift over de Handel tussen Rusland en de Nederlanden, 1560-1640. Een netwerkanalyse van de Antwerpse en Amsterdamse kooplieden handelend op Rusland (Verloren: Hilversum 2003). Dit nieuwe boek zou je kunnen beschouwen als een vervolgstudie, maar evenzeer als geografische verbreding of als voorbeeld van een micro-geschiedenis binnen het veld van de economische netwerkanalyse. De in dit boek bestudeerde handel op Italië is relatief bekend terrein, die op Spanje al veel minder, maar vooral de handel op Marokko is grotendeels geheel onontgonnen gebied. Hoewel we vooral in het eerste hoofdstuk zicht krijgen op het sociale leven van Jacques is het boek in essentie een studie naar diens handelsactiviteiten, zijn samenwerking met Daniël van der Meulen en die met de nodige andere familieleden, dienaren, factors en handelsagenten.

Straatvaart op Italië en Spanje

Het hoofdstuk over Italië levert nieuwe inzichten op over het vroege begin van de straatvaart vanuit de Republiek, voortbouwend op de handel uit Antwerpen, die al eerder in de 16de eeuw plaatsvond. Zoals in de andere hoofdstukken bespreekt de auteur eerst de diverse producten die verhandeld werden, alvorens dieper in te gaan op de handelsrelaties zoals die vooral uit de correspondentie naar voren komen. We zien hoe de Antwerpse en de Amsterdamse handel in elkaar overliepen, hoe men vaak buitenlandse paspoorten gebruikte om niet in de problemen te komen en hoe men desondanks toch leed onder de confiscatie van schepen en de langdurige rechtszaken om de ingenomen goederen weer terug te krijgen. Tegelijkertijd toont de auteur aan dat het al om grote aantallen schepen ging (dertig à veertig schepen per jaar) en corrigeert hij het beeld van Jonathan Israel, die een te scherp onderscheid maakt tussen de Zuid-Nederlandse en de Noord-Nederlandse straatvaart.

De handel vanuit de Republiek op Spanje was in deze jaren gericht op de havens van Andalusië. Toch woonde Lambert Melis uit Enkhuizen in Alicante en deed daar zaken voor meerdere stadsgenoten. Sommige Amsterdammers waren zelfs gespecialiseerd in de handel op Oost-Spanje. Het was echter vooral de handel op Amerika via Sevilla die Nederlandse handelaren aantrok.

Spaanse handelsembargo’s

Centraal in het Spaanse hoofdstuk staat het functioneren van de embargo’s van de Spaanse koning met betrekking tot de schepen uit de Republiek. Volgens Israel zouden die embargo’s de Spaans-Nederlandse handel hebben ontwricht. De bronnen uit het Van der Meulenarchief laten echter zien dat Nederlanders zich voordeden als Duitsers en andere namen aannamen om de embargo’s te omzeilen. Jacques vinden we bijvoorbeeld als ‘Juan Jacomo Harlemo’. Je kon je Hollandse goederen verkopen aan boord van je schip of de loodjes van de stoffen vervangen zodat Leidse saaien binnenkwamen als Hondschootse. Al moest je uitkijken voor de Amsterdamse verklikker die Nederlandse schepen varend onder vreemde vlag aangaf bij de Spaanse autoriteiten.

We leren een aantal verwante Nederlandse kooplieden in Andalusië kennen die zich zo goed mogelijk staande hielden. Behalve door de Spaanse controles werden de Hollandse en Zeeuwse schepen bedreigd door protestantse kapers uit La Rochelle en Dieppe. Wanneer er juist veel Nederlandse schepen veilig in Spanje aankwamen, leverde dat eveneens problemen op voor de handel omdat dan de prijzen kelderden. Wijnroks concludeert dat de kooplieden er redelijk goed in slaagden de handel te laten doorgaan ondanks de koninklijke embargo’s. Het is wel jammer dat hij het werk van Iñaki López Martín over de embargo’s niet noemt. Juan de Cuniga verwijst overigens naar don Juan de Zúñiga, de broer van onze landvoogd Luis de Zúñiga y Requesens.

Vertrouwen

Het hoofdstuk over de nog vrijwel onbekend gebleven handel op Marokko laat heel mooi zien hoe op deze lastige route veel geld te verdienen viel, maar ook welke belangrijke rol vertrouwen speelde in de langeafstandshandel. Kon je wel vertrouwen op je agent ter plaatse of op je handelspartner? Jacques raakte zelfs verzeild in een verhit conflict met zijn stief-schoonvader en eindigde gebrouilleerd met zwager en handelspartner Daniël van der Meulen. Er heerste bovendien een felle concurrentiestrijd met andere Nederlandse handelaren op Marokko.

De tekst bevat enorm veel namen (gelukkig met index) en feitelijke gebeurtenissen. We leven mee van brief tot brief, van vertrekhaven tot aanlegplaats. Dat is de grote kracht van het boek (en dat maakt het ook zeer bruikbaar voor onderzoekers), maar het is voor een meer algemeen geïnteresseerde lezer mogelijk soms te gedetailleerd. Daarnaast biedt het boek dus belangrijke correcties op het beeld dat we hebben van de vroege straatvaart vanuit de Republiek en vooral het hoofdstuk over Marokko legt een geheel nieuw onderzoeksveld open.

Eric Wijnroks, Jacques della Faille, handelaar op Italië, Spanje en Marokko, 1549-1615. Verloren: Hilversum 2025, 258 blz., ill, ISBN: 9789464551945. Prijs €30,-

Door Tim Streefkerk

Het Scheepvaarthuis van Louise de Blécourt is een uitgebreide studie over het ontstaan en gebruik van het Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam, tegenwoordig bekend als het Grand Hotel Amrâth Amsterdam. De Blécourt werkt als conservator aan de historische collectie van het Scheepvaarthuis en legt in het boek opnieuw de puzzel over het ontstaan van het gebouw, aangevuld met nieuwe informatie en bronnen. 

Een gezamenlijk kantoorpand

Het Scheepvaarthuis werd vanaf 1913 gebouwd als gezamenlijk kantoorpand van zes Amsterdamse rederijen. Deze rederijen waren succesvol en brachten passagiers naar bestemmingen in het wereldwijde koloniale rijk van Nederland. Zo bracht de Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’ passagiers naar toenmalig Nederlands-Indië en richtte de Koninklijke Paketvaart Maatschappij zich op vaart van passagiers en vracht tussen de Indonesische eilanden, en was daarmee een belangrijke schakel in de verdere Nederlandse kolonisatie van deze eilanden.

Het nieuwe gebouw ‘moest uitstralen waar de rederijen vandaan kwamen’ en zou dus moeten refereren aan de Nederlands maritieme geschiedenis, tegelijkertijd moest het pand vernieuwend zijn. Dit past bij de rederijen die zelf veel aandacht besteedden aan de esthetiek van de inrichting van hun schepen. De Blécourt beschrijft hoe de rederijen uitkwamen bij architect Joan Melchior van der Meij. Vervolgens komen de verschillende bouwfasen van het gebouw aan de orde. Ook de latere uitbreiding van het gebouw wordt besproken.

Iconografisch programma

De Blécourt staat uitgebreid stil bij het iconografisch programma van het kantoorgebouw. Het is een interessante aanvulling op de meer beschrijvende geschiedenissen van het Scheepvaarthuis. Het beeldhouwwerk van de entree – dat werd ontworpen door architect Joan Melchior van der Meij zelf – is bijvoorbeeld een verbeelding van de verschillende oceanen en zeeën waarop de zes rederijen actief waren. Zo is de Indische Oceaan afgebeeld met de Draagster der Rijkdommen en de Indische Mythe, terwijl de Middellandse Zee is afgebeeld met Libische fluitspeelsters en Hercules. Glasschilder Willem Bogtman ontwierp samen met Van der Meij de overkapping over het centrale trappenhuis. Deze nog altijd indrukwekkende 106 vierkante meter glas toont de wereldzeeën, met centraal de sterrenbeelden die bij het navigeren werden gebruikt.

Van kantoor naar hotel

Gezien de huidige functie van het gebouw als hotel blijven voor geïnteresseerde bezoekers sommige deuren van het Scheepvaarthuis gesloten. De indrukwekkende fotografie van het boek geeft een letterlijk kijkje achter de schermen en geeft een mooi beeld van het erfgoed dat tegenwoordig nog bewaard wordt in het hotel. Een mooie toevoeging aan de publicaties over het Scheepvaarthuis is daarnaast het hoofdstuk over de transformatie van kantoorpand naar hotel. De Blécourt laat niet alleen zien in welke stappen het kantoorgebouw werd omgetoverd tot ‘Grand Hotel’ – zo was het Scheepvaarthuis ook enkele jaren het thuis van het GVB – maar ze laat ook zien hoe het hotel tegenwoordig omgaat met de geschiedenis en het erfgoed van het gebouw. Door een van de rederijen werd bij de verkoop van het pand bedongen dat de roerende goederen zoveel mogelijk in het pand bewaard zouden blijven. Hoewel er ‘tussen 1979-1983 veel waardevolle meubelstukken uit Het Scheepvaarthuis verdwenen’, zijn veel originele meubels, ornamenten en andere decoratieve elementen nog steeds onderdeel van het interieur. Het hotel beheert deze objecten tegenwoordig naar de internationale standaard van International Council of Museums (ICOM). Daarnaast blijft het hotel de collectie in de geest van stijl en ontwerp van het gebouw uitbreiden.

Over de vele verwijzingen naar het kolonialisme, zoals de verbeeldingen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), West-Indische Compagnie (WIC) en van figuren als Jan Pieterszoon Coen, Cornelis Speelman, Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk en Johan Maurits van Nassau-Siegen – blijft de auteur wat op de vlakte. In een boek over de architectuurgeschiedenis van de het Scheepvaarthuis is dat niet onlogisch, maar in deze tijd verdienen de verwijzingen meer duiding. Desondanks is Het Scheepvaarthuis een uiterst leesbaar en compleet overzicht van een bijzonder monument in het centrum van Amsterdam.

Louise de Blécourt, Het Scheepvaarthuis. Eerste gebouw van de Amsterdamse school. Zwolle: Uitgeverij Wbooks, 2025, 256 blz., ill., ISBN 9789462587199, prijs €34,95

Door Jaap de Haan

Mooie man

Het Algemeen Dagblad organiseerde begin 1975 een verkiezing wie de mooiste man van Nederland was. Ruud Lubbers eindigde op de vierde plek, achter acteur Willem Nijholt, schaatser Ard Schenk en prins Claus. Deze anekdote illustreert een van de vele kanten van wellicht de meest invloedrijke naoorlogse Nederlandse politicus. Zo is Lubbers de geschiedenis ingegaan als no-nonsense-politicus, Rotterdammer, probleemoplosser, één-na-langst zittende premier en womanizer. Al deze kanten passeren de revue in het boek Ruud Lubbers. Een slag anders.

Een uitdaging voor zijn biografen Johan van Merriënboer en Lennart Steenbergen is dat Lubbers vrijwel niets bewaarde. Brieven werden verscheurd zodra een kwestie was afgehandeld en boeken gaf de oud-politicus door als hij ze goed vond of hij gooide ze weg. Lubbers liet geen archief na en in zijn memoires stelde hij de zaken bovendien vaak een ‘slag anders voor’ dan ze werkelijk waren geweest. De auteurs onderzoeken in deze biografie hoe hun hoofdpersoon twaalf jaar aan de politieke top kon blijven en ze vragen zich af hoe zijn persoon heeft bijgedragen aan de nieuwe zakelijkheid die de kabinetten-Lubbers hebben ingezet vanaf de jaren tachtig van de 20ste eeuw.

Lubbers in Den Haag

Lubbers werd geboren in een katholiek, Rotterdams ondernemersgezin. Na zijn middelbare schooltijd ging hij op kostschool bij de jezuïeten in Nijmegen, waar de wat verlegen, maar pientere jongeman werd klaargestoomd voor de universiteit. Lubbers koos voor economie in Rotterdam. Na de plotselinge dood van zijn vader nam hij samen met zijn broer het constructiebedrijf Hollandia over. Als mededirecteur kwam Lubbers in aanraking met christelijke werkgeversorganisaties en via deze contacten raakte hij in beeld bij de formateurs van het kabinet-Den Uyl. De als progressieve christen bekendstaande Rotterdammer werd minister van Economische Zaken. De auteurs laten zien dat de politiek onervaren minister een steile leercurve doormaakte en hard werkte om het wantrouwen tegen hem weg te nemen van zowel de werkgevers als de werknemers. Na de val het kabinet en de formatie Van Agt-Wiegel werd Lubbers, ondanks zijn ijverige lobby, gepasseerd als minister. Hij was hier verbolgen over, maar toonde zich een loyaal Kamerlid. Na het terugtreden van Willem Aantjes werd hij fractievoorzitter van het net opgerichte CDA.

Rotterdamse minister-president?

Een van de interessantste hoofdstukken gaat over Lubbers als de eerste van de echte minister-presidenten. Toen Lubbers het Torentje binnenstapte was het alsof hij zijn bestemming had gevonden. Bij de Haagse topambtenaren had hij de reputatie een weifelaar te zijn, maar dit beeld schudde de nieuwbakken premier snel van zich af. Hij ontpopte zich tot de echte leider van het kabinet. Bij zijn ambtenaren en ministers dwong Lubbers respect af door de enorme hoeveelheid mondelinge en schriftelijke informatie die hij in korte tijd tot zich kon nemen. Problemen zag hij al van verre aankomen en veel zaken wist hij op te lossen door ze ‘net een slag anders’ te benaderen. Van Merriënboer en Steenbergen citeren staatssecretaris Joop van der Reijden: ‘Ruud zou rustig op vrijdagmorgen – alleen – in de Trêveszaal kunnen gaan zitten met zestien stapels dossiers op tafel, op de plaats waar de ministers en staatssecretarissen gewoonlijk zitten, en dan evengoed als, in een aantal gevallen zelfs beter dan, zijn collegae van verschillende departementen met zichzelf in debat kunnen gaan over de voor- en nadelen van een beslissing.’ (p. 214)

Kan Lubbers als een Rotterdamse premier gezien worden? Het imago van een Rotterdamse ondernemer liet de minister-president zich graag aanleunen, maar hij liep er zelf niet mee te koop. Feit is wel dat een aantal ministers uit zijn kabinetten, zoals Onno Ruding, Frits Korthals Altes, Gijs van Aardenne en Neelie Smit-Kroes, een relatie met de havenstad hadden. De no nonsense-aanpak van het kabinet werd door velen in verband gebracht met de spreekwoordelijke Rotterdamse zakelijkheid. De auteurs delen deze opvatting niet en citeren instemmend een NRC-journalist, die vond dat de premier teveel op consensus gericht was en dat ‘no nonsense en de persoon Lubbers helemaal niet’ bij elkaar passen. (p.232)

Flinke pil

Ruud Lubbers. Een slag anders is een flinke pil, maar wel van een formaat dat past bij een invloedrijke minister-president. Het kan niet anders dan dat zo’n omvangrijk werk ook mindere stukken heeft, waar de wolligheid van de hoofdpersoon af en toe ook in de tekst is geslopen, zoals in het hoofdstuk over kruisrakketten en Lubbers’ affaire als VN-commissaris. Daar staan vele fraaie stukken tegenover, zoals de heldere analyse van Lubbers als premier en over zijn relatie met koningin Beatrix. In ‘Aan de hand van Lubbers’ nemen de auteurs hem de maat en benadrukken zij wat hij als premier in Nederland en in Europa voor elkaar heeft gekregen. Het laatste woord in deze recensie is voor Ria Lubbers, die haar man met beide benen op de grond hield. Ruud een mooie jongen? Niet volgens Ria. Als haar man ’s avonds laat vermoeid thuiskwam met een afgezakte stropdas ‘dan is hij niet zo erg een playboy meer.’

Johan van Merriënboer en Lennart Steenbergen, Ruud Lubbers. Een slag andersAmsterdam: Uitgeverij Boom, 2024, 800 blz., ill., ISBN 9789024426669. Prijs €49,50

Redactioneel | Gravinnen in Holland
Margreet Brandsma | De gravinnen van Holland en Zeeland (950-1550) opnieuw beschouwd
Anton Cruysheer | Gravinnen afgebeeld op 11de- en 12de-eeuwse munten uit het graafschap Holland
Kees Nieuwenhuijsen | Aleid van Henegouwen en het stadsrecht van Schiedam

Column – Lisa Demets | Macht is geen mannending (ook niet in de middeleeuwen)
Interview – met Nicole Broek en Patrick Vlegels | Hollandse middeleeuwen binnen handbereik. Het archief van de abdij van Egmond gedigitaliseerd
Topstuk – Els Brouwer | Het testament van Matte Boeter uit 1370
Uithoek – Ad van der Zee | De pelgrimerende gravin Sophia


Redactioneel | Mode in Holland
Frédérique Beerse | Mutsen en mouwen, kragen en kletten. 17de eeuwse modieuze, Enkhuizer en NoordHollandse vrouwenkleding op het schilderij Het Grootslag
Birthe Weijkamp | Het gematigde Parijs. Hoe Franse haute couture bij de Hollandse vrouw terechtkwam, 19001960

BeeldessayNinke Bloemberg | MOḌA. Moroccan Fashion Statements
InterviewRomy Beck en Birthe Weijkamp | Mode in Holland? Een interview met Bianca du Mortier
TijdingenMila Ernst | Mode van alle kanten. De betekenis van digitaal modeerfgoed
Signalementen
UithoekLouie Buana | Hemelse kostumen

Door Corien Glaudemans

Dagboeken en brieven

Al eeuwenlang kende Rotterdam een Joodse gemeenschap. Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonden daar ongeveer 13.000 Joden en had de Maasstad – na Amsterdam en Den Haag – de meeste Joodse inwoners van Nederland. Een gemeenschap die na de Tweede Wereldoorlog gedecimeerd bleek te zijn.

Marleen van den Berg onderzocht in haar boek Joods Rotterdam de wijze waarop de vervolging, ontrechting (het ontnemen van alle rechten) en het rechtsherstel van de Joden in Rotterdam verliepen. Eerder deed zij uitgebreid onderzoek naar de ontrechting en het rechtsherstel van Joden in Rotterdam. Een belangrijk deel van het boek is daarop gebaseerd.

Aan de hand van dagboeken en brieven vertelt Van den Berg het verhaal van de Joodse gemeenschap in Rotterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij volgde een aantal Rotterdamse families, zoals de familie Ulreich die uit Oost-Europa afkomstig was. Vooral door de dagboeken van Carrie Ulreich komen de gebeurtenissen in de oorlogsjaren dichtbij. De familie Ulreich behoorde tot de kleine groep migranten uit Oost-Europa in Rotterdam. Deze Joden waren vooral op de vlucht voor de pogroms en het virulente antisemitisme in hun landen. Van den Berg constateerde bij haar onderzoek dat autochtone Joodse Rotterdammers op deze vaak orthodox-religieuze Joodse nieuwkomers neerkeken. Er ontwikkelde zich daardoor een Oost-Europese subcultuur in Rotterdam.

Tweede Wereldoorlog

Het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 had ook voor de Joodse Rotterdammers grote gevolgen: synagogen werden verwoest en velen verloren hun huis en bezittingen. Van sommigen, zoals van de leden van de familie Ulreich, gingen ook emigratiepapieren verloren, en daarmee hun hoop op een uitweg uit bezet Nederland.

Voor Joodse nieuwkomers die zich na 1933 in het westen van Nederland hadden gevestigd, kwamen al in het eerste oorlogsjaar de maatregelen van de bezetter hard aan. Duitse en Oostenrijkse vluchtelingen moesten in september 1940 het kustgebied verlaten. Uit Rotterdam vertrokken onder dwang ongeveer zevenhonderd Duitse en Oostenrijkse Joden.

In de maanden daarna volgden anti-Joodse maatregelen zich steeds sneller na elkaar op. Zwembaden, parken, plantsoenen en bioscopen werdem voor Joden verboden. Ook sporten werd hen onmogelijk gemaakt. Volgens Van den Berg liep voetbalclub Sparta ‘vooruit op het verbod voor Joden om lid te zijn van verenigingen en sportclubs’ en hing zij ‘vrijwillig’ een bord VERBODEN VOOR JODEN bij de ingang van Het Kasteel. Die bewering had Van den Berg zorgvuldiger moeten natrekken. De werkelijkheid was namelijk genuanceerder en ingewikkelder. Nadat de Duitsers op 15 september 1941 hadden bepaald dat Joden niet meer in het openbaar mochten sporten, werd op 27 september een enorm bord over de gehele breedte van de hoofdingang opgehangen. Van vooruitlopen was dus geen sprake, wel viel de grootte van het bord op. De actie leidde overigens tot felle debatten bij de club. Uiteindelijk werd het bord weggehaald.

Allerlei besluiten leidden er ook toe dat Joden uit het economisch leven werden verwijderd. Onroerend goed werd van de Joden afgenomen en na het begin van de deportaties werden ook Joodse inboedels geroofd. 

Joodse kinderen moesten na augustus 1941 naar Joodse scholen. En opmerkelijk, Carry Ulreich schreef in haar dagboek dat zij het Joodsch Lyceum ‘reuzegezellig’ vond. De kinderen waren onder elkaar, waarschijnlijk deden de vriendschappen op school de dreigende buitenwereld even vergeten.

Eind juli 1942 begonnen in Rotterdam de deportaties vanuit Loods 24. Daarvandaan vertrokken de treinen naar Westerbork. Uiteindelijk werden meer dan 6000 Joden uit Rotterdam gedeporteerd. De meesten werden in concentratie- of vernietigingskampen vermoord. Slechts een paar honderd mensen overleefden de deportaties.

Terugkeer

De teruggekeerde Joden kregen in Rotterdam zeker geen warm welkom, maar dat was niet anders dan bij andere repatrianten die terugkwamen naar de Maasstad. Joden werden bij de toewijzing van huizen, samen met verzetslieden en Nederlandse militairen, met voorrang behandeld. En er werd zeker ook hulp aan Joden geboden. Die was weliswaar karig, maar benadrukt Van den Berg, de situatie in Rotterdam was na de beëindiging van de oorlog nog steeds problematisch. De stad had niet alleen een verwoest centrum, maar ook een bevolking die leed onder een grote schaarste aan voedsel.

Verdwenen noten

Dit boek had baat gehad bij een betere eindredactie, want verwijzingen in de paragraaf ‘Joods Rotterdam in de jaren dertig. Opperrabbijn A.B.N. Davids’ zijn door een andere nummering in het notenapparaat slechts met veel moeite terug te vinden. Ook verbaasde het mij dat ik in de literatuurlijst geen publicaties terugvond van Rob Snijders, de geschiedschrijver over Joods Rotterdam, hoewel in de noten regelmatig naar hem is verwezen.

Maar voorop staat dat Joods Rotterdam een boek van belang is. In de geschiedschrijving over de Jodenvervolging ligt de focus vooral op Amsterdam. Van den Berg heeft in haar boek duidelijk aangetoond dat er verschillen zijn tussen de vervolging in de hoofdstad en die in Rotterdam. Met deze publicatie over de indringende geschiedenis van Joods Rotterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft zij een belangrijk boek aan de geschiedenis van Rotterdam toegevoegd.

Marleen van den Berg, Joods Rotterdam. Vervolging ontrechting, terugkeer en rechtsherstel. Amsterdam en Antwerpen: Querido, 2025, 431 blz., ill., ISBN 9789021469096. Prijs €31,99.