Door Jaap de Haan

Het brutalisme maakt niet bij iedereen warme gevoelens los. Architectuurcriticus Kirsten Hannema omschrijft in het voorwoord haar waardering voor deze bouwstijl als liefde op het tweede gezicht. Haar kennismaking met het brutalisme vergelijkt ze met een ‘net-te-harde handdruk van een oom, die je nog lang navoelt in je vingers.’ De spreekwoordelijke oom was voor haar de aula van de TU Delft. Hannema is ervan overtuigd dat een tweede kennismaking met brute gebouwen, zoals de aula, zal leiden tot een herwaardering van het brutalisme. Die is hard nodig, want deze gebouwen vallen geregeld ten prooi aan de sloopkogel.

Béton brut

Het boek begint met een korte, heldere inleiding over het brutalisme. Een duidelijke omschrijving van deze architectuurstroming bestaat niet: ‘De definitie van brutalisme is dus niet in beton gegoten.’ Het zichtbare gebruik van al dan niet ruw beton is wel een kernmerk van het brutalisme. De naam is gemunt door de Frans-Zwitserse architect Le Corbusier (1887-1965), die in 1952 de term béton brut introduceerde. In de jaren zestig van de 20ste eeuw werd het brutalisme ‘dé stroming’ van de wederopbouwarchitectuur, met name in welvaartstaten. Bij gebrek aan een algemeen aanvaarde definitie hebben de samenstellers zelf kenmerken van het brutalisme opgesteld: beton als bouwmateriaal, ruw in de afwerking, uitgesproken constructie, ultra in de maatvoering en textuur die duidelijk zichtbaar is. De goede lezer heeft in de beginletters van de kenmerken de titel van het boek ontdekt: Bruut.

Wie het boek doorbladerd krijgt de indruk dat het brutalisme in Nederland een typisch Hollandse architectuurstroming is. Van de Top 20 bruutste gebouwen staan er maar liefst dertien in Noord- en Zuid-Holland. De samenstellers wijzen erop dat in het westen van ons land nu eenmaal het dichtst bebouwd is en dat hier veel (overheids)instellingen zijn gevestigd, bij wie deze architectuurstroming kennelijk in de smaak viel.

Het boek is ingedeeld in vijf regio’s, waarbinnen afzonderlijke gebouwen worden besproken. Daarnaast zijn er regio-overstijgende thema’s over woningbouw, kerkgebouwen, schoolgebouwen en over architecten, bijvoorbeeld Sier van Rhijn (1922-1989). Van Rhijn ontwierp Mozeshuis in Amsterdam en, samen met Ben Spänberg, de metrostations van de Amsterdamse Oostlijn. Net als van andere brutalistische architecten zijn enkele van Van Rhijns gebouwen inmiddels gesloopt, zoals metrostation Kraaiennest en twee scholen in Vught en Valkenswaard.

Utilitaire bouw

In het boek worden honderd brutalistische gebouwen besproken. Dit zijn vaak school- en kantoorgebouwen, maar ook bouwwerken voor de waterhuishouding. Een paar zaken vallen op. Ten eerste dat brute gebouwen ook fijn en harmonieus kunnen zijn. Het Cygnus Gymnasium (voormalige Eerste Christelijke LTS Patrimonium) in Amsterdam, bijvoorbeeld, krijgt vijf sterren op de bruutheidsschaal, maar is veel toegankelijker ontworpen dan het hoofdgebouw van de Vrije Universiteit of het kantoorgebouw Leeuwenberg in dezelfde stad. Dat geldt ook voor Autopon, de voormalige showroom, kantoor en garage van de gebroeders Pon in de hoofdstad. Een verklaring is misschien dat de architect van deze gebouwen, Ben Ingwersen (1921-1996), Le Corbusiers modulator gebruikte. Met deze schaal, die gebaseerd is op de gulden snee, kan de maatvoering van gebouwen berekend worden, met oog voor de menselijke maat.

Het tweede dat opvalt, is dat universiteiten, met name de technische, patent hebben op de bruutste bouwwerken. Het al genoemde hoofdgebouw van de Vrije Universiteit, maar ook het gebouw Civiele Techniek van de TU in Delft zijn heel weerbarstig. In de andere regio’s bieden de universiteitscampussen eenzelfde aanblik: van het Androclusgebouw en het Hugo Kruytgebouw van de Universiteit Utrecht tot de Cubicus van de TU Enschede en het Hoofdgebouw en de Bunker van de TU Eindhoven.

Het bruutste gebouw van Nederland

De nummer 1 van de Top 20 mag dan geen verassing zijn: de Aula van de TU in Delft uit 1966. Martjan Kuit noemt dit gebouw een ‘brutale gigant’, en dat is het. Architecten Jo van de Broek, Jan de Groot, Gerard Lans en Henk Lops ontwierpen het destijds zwaarste gebouw van Nederland. Zelf spraken ze over ‘het ding’. Kuit omschrijft de vormgeving van de Aula ‘sculpturaal, organisch en plastisch’, maar het oogt alsof er een gigantisch ruimteschip op de campus is geland.

Zo brutaal als de meeste gebouwen in het boek Bruut. Atlas van het brutalisme in Nederland eruitzien, zo rustig en verzorgd oogt het gelijknamige boek. De vormgevers van Beukers Scholma, bekend van diverse architectuur- en kunstpublicaties, tekenden voor de opmaak en fotograaf Bart van Hoek leverde het beeld aan. Hij heeft de brutalistische gebouwen in het boek op hun mooist vastgelegd, vaak letterlijk in een vriendelijke voor- of najaarszon. De enthousiaste teksten van Arjan den Boer, Martijn Haan, Martjan Kuit en Teun Meurs doen de rest: zelfs iemand die geen liefhebber is van ruwe betonbouw krijgt langzaamaan oog voor de schoonheid van deze bouwstijl. Een voorwaarde is dan wel dat de zon schijnt, want somber weer is de grootste vijand van het hartstochtelijke pleidooi voor het behoud van brutale gebouwen.

Arjan den Boer, Martijn Haan, Martjan Kuit en Teun Meurs, Bruut. Atlas van het brutalisme in Nederland. Zwolle: Uitgeverij WBooks, 2023 320 p., ill., ISBN: 9789462585379, prijs € 69,95,-

Door Jaap de Haan

In het Mauritshuis in Den Haag hangt Rembrandts beroemde schilderij De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp. Weinig mensen weten dat Tulp aan het eind van de 16de eeuw geboren werd als Claes Pietersz. Rond zijn dertigste nam hij de achternaam Tulp aan, genoemd naar de plant op het uithangbord aan zijn huis. Hoewel de dokter bevriend was met de tulpenliefhebber Outger Cluyt en een van de drijvende krachten was achter de oprichting van de Amsterdamse Hortus Botanicus, zijn er geen aanwijzingen dat hij bevangen was door de tulpenkoorts van 1637.

Aan de handel in tulpenbollen heeft Museum de Zwarte Tulp in Lisse in 2023 een tentoonstelling gewijd. Henk Looijesteijn schreef met medewerking van Annemarie Vels Heijn een begeleidend boek, getiteld Tulpenkoorts 1636-1637 – Mythe en werkelijkheid. Over de 17de-eeuwse tulpenhandel bestaan inderdaad vele spectaculaire verhalen. Zo kon voor de prijs van één tulpenbol een Amsterdams grachtenpand worden gekocht. In dit boek laten de auteurs zien dat dit soort verhalen slechts deels op de werkelijkheid is gebaseerd.

Dat deze handel zo tot de verbeelding spreekt, komt door één specifieke veiling. Op 5 februari 1637 werden in Alkmaar de bollen van kastelein en kweker Wouter Winckel verkocht ten behoeve van zijn kinderen, die door zijn overlijden en de dood van zijn vrouw wees waren geworden. De Alkmaarse weesmeesters wilden met de verkoop de kosten voor de opvoeding van de kinderen dekken. Dat lukte ruimschoots. De duurste tulpenbol van Winckel, een Viceroy, werd geveild voor ƒ 4200,-, gevolgd door een Admirael Liefkens voor ƒ 1010,-. In totaal bracht de veiling ƒ 90.000,- op (nu zo’n € 2,5 miljoen).

De veiling Winckel vond precies op het goede moment plaats, want twee dagen later stortten de prijzen van tulpenbollen in. Sommige bollen daalden maar liefst 90% in waarde. De Staten van Holland bogen zich over de gevolgen van de ingestorte handel voor kopers en verkopers, maar besloten niet in te grijpen. Uiteindelijk losten de problemen zich vanzelf op. Veel koopcontracten werd afgekocht door het betalen van een rouwkoop: een afkoopsom van ongeveer 10% van de (oorspronkelijke) waarde van een tulpenbol.

Ook in 17de eeuw werd met verwondering gekeken naar de zogeheten tulpenkoorts. De prijzen van Winckels bollen waren zo bijzonder dat ze in pamfletten werden gepubliceerd, zoals in Tooneel van Flora (op pagina 46-47 is zo’n lijst afgebeeld). Na de ineenstorting van de tulpenhandel keken velen hoofdschuddend terug op deze vorm van speculatie. In talloze pamfletten werd de tulpenhandel aangegrepen om te waarschuwen tegen de hebzucht van de mens.

Looijesteijn heeft dankbaar gebruikt gemaakt van deze publicaties, niet vanwege de morele boodschap, maar vanwege de informatie die ze geven over de tulpenhandel. Op basis van de pamfletten beschrijft hij een aantal stappen de professionalisering van de tulpenhandel. Het begon met de specialisatie van kwekers, die zich alleen nog toelegden op het kweken van tulpen. Vervolgens ontstonden er ‘compagniën’ die zich hoofdzakelijk richtten op de tulpenhandel. Deze groepen handelaren kregen een eigen beroepsaanduiding, namelijk floristen, en ze kwamen met andere floristen in herbergen bij elkaar om tulpenbollen te kopen en te verkopen. De gespecialiseerde samenkomsten stonden bekend als ‘collegiën’. Tenslotte was er sprake van een gestandaardiseerde verkoopmethode.

Tulpenkoorts is een prettig leesbaar en informatief boek over een vroeg 17de-eeuwse economische bubbel. Op een gedecideerde en overzichtelijke manier zetten Looijesteijn en Vels Heijn de handel in tulpen uiteen en laten zij zien dat de spectaculaire bedragen die voor sommige bollen werden geboden, een uitzondering waren en zeer waarschijnlijk nooit betaald zijn geweest. De literatuurlijst biedt degenen die zich verder in het onderwerp willen verdiepen, voldoende keus. Ook zonder een bezoek aan de tentoonstelling (die inmiddels voorbij is) is dit boek de moeite waard voor iedereen die geïnteresseerd is in de lokale economie van de 17de eeuw.

Henk Looijesteijn in samenwerking met Annemarie Vels Heijn, Tulpenkoorts 1636-1637 – Mythe en werkelijkheid. Lisse: Stichting Museum de Zwarte Tulp, 88 blz., ill., ISBN: 9789464550269, prijs €18,50

Door Ad van der Zee

Ten noorden van Amsterdam, aan de overkant van het IJ begint Waterland, een open en vogelrijk veenweidegebied dat zich uitstrekt langs de oever van het IJsselmeer, (voorheen Zuiderzee) tot aan het voormalige Purmermeer, aan de westzijde begrensd door de rivier de Zaan. Het gebied ten noorden daarvan, vanaf Volendam tot aan Etersheim, wordt de Zeevang genoemd. De archeologische en landschappelijke geschiedenis van dit gebied vormt het onderwerp van een studie door Corrie Boschma-Aarnoudse. De auteur gaat daarbij in op (bijna) alle aspecten van het ontstaan en de wording van het gebied, vanaf de Karolingische tijd tot het eind van de Middeleeuwen.

Bewoningsgeschiedenis

Het grootste deel van het boek (deel 1) is gewijd aan de landschappelijke oorsprong en de wordingsgeschiedenis. Vanaf de 12de eeuw werd het oorspronkelijke hoogveen ontgonnen en raakte het gebied bewoond, maar dat wil niet zeggen dat het daarvóór onbewoond was. De auteur toont overtuigend aan dat er al mensen woonden op kleine huisplaatsen, die gewoon los in het veen waren gelegen. Eind 11de eeuw wisten leden van de familie Persijn grote delen van deze ‘wildernis’ in eigendom te verkrijgen en begonnen grootschalige ontginningen. Ook de familie De Grebber, oorspronkelijk afkomstig uit Zuiderwoude, speelde een voorname rol in de geschiedenis van Waterland. Leden van deze clan vervulden op het eind van de Middeleeuwen ook voorname bestuursfuncties zoals baljuw van Waterland en schout van Amsterdam.

In Purmerend en omgeving werd die rol vervuld door de familie Eggert. Daarnaast verkregen abdijen, zoals die van Egmond omvangrijk grondbezit; de Friese abdij van Mariengaarde bij Hallum bezat de helft van het eiland Marken (dat toen een stuk groter was dan nu), maar dat werd in 1344 door graaf Willem IV geconfisqueerd aan de vooravond van zijn veldtocht naar Friesland. Op het eind van de middeleeuwen werd Waterland meer en meer het toeleveringsbedrijf van Amsterdam, als leverancier van goederen en personeel voor de zeevaart. Het gebied raakte er door in zekere welstand.

Families en steden

Het tweede deel van de studie is gewijd aan het ontstaan en de middeleeuwse geschiedenis van de steden in het gebied: Monnickendam, Edam en Purmerend. Zij concentreert zich hierbij op de vraag hoe de verhouding tussen de leidende families (Persijn, De Grebber en Eggert) en de graaf van Holland de ruimtelijke ontwikkeling van de steden heeft beïnvloed. Deze blijkt in elk van de drie steden verschillend te zijn verlopen. Analyse van archeologische opgravingen en veranderingen in het grondbezit ondersteunt dit betoog over gebruik, landinrichting en economische ontwikkeling. De stadjes kenden zowel groei als neergang, als hernieuwde groei, terwijl de schaduw van het grote Amsterdam altijd over hen heen bleef liggen.

Multidisciplinair boek

De auteur haalt nogal wat overhoop en put uit tal van onderzoeken op het terrein van de archeologie, historische geografie, ontginningsgeschiedenis en leenrechtelijke kwesties. Dat leidt tot een hoge informatie- en detaildichtheid, wat de lezer nog wel eens het zicht op de grote lijn ontneemt. En al kunnen we dit boek in alle opzichten een multidisciplinaire onderneming noemen, voor taalkunde is helaas geen plek ingeruimd. Dat is jammer, want juist Waterland was een van de laatste plekken in Noord-Holland waar nog lang Fries werd gesproken (waarschijnlijk tot het eind van de 17de eeuw), zoals dat tot aan de 11de eeuw in heel Holland het geval was. Daar zou nog best veel over te vertellen zijn.

Aan kaarten geen gebrek in dit boek. Het bevat afbeeldingen van schitterende manuscriptkaarten van steden en landelijke percelen en ook zijn er diverse ‘technische’ kaarten zoals hoogtekarteringen die veel landschappelijke details verklaren. Een nieuw getekende overzichtskaart, als referentie voor al die lokale details, wordt daarbij wel gemist. Zo’n kaart had kunnen tonen waar precies alle genoemde dorpjes, gehuchten, waterlopen, dijken en meertjes gelegen zijn. Ook de precieze begrenzingen van Waterland en de Zeevang blijven daardoor enigszins onduidelijk.

Geen publieksboek

Gezien het onderwerp en de rijk geïllustreerde uitvoering lijkt dit boek bedoeld voor betrekkelijke leken die geïnteresseerd zijn in de ontstaans- en wordingsgeschiedenis van Waterland en de Zeevang. Maar in de aanpak en uitwerking richt het zich toch met name op hen die al die diverse soorten informatie ook weten te plaatsen. De uitgave als Jaarboek van de Vrienden van de Hondsbossche wijst daar ook op. Zoals gezegd, de auteur haalt nogal wat overhoop en dat maakt het boek niet eenvoudig toegankelijk. Het taalgebruik is vaak opsommend en technisch van aard, wat helaas enige afbreuk doet aan de interessante inhoud. De ‘algemene’ lezer – een categorie die juist bij uitstek geschikt zou zijn om met een mooie regionaal-historische studie te bereiken – zal mogelijk tussentijds afhaken of zich beperken tot het consumeren van wat interessante weetjes. Het boek had dus een breder publiek kunnen aanspreken, maar nu blijft de doelgroep – vrees ik – beperkt. Niettemin is deze studie een belangrijke toevoeging aan de (landschaps-)historische en archeologische kennis van het gebied.

Corrie Boschma-Aarnoudse, Boer en poorter in het veen. Waterland en de Zeevang in de middeleeuwen, Stichting Uitgeverij Noord-Holland, Heerhugowaard/Wormer, 2022, 154 p., ill., ISBN 978-94-92335-35-7, prijs €34,95.

Door Jaap de Haan

Over smaak valt niet te twisten. Maar toch… De glazen bol uit Allegorie van het katholieke geloof siert het omslag, maar dit schilderij is bepaald niet het hoogtepunt uit Vermeers oeuvre. De katholieke beeldtaal met de smachtende blik van een vrouw naar een crucifix is ook heel on-Nederlands. Waarom is er niet gekozen voor een detail uit het Melkmeisje of Vrouw met weegschaal? Na lezing van Johannes Vermeer. Geloof, licht en reflectie blijkt waarom deze bol goed past bij de strekking van dit boek.

Ter gelegenheid van de grote Vermeertentoonstelling en van zijn pensionering als hoofd beeldende kunst van het Rijksmuseum heeft Gregor Weber deze fascinerende analyse geschreven van Vermeers oeuvre. Hierin gaat hij na welke invloed Vermeers katholieke huwelijk en omgeving hebben gehad op zijn persoonlijke leven en op zijn kunst. Weber bouwt zijn boek slim op. Hij begint bij de concrete feiten uit Vermeers leven, dan behandelt hij de katholieke devotiekunst in Delft en schakelt vervolgens over naar het jezuïtische licht in het werk van de schilder.

Papenhoek in Delft

Onder Vermeer-kenners bestond lang onenigheid of deze van oorsprong protestantse schilder daadwerkelijk was overgegaan naar de katholieke kerk. Volgens Weber was dat wel het geval. De schoonmoeder van de schilder stond daarop toen hij met haar dochter Catharina Bolnes wilde trouwen. Wat voor deze aanname spreekt is dat Vermeer na zijn huwelijk in de Papenhoek in Delft woonde en zijn kinderen zeer katholieke namen gaf, variërend van Maria tot Franciscus en Ignatius.

Toen Vermeer in de jaren 1650 het schilderpenseel ter hand nam, maakte hij een aantal religieuze werken, zoals Christus in het huis van Maria en Martha en Sint-Praxedes. Het ligt voor de hand dat hij een uitgebreide katholieke klantenkring had. In de Papenhoek, ten zuiden van de Nieuwe Kerk, woonden veel welgestelde katholieke families. Hier was ook een jezuïtische schuilkerk gevestigd en de auteur vermoedt dat pater Roeland de Pottere – en later Isaac van der Mye – Vermeer in aanraking bracht met de emblemata van Guiliermus Hesius en jezuïtische traktaten over optica.

Het licht van God

Nadat Weber overtuigend Vemeers katholieke leef- en denkwereld heeft neergezet, gaat hij een stap verder. Aan de hand van vele voorbeelden uit 17de-eeuwse boeken zet hij uiteen hoe jezuïeten het licht als een symbool van God zagen. Emblemen met optische fenomenen, zoals de glazen bol en de camera obscura, hadden tot doel God en zijn schepping te loven. ‘De jezuïtische thematiek is doordesemd van de idee dat het weerkaatste licht een verwijzing is naar het licht van God zelf, dat het zichtbare teken is van het onzichtbare,’ aldus Weber. (p. 89)

Licht speelt een belangrijke rol in Vermeers werk, zoals in het Melkmeisje, dat zelf licht lijkt te geven. Hij heeft dat bereikt door met minuscule stipjes verf de kleding, het aardewerk en het brood aan te duiden. In het schilderij zijn sommige delen haarscherp, terwijl in andere juist de kleuren in elkaar overlopen. Weber laat in het midden of Vermeer daadwerkelijk gebruik maakte van een camera obscura (wat zou verklaren dat sommige onderdelen van een voorstelling vager zijn dan andere). Hoe dan ook, de symbolische of emblematische betekenis van de camera obscura is aanwezig in het werk van Vermeer. Volgens de jezuïeten projecteert het goddelijke licht dat door de lens van dit apparaat valt het beeld van de echte wereld.

Devotie in het alledaagse

Na 1660 legde Vermeer zich toe op huiselijke taferelen. Weber ziet hierin de devotie in het alledaagse. Veel schilderijen sluiten aan bij de jezuïtische emblemata en laten zien hoe de mens zich wel of niet moet gedragen. Vrouw met weegschaal heeft een zo’n boodschap: de weegschaal staat voor het laatste oordeel, waarbij de deugden en de zonden van elk mens worden gewogen. Op Vrouw met parelsnoer zet Vermeer zijn model neer als een personificatie van alle wereldse verlokkingen, want ze bewondert in de spiegel de fraaie parelketting om haar nek. Ook hier speelt het goddelijke licht een belangrijke rol. Dat valt uitbundig door het raam naar binnen, maar de vrouw kan God niet ervaren doordat ze slechts oog heeft voor het parelsnoer.

Weber heeft een even overtuigende als fascinerende interpretatie van het oeuvre van Vermeer gegeven. Dat licht een grote rol speelde in zijn werk was bekend, maar nu weten we ook waar het licht vandaan komt dat Vermeer over zijn beroemde alledaagse, Hollandse taferelen laat schijnen.

Gregor J.M. Weber, Johannes Vermeer. Geloof, licht en reflectie, Rijksmuseum Amsterdam, 2023, 168 p., ISBN 978-462087576, prijs €25,-.

Inhoudsopgave

Redactioneel | Proost! Drank in Holland
Peter-Paul de Baar | De bruine kroeg. Hervonden historisch erfgoed
Jacques van Toor | Schelvispekel, advocaat en gazeuse. 140 jaar H. van Toor Jz. Distilleerderij BV in Vlaardingen
Leroy Fisscher | De neut van Nederland. Nationale identiteit in de jenevermarketing

Tijdingen Marieke Dwarswaard | Drankbestrijding in Holland
Topstuk Romy Beck | Het welvaren van Siparipabo
Column Carolina Verhoeven | Azijn in de Hollandse keuken
Uithoek Henk Looijesteijn | Surinaamse Brouwerij, Paramaribo


Inhoudsopgave

Redactioneel | Stadsrecht en stedelijke identiteit in Holland
Interview | Dordrechts Museum
Rudi van Maanen | Stadsrechten in Holland. De onderlinge samenhang van de oudste stadsrechtprivileges
Interview | Museum Gouda
Paul van de Laar | Oude en nieuwe stadsrechten.

Interview | Museum Vlaardingen
Topstuk Lex van Tilborg en Frank de Hoog | Haagse bluf op doek
Interview | Stedelijk Museum Schiedam
Interview | Amsterdam Museum
Column Auke van der Woud | Een stad is wat er staat
Uithoek Henk Looijesteijn | Aleid, stedenstichteres van Schiedam


Inhoudsopgave

Redactioneel | Middeleeuws Holland in hout en steen
Elizabeth den Hartog | De Griekse inscriptie op het timpaan van de abdijkerk te Egmond
Edwin Orsel | De Leidse Burcht opnieuw gedateerd
Sterre Berentzen | Niet alleen ‘Totten armen behoef’. Het Oude Gasthuis voor alle Amsterdammers (circa 1350-1400)

Holland BLOC

Tijdingen Ad van der Zee | Boerderijen en een kasteel bouwen in Masamuda
Beeldessay Christiaan Veldman | Een getijdenboek op maat. Het Breviarium van Beatrijs van Assendelft
Column Sanne Frequin | Een museum voor het Binnenhof
Uithoek Henk Looijesteijn | Adelbertusakker, Egmond-Binnen


Inhoudsopgave

Redactioneel | Heel Holland eet. Levensmiddelenindustrie in Holland
Vibeke Kingma | Lassie: het geheim van de Zaanse rijst
Henk Heijnen en Leonie Sterenborg | Verkademeisjes en carrièrevrouwen
Lynn Ruiter | Komt voor de bakker! Damco’s amandelspijs en innovatie in de voedselindustrie

Holland BLOC

Tijdingen Henk Looijesteijn | Strijders tegen de onleesbaarheid
Topstuk Ton Immerzeel | De ploffer
Column Klaartje Scheepers | Mag het ietsje meer zijn?
Uithoek Arjan Nobel | Koen Visser te Oud-Beijerland

Door Henk Looijesteijn

Hij woonde als jongen aan het hof van graaf Floris V, maakte de ontvoering van de graaf mee en wist ternauwernood te ontsnappen. Een paar jaar later slachtte hij genadeloos opstandige Zeeuwen af. Op 11 juli 1302 kwam er aan zijn loopbaan al een einde, toen hij, ongeveer 24 jaar oud, tezamen met een groot deel van de Franse ridderadel bij Kortrijk in de pan werd gehakt door de Vlamingen. Houwdegen Jan ‘zonder Genade’ van Avesnes volgde zodoende nooit zijn vader op als graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland.

Het is een van de vele, dikwijls tamelijk onbekende, opmerkelijke levens die aan de orde komen in Hoogtij van Holland, het vierde boek van historicus en heraldicus Henk ’t Jong. Het is net als zijn in 2018 verschenen Dageraad van Holland. De geschiedenis van het graafschap 1100-1300 een publieksboek waarin het verhaal van het gewest Holland en zijn graven wordt verteld. Waar Dageraad van Holland valt op te vatten als ‘Holland voor en tijdens Floris’, gaat Hoogtij van Holland over het 14de-eeuwse gewest, over de graven die regeerden na de enige graaf die het grote publiek wellicht nog kent: Floris V.

‘Vergeten’ graven

Tussen 1299 en 1404 werd Holland geregeerd door vijf mannen en één vrouw. Vier van hen stamden uit het Waalse geslacht Avesnes dat ook over Henegouwen heerste; twee kwamen van nog verder weg, Beierse prinsen die via hun moeder aan de Noordzee verzeild raakten. Hun ‘vreemde’ afkomst is wellicht een van de redenen waarom deze graven tamelijk onbekend zijn, maar in de 14de eeuw werd in Holland, onder andere door langdurige tijden van vrede tijdens graaf Willem III en graaf Albrecht, al wel de grondslag gelegd van de latere economische bloei en invloed van het gewest. 

Na een uitgebreide inleiding waarin onder andere wordt uitgelegd waar de ‘buitenlandse’ graven vandaan kwamen en wat voor gebieden Henegouwen en Beieren in die tijd waren, behandelt ’t Jong elke grafelijke regering chronologisch. Het hoofdstuk over graaf Jan II is een epos over acht jaar strijd en steeds wisselende krijgskansen, waarin de Henegouwer de erfenis van zijn vermoorde neef Floris wist veilig te stellen tegen Vlaamse invallen, Utrechtse bisschoppen en opstandige Hollanders en Zeeuwen. Stof voor een epische roman met de nog piepjonge Willem III die zich kranig weerde in de noordelijke graafschappen, terwijl zijn vader in Henegouwen zat. Nadat hij op zijn achttiende graaf werd, bestuurde Willem zijn graafschappen zo uitmuntend dat de bevolking hem later herinnerde als ‘Willem de Goede’.   

Het hoofdstuk over Willems zoon en opvolger Willem IV heeft weer een heel andere toonzetting. Deze rusteloze en vechtlustige jonge vorst was er vaker niet dan wel, regelmatig op ‘Pruisentocht’ (mooi uitgelegd door ’t Jong) en altijd op zoek naar geld wat hij over de balk smeet. Zowel Amsterdam als Rotterdam kregen tegen betaling stadsrecht van de graaf. Zijn rampzalige tocht naar Friesland stortte het graafschap in nieuwe onzekerheid. Hij werd opgevolgd door zijn zuster de keizerin, maar zij moest al gauw wijken voor haar Beierse zoon Willem V, die echter geestesziek werd. Willems jongere broer Albrecht moest er aan te pas komen om als regent op te treden. De Beierse vorsten hadden daarna heel wat te stellen met de partijstrijd tussen Hoeken en Kabeljauwen.

Een rijk boek

Deze impressie doet geen recht aan de zeer rijke inhoud van dit boek. Over elk van deze graven valt een apart boek te schrijven, stelt ’t Jong vast, en hij heeft zich dan ook moeten beperken. Toch voegt hij veel verhelderende bijzonderheden toe, zoals beschouwingen over portretten, watersnoden, oorlogvoering, de pest en levensbeschrijvingen van opmerkelijke bijfiguren. Bijvoorbeeld over bisschop Jacob van Zuden (c. 1270-1331), een grafelijke geldschieter die nooit in zijn Griekse bisdom kwam, en graaf Jan van Blois (c. 1342-1381) die in Holland vele bezittingen had, een Frans graafschap erfde en ook nog hertog van Gelre poogde te worden. Het boek is rijk voorzien van afbeeldingen, kaarten en stambomen. ’t Jong erkent dat de vele namen en jaartallen de lezer wel eens zullen doen duizelen, maar stelt terecht vast dat een publieksboek over de middeleeuwen nu eenmaal niet zonder kan. 

Hoogtij van Holland is een vol boek, maar het was dan ook een volle, ‘waanzinnige’ eeuw waarin het kustgraafschap het toneel vormde voor ten minste twee vorsten van Europees formaat. Willem III en Albrecht voerden een luisterrijk hof en waren schoonvaders van koningen en keizers. Holland bloeide op tijdens hun regeringen en Den Haag beleefde een eerste hoogtij als hofstad. Willem III en Albrecht behoren met Willem II en Floris V tot de grootste graven van Holland en dit boek is onontbeerlijk voor de student of de liefhebber die zich wil verdiepen in de wederwaardigheden van deze ‘vergeten’ graven.

Henk ‘t Jong, Hoogtij van Holland. Het graafschap in de veertiende eeuw, Utrecht: Uitgeverij Omniboek, 2022, 416 p., ISBN 9789401918534, prijs €27,50.

Door Romy Beck, redactielid Holland

‘Pardoes zit de lezer aan boord van de walvisvaarder Michaël bij een “dunne, vriesige, kouwe lugt” onderweg naar Straat Davis. Het is 15 mei 1783 en een week later is de uitreis voltooid als de hoogte van Disko Eiland wordt bereikt. Het was een lange reis geweest van bijna tien weken, nadat men op 15 maart in zee was gestoken.’ (p. 41). Dit citaat uit de journalen van Aerjen Jansz. Ruijs (1750-1818) neemt je mee naar de noordelijk gelegen gebieden in de 18de eeuw. Ruijs, afkomstig uit het Noord-Hollandse de Zijpe, ging als matroos mee op walvisvaart en legde zijn ervaringen vast in twee journalen. Een werkgroep van het Regionaal Archief Alkmaar transcribeerde deze documenten en besloot hier een publicatie aan te wijden.

Een bijzonder dagboek

In 1783, 1784 en 1785 koos de 23-jarige Ruijs, net als talloze leeftijdsgenoten, het ruime sop, in de richting van Groenland en Straat Davis. Tijdens de reis hield hij een journaal bij, waarin hij uitgebreid verslag deed van zijn ervaringen. Zo beschreef hij de dagen aan boord en vermeldde per dagdeel gebeurtenissen en koersen, en hoe het gesteld was met het weer en de wind. Het weer viel hem niet altijd mee, zo hij noteerde bijvoorbeeld op 18 mei dat ‘de wind door je lichaam heen waait alsof je geen kleren aan hebt’. Bij strenge vorst bewaarde hij zijn inktkoker niet voor niets in een ‘ondertasje’, om deze te beschermen tegen bevriezing. Toch keek hij zijn ogen uit in het noordelijk gelegen gebied: ijsbergen leken wel ‘of ’t cassteelen waren’. Een enkele keer voorzag Ruijs zijn verhaal van een tekening. In de journalen vinden we bijvoorbeeld een verbeelding van een Inuit in een kajak en het hoofd van een pijprokende man.

Dat Aerjen Jansz. Ruijs zijn lotgevallen optekende, is bijzonder. Er bestaan maar weinig vroegmoderne scheepsjournalen van opvarenden uit lagere rangen. Overgeleverde journalen zijn vaak van commandeurs, zoals Het dagboek van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat (Dokkum 2018). De manuscripten van Ruijs, tegenwoordig bewaard in het Regionaal Archief Alkmaar, zijn door Gery Baars-Visser, Hans Besseling, Netty Bleichrodt-Vegter, Harry de Raad en Piet Schilte getranscribeerd en voorzien van verklarende voetnoten. Zo is de transcriptie goed leesbaar en begrijpelijk voor de hedendaagse lezer. Daarnaast bevat het boek een bespreking van de geschiedenis van de vroegmoderne walvisvaart en een reflectie op de twee journalen.

Verrijking beeld walvisvaart

Jaap R. Bruijn en Ineke Vonk-Uitgeest besteden per paragraaf kort aandacht aan thema’s, zoals de voorbereidingen, de schepen, de bemanning, de verdiensten, de reis, de verschillende vangstgebieden, de praktijken en de afrekeningen en afwikkelingen bij terugkomst. Zo stellen Bruijn en Vonk-Uitgeest bijvoorbeeld dat commandeurs de belangrijkste personen waren bij de walvisvaart, ook bij het werven van de juiste bemanningsleden. Op de overgeleverde monsterrol van de Michaël voor de reis naar Straat David in 1783 is dit terug te zien. Hierop stonden 22 mannen (van de in totaal 45 opvarenden) die afkomstig waren uit de eigen omgeving van commandeur Dirk Hopman. Zo ook matroos ‘Arijen Reuys van de Zijpe’ (p. 31-33).    

De combinatie van het primaire bronnenmateriaal en een inleiding op basis van de bestaande literatuur zorgt voor verdere verrijking en inkleuring van de kennis over de Nederlandse walvisvaart in de 18de eeuw. De teksten van Ruijs maken het mogelijk om de vroegmoderne walvisvaart nu eens vanuit een ander perspectief, meer van onderaf, te bestuderen. Daarnaast laat dit boek heel mooi zien hoe lokale geschiedenis en de inspanningen van plaatselijke historici van toegevoegde waarde kunnen zijn voor wetenschappelijke kennis en het academische debat.

Gery Baars-Visser, Hans Besseling, Netty Bleichrodt-Vegter e.a. [red.], De walvisvaartjournalen van Aerjen Jansz. Ruijs uit de Zijpe, 1783 en 1784, Hilversum: Verloren, 2022, 160 p., ISBN: 9789464550207, prijs €20,-.

Neeltje Pater was een van de rijkste dorpelingen in het 18de-eeuwse Broek in Waterland. Behalve Neeltje en haar man profiteerden meer Broekers van de handel van het naburige Amsterdam. In zijn Het Dorp van Neeltje Pater heeft Jochem Kroes een omvangrijke studie geschreven waarin de Broeker elite in kaart is gebracht als een soort Who is who? en hun doen en laten, voor zover opgetekend in archiefstukken, is beschreven. Hun economische handel en wandel komt uitgebreid aan de orde, hun nalatenschappen en hoe ze in hun huizen leefden en hun tuinen hadden ingericht. Henk Looijesteijn bespreekt de opbrengst van het gedetailleerde onderzoek naar de elite in dit Waterlandse dorp. Zijn recensie is hier te lezen.

Door Henk Looijesteijn

Het mooiste dorp van Holland is het wel eens genoemd, en ook al valt over smaak niet te twisten en zullen andere Hollanders het daar allicht niet mee eens zijn, Broek in Waterland spreekt nog altijd tot de verbeelding. Op twintig minuten met de bus van Amsterdam Centraal is het kalme dorp ogenschijnlijk een geheel andere wereld dan de jachtige grootstad, met de statige, veelal houten huizen omringd door veel water en groen.

Roemrucht is de legende van de schat van Neeltje Pater (1730-1789), ooit de rijkste vrouw van Nederland. Hoewel de erfenis al binnen korte tijd na haar dood werd verdeeld, bleven tot ver in de 20ste eeuw tal van zelfverklaarde erfgenamen ervan overtuigd dat ergens in een bankkluis nog een fortuin verborgen lag. Inmiddels heeft onderzoek uitgewezen dat daar geen sprake van is: de droom van de schat van Neeltje Pater is grotendeels vervlogen. Geertje Wiersma heeft daar een vermakelijk en vlot leesbaar boek over geschreven, Verborgen fortuin: de jacht op de erfenis van Neeltje Pater (Amsterdam 2010).

Wie een wandeling maakt door Broek in Waterland kan Neeltje Pater eigenlijk niet missen, al is het alleen al door de fraaie grafsteen voor haar en haar man Cornelis Schoon (1719-1778) die nog prijkt in de fraaie zerkenvloer van de kerk. Schoon is veel minder bekend gebleven dan zijn echtgenote, maar zijn cultuurhistorische nalatenschap is wellicht groter doordat verschillende van zijn handschriften en door hem gemaakte tekeningen van Broek in Waterland bewaard zijn gebleven. Schoon maakte onder andere een beschrijving van zijn dorp, waar hij tot de plaatselijke elite behoorde en het tot burgemeester bracht. Delen hiervan zijn opgenomen in de Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden uit het midden van de 18de eeuw.

Gezien de roem van dit echtpaar komt het niet als een verrassing dat Jochem Kroes in zijn studie van de Broeker dorpselite in de 18de eeuw een apart hoofdstuk aan het rijke echtpaar besteedt. In zijn boek wordt dit koningskoppel ingebed in een achtergrond van een hele sociale klasse binnen het dorp. Zij maakten deel uit een kleine en hecht verwante groep van Broeker kooplieden, die met name in de tweede helft van de 17de en het eerste kwart van de 18de eeuw welgesteld werd door deel te nemen aan de Amsterdamse wereldhandel. In de loop van de 18de eeuw trokken zij zich terug uit die handel en werd Broek een dorp van rijke renteniers, die opvielen door een hoge mate van endogamie en lage huwelijksvruchtbaarheid. Daardoor hoopte kapitaal zich op bij een paar erfgenamen – zoals het geval was met Neeltje Pater.

Beroepsgenealoog Jochem Kroes (1951) heeft zich sinds zijn pensionering als medewerker van het Centraal Bureau voor Genealogie in 2015 tot doel gesteld onderzoek te doen naar de vaak nog nauwelijks onderzochte plattelandselites van Holland. Na artikelen over de 18de-eeuwse elite van Schagen en zijn studie Bij de groote op Texel (Den Haag 2019), verplaatste Kroes zijn aandacht naar het 18de-eeuwse Broek. Dat is uitgemond in een omvangrijk, door het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde uitgegeven boek.

Het Dorp van Neeltje Pater behandelt de kooplieden- en regentenfamilies van 18de-eeuws Broek in Waterland en zoals te verwachten viel, zit daar veel overlapping tussen. Naast het echtpaar Schoon en Pater komen de geslachten Verlaan, Mars, Pater, Timmerman, Ploeger, Bakker en Koker veelvuldig aan de orde. Kroes heeft een omvangrijke studie geschreven waarin de Broeker elite in kaart is gebracht als een soort Who is who? en hun doen en laten, voor zover opgetekend in archiefstukken, is beschreven. Hun economische handel en wandel komt uitgebreid aan de orde, hun nalatenschappen en hoe ze in hun huizen leefden en hun tuinen hadden ingericht.

Als zodanig is het een zeer bruikbare aanwinst voor de geschiedschrijving van het Waterlandse dorp. Het beschrijvende aspect van het boek staat helaas wel nadrukkelijk voorop. Het een en ander is daardoor nogal opsommend, niet in de laatste plaats door de vele op elkaar lijkende en steeds weer terugkerende namen. Vereenvoudigde stambomen hadden de lezer een makkelijker overzicht kunnen geven dan de genealogische schema’s die nu in de bijlagen staan. Het boek is daarnaast ook wat dun in de analyse van alle gepresenteerde gegevens. Een grondige vergelijking met zijn eerder werk of andere elitestudies blijft bovendien uit. Wellicht komt dat nog als Kroes zijn onderzoeken voortzet.

Dat neemt allemaal niet weg dat we nu aanzienlijk meer weten van de 18de-eeuwse Broeker elite dan voor Kroes’ onderzoek. Neeltje Pater stond bepaald niet alleen in haar dorp. In dat opzicht is de echte schat van Neeltje Pater niet zozeer de klinkende munt die ze bij leven bezat als wel het fraaie beschermde dorpsgezicht dat voortvloeide uit de 18de-eeuwse Broeker rijkdom. 

Jochem Kroes, Het dorp van Neeltje Pater. De kooplieden- en regentenfamilies van Broek in Waterland in de achttiende eeuw, Werken van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht en Wapenkunde XXVII, ’s-Gravenhage: KNGGW, 2022, 488 p., ISBN 9789082527933. Prijs: €25,-. 

Lokaal-historische publicaties blijven regelmatig onopgemerkt. Bijvoorbeeld omdat ze worden uitgegeven door een kleine uitgeverij of een plaatselijke historische vereniging. Dat is jammer, want juist daar verschijnen soms interessante uitgaven die een schat aan onbekend materiaal ontsluiten. Leiderdorp tijdens de 80-jarige oorlog, door de auteurs zelf gekarakteriseerd als ‘een dorpsbiografie’ (p. 11), is zo’n boek. Benieuwd naar de toegevoegde waarde van deze studie? De recensie van Arjan Nobel over dit boek leest u hier.