Door Lex van Tilborg

Wanneer in mei 1940 de Nederlandse regering halsoverkop het land ontvlucht, dragen de ministers het hoogste gezag over aan opperbevelhebber Winkelman en aan de belangrijkste ambtenaren van de tien ministeries, de secretarissen-generaal. De rol van Winkelman is na de capitulatie gauw uitgespeeld, maar die van de secretarissen-generaal niet. Zij blijven direct onder de Duitse bezetter het hoogste Nederlandse gezag vertegenwoordigen en zijn als zodanig verantwoordelijk voor de aansturing van het overheidsapparaat. ‘Pas goed op het land en als het te gortig wordt moet je aftreden’, luidde hun laatste instructie. De tien van Den Haag. Topambtenaren tijdens de bezetting van Stephan Steinmetz volgt het optreden van deze topambtenaren: we zitten met ze aan de vergadertafel, we volgen hun privégesprekken en worden deelgenoot van de vele dilemma’s waar zij zich in deze periode mee geconfronteerd zagen. Hoewel Steinmetz allerlei beleidsterreinen behandelt – van de bescherming van het overheidsapparaat tot werkgelegenheid, openbare orde en voedselvoorziening – ligt de nadruk terecht bij de rol die de topambtenaren speelden bij de invoering van allerlei anti-Joodse maatregelen, die uiteindelijk leidden tot de deportatie van ongeveer 140.000 Nederlandse Joden.

Perspectief van de topambtenaar

In zekere zin is dit een verhaal waarvan de lezer de afloop al kent. We weten immers dat de Nederlandse overheid op alle niveaus – van burgemeesters tot de politie en van de tot de NS – de vervolging van de Joodse bevolking heeft gefaciliteerd. Dat geldt ook voor de topambtenaren. Het is niet de vraag of ze tekort zijn geschoten, het is de vraag hoe ze tekort zijn geschoten en hoe verwijtbaar hun optreden is geweest. Steinmetz kiest ervoor om het perspectief van de secretarissen-generaal centraal te stellen: wat wisten ze, wat hadden ze kunnen weten, wat was hun speelruimte, hoe kwamen ze tot hun besluiten? Door ‘het diafragma zo ver dicht te draaien dat we hún perspectief innemen, kunnen we met hen oplopen.’ Steinmetz toont daarbij begrip voor de lastige positie waarin de topambtenaren zich bevonden. Ze zagen zich voortdurend voor dilemma’s gesteld die hen buikpijn bezorgden, waarbij ze moesten kiezen tussen twee kwaden. Opstappen of ontslagen worden – wat gebeurde, slechts twee secretarissen-generaal zaten de hele ‘rit’ uit – betekende vervangen worden door een NSB’er. Bovendien waren de secretarissen-generaal ervan overtuigd dat een gezamenlijk aftreden het land in chaos zou storten.

Fundamenteel verdwaalpunt

Juist de nuances in het beeld dat Steinmetz van de topambtenaren geeft, zorgen ervoor dat het extra pijnlijk aanvoelt wanneer deze mannen – stuk voor stuk democratisch ingestelde ambtenaren die de rechtsstaat in hoog aanzien hadden – al vrij snel een verkeerde afslag nemen en zich door de Duitsers een moeras van ongrondwettelijkheid in laten trekken. Het is verbijsterend om te zien hoe overijverig sommige van hen zich hebben gedragen bij het uitvoeren van de Duitse bevelen. Onthutsend is ook het overnemen van de logica van de Duitse bezetter in het geval van het gedwongen ontslag van alle Joodse ambtenaren. Steinmetz identificeert het besluit van september 1940 om geen Joden meer te benoemen tot ambtenaar als het fundamentele ‘verdwaalpunt’ van de topambtenaren. De secretarissen-generaal wisten dat dit rechtstreeks tegen de grondwet inging, ze tekenden protest aan, maar gingen toch na enkele dagen akkoord. Daarmee was het fundament voor de verdere anti-Joodse maatregelen gelegd en vond er onder de topambtenaren nauwelijks nog een principiële discussie over nieuwe anti-Joodse maatregelen plaats. Of zoals Steinmetz het vlijmscherp verwoordt: ‘In september 1940 riep een verbod voor Joden om ambtenaar te worden vragen op vanwege discriminatie, in mei 1941 riep een verbod voor Joden om een park te betreden de vraag op wat een park is.’ 

Steinmetz draagt verschillende factoren aan als verklaring voor het optreden van de topambtenaren: het vooroorlogse ambtelijke DNA, met zijn nadruk op gehoorzaamheid; het in Nederland wijdverspreide ‘lichte’ antisemitisme; Duitse misleiding enerzijds en een naïef geloof  tijdens de eerste jaren van de bezetting in de redelijkheid van de Duitse bezetter. Tot slot een overschatting van de eigen rol, want de secretarissen-generaal waren ervan overtuigd dat hun aanblijven cruciaal was voor het vertrouwen van de Nederlandse bevolking, terwijl in werkelijkheid bijna geen Nederlander wist wie zij waren.

Onder je huid

De tien van Den Haag is een schitterend boek dat een genuanceerd en tegelijkertijd onthutsend beeld schetst van het optreden van de hoogste Nederlandse ambtenaren tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het knappe is dat Steinmetz precies laat zien hoe en waar het mis ging zonder in te boeten aan nuance en complexiteit en zonder een moreel oordeel te vellen. Hij laat zo de lezer de ruimte om zelf na te denken over de morele implicaties van het optreden van de topambtenaren. Het is daardoor ook een boek dat onder je huid gaat zitten. Wat vind ik hier nu eigenlijk van? Ik loop na lezing van dit boek nu al dagen rond met die vraag. Een pasklaar antwoord heb ik nog steeds niet. Ook dat is knap.              

Vincent Steinmetz, De tien van Den Haag. Topambtenaren tijdens de bezetting. Amsterdam: Boom, 2025; 288 blz., ill., ISBN 9789024469956. Prijs: €29,90

Door Romy Beck

In 2018 verschenen de Wereldgeschiedenis van Nederland en de Wereldgeschiedenis van Vlaanderen. In deze boeken werd verteld hoe Nederland en Vlaanderen de wereld mede hebben vormgegeven en hoe tegelijkertijd landen, dichtbij en ver weg, de ontwikkeling van beide gebieden hebben beïnvloed. De succesvolle boeken werden in 2022 gevolgd door Nog meer wereldgeschiedenis van Nederland. Drie jaar later verschijnt weer een nieuw deel in deze serie: Wereldsteden van de Lage Landen. Stadsgeschiedenis van Nederland en België, onder redactie van Nadia Bouras, Jan Hein Furnée, Hilde Greefs, Jelle Haemers, Manon van der Heijden en Anne-Laure Van Bruane. Hierin richten meer dan vijftig historici hun blik op de stad, en laten zij zien hoe steden internationale vervlechtingen hebben belichaamd en bevorderd.

Steden hebben in de Lage Landen – het gebied dat we nu kennen als Nederland en België – altijd een invloedrijke rol gespeeld. Zoals de auteurs laten zien, waren ze ‘al sinds de oudheid nauw vervlochten met de rest van de wereld, door migratiestromen, handel, politieke overheersing en culturele uitwisseling’ (p.10). Rond 1700 woonde tussen de 29 en 46 procent van de mensen in steden, terwijl dit in de rest van West-Europa hoogstens 15 procent was. Kenmerkend voor de Lage Landen was dat hier sprake was van een fijnmazig netwerk van relatief kleine steden die dicht bij elkaar lagen. Als de redacteuren spreken over wereldsteden dan bedoelen ze niet zozeer miljoenensteden, maar juist dit netwerk dat zorgde voor dynamiek en een grote variatie aan functies. Vandaar ook dat zij ervoor pleiten om de stedelijke ontwikkelingen altijd te bestuderen in samenhang met de (stedelijke) wereld eromheen (p.12). 

Veel variatie

In dit boek komen veel steden aan bod. Voor Holland zijn dat Alkmaar, Amsterdam, Den Haag, Leiden, Rotterdam, Schiedam en Voorburg. In korte hoofdstukken van zeven à acht pagina’s belichten de auteurs telkens één kenmerk van een stad, variërend van klein tot groot en van uitzonderlijk tot alledaags. Daarnaast is er in deze bundel ook veel aandacht voor het koloniale verleden van verschillende steden. Zo laat Merel Blok in de bijdrage over Schiedam zien dat de geschiedenis van jenever – het bekendste exportproduct van de stad – ook nauw verbonden is aan slavernij. De drank diende als consumptiemiddel voor tot slaafgemaakten op plantages en als ruilmiddel voor machthebbers. ‘Via de drankenmakelaars in Rotterdam en Zeeland en hun leveranties aan slavenhandelaren is er een duidelijk verband te leggen tussen Schiedams gedestilleerd en de trans-Atlantische slavenhandel’ (p.229).

Een ander interessant hoofdstuk is dat van Jenna The, waarin de rol van dieren in Amsterdam en de wereld eromheen wordt besproken. The bestudeert de functies die duiven, honden en paarden in de stad hadden. Laatstgenoemde waren bijvoorbeeld niet alleen nodig voor de paardentram, maar vormden ook een bron van voedsel. Afgeschreven mijnpaarden uit Engeland werden per schip naar de hoofdstad vervoerd, waar zij hun einde vonden in het slachthuis. Exotische dieren zoals apen, papegaaien en panters kwamen richting de stad voor in de in 1838 opgerichte dierentuin Artis.

Zoals deze voorbeelden laten zien, kent het boek een enorme diversiteit aan verhalen. In andere ‘Hollandse’ hoofdstukken lees je bijvoorbeeld over Alkmaar als laatmiddeleeuwse hofjesstad of over de opvoering van een operette in 19de-eeuws Den Haag. De verschillende bijdragen maken deze bundel tot een levendig geheel. De kracht van dit boek is tegelijk ook zijn zwakte. De grote variatie in steden, perioden en onderwerpen gaat soms ten koste van de onderlinge samenhang. Het overkoepelende thema biedt weliswaar een verbindend kader, maar de afzonderlijke bijdragen hebben vooral een eigen karakter en focus. Het resultaat is een bundel waarin zeer uiteenlopende onderwerpen naast elkaar staan en die de lezer op toegankelijke wijze met deze diversiteit laat kennismaken. Wie zich verder wil verdiepen, kan terecht bij de literatuurlijst ‘Verder lezen’ die elk hoofdstuk afsluit.

Nadia Bouras, Jan Hein Furnée, Hilde Greefs, Jelle Haemers, Manon van der Heijden en Anne-Laure Van Bruaene (red.), Wereldsteden van de Lage Landen. Stadsgeschiedenis van Nederland en België. Amsterdam: Atlas Contact, 2025; 448 blz., ill., EAN: 9789045051055. Prijs: € 34,99.

Door Raymond Fagel, Universiteit Leiden

Syackkus de la Faielle

De hoofdrol in dit boek is weggelegd voor een relatief onbekende Antwerpse koopman van internationale allure uit de late 16de eeuw die lange tijd in Haarlem heeft gewoond. De kennis over zijn leven – en vooral over zijn daden – is grotendeels afkomstig uit de vele brieven van hem die bewaard worden in het rijke archief van zijn in Leiden actieve zwager Daniël van der Meulen, eveneens van Antwerpse komaf. Diens zuster Anna had het in een brief uit 1585 overigens over ‘Syackkus de la Faielle’, zodat we ons niet al te druk hoeven te maken over de correcte uitspraak van zijn bijzondere naam. Zijn door Goltzius getekende portret wordt bewaard in Teylers Museum.

Eric Wijnroks promoveerde in Nijmegen op een proefschrift over de Handel tussen Rusland en de Nederlanden, 1560-1640. Een netwerkanalyse van de Antwerpse en Amsterdamse kooplieden handelend op Rusland (Verloren: Hilversum 2003). Dit nieuwe boek zou je kunnen beschouwen als een vervolgstudie, maar evenzeer als geografische verbreding of als voorbeeld van een micro-geschiedenis binnen het veld van de economische netwerkanalyse. De in dit boek bestudeerde handel op Italië is relatief bekend terrein, die op Spanje al veel minder, maar vooral de handel op Marokko is grotendeels geheel onontgonnen gebied. Hoewel we vooral in het eerste hoofdstuk zicht krijgen op het sociale leven van Jacques is het boek in essentie een studie naar diens handelsactiviteiten, zijn samenwerking met Daniël van der Meulen en die met de nodige andere familieleden, dienaren, factors en handelsagenten.

Straatvaart op Italië en Spanje

Het hoofdstuk over Italië levert nieuwe inzichten op over het vroege begin van de straatvaart vanuit de Republiek, voortbouwend op de handel uit Antwerpen, die al eerder in de 16de eeuw plaatsvond. Zoals in de andere hoofdstukken bespreekt de auteur eerst de diverse producten die verhandeld werden, alvorens dieper in te gaan op de handelsrelaties zoals die vooral uit de correspondentie naar voren komen. We zien hoe de Antwerpse en de Amsterdamse handel in elkaar overliepen, hoe men vaak buitenlandse paspoorten gebruikte om niet in de problemen te komen en hoe men desondanks toch leed onder de confiscatie van schepen en de langdurige rechtszaken om de ingenomen goederen weer terug te krijgen. Tegelijkertijd toont de auteur aan dat het al om grote aantallen schepen ging (dertig à veertig schepen per jaar) en corrigeert hij het beeld van Jonathan Israel, die een te scherp onderscheid maakt tussen de Zuid-Nederlandse en de Noord-Nederlandse straatvaart.

De handel vanuit de Republiek op Spanje was in deze jaren gericht op de havens van Andalusië. Toch woonde Lambert Melis uit Enkhuizen in Alicante en deed daar zaken voor meerdere stadsgenoten. Sommige Amsterdammers waren zelfs gespecialiseerd in de handel op Oost-Spanje. Het was echter vooral de handel op Amerika via Sevilla die Nederlandse handelaren aantrok.

Spaanse handelsembargo’s

Centraal in het Spaanse hoofdstuk staat het functioneren van de embargo’s van de Spaanse koning met betrekking tot de schepen uit de Republiek. Volgens Israel zouden die embargo’s de Spaans-Nederlandse handel hebben ontwricht. De bronnen uit het Van der Meulenarchief laten echter zien dat Nederlanders zich voordeden als Duitsers en andere namen aannamen om de embargo’s te omzeilen. Jacques vinden we bijvoorbeeld als ‘Juan Jacomo Harlemo’. Je kon je Hollandse goederen verkopen aan boord van je schip of de loodjes van de stoffen vervangen zodat Leidse saaien binnenkwamen als Hondschootse. Al moest je uitkijken voor de Amsterdamse verklikker die Nederlandse schepen varend onder vreemde vlag aangaf bij de Spaanse autoriteiten.

We leren een aantal verwante Nederlandse kooplieden in Andalusië kennen die zich zo goed mogelijk staande hielden. Behalve door de Spaanse controles werden de Hollandse en Zeeuwse schepen bedreigd door protestantse kapers uit La Rochelle en Dieppe. Wanneer er juist veel Nederlandse schepen veilig in Spanje aankwamen, leverde dat eveneens problemen op voor de handel omdat dan de prijzen kelderden. Wijnroks concludeert dat de kooplieden er redelijk goed in slaagden de handel te laten doorgaan ondanks de koninklijke embargo’s. Het is wel jammer dat hij het werk van Iñaki López Martín over de embargo’s niet noemt. Juan de Cuniga verwijst overigens naar don Juan de Zúñiga, de broer van onze landvoogd Luis de Zúñiga y Requesens.

Vertrouwen

Het hoofdstuk over de nog vrijwel onbekend gebleven handel op Marokko laat heel mooi zien hoe op deze lastige route veel geld te verdienen viel, maar ook welke belangrijke rol vertrouwen speelde in de langeafstandshandel. Kon je wel vertrouwen op je agent ter plaatse of op je handelspartner? Jacques raakte zelfs verzeild in een verhit conflict met zijn stief-schoonvader en eindigde gebrouilleerd met zwager en handelspartner Daniël van der Meulen. Er heerste bovendien een felle concurrentiestrijd met andere Nederlandse handelaren op Marokko.

De tekst bevat enorm veel namen (gelukkig met index) en feitelijke gebeurtenissen. We leven mee van brief tot brief, van vertrekhaven tot aanlegplaats. Dat is de grote kracht van het boek (en dat maakt het ook zeer bruikbaar voor onderzoekers), maar het is voor een meer algemeen geïnteresseerde lezer mogelijk soms te gedetailleerd. Daarnaast biedt het boek dus belangrijke correcties op het beeld dat we hebben van de vroege straatvaart vanuit de Republiek en vooral het hoofdstuk over Marokko legt een geheel nieuw onderzoeksveld open.

Eric Wijnroks, Jacques della Faille, handelaar op Italië, Spanje en Marokko, 1549-1615. Verloren: Hilversum 2025, 258 blz., ill, ISBN: 9789464551945. Prijs €30,-

Door Tim Streefkerk

Het Scheepvaarthuis van Louise de Blécourt is een uitgebreide studie over het ontstaan en gebruik van het Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam, tegenwoordig bekend als het Grand Hotel Amrâth Amsterdam. De Blécourt werkt als conservator aan de historische collectie van het Scheepvaarthuis en legt in het boek opnieuw de puzzel over het ontstaan van het gebouw, aangevuld met nieuwe informatie en bronnen. 

Een gezamenlijk kantoorpand

Het Scheepvaarthuis werd vanaf 1913 gebouwd als gezamenlijk kantoorpand van zes Amsterdamse rederijen. Deze rederijen waren succesvol en brachten passagiers naar bestemmingen in het wereldwijde koloniale rijk van Nederland. Zo bracht de Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’ passagiers naar toenmalig Nederlands-Indië en richtte de Koninklijke Paketvaart Maatschappij zich op vaart van passagiers en vracht tussen de Indonesische eilanden, en was daarmee een belangrijke schakel in de verdere Nederlandse kolonisatie van deze eilanden.

Het nieuwe gebouw ‘moest uitstralen waar de rederijen vandaan kwamen’ en zou dus moeten refereren aan de Nederlands maritieme geschiedenis, tegelijkertijd moest het pand vernieuwend zijn. Dit past bij de rederijen die zelf veel aandacht besteedden aan de esthetiek van de inrichting van hun schepen. De Blécourt beschrijft hoe de rederijen uitkwamen bij architect Joan Melchior van der Meij. Vervolgens komen de verschillende bouwfasen van het gebouw aan de orde. Ook de latere uitbreiding van het gebouw wordt besproken.

Iconografisch programma

De Blécourt staat uitgebreid stil bij het iconografisch programma van het kantoorgebouw. Het is een interessante aanvulling op de meer beschrijvende geschiedenissen van het Scheepvaarthuis. Het beeldhouwwerk van de entree – dat werd ontworpen door architect Joan Melchior van der Meij zelf – is bijvoorbeeld een verbeelding van de verschillende oceanen en zeeën waarop de zes rederijen actief waren. Zo is de Indische Oceaan afgebeeld met de Draagster der Rijkdommen en de Indische Mythe, terwijl de Middellandse Zee is afgebeeld met Libische fluitspeelsters en Hercules. Glasschilder Willem Bogtman ontwierp samen met Van der Meij de overkapping over het centrale trappenhuis. Deze nog altijd indrukwekkende 106 vierkante meter glas toont de wereldzeeën, met centraal de sterrenbeelden die bij het navigeren werden gebruikt.

Van kantoor naar hotel

Gezien de huidige functie van het gebouw als hotel blijven voor geïnteresseerde bezoekers sommige deuren van het Scheepvaarthuis gesloten. De indrukwekkende fotografie van het boek geeft een letterlijk kijkje achter de schermen en geeft een mooi beeld van het erfgoed dat tegenwoordig nog bewaard wordt in het hotel. Een mooie toevoeging aan de publicaties over het Scheepvaarthuis is daarnaast het hoofdstuk over de transformatie van kantoorpand naar hotel. De Blécourt laat niet alleen zien in welke stappen het kantoorgebouw werd omgetoverd tot ‘Grand Hotel’ – zo was het Scheepvaarthuis ook enkele jaren het thuis van het GVB – maar ze laat ook zien hoe het hotel tegenwoordig omgaat met de geschiedenis en het erfgoed van het gebouw. Door een van de rederijen werd bij de verkoop van het pand bedongen dat de roerende goederen zoveel mogelijk in het pand bewaard zouden blijven. Hoewel er ‘tussen 1979-1983 veel waardevolle meubelstukken uit Het Scheepvaarthuis verdwenen’, zijn veel originele meubels, ornamenten en andere decoratieve elementen nog steeds onderdeel van het interieur. Het hotel beheert deze objecten tegenwoordig naar de internationale standaard van International Council of Museums (ICOM). Daarnaast blijft het hotel de collectie in de geest van stijl en ontwerp van het gebouw uitbreiden.

Over de vele verwijzingen naar het kolonialisme, zoals de verbeeldingen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), West-Indische Compagnie (WIC) en van figuren als Jan Pieterszoon Coen, Cornelis Speelman, Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk en Johan Maurits van Nassau-Siegen – blijft de auteur wat op de vlakte. In een boek over de architectuurgeschiedenis van de het Scheepvaarthuis is dat niet onlogisch, maar in deze tijd verdienen de verwijzingen meer duiding. Desondanks is Het Scheepvaarthuis een uiterst leesbaar en compleet overzicht van een bijzonder monument in het centrum van Amsterdam.

Louise de Blécourt, Het Scheepvaarthuis. Eerste gebouw van de Amsterdamse school. Zwolle: Uitgeverij Wbooks, 2025, 256 blz., ill., ISBN 9789462587199, prijs €34,95

Door Jaap de Haan

Mooie man

Het Algemeen Dagblad organiseerde begin 1975 een verkiezing wie de mooiste man van Nederland was. Ruud Lubbers eindigde op de vierde plek, achter acteur Willem Nijholt, schaatser Ard Schenk en prins Claus. Deze anekdote illustreert een van de vele kanten van wellicht de meest invloedrijke naoorlogse Nederlandse politicus. Zo is Lubbers de geschiedenis ingegaan als no-nonsense-politicus, Rotterdammer, probleemoplosser, één-na-langst zittende premier en womanizer. Al deze kanten passeren de revue in het boek Ruud Lubbers. Een slag anders.

Een uitdaging voor zijn biografen Johan van Merriënboer en Lennart Steenbergen is dat Lubbers vrijwel niets bewaarde. Brieven werden verscheurd zodra een kwestie was afgehandeld en boeken gaf de oud-politicus door als hij ze goed vond of hij gooide ze weg. Lubbers liet geen archief na en in zijn memoires stelde hij de zaken bovendien vaak een ‘slag anders voor’ dan ze werkelijk waren geweest. De auteurs onderzoeken in deze biografie hoe hun hoofdpersoon twaalf jaar aan de politieke top kon blijven en ze vragen zich af hoe zijn persoon heeft bijgedragen aan de nieuwe zakelijkheid die de kabinetten-Lubbers hebben ingezet vanaf de jaren tachtig van de 20ste eeuw.

Lubbers in Den Haag

Lubbers werd geboren in een katholiek, Rotterdams ondernemersgezin. Na zijn middelbare schooltijd ging hij op kostschool bij de jezuïeten in Nijmegen, waar de wat verlegen, maar pientere jongeman werd klaargestoomd voor de universiteit. Lubbers koos voor economie in Rotterdam. Na de plotselinge dood van zijn vader nam hij samen met zijn broer het constructiebedrijf Hollandia over. Als mededirecteur kwam Lubbers in aanraking met christelijke werkgeversorganisaties en via deze contacten raakte hij in beeld bij de formateurs van het kabinet-Den Uyl. De als progressieve christen bekendstaande Rotterdammer werd minister van Economische Zaken. De auteurs laten zien dat de politiek onervaren minister een steile leercurve doormaakte en hard werkte om het wantrouwen tegen hem weg te nemen van zowel de werkgevers als de werknemers. Na de val het kabinet en de formatie Van Agt-Wiegel werd Lubbers, ondanks zijn ijverige lobby, gepasseerd als minister. Hij was hier verbolgen over, maar toonde zich een loyaal Kamerlid. Na het terugtreden van Willem Aantjes werd hij fractievoorzitter van het net opgerichte CDA.

Rotterdamse minister-president?

Een van de interessantste hoofdstukken gaat over Lubbers als de eerste van de echte minister-presidenten. Toen Lubbers het Torentje binnenstapte was het alsof hij zijn bestemming had gevonden. Bij de Haagse topambtenaren had hij de reputatie een weifelaar te zijn, maar dit beeld schudde de nieuwbakken premier snel van zich af. Hij ontpopte zich tot de echte leider van het kabinet. Bij zijn ambtenaren en ministers dwong Lubbers respect af door de enorme hoeveelheid mondelinge en schriftelijke informatie die hij in korte tijd tot zich kon nemen. Problemen zag hij al van verre aankomen en veel zaken wist hij op te lossen door ze ‘net een slag anders’ te benaderen. Van Merriënboer en Steenbergen citeren staatssecretaris Joop van der Reijden: ‘Ruud zou rustig op vrijdagmorgen – alleen – in de Trêveszaal kunnen gaan zitten met zestien stapels dossiers op tafel, op de plaats waar de ministers en staatssecretarissen gewoonlijk zitten, en dan evengoed als, in een aantal gevallen zelfs beter dan, zijn collegae van verschillende departementen met zichzelf in debat kunnen gaan over de voor- en nadelen van een beslissing.’ (p. 214)

Kan Lubbers als een Rotterdamse premier gezien worden? Het imago van een Rotterdamse ondernemer liet de minister-president zich graag aanleunen, maar hij liep er zelf niet mee te koop. Feit is wel dat een aantal ministers uit zijn kabinetten, zoals Onno Ruding, Frits Korthals Altes, Gijs van Aardenne en Neelie Smit-Kroes, een relatie met de havenstad hadden. De no nonsense-aanpak van het kabinet werd door velen in verband gebracht met de spreekwoordelijke Rotterdamse zakelijkheid. De auteurs delen deze opvatting niet en citeren instemmend een NRC-journalist, die vond dat de premier teveel op consensus gericht was en dat ‘no nonsense en de persoon Lubbers helemaal niet’ bij elkaar passen. (p.232)

Flinke pil

Ruud Lubbers. Een slag anders is een flinke pil, maar wel van een formaat dat past bij een invloedrijke minister-president. Het kan niet anders dan dat zo’n omvangrijk werk ook mindere stukken heeft, waar de wolligheid van de hoofdpersoon af en toe ook in de tekst is geslopen, zoals in het hoofdstuk over kruisrakketten en Lubbers’ affaire als VN-commissaris. Daar staan vele fraaie stukken tegenover, zoals de heldere analyse van Lubbers als premier en over zijn relatie met koningin Beatrix. In ‘Aan de hand van Lubbers’ nemen de auteurs hem de maat en benadrukken zij wat hij als premier in Nederland en in Europa voor elkaar heeft gekregen. Het laatste woord in deze recensie is voor Ria Lubbers, die haar man met beide benen op de grond hield. Ruud een mooie jongen? Niet volgens Ria. Als haar man ’s avonds laat vermoeid thuiskwam met een afgezakte stropdas ‘dan is hij niet zo erg een playboy meer.’

Johan van Merriënboer en Lennart Steenbergen, Ruud Lubbers. Een slag andersAmsterdam: Uitgeverij Boom, 2024, 800 blz., ill., ISBN 9789024426669. Prijs €49,50

Redactioneel | Gravinnen in Holland
Margreet Brandsma | De gravinnen van Holland en Zeeland (950-1550) opnieuw beschouwd
Anton Cruysheer | Gravinnen afgebeeld op 11de- en 12de-eeuwse munten uit het graafschap Holland
Kees Nieuwenhuijsen | Aleid van Henegouwen en het stadsrecht van Schiedam

Column – Lisa Demets | Macht is geen mannending (ook niet in de middeleeuwen)
Interview – met Nicole Broek en Patrick Vlegels | Hollandse middeleeuwen binnen handbereik. Het archief van de abdij van Egmond gedigitaliseerd
Topstuk – Els Brouwer | Het testament van Matte Boeter uit 1370
Uithoek – Ad van der Zee | De pelgrimerende gravin Sophia


Redactioneel | Mode in Holland
Frédérique Beerse | Mutsen en mouwen, kragen en kletten. 17de eeuwse modieuze, Enkhuizer en NoordHollandse vrouwenkleding op het schilderij Het Grootslag
Birthe Weijkamp | Het gematigde Parijs. Hoe Franse haute couture bij de Hollandse vrouw terechtkwam, 19001960

BeeldessayNinke Bloemberg | MOḌA. Moroccan Fashion Statements
InterviewRomy Beck en Birthe Weijkamp | Mode in Holland? Een interview met Bianca du Mortier
TijdingenMila Ernst | Mode van alle kanten. De betekenis van digitaal modeerfgoed
Signalementen
UithoekLouie Buana | Hemelse kostumen

Door Corien Glaudemans

Dagboeken en brieven

Al eeuwenlang kende Rotterdam een Joodse gemeenschap. Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonden daar ongeveer 13.000 Joden en had de Maasstad – na Amsterdam en Den Haag – de meeste Joodse inwoners van Nederland. Een gemeenschap die na de Tweede Wereldoorlog gedecimeerd bleek te zijn.

Marleen van den Berg onderzocht in haar boek Joods Rotterdam de wijze waarop de vervolging, ontrechting (het ontnemen van alle rechten) en het rechtsherstel van de Joden in Rotterdam verliepen. Eerder deed zij uitgebreid onderzoek naar de ontrechting en het rechtsherstel van Joden in Rotterdam. Een belangrijk deel van het boek is daarop gebaseerd.

Aan de hand van dagboeken en brieven vertelt Van den Berg het verhaal van de Joodse gemeenschap in Rotterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij volgde een aantal Rotterdamse families, zoals de familie Ulreich die uit Oost-Europa afkomstig was. Vooral door de dagboeken van Carrie Ulreich komen de gebeurtenissen in de oorlogsjaren dichtbij. De familie Ulreich behoorde tot de kleine groep migranten uit Oost-Europa in Rotterdam. Deze Joden waren vooral op de vlucht voor de pogroms en het virulente antisemitisme in hun landen. Van den Berg constateerde bij haar onderzoek dat autochtone Joodse Rotterdammers op deze vaak orthodox-religieuze Joodse nieuwkomers neerkeken. Er ontwikkelde zich daardoor een Oost-Europese subcultuur in Rotterdam.

Tweede Wereldoorlog

Het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 had ook voor de Joodse Rotterdammers grote gevolgen: synagogen werden verwoest en velen verloren hun huis en bezittingen. Van sommigen, zoals van de leden van de familie Ulreich, gingen ook emigratiepapieren verloren, en daarmee hun hoop op een uitweg uit bezet Nederland.

Voor Joodse nieuwkomers die zich na 1933 in het westen van Nederland hadden gevestigd, kwamen al in het eerste oorlogsjaar de maatregelen van de bezetter hard aan. Duitse en Oostenrijkse vluchtelingen moesten in september 1940 het kustgebied verlaten. Uit Rotterdam vertrokken onder dwang ongeveer zevenhonderd Duitse en Oostenrijkse Joden.

In de maanden daarna volgden anti-Joodse maatregelen zich steeds sneller na elkaar op. Zwembaden, parken, plantsoenen en bioscopen werdem voor Joden verboden. Ook sporten werd hen onmogelijk gemaakt. Volgens Van den Berg liep voetbalclub Sparta ‘vooruit op het verbod voor Joden om lid te zijn van verenigingen en sportclubs’ en hing zij ‘vrijwillig’ een bord VERBODEN VOOR JODEN bij de ingang van Het Kasteel. Die bewering had Van den Berg zorgvuldiger moeten natrekken. De werkelijkheid was namelijk genuanceerder en ingewikkelder. Nadat de Duitsers op 15 september 1941 hadden bepaald dat Joden niet meer in het openbaar mochten sporten, werd op 27 september een enorm bord over de gehele breedte van de hoofdingang opgehangen. Van vooruitlopen was dus geen sprake, wel viel de grootte van het bord op. De actie leidde overigens tot felle debatten bij de club. Uiteindelijk werd het bord weggehaald.

Allerlei besluiten leidden er ook toe dat Joden uit het economisch leven werden verwijderd. Onroerend goed werd van de Joden afgenomen en na het begin van de deportaties werden ook Joodse inboedels geroofd. 

Joodse kinderen moesten na augustus 1941 naar Joodse scholen. En opmerkelijk, Carry Ulreich schreef in haar dagboek dat zij het Joodsch Lyceum ‘reuzegezellig’ vond. De kinderen waren onder elkaar, waarschijnlijk deden de vriendschappen op school de dreigende buitenwereld even vergeten.

Eind juli 1942 begonnen in Rotterdam de deportaties vanuit Loods 24. Daarvandaan vertrokken de treinen naar Westerbork. Uiteindelijk werden meer dan 6000 Joden uit Rotterdam gedeporteerd. De meesten werden in concentratie- of vernietigingskampen vermoord. Slechts een paar honderd mensen overleefden de deportaties.

Terugkeer

De teruggekeerde Joden kregen in Rotterdam zeker geen warm welkom, maar dat was niet anders dan bij andere repatrianten die terugkwamen naar de Maasstad. Joden werden bij de toewijzing van huizen, samen met verzetslieden en Nederlandse militairen, met voorrang behandeld. En er werd zeker ook hulp aan Joden geboden. Die was weliswaar karig, maar benadrukt Van den Berg, de situatie in Rotterdam was na de beëindiging van de oorlog nog steeds problematisch. De stad had niet alleen een verwoest centrum, maar ook een bevolking die leed onder een grote schaarste aan voedsel.

Verdwenen noten

Dit boek had baat gehad bij een betere eindredactie, want verwijzingen in de paragraaf ‘Joods Rotterdam in de jaren dertig. Opperrabbijn A.B.N. Davids’ zijn door een andere nummering in het notenapparaat slechts met veel moeite terug te vinden. Ook verbaasde het mij dat ik in de literatuurlijst geen publicaties terugvond van Rob Snijders, de geschiedschrijver over Joods Rotterdam, hoewel in de noten regelmatig naar hem is verwezen.

Maar voorop staat dat Joods Rotterdam een boek van belang is. In de geschiedschrijving over de Jodenvervolging ligt de focus vooral op Amsterdam. Van den Berg heeft in haar boek duidelijk aangetoond dat er verschillen zijn tussen de vervolging in de hoofdstad en die in Rotterdam. Met deze publicatie over de indringende geschiedenis van Joods Rotterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft zij een belangrijk boek aan de geschiedenis van Rotterdam toegevoegd.

Marleen van den Berg, Joods Rotterdam. Vervolging ontrechting, terugkeer en rechtsherstel. Amsterdam en Antwerpen: Querido, 2025, 431 blz., ill., ISBN 9789021469096. Prijs €31,99.

Door Nico Lettinck

21 kloosters

Wie denkt dat monniken in de middeleeuwen ietwat wereldvreemde personen waren die de hele dag in verafgelegen oorden stonden te bidden en te zingen, doet er goed aan kennis te nemen van De middeleeuwse kloosters van Amsterdam door Jos Pierik. In dit fraai uitgegeven overzichtswerk worden alle 21 kloosters die vrijwel allemaal op een kluitje binnen de stadsmuren geperst waren uitvoerig beschreven. Daaruit blijkt dat de monniken (veelal vrouwen) een organisch onderdeel van het drukke stadsleven waren. Zij zorgden aanvankelijk als enigen voor de zieken, de wezen en de ontheemden. Op economisch gebied was hun rol aanzienlijk. Tot 1578 besloeg het grondbezit van de kloosters een vijfde van het stadsoppervlak.

De opzet van het boek is systematisch. Aan de orde komen achtereenvolgens de stichting, de patroonheilige(n), de locatie/de gebouwen, de bronnen van inkomsten, de omvang en de teloorgang na de Reformatie tot de opheffing na de Alteratie in 1581. Gelukkig blijft het daar niet bij en worden ook de latere lotgevallen van deze kloosters belicht. Zo weten we nu dat er slechts twee voormalige kloosterkerken nog zichtbaar zijn: de Agnietenkapel (deel van het voormalige Agnietenklooster) en de Waalse kerk (deel van het voormalige Paulusbroedersklooster). Maar het is bij een wandeling door Amsterdam ook relevant om je te realiseren dat de huidige Kalverpassage gebouwd is op de resten van het strenge Clarissenklooster en dat daar tussen 1896 en 1987 het grootste overdekte zwembad van Europa (het Heiligewegbad) heeft gestaan.

Een gebed zonder einde

Indien we proberen een rode draad te ontwaren in de geschiedenis van deze 21 samengeklonterde kloosters valt op dat de meeste, namelijk zestien, door vrouwen bevolkt werden. Zij begonnen vaak als kleine woon- en leefgemeenschappen die geïnspireerd waren door de Moderne Devotie. In deze kringen van beperkte omvang speelden vrome leken een aanjagersrol. Na korte tijd transformeerden zij met financiële steun van lokale weldoeners tot kerkelijk goedgekeurde kloosters die veelal de Regel van Franciscus (of een variant daarvan) aannamen. Hun inkomsten bestonden in eerste instantie uit schenkingen en legaten, maar daarna wisten zij zelf de nodige inkomsten te genereren. Hoe? Door eigen producten te verkopen zoals linnen stoffen en kaarsen, het verpachten van land, het verhuren van woonruimte aan kostgangers (een soort Bed and Breakfast), het verzorgen van zieken (met name pestlijders) en het innen van de ‘bruidsschat’ bij de intrede tot het klooster. In het Nieuwe Nonnenklooster werd ook bier verkocht, een traditie die in veel kloosters tot op heden is blijven bestaan.

Opvallend is ook dat er in het tijdsbestek van anderhalve eeuw zoveel kloosters op zo’n klein oppervlak zijn gesticht. Het gelui van alle afzonderlijke kerkklokken overspoelde de stad zeven keer per etmaal met een geluidsgolf. Was dit niet wat te veel van het goede? Dat vond in ieder geval het Amsterdamse stadsbestuur rond 1460. Veel inwoners vonden dat dit ‘gebed zonder einde’ toch maar eens afgelopen moest zijn. Toch lukte het de initiatiefnemers van het Bethaniënklooster om nòg een klooster erkend te krijgen dat gewijd was aan Maria Magdalena, hoewel er al een klooster met die patroonheilige op het Spui bestond. Zij slaagden in hun opzet door te beloven dat alleen berouwvolle zondaressen (prostituees) toegelaten zouden worden. Deze stichting werd een groot succes, vooral nadat het toelatingsbeleid versoepeld was door ook niet bekeerde vrouwen aan te nemen.

Grote dienst voor Amsterdam

De vraag waarom er in zo korte tijd zoveel kloosters binnen de stad gesticht werden wordt in dit boek niet uitvoerig besproken, maar uit bovenstaand voorbeeld blijkt wel dat het ‘succes’ te danken was aan de gunstige tijdsomstandigheden: een groeiende bevolking, voldoende kapitaal en ruimte bij weldoeners en vooral de aanwezigheid van vrouwen die hun eigen plek zochten. Daarbij komt de laatmiddeleeuwse bekommernis om het zielenheil. Uit angst voor het naderende Laatste Oordeel wilden vermogende burgers hun plek in de Hemel veiligstellen door ruimhartige schenkingen. Men spreekt in dit verband ook wel over ‘de zielenheilseconomie’

Jos Pierik (ICT-manager in ruste) heeft met dit compendium het 750-jarige Amsterdam een grote dienst bewezen. Wat het boek uniek maakt is dat zijn broer Clemens als grafisch ontwerper van elk kloostercomplex een nauwkeurige reconstructietekening heeft gemaakt die tot de verbeelding spreekt. Tekst en beeld laten duidelijk zien dat de kloosters geen wereldmijdende instellingen waren, maar dat zij een integraal onderdeel uitmaakten van de laatmiddeleeuwse stedelijke samenleving.

Jos Pierik, De middeleeuwse kloosters van Amsterdam. Verschenen en weer verdwenen tussen 1389 en 1585. Utrecht: Uitgeverij Matrijs, 2024; 216 blz., ill., ISBN 9789053456101. Prijs € 29,95

Door Arjan Nobel

In 2019 deed genealoog Robbert Jan van der Maal in een Belgisch familiearchief een spectaculaire ontdekking: een memorieboek van ruim tweehonderd pagina’s, geschreven door de Alkmaarse Maria van Nesse (1588-1650). Samen met Judith Noorman schreef hij hierover een boek dat eind 2022 verscheen, tegelijk met een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Alkmaar. De titel speekt over een ‘unieke’ bron en belooft ‘nieuwe perspectieven op huishoudelijke consumptie’. In hoeverre zijn de auteurs hierin geslaagd?

Een zelfstandige vrouw

‘In de zeventiende eeuw verwees het woord ‘memorieboek’ naar een notitieboek waarin iemand opschreef wat hij of zij niet wilde vergeten’, zo omschrijven de auteurs hun bron (pag. 79). Het manuscript van Maria van Nesse was veel meer dan een kasboek, huishoudboek, rekeningboek of journaal. Ze noteerde hierin niet alleen aankopen, maar ook belangrijke gebeurtenissen, recepten, huishoudtips, medische adviezen en afspraken met haar dienstmeisjes. Samen geven deze tweehonderd pagina’s een gedetailleerd inkijkje in het leven van een katholieke vrouw uit de vroegmoderne tijd.

Noorman en Van der Maal portretteren Maria van Nesse als een zeer zelfstandige vrouw. Dat doen ze in vier hoofdstukken over haar leven, memorieboek, huishoudelijke consumptie en religie. De ongetrouwde Maria stamde uit een rijke familie en kreeg haar inkomsten uit bezittingen van huizen en landerijen in de wijde omgeving. Ze besteedde veel tijd aan het regelen van het huishouden en het aansturen van haar personeel.

Dankzij Maria’s memorieboek en enkele andere bronnen was het voor de auteurs mogelijk om haar huis aan de Alkmaarse Langestraat te reconstrueren. De lezer wandelt als het ware door een 17de-eeuws huis, en komt daar allerlei prachtige details tegen. Zo schrijft Maria over de keuken, waar een haardvuur brandde waarop werd gekookt. De schouw erachter was blauw geverfd, terwijl Maria in 1630 achter de haard een tegeltableau met Hannibal en Scipio liet aanbrengen. Achter de keuken was een toilet te vinden. Hier toonden de tegeltjes op de muren verschillende beroepen. Een dienstmeisje was in 1637 bijzonder onfortuinlijk toen ze een schaats in dit secreet liet vallen.

Een religieuze vrouw

Voor Maria stond, net als voor veel tijdgenoten, haar familie centraal. Familieverbanden maakten je reputatie, terwijl ook rijkdommen via deze route werden doorgegeven. Maar wat haar dagelijks leven misschien wel het meest stempelde, was de religie. Maria was een zeer katholieke vrouw, en beschouwde zichzelf als een geestelijke maagd. Dergelijke ongehuwde vrouwen, ook wel kloppen genoemd, zetten zich buiten het klooster in voor de gemeenschap. Ze namen dus volop deel aan het sociale en economische leven van alledag, maar zetten zich tegelijk ook in voor de katholieke kerk.

Haar taken waren zeer divers. Zo versierde ze bijvoorbeeld de kerk en het altaar, naaide kerkelijke gewaden, verspreidde stichtelijke werken en devotionalia en deed, incidenteel, aan zieken- en armenzorg. Een vrouw als Maria was een aantrekkelijke bondgenoot voor lokale geestelijken. Ze beschikte over een uitgebreid netwerk en gebruikte haar kapitaal om de kerk te helpen. Daarbij liepen religie en reputatie vaak naadloos in elkaar over. Niet voor niets liet zij haar familiewapen soms toevoegen aan haar schenkingen.

Een unieke vrouw?

Het memorieboek van Maria van Nesse geeft zonder twijfel een spectaculair inkijkje in het leven van een vrouw uit de 17de eeuw. De studie van Noorman en Van der Maal over deze bron doet denken aan de tentoonstellingscatalogus Huisraad van een molenaarsweduwe uit 1986. Daarin staat het leven Maria Dircksdochter (voor 1530-1578) uit Leiden centraal, en wordt onder andere uitvoerig ingegaan op haar woning, huisraad en boekenbezit. Die reconstructie werd gedaan aan de hand van een boedelinventaris. Noorman en Van der Maal laten echter zien dat Maria’s memorieboek veel meer informatie biedt. Het is geen momentopname maar biedt gegevens over een langere periode, die ook nog eens veel preciezer zijn. Bedragen van bijvoorbeeld schilderijen zijn in boedelinventarissen altijd geschatte waarden, terwijl in het memorieboek niet alleen precieze getallen te vinden zijn, maar ook informatie wordt gegeven over de omstandigheden waaronder de kunst werd gekocht. Het unieke memorieboek van Maria van Nesse biedt dus zeker nieuwe perspectieven op huishoudelijke consumptie en details die ons beeld van het huiselijk leven in de vroegmoderne tijd verfijnen.

Tegelijkertijd krijgt de lezer een beetje een eilandgevoel. De focus ligt helemaal op Maria en haar leven in het huis aan de Langstraat, terwijl de wereld eromheen niet echt uit de verf komt. Een goed voorbeeld vormt het overlijden van pastoor Bartholomeus Pauw in 1636, die werd begraven in het koor van de Sint-Laurenskerk. Maria deelde, samen met haar zwager Jacob Nobel, de kosten voor de met katholieke rituelen omgeven uitvaart. ‘We mogen ons afvragen of de gereformeerde predikanten die de kerk in gebruik hadden blij waren met het voortleven van deze katholieke traditie’, schrijven de auteurs (pag. 85-86). Het antwoord op die vraag is, met een klein beetje zoekwerk in de literatuur, gemakkelijk te geven. De Alkmaarse kerkenraad keurde dit inderdaad ten zeerste af en drong regelmatig bij het stadsbestuur aan op maatregelen tegen ‘paapse superstitiën’ bij begrafenissen en vieringen van heiligendagen. Soms had dit effect: in 1600 werd verboden om tijdens Driekoningen zingend langs de huizen te trekken, een jaar later werd de verkoop van snoepgoed tijdens Sinterklaas aan banden gelegd.

Door de enorme gerichtheid op de bron blijft de vraag hoe uniek Maria’s memorieboek nu echt is. Een bredere inbedding in de lokale, regionale en gewestelijke context had wellicht meer duidelijkheid gegeven. Maar dat is misschien ook niet de insteek geweest van de auteurs en was, binnen de korte tijd dat ze eraan hebben gewerkt, wellicht lastig te realiseren. In de conclusie schrijven ze zelf dat ze hun boek vooral zien als een opstap voor verder onderzoek. Mogelijkheden te over: kostuumhistorici, genealogen en liefhebbers van historische recepten kunnen er veel van hun gading vinden. En dat kan gewoon vanuit huis: Noorman en Van der Maal lieten het memorieboek transcriberen door de transcriptiegroep van het Regionaal Archief Alkmaar, waar het nu online is ontsloten en te doorzoeken. Op die manier bewijzen zij onderzoekers een grote dienst en, misschien wel het belangrijkste, leeft Maria van Nesse voort.

Judith Noorman en Robbert Jan van der Maal, Het unieke memorieboek van Maria van Nesse (1588-1650). Nieuwe perspectieven op huishoudelijke consumptie, Amsterdam University Press, 2022, 328 p., ISBN 978 94 6372 599 6. Prijs: €36,99.

Door Matthijs van der Loo

Ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van het Historisch Gezelschap te ’s-Gravenhage verscheen er in 2024 een nieuwe jubileumbundel over de Haagse geschiedenis bij Amsterdam University Press: Onrust in Den Haag: Vier eeuwen oorlog, conflict en protest. In veertien bijdrages staan diverse auteurs stil bij verschillende vormen van onrust waarbij Den Haag min of meer een rol speelde.

Een rijkelijk versierde bundel

Ondanks de ondertitel van de bundel is het lastig om een rode draad te vinden in de verschillende bijdrages van de bundel. Soms speelt Den Haag slechts een minimale rol in de achtergrond van enkele artikelen. In de allereerste bijdrage van de bundel, over de verschriftelijking van het Staatse leger rondom 1600, is dat het geval. Dat de stad Den Haag soms naar de achtergrond van enkele artikelen verdwijnt, wordt gelukkig wel benoemd in de inleiding van de bundel. De verschillende artikelen beslaan de periode tussen 1600 en 1977, waarbij het zwaartepunt overduidelijk in de 20ste eeuw ligt met zes bijdrages en de 17de eeuw met vier.

De bundel is rijkelijk geïllustreerd met kleurenafbeeldingen en dat komt ten goede van de vele kunsthistorische artikelen die het boek rijk is. Zo wordt in een tweetal bijdragen enkele historische prenten van Adriaen van de Venne (1590-1662) besproken. Boekwetenschapper Marieke van Delft gebruikt het dagboek van N.J. Blaake (1781-1816) over de Omwenteling van 1813 om de tekeningen bij het dagboek te bespreken en kunsthistorica Claudine Chavannes-Mazel belicht enkele onbekende werken van de in Den Haag woonachtige illustratrice Rie Cramer (1887-1977).

Godsdienstige twisten

Oorlog, conflict en protest zijn begrippen die vaak een politieke dimensie hebben. In een tweetal bijdrages komen religieuze twisten ook aan de orde. Zo behandelt hoogleraar Eric Jorink de vervolging van de spinozisten Petrus van Balen en Anthony van Dalen voor de kerkenraad. In een andere bijdrage zoomt Paul Gerrritsen in op het leven van zijn voorvader dominee J.H. Gerritsen (1867-1923), die in zijn preken uithaalde naar enkele Europese staatshoofden en daarmee de nodige beroering veroorzaakte.

De meeste stukken in de bundel hebben betrekking op conflicten die met name bij de elite speelden, slechts een enkele bijdrage heeft ook oog voor de werkende klasse. Historicus Henk den Heijer belicht de rellen van de Scheveningse vissers tegen hun reders. De bundel wordt afgesloten door historicus Herman Rosenberg die aandacht besteedt aan de acties van de Rote Armee Fraktion (RAF) in Den Haag in 1977.

Stilzwijgend verzet

Een van de meest fascinerende artikelen wordt geleverd door historicus Ronald Prud’homme van Reine. Hij staat stil bij de zeeheldenpostzegels die tijdens de bezettingstijd het levenslicht zagen. In opdracht van de Duitse bezetters koos de algemeen secretaris van de PTT voor een reeks van Nederlandse zeehelden. Voor het vervaardigen van de afbeeldingen hiervoor koos hij voor een reeks kunstenaars waartoe ook een tweetal Joodse kunstenaars behoorde. Een van hen was Sem Hartz (1912-1995). Het proces voor het vervaardigen van de zegels nam de nodige jaren in beslag. Zo bepaalde de Duitse bezetter in 1942 dat de PTT geen Joodse kunstenaars meer in dienst mocht hebben en in plaats van te accommoderen besloot de leiding om hun kunstenaars toch te houden en te huisvesten op enkele onderduikadressen vanwaar ze konden werken. Zodoende weet Prud’homme van Reine een geschiedenis te schetsen van wat gezien kan worden als collaboratie met de bezetter, maar waar ook een vorm van stilzwijgend verzet in naar voren komt.

De bundel Onrust in Den Haag geeft een rijkgeschakeerd beeld van politieke en religieuze turbulentie in de Hofstad door de eeuwen heen. Hoewel de twintigste eeuw sterk vertegenwoordigd is, zorgt de variëteit aan onderwerpen ervoor dat diverse vergeten onderdelen van de Haagse geschiedenis belicht worden.

Marieke van Delft, Herman Rosenberg, Onno Sinke en Lex van Tilborg (red.), Onrust in Den Haag: Vier eeuwen onrust in Den Haag. Amsterdam University Press, Amsterdam 2024, 237 p, ISBN 9789048567133. Prijs: €24,99.