Neeltje Pater was een van de rijkste dorpelingen in het 18de-eeuwse Broek in Waterland. Behalve Neeltje en haar man profiteerden meer Broekers van de handel van het naburige Amsterdam. In zijn Het Dorp van Neeltje Pater heeft Jochem Kroes een omvangrijke studie geschreven waarin de Broeker elite in kaart is gebracht als een soort Who is who? en hun doen en laten, voor zover opgetekend in archiefstukken, is beschreven. Hun economische handel en wandel komt uitgebreid aan de orde, hun nalatenschappen en hoe ze in hun huizen leefden en hun tuinen hadden ingericht. Henk Looijesteijn bespreekt de opbrengst van het gedetailleerde onderzoek naar de elite in dit Waterlandse dorp. Zijn recensie is hier te lezen.

Door Henk Looijesteijn

Het mooiste dorp van Holland is het wel eens genoemd, en ook al valt over smaak niet te twisten en zullen andere Hollanders het daar allicht niet mee eens zijn, Broek in Waterland spreekt nog altijd tot de verbeelding. Op twintig minuten met de bus van Amsterdam Centraal is het kalme dorp ogenschijnlijk een geheel andere wereld dan de jachtige grootstad, met de statige, veelal houten huizen omringd door veel water en groen.

Roemrucht is de legende van de schat van Neeltje Pater (1730-1789), ooit de rijkste vrouw van Nederland. Hoewel de erfenis al binnen korte tijd na haar dood werd verdeeld, bleven tot ver in de 20ste eeuw tal van zelfverklaarde erfgenamen ervan overtuigd dat ergens in een bankkluis nog een fortuin verborgen lag. Inmiddels heeft onderzoek uitgewezen dat daar geen sprake van is: de droom van de schat van Neeltje Pater is grotendeels vervlogen. Geertje Wiersma heeft daar een vermakelijk en vlot leesbaar boek over geschreven, Verborgen fortuin: de jacht op de erfenis van Neeltje Pater (Amsterdam 2010).

Wie een wandeling maakt door Broek in Waterland kan Neeltje Pater eigenlijk niet missen, al is het alleen al door de fraaie grafsteen voor haar en haar man Cornelis Schoon (1719-1778) die nog prijkt in de fraaie zerkenvloer van de kerk. Schoon is veel minder bekend gebleven dan zijn echtgenote, maar zijn cultuurhistorische nalatenschap is wellicht groter doordat verschillende van zijn handschriften en door hem gemaakte tekeningen van Broek in Waterland bewaard zijn gebleven. Schoon maakte onder andere een beschrijving van zijn dorp, waar hij tot de plaatselijke elite behoorde en het tot burgemeester bracht. Delen hiervan zijn opgenomen in de Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden uit het midden van de 18de eeuw.

Gezien de roem van dit echtpaar komt het niet als een verrassing dat Jochem Kroes in zijn studie van de Broeker dorpselite in de 18de eeuw een apart hoofdstuk aan het rijke echtpaar besteedt. In zijn boek wordt dit koningskoppel ingebed in een achtergrond van een hele sociale klasse binnen het dorp. Zij maakten deel uit een kleine en hecht verwante groep van Broeker kooplieden, die met name in de tweede helft van de 17de en het eerste kwart van de 18de eeuw welgesteld werd door deel te nemen aan de Amsterdamse wereldhandel. In de loop van de 18de eeuw trokken zij zich terug uit die handel en werd Broek een dorp van rijke renteniers, die opvielen door een hoge mate van endogamie en lage huwelijksvruchtbaarheid. Daardoor hoopte kapitaal zich op bij een paar erfgenamen – zoals het geval was met Neeltje Pater.

Beroepsgenealoog Jochem Kroes (1951) heeft zich sinds zijn pensionering als medewerker van het Centraal Bureau voor Genealogie in 2015 tot doel gesteld onderzoek te doen naar de vaak nog nauwelijks onderzochte plattelandselites van Holland. Na artikelen over de 18de-eeuwse elite van Schagen en zijn studie Bij de groote op Texel (Den Haag 2019), verplaatste Kroes zijn aandacht naar het 18de-eeuwse Broek. Dat is uitgemond in een omvangrijk, door het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde uitgegeven boek.

Het Dorp van Neeltje Pater behandelt de kooplieden- en regentenfamilies van 18de-eeuws Broek in Waterland en zoals te verwachten viel, zit daar veel overlapping tussen. Naast het echtpaar Schoon en Pater komen de geslachten Verlaan, Mars, Pater, Timmerman, Ploeger, Bakker en Koker veelvuldig aan de orde. Kroes heeft een omvangrijke studie geschreven waarin de Broeker elite in kaart is gebracht als een soort Who is who? en hun doen en laten, voor zover opgetekend in archiefstukken, is beschreven. Hun economische handel en wandel komt uitgebreid aan de orde, hun nalatenschappen en hoe ze in hun huizen leefden en hun tuinen hadden ingericht.

Als zodanig is het een zeer bruikbare aanwinst voor de geschiedschrijving van het Waterlandse dorp. Het beschrijvende aspect van het boek staat helaas wel nadrukkelijk voorop. Het een en ander is daardoor nogal opsommend, niet in de laatste plaats door de vele op elkaar lijkende en steeds weer terugkerende namen. Vereenvoudigde stambomen hadden de lezer een makkelijker overzicht kunnen geven dan de genealogische schema’s die nu in de bijlagen staan. Het boek is daarnaast ook wat dun in de analyse van alle gepresenteerde gegevens. Een grondige vergelijking met zijn eerder werk of andere elitestudies blijft bovendien uit. Wellicht komt dat nog als Kroes zijn onderzoeken voortzet.

Dat neemt allemaal niet weg dat we nu aanzienlijk meer weten van de 18de-eeuwse Broeker elite dan voor Kroes’ onderzoek. Neeltje Pater stond bepaald niet alleen in haar dorp. In dat opzicht is de echte schat van Neeltje Pater niet zozeer de klinkende munt die ze bij leven bezat als wel het fraaie beschermde dorpsgezicht dat voortvloeide uit de 18de-eeuwse Broeker rijkdom. 

Jochem Kroes, Het dorp van Neeltje Pater. De kooplieden- en regentenfamilies van Broek in Waterland in de achttiende eeuw, Werken van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht en Wapenkunde XXVII, ’s-Gravenhage: KNGGW, 2022, 488 p., ISBN 9789082527933. Prijs: €25,-. 

Lokaal-historische publicaties blijven regelmatig onopgemerkt. Bijvoorbeeld omdat ze worden uitgegeven door een kleine uitgeverij of een plaatselijke historische vereniging. Dat is jammer, want juist daar verschijnen soms interessante uitgaven die een schat aan onbekend materiaal ontsluiten. Leiderdorp tijdens de 80-jarige oorlog, door de auteurs zelf gekarakteriseerd als ‘een dorpsbiografie’ (p. 11), is zo’n boek. Benieuwd naar de toegevoegde waarde van deze studie? De recensie van Arjan Nobel over dit boek leest u hier.

Arjan Nobel, Universiteit van Amsterdam

Lokaal-historische publicaties blijven regelmatig onopgemerkt. Bijvoorbeeld omdat ze worden uitgegeven door een kleine uitgeverij of een plaatselijke historische vereniging. Dat is jammer, want juist daar verschijnen soms interessante uitgaven die een schat aan onbekend materiaal ontsluiten. Leiderdorp tijdens de 80-jarige oorlog, door de auteurs zelf gekarakteriseerd als ‘een dorpsbiografie’ (p. 11), is zo’n boek. Het biedt geen afgerond verhaal, maar een serie schetsen over een dorpssamenleving in de late 16de en vroege 17de eeuw.

Het boek vindt zijn oorsprong in een cursus ‘Oud Schrift’ van de Volksuniversiteit Leiderdorp, gegeven door emeritus-hoogleraar middeleeuwse geschiedenis Dick E.H. de Boer. Enkele deelnemers waren zo enthousiast dat ze besloten hun archiefvondsten aan het papier toe te vertrouwen. Inspiratiebron daarbij was de inmiddels klassieke studie over het dorp Graft van A.Th. van Deursen. Het resultaat is een boek met negen hoofdstukken over evenzoveel onderwerpen, die een venster bieden op het bestuurlijke, economische, religieuze, culturele en sociale leven van Leiderdorp tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Dick de Boer nam zelf vijf hoofdstukken voor zijn rekening, over de verwoestingen in en rond het dorp en de wederopbouw van de kerk na het Beleg van Leiden (1574), het onderwijs, het culturele leven en de impact van de grote politieke gebeurtenissen. Willem Hovestreydt beschrijft in detail de lotgevallen van huis Ter Does en zijn bewoners, onder wie Pieter van der Does (1562-1599), die in 1588 werd benoemd tot vice-admiraal van Holland. De steen- en kalkindustrie staat centraal in een bijdrage van Hans Endhoven, terwijl Edward Sodderland de activiteiten in de talloze herbergen onder de loep neemt. Een breed opgezette schets van Leiderdorp rond 1620, van de hand van Emil Broesterhuizen, completeert het geheel.

Leiderdorp was geen Graft, zoveel is zeker. Het was beduidend kleiner: in 1622 woonden er 945 mensen, terwijl Graft in dat jaar 3161 inwoners telde. Bestuurlijk viel de ambachtsheerlijkheid Leiderdorp onder de stad Leiden, terwijl de banne Graft ressorteerde onder de Staten van Holland. Ook in economisch opzicht waren er verschillen. De Leiderdorpers vonden hun emplooi in de agrarische sector – de veeteelt, tuinbouw en fruitteelt – en de verschillende industrieën zoals de textielnijverheid, de steenfabrieken en kalkbranderijen, terwijl de Grafters veel meer waren gericht op het water, de zeevaart en de visserij. De inwoners van beide dorpen maakten een oorlog mee, maar zeker niet in gelijke mate. Mannen uit Graft werden tijdens het Beleg van Alkmaar (1573) opgeroepen om schansen te graven en vrouwen verpleegden de gewonde soldaten. Maar zo dichtbij als in Leiderdorp kwam het oorlogsgeweld nooit. Na het Beleg van Leiden lagen hier talloze gebouwen in puin en stonden landerijen onder water.

Ondanks de verschillen, zijn de overeenkomsten tussen Leiderdorp en Graft treffend. In beide dorpen was bijvoorbeeld 10% van de volwassen mannen gelijktijdig betrokken bij het openbaar bestuur. En wat te denken van de voorname rol van vrouwen? In tal van herbergen zwaaiden zij de scepter en een groot aantal winkeltjes werd door hen gerund. Wat ook in het oog springt, is de bloeiende lokale cultuur. Het kleine Leiderdorp kende zelfs een eigen rederijkerskamer, terwijl ook op het Schermereiland liederen werden gemaakt. Wellicht niet allemaal van een even hoog niveau, maar de plattelandscultuur beperkte zich zeker niet tot het huishoudboekje en de bedrijfsboekhouding.

Vergelijkingen als deze, met Graft en andere dorpen, hebben in Leiderdorp tijdens de 80-jarige oorlog vrijwel geen plaats gekregen. Het boek is toch vooral een, soms uitermate gedetailleerde, beschrijving van enkele aspecten van een dorpssamenleving op de drempel van de nieuwe tijd. Dat is jammer, want door het trekken van bredere lijnen had het boek meer algemene geldigheid gekregen. Maar, eerlijk is eerlijk, daar was het de auteurs ook niet om te doen. Het boek is, in hun eigen woorden, slechts ‘een verzameling schetsen’ (p. 11) en ‘een eerste aanzet om het leven van de Leiderdorpers aan het eind van de 16de en het begin van de 17de eeuw te doorgronden’ (p. 406). Natuurlijk valt er altijd wel iets aan te merken – een goede bureauredacteur had foutjes en herhalingen er zeker uitgehaald – maar eerlijk gezegd doen schrijvers zich met deze uitspraken toch tekort. Het uitbrengen van een dergelijke studie door een groep liefhebbers is een prestatie van formaat. Sterker, als het gaat om de afbeeldingen hebben ze Van Deursen zeker overtroffen. Het boek bevat een groot aantal schilderijen, kaarten en foto’s die niet alleen dienen als verluchtiging van de tekst, maar ook regelmatig uitvoerig worden geanalyseerd. Helemaal aan het einde doen de auteurs de uitnodiging om de ‘paradijselijke rijstebrijberg aan bronnen’ (p. 406) voor het vroegmoderne platteland verder te ontsluiten. Die oproep kan niet genoeg worden herhaald. Onderzoek in dorpsarchieven vereist veel geduld en doorzettingsvermogen. Maar deze bronnen bevatten vaak een schat aan prachtige gegevens. Leiderdorp tijdens de 80-jarige oorlog is daarvan een uitstekend bewijs.

Dick E.H. de Boer e.a., Leiderdorp tijdens de 80-jarige oorlog. Schetsen van een dorpssamenleving, Leiden: Uitgeverij Ginkgo, 2019, 432 pp., ISBN 978 90 71256 74 5, prijs €29,95.

De laatste editie van Holland van het jaar 2022 staat weer in het teken van een reis door de rijke geschiedenis van het gewest Holland. Mats Dijkdrent schrijft over het Pest- en Dolhuis in Leiden in de 16de eeuw, Jessica den Oudsten doet onderzoek naar de microgeschiedenis van Scandinavische migranten in het Amsterdam van de 17de en 18de eeuw en Marieke Dwarswaard schiet vooruit in de tijd met een boeiend onderwerp over het opkomend anti-militairisme in Holland rond de Eerste Wereldoorlog. Ook het Holland Bloc staat weer boordevol interessante verhalen met uiteenlopende onderwerpen: een beeldessay over Hollandse leeuwen in de 17de eeuw, een ode aan de vrijetijdshistoricus, een topstuk uit het Museum of Comic Arts en een bezoek aan een Hollands fort op de grens met de provincie Utrecht. Kortom: weer genoeg interessante onderwerpen om de donkere dagen voor kerst door te komen.

Het is weer december. Dat betekent dat Holland weer een nieuw jaargang online zet. Ditmaal laten we ons meevoeren op de digitale snelweg, slaan we de karakteristieke Hollandse straten in, onderzoeken we de betekenis van bezet Holland en sluiten we het jaar traditioneel af met een open nummer vol uiteenlopende onderwerpen. Veel plezier met jaargang 52.

In 18de-eeuws Amsterdam en Suriname stonden koopmannen Jochem Matthijs en Coenraad Smitt van de Prinsengracht bekend om hun handel in koffie, suiker én slaafgemaakte mensen. Ramona Negrón en Jessica den Oudsten schrijven in hun recent gepubliceerde boek over de ontdekking dat deze vader en zoon de grootste slavenhandelaren van Amsterdam waren. Wat voegt het boek toe aan het wetenschappelijke debat over dit onderwerp? Doreen van den Boogaart, freelance historisch onderzoeker, verdiepte zich in het recent verschenen boek De grootste slavenhandelaren van Amsterdam. Over Jochem Matthijs en Coenraad Smitt. Haar oordeel leest u hier.

Door Doreen van den Boogaart, freelance historisch onderzoeker

Slavenhandelaren aan de Prinsengracht

In 18de-eeuws Amsterdam en Suriname stonden koopmannen Jochem Matthijs en Coenraad Smitt van de Prinsengracht bekend om hun handel in koffie, suiker én slaafgemaakte mensen. Ramona Negrón en Jessica den Oudsten schrijven in hun recent gepubliceerde boek over de ontdekking dat deze vader en zoon de grootste slavenhandelaren van Amsterdam waren. De firma Jochem Matthijs en Coenraad Smitt komt veelvuldig voor in het archief van het Amsterdamse notariaat, dat de afgelopen jaren door het Stadsarchief Amsterdam is gedigitaliseerd en geïndexeerd met de hulp van ruim duizend vrijwilligers. De firma bleek de meeste private slavenschepen vanuit Amsterdam uitgereed te hebben in de 18de eeuw en tussen de 11.000 en 13.000 West-Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen verhandeld te hebben.

Aan de hand van de reis van een van de eerste slavenschepen van de Smitts, ‘t Gezegende Suikerriet (1745), vertellen de auteurs de geschiedenis van de firma Jochem Matthijs en Coenraad Smitt. Door hun gedetailleerde analyse van de akten wordt de werkwijze van de Smitts zichtbaar, evenals hun grootste drijfveer: economisch gewin. Dit staat in schril contrast met de ervaringen van de slachtoffers, wier lotgevallen richting het einde van het boek steeds meer aandacht krijgen.

Kennismaking met de slavenhandel

De eerste kennismaking tot de private slavenhandel kreeg Jochem Matthijs Smitt mogelijkerwijs door het lezen van een advertentie van de Sociëteit van Suriname in de Amsterdamse Courant. De grootste slavenhandelaren van Amsterdam begint dan ook met hoofdrolspeler Jochem Matthijs die de Amsterdamse Courant openslaat. Op deze verhalende wijze brengen Negrón en Den Oudsten aan de start van elk hoofdstuk de geschiedenis dicht bij de lezers. Ook de toegankelijk manier waarop de inleiding op de Nederlandse slavenhandel, de opkomst van koopmannen als de Smitts en de kolonie Suriname is opgesteld, laat zien dat het rijk geïllustreerde boek is geschreven voor een breed publiek.

Ondertussen levert dit boek een belangrijke aanvulling op de kennis van de situatie op Nederlandse slavenschepen en de Amsterdamse private slavenhandel tussen 1730 en 1779. Het vernieuwende gebruik van notariële akten levert een completer beeld van de organisatie rond de slavenhandel op. Notarissen waren namelijk betrokken vanaf het moment dat de Smitts op zoek gingen naar investeerders voor hun schepen tot aan de evaluatie van de reizen bij terugkeer in Amsterdam.

De vele verklaringen van de bemanning van ’t Gezegende Suikerriet en andere slavenschepen van de Smitts schetsen een beeld van structureel geweld aan boord. Hiermee weerleggen de auteurs de stelling van verschillende historici dat dit incidenteel gebeurde en tot slaafgemaakten op slavenschepen goed behandeld werden. Die intentie was wel vastgelegd bij de notaris in contracten voorafgaand aan de reis, maar het overlijden van verscheidene gevangenen tijdens de reis en de rechtszaken na afloop vanwege het gewelddadige beleid van de kapitein, laten zien dat de realiteit anders was.

Stemmen uit notariële akten

Dankzij het diepgravende onderzoek van de auteurs wordt de betrokkenheid van de notarissen, bemanningsleden en plantage-eigenaren in Suriname zichtbaar. Daarnaast is er aandacht voor de stiltes in de bronnen, aangezien alleen de bemanning gehoord is en de stemmen van de verhandelde West-Afrikaanse mensen ontbreken. Toch weten de Negrón en Den Oudsten door de reis van het ‘t Gezegende Suikerriet te beschrijven vanuit twee perspectieven. Ze reconstrueren de ervaringen van de mannen, vrouwen en kinderen die onvrijwillig verscheept werden, evenals het leven op de plantages in Suriname waar ze terecht zouden komen. 

Echter, er had in het boek meer aandacht besteed mogen worden aan de impact van de vrijheidsberoving, ontmenselijking, mishandeling en brandmerking die plaatsvond op de slavenschepen. In het voorwoord wordt kort de keuze voor het gebruik ‘slaafgemaakten’ en ‘slaafgemaakte mensen’ aangestipt. De afgelopen jaren is dit woordgebruik steeds gangbaar geworden, omdat zo het proces van ‘tot slaaf maken’ zichtbaar gemaakt wordt. Negrón en Den Oudsten spreken al vanaf het moment van aankoop op de West-Afrikaanse kust over ‘slaafgemaakten’. Dat het tot slaaf maken ook op zee plaatsvond, had duidelijker naar voren kunnen komen, juist om zo de betekenis van het woordgebruik te onderstrepen.

Ramona Negrón en Jessica den Oudsten laten met De grootste slavenhandelaren van Amsterdam veel meer zien dan alleen de werkwijze van Amsterdams grootste slavenhandelaren. De overvloed aan (ontstellende) kennis die ontsloten kan worden in de Nederlandse (stads)archieven brengen zij voor het voetlicht. Dat geldt ook voor de betrokkenheid op verschillende niveaus, verschillende locaties en in alle lagen van de Nederlandse bevolking bij het tot slaaf maken van duizenden mensen.

Ramona Negrón en Jessica den Oudsten, De grootste slavenhandelaren van Amsterdam. Over Jochem Matthijs en Coenraad Smitt, Zutphen: Walburg Pers, 2022, 264 pp., ISBN 9789462499270, prijs €29,99.

Henk Looijesteijn

Afb. 1 Portret van Joanna. Handgekleurde ets van T. Holloway, naar een tekening van John Gabriel Stedman. Collectie John Carter Brown Library, Providence, Rhode Island.

‘Gado sa blesse da woma’, ‘God zegene die vrouw’. Zo sprak de Surinaamse Joanna (1758-1782) op 3 augustus 1776, toen ze hoorde dat ze eigendom zou worden van de eigenares van de plantage Alkmaar, Elisabeth Godefroy (1715-1796). Het was een tussenoplossing: haar Schotse vriend, officier John Gabriel Stedman (1744-1797), had geen geld om én haar én hun zoontje vrij te kopen. Joanna wilde dat hij eerst hun kind vrijmaakte – zij kwam dan later wel. Met Stedman mee naar de Republiek wilde ze niet – als kleindochter van een slaafgemaakte vrouw uit West-Afrika en dochter van een slaafgemaakte vrouw en een Europese plantagebestuurder was ze geworteld in Paramaribo.

Nu was Joanna geen plantageslavin, die het meestal een stuk zwaarder hadden, zeker op suikerplantages. Op Alkmaar, aan de benedenloop van de Commewijne en een van de grootste plantages van de kolonie, heerste echter een tamelijk mild regime. De vijfhonderd slaafgemaakten die er koffie en cacao verbouwden zouden door Elisabeth Godefroy, die zelf Alkmaar beheerde, zijn behandeld ‘alsof het haar kinderen waren’. De getuigenissen van haar menselijke behandeling van slaafgemaakten komen van Europeanen, maar de Sranantongo naam van Alkmaar is nog altijd Goedoefrow, ‘Goede Vrouw’, een naam die op haar teruggaat.

Elisabeth Godefroy, geboren Danforth, was in het bezit van Alkmaar gekomen door haar huwelijk, wat vaker voorkwam in koloniale samenlevingen. Ze had het geërfd van haar man Charles Godefroy (1704-1773), die het op zijn beurt had van zijn vrouw Catharina de L’Isle († 1757), die Alkmaar weer had geërfd van haar eerdere man Jacob Hengeveldt (1696-1746). Hengeveldt was de eerste eigenaar van de in 1745 uitgegeven plantage. Hij was geboren in de Noord-Hollandse kaasstad en beproefde zoals zovelen zijn geluk in de koloniën. In 1717 werd hij door de Sociëteit van Suriname benoemd tot landmeter. Hij maakte verscheidene kaarten in de kolonie, maar nam al in 1722 ontslag om een plantage te gaan leiden.

Hengeveldt was bepaald geen Elisabeth Godefroy. In 1730 leidde hij als burgerkapitein een tocht naar Saramacca, om daar op weggelopen slaafgemaakten te jagen. Iedereen mocht dat op eigen kosten doen en kreeg dan een beloning per dode of levende slaafgemaakte. Hengeveldt kwam terug met elf afgehakte hoofden en 26 gevangenen. Daarvan werden er nog eens elf omgebracht. Feitelijk joeg hij dus op mensen voor geld.

Zijn plantage noemde hij naar zijn geboortestad. Alkmaar is nu een plattelandsgemeente in Suriname, op drie kwartier rijden van Paramaribo. Het telt ruim 5600 inwoners, waarvan het merendeel Hindoestaans en Javaans. Surinamers in het Hollandse Alkmaar hebben in 1999 een stichting opgericht, Alkmaar voor Alkmaar, die zich richt op het steunen van onderwijsprojecten in het Surinaamse dorp. Zo is de band tussen de beide Alkmaars tegenwoordig meer in de geest van Elisabeth Godefroy dan in die van Jacob Hengeveldt.

Naar aanleiding van de landelijke Rampjaarherdenking – in 2022 exact 350 jaar geleden – zijn diverse boeken verschenen over deze roerige periode, waaronder veel regionale studies. Eén van deze werken is Een Ramp voor de Vechtstreek van Daan Wolfert. Tijdens zijn zoektocht kwam de auteur erachter dat er geen overzichtswerk over de Vechtstreek tijdens het Rampjaar bestond, terwijl deze streek in de periode 1672-1673 frontgebied was. De Oude Hollandse Waterlinie liep er dwars doorheen en zette hele landbouwgebieden onder water. Maar is Wolfert erin geslaagd een overzichtsbeeld te schetsen? Redacteur Merle Lammers zocht het uit en vertelt hierover in de nieuwste recensie.