Het is (nooit) saai in Buitenveldert

Het is (nooit) saai in Buitenveldert

Sanne Muurling

Voor mensen die de buurt Buitenveldert niet kennen, grap ik wel eens dat ik officieel in Amsterdam-Zuid woon. Alleen dan aan de arme kant van het spoor. En dan ook niet eens in de buurt met de luxe woontorens waar de expats en topvoetballers wonen, en waar Martin Garrix bezoek krijgt van Justin Bieber. Nee, wel dichtbij, maar toch duidelijk in een ander sociaaleconomisch gedeelte, met gehorige, matig geïsoleerde arbeidersflatjes onder de rook van Schiphol.

‘Buitenveldert, bah!’, Het Vrije volk : democratisch-socialistisch dagblad, 2 september 1969, p. 7.

Aangelegd als tuinstad in de late jaren vijftig huisde de wijk in één van z’n 8000 woningen ooit de politicus Joop den Uyl, ook wel de ‘doctorandus uit Buitenveldert’ genoemd. Kritiek op de nieuwe wijk was er vanaf het begin, zo kunnen we lezen in de historische kranten. Een opmerkelijke criticast was René uit 5a die zich in 1969 beklaagde tegenover het Het Vrije Volk: ‘Al die mensenpakhuizen […] Het lijkt wel alsof er een mensenplaag is. Ik krijg er de kriebels van. En dan die kerken. Het stikt van de kerken. De rommel op straat is ook erg. Die vliegtuigen maken ook ontzettend herrie.’ Zijn klasgenootje Jacqueline vatte het zo samen: ‘Al die nare flatgebouwen. Bah, bah, bah.’

Als Buitenveldert tegenwoordig in het nieuws komt, is het vaak om nog veel minder fraaie redenen. Met mislukte of voltrokken liquidaties op maffialiefjes en advocaten, de toevallige ontdekking van jarenlang voortvluchtige internationale criminelen, de garagebox in mijn flat vol met cocaïne en geld en, toch wel het meest schrijnend, de zware mishandeling van mijn buurvrouw vorig jaar met dood tot gevolg. Het ecologische experiment aan de oever direct achter mijn huis dat twee weken geleden per ongeluk werd plat gemaaid, is er niets bij.

Toch merk je hier doorgaans weinig van. Los van de ambulances die de hele dag af en aan rijden, is Buitenveldert vooral heel rustig. De intelligente lockdown lijkt maar weinig veranderd te hebben aan het ritme van de meeste van mijn buren. De sociale cohesie leek even te verbrokkelen toen één van hen met het corona virus besmet werd, maar nog wel de vuilnis buiten bleef zetten, tot groot ongenoegen van de officieuze buurtopzichter. Maar ook dit evenwicht is sindsdien weer hersteld.

‘Luchtfoto Buitenveldert Oost’. Collectie Stadsarchief Amsterdam. Foto: Archief van de Dienst Ruimtelijke Ordening.

Mijn thuishoek wordt het meest bepaald door de capriolen van mijn buren, waarvan één in het bijzonder. Vanaf mijn balkon kijk ik uit op twee garageboxen die gebruikt worden als uitvalsbasis voor zijn clandestiene garagebedrijf. Barbecues zijn zomers altijd al aan de orde van de dag, maar soms pakt mijn buurman groter uit: voor de verjaardag van zijn zoon verschijnt er jaarlijks een groot springkasteel op de gedeelde parkeerplaats. Als het echt warm is, komt er ook een partytent tevoorschijn. Daar zet hij een best wel groot zwembed onder, waar ik dan vanaf mijn betonnen balkonnetje wegzwetend naar smacht. Vorig jaar breidde hij zijn territorium uit door te beginnen aan de bouw van een houten afdakje aan één van de garages, een constructie die na een week of twee onder toeziend oog van de politie weer moest worden ontmanteld. Ik ben benieuwd wat mijn eigen buurt deze zomer in petto heeft.

‘Rhijnestein 2 en hoger’. Collectie Stadsarchief Amsterdam. Foto: Archief van de Dienst Ruimtelijke Ordening.