Op 2 november 2020 overleed plotseling onze collega-historicus dr. Gijs Rommelse, op de veel te jonge leeftijd van 42 jaar. Gijs schreef een groot aantal boeken en artikelen over de vroegmoderne maritieme geschiedenis en was acht jaar lid van de redactie van Holland. Historisch Tijdschrift. Het in memoriam leest u hier.

Op 2 november 2020 overleed plotseling onze collega-historicus dr. Gijs Rommelse, op de veel te jonge leeftijd van 42 jaar. Gijs schreef een groot aantal boeken en artikelen over de vroegmoderne maritieme geschiedenis en was acht jaar lid van de redactie van Holland. Historisch Tijdschrift.

Gijs leefde meerdere levens tegelijk. Hij was fulltime docent, maar nam tegelijk volop deel aan het wetenschappelijke bedrijf. Hij schreef boeken en artikelen, organiseerde congressen, gaf lezingen in binnen- en buitenland en gastcolleges aan universiteiten. Gijs was een bruggenbouwer: hij was actief in de wetenschap, maar populariseerde het vak ook voor een breed publiek en had een hart voor onderwijs. Hij was een genereus historicus en stond altijd open voor samenwerking en ondersteuning. Zijn werklust was ongeëvenaard, zijn passie voor het vak groot.

In de twintig jaar dat Gijs actief was in het vakgebied groeide hij uit tot een internationaal erkend historicus van de vroegmoderne maritieme geschiedenis. Het begon allemaal in 1999, toen hij aan de Universiteit Leiden een scriptie schreef over de Engelse kaapvaart tegen de Republiek voor en tijdens de Tweede Nederlands-Engelse Oorlog (1665-1667). Het onderzoek daarvoor verrichtte hij deels aan University College Londen, waar hij ook een collegereeks over de Gouden Eeuw volgde bij Jonathan Israel. Na zijn afstuderen kreeg Gijs een beurs van het NWO om in Londen vervolgonderzoek te doen en de basis te leggen voor zijn proefschrift. Hier was hij een bekend gezicht in het bruisende netwerk van promovendi die de British Library als werkplek hadden gekozen en bouwde hij een solide internationaal netwerk op. Zijn vrienden daar, die inmiddels over de hele wereld werkzaam zijn, herinneren zich zijn brede interesse en markante humor, in de bibliotheek, de pub en de sportzaal. Of, zoals een van hen memoreerde, Gijs was ‘an eclectic cool guy’.

Symposium ‘Maritieme Identiteit’, 2016

Vanaf 2002 verscheen een continue stroom artikelen over het vakgebied waarin hij uiteindelijk naam zou maken: vroegmoderne maritieme geschiedenis. In 2006 promoveerde hij bij Simon Groenveld in Leiden op The Second Anglo-Dutch War (1665-1667). International raison d’état, mercantilism and maritime strife. In dit boek liet hij zien dat het uitbreken van de oorlog tussen Engeland en de Republiek de uitkomst was van veel verschillende beslissingen, genomen door een groot aantal groepen en individuen. Daarbij was er volgens hem een belangrijke rol weggelegd voor mercantilistische lobby’s, die erin slaagden een oorlog uit te lokken.

In 2001 was Gijs inmiddels aan de slag gegaan in het middelbaar onderwijs. Hij was een geboren docent, met passie voor zijn vak en een groot hart voor zijn leerlingen. Tegelijk bleef hij schrijven voor een breed geïnteresseerd publiek en dat kon hij ook goed. In 2007 trad hij in dienst bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie, waar hij in 2008 ‘Follow me’. De M-Fregatten van de Karel Doorman-klasse en in 2009 (met Michael van der Zee) Het Wapen onder dak. De brigadekazernes van de Koninklijke Marechaussee 1814-2008 publiceerde. In het voorjaar van 2009 werd Gijs lid van de redactie van Holland. Historisch Tijdschrift. Binnen de kortste keren was hij een zeer gewaardeerd redactielid. Zijn werkkracht was ongeëvenaard, zijn ideeën grenzeloos. Hij was zeer succesvol in het aanvragen van subsidies en het organiseren van symposia. Actiepunten die voortkwamen uit een redactievergadering werden snel uitgevoerd. Wanneer hem werd gevraagd hoe hij dit toch allemaal deed, luidde steevast het antwoord dat hij zelden of nooit televisiekeek. Dat scheelde veel tijd. En dat nog steeds allemaal naast zijn baan, sinds 2012 weer als docent aan het Haarlemmermeer Lyceum in Hoofddorp. Maar het draaide zeker niet alleen om werken. Gijs was vooral een fijne en hartelijke collega, met humor en oog voor anderen, die graag een biertje dronk na afloop van de vergaderingen en hartstochtelijk kon debatteren over de geschiedenis.

Al snel werden de voorliefdes van Gijs zichtbaar in de themanummers van Holland. Twee daarvan moeten zeker worden genoemd, omdat ze zo typerend zijn voor zijn onderzoek: de uitgaven over maritieme identiteit (2016) en krijgsgevangenen (2017). Maritieme geschiedenis, zo doceerde Gijs binnen de redactie, was te lang opgehangen aan politiek-militaire, technologische en economische invalshoeken. Het werd tijd om eens te kijken naar de Hollandse maritieme identiteit als culturele constructie. Zelf leverde hij twee bijdragen: een artikel over maritieme identiteit bij Pieter de la Court en een beeldessay over de constructie van zeehelden.

Presentatie van het nummer ‘Krijgsgevangenen’, 2017

Krijgsgevangenen vormden ­een rode draad in het onderzoek van Gijs. Tijdens het onderzoek voor zijn proefschrift vond hij allerlei gegevens over zeelieden en soldaten in Engelse en Nederlandse gevangenissen. Aan het thema werd, anders dan door enkele specialisten, vrijwel geen aandacht besteed. Onterecht, vond Gijs. Krijgsgevangenschap was een buitengewoon actueel onderwerp en daarom uiterst geschikt voor een breed publiek. Het resultaat was een zeer succesvol nummer van Holland. Historisch Tijdschrift over krijgsgevangen vanaf de middeleeuwen tot de meidagen van 1940. De talloze artikelen die Gijs zelf aan het onderwerp wijdde, werkte hij om tot een monografie die in het voorjaar van 2020 verscheen in de Zeven Provinciën Reeks. Het boek, Zeevarenden achter de tralies. De krijgsgevangenen van de grote zeeoorlogen, 1652-1674, droeg hij op aan zijn vriend Roger Downing met wie hij jarenlang samenwerkte en verschillende publicaties schreef.

In 2017 nam Gijs afscheid van de Holland-redactie. Hij wilde leuke dingen doen met zijn gezin. Maar ook de wetenschap bleef trekken. De onderwerpen uit zijn proefschrift – vroegmoderne maritieme geschiedenis, staatsvorming, mercantilisme en oorlogvoering – bepaalden de onderzoekslijn die hij had uitgezet en consequent bleef volgen. In 2011 verscheen (met Roger Downing) een boek over de Engelse diplomaat George Downing, die tussen 1658 en 1672 in Den Haag de commerciële belangen van zijn vaderland verdedigde. Politieke en economische ideologieën stonden eveneens centraal in de bundel (met David Onnekink) Ideology and foreign policy in Early Modern Europe uit 2011, waarin de machtsrealistische interpretatie van vroegmoderne buitenlandse politiek kritisch onder de loep werd genomen en aandacht werd gevraagd voor politieke ideologie en religie. Ondertussen bleef de stroom van academische artikelen in Nederlandse, Duitse, Zweedse Franse, en Engelse tijdschriften doorgaan.

De onderzoekscarrière van Gijs kreeg een nieuwe impuls met het Dr. Ernst Crone Fellowship bij Het Scheepvaartmuseum in 2016. Dit leverde hem veel nieuwe contacten, ideeën en materiaal op. Als fellow onderzocht hij de rol van maritieme vlaggen, een opstap naar een nieuwe koers in zijn werk, namelijk de rol van nationale identiteit in de ontwikkeling van zeemachten. Deze onderzoekslijn mondde uit in een bundel (met J.D. Davies en Alan James) getiteld Ideologies of Western Naval Power (1500-1815) (2019), en in 2020 een bundel (met David Ormrod) onder de titel War, Trade and the State. Anglo-Dutch Conflict, 1652-1689. Typerend voor de enorme werkkracht van Gijs was het feit dat, naast deze twee bundels, in 2019 ook nog een nieuwe monografie verscheen bij Cambridge University Press, The Dutch in the Early Modern World. A History of a Global Power. In deze nieuwe geschiedenis over de rol van de Republiek in Europa en in de wereld, die hij schreef samen met David Onnekink, besteedde hij aandacht aan zowel politieke, economische en militaire als culturele en religieuze factoren.

In 2019 werd Gijs benoemd tot Honorary Fellow bij het Centre for English Local History aan de University of Leicester. Er stonden verschillende nieuwe artikelen en een bundel op stapel en inmiddels was hij begonnen met een nieuwe monografie, The Dutch and their Navy. Sea Power and Identity, 1400-1815. In deze studie, die in 2024 zou verschijnen, wilde hij een overzicht geven van de lange militaire geschiedenis van de Nederlanders ter zee, onder meer aan de hand van pamfletten, prenten en liedjes. Het zou de kroon op zijn werk moeten worden.

Gijs had een snelle pen en een groot hart. We zullen hem ongelofelijk missen, als collega en als vriend. We wensen Barbara, de kinderen en de familie heel veel sterkte in deze moeilijke tijd.

Namens de academische vrienden en de redactie van Holland. Historisch Tijdschrift,
Arjan Nobel en David Onnekink

Een overzicht van de publicaties van Gijs is te vinden op http://gijsrommelse.weebly.com/

In 1220, dit jaar precies 800 jaar geleden, vaardigde graaf Willem I van Holland de oudste van de twee bewaard gebleven stadsrechtoorkonden van Dordrecht uit. Voor Henk ’t Jong vormde dat de aanleiding om een boek te schrijven over het ontstaan en de vroegste geschiedenis van zijn stad. Aan Peter A. Henderikx, emeritus-hoogleraar Nederzettingsgeschiedenis van de Nederlanden in de middeleeuwen, vroegen wij dit boek voor ons te lezen. Zijn recensie lees je hier terug.

Dordrecht, Hollands oudste stad

Peter A. Henderikx, emeritus-hoogleraar Nederzettingsgeschiedenis van de Nederlanden in de middeleeuwen, Universiteit van Amsterdam

In 1220, dit jaar precies 800 jaar geleden, vaardigde graaf Willem I van Holland de oudste van de twee bewaard gebleven stadsrechtoorkonden van Dordrecht uit. Voor Henk ’t Jong vormde dat de aanleiding om een boek te schrijven over het ontstaan en de vroegste geschiedenis van zijn stad. Daartoe voelde hij zich extra gestimuleerd door de discussie van zeven jaar geleden, toen Geertruidenberg, dat oorspronkelijk tot Holland behoorde, het jubileum van haar stadsrecht uit 1213 vierde en bij die gelegenheid heftig fulmineerde tegen de Dordtse gewoonte om Dordrecht te afficheren als de oudste stad van het graafschap Holland. Aan die kwestie besteedt ‘t Jong in zijn boek diepgaand aandacht en hetzelfde geldt voor de geschiedenis van de ruimtelijke ontwikkeling van de stad. Ook de relatie tussen de stad en de graaf van Holland en de ontwikkeling van de stedelijke economie komen aan de orde, maar bij die onderwerpen baseert de auteur zich grotendeels op bestaande literatuur.

Waar het gaat om de vraag wanneer Dordrecht een stad werd, maakt ’t Jong duidelijk dat niet alleen de datum van de oudst bekende stadsrechtverlening, maar ook de aanwezigheid aldaar rond 1200 van een koopliedengilde en laken(detail)handel iets zegt over de ouderdom van het stedelijk karakter van de stad. Bovendien geven de stadsrechtoorkonden van 1220 en 1252 zelf aanleiding om het begin van de stad in juridische en bestuurlijke zin ruim voor 1220 te plaatsen. Henk ’t Jong riep hiervoor de hulp in van de mediëvist Eef Dijkhof (Huygens ING). Deze schreef voor het boek een uitgebreide kadertekst, waarin hij, vooruitlopend op een toekomstige publicatie van zijn hand, aannemelijk maakt dat de stadskeur van 1220 zo goed als zeker teruggaat op een stadskeur van circa 1204, die op haar beurt voor een deel teruggaat op stedelijk recht dat al in het laatste kwart van de 12de eeuw in de stad van kracht was.

Bij de behandeling van de ruimtelijke ontwikkeling van de stad baseert ’t Jong zich op de resultaten van het archeologisch onderzoek dat in Dordrecht vanaf 1968 op grote schaal is uitgevoerd. Alle rapporten dienaangaande zijn door de auteur bestudeerd, zodat het boek een mooi overzicht geeft van de groei van de stad, vanaf het ontstaan van bewoning aan weerszijden van het oorspronkelijke veenwater de Voorstraatshaven – de ruggengraat van de stad – tot en met de aanleg en de bebouwing van zijstraten en van zijstraten van zijstraten. Ook de aard van de bebouwing krijgt aandacht, zoals de geleidelijke verstening van de oorspronkelijk houten huizen, evenals de sociale verschillen, weerspiegeld in het onderscheid tussen de grote huizen van de aanzienlijke burgers langs de Voorstraatshaven en de bescheidener woningen langs de zijstraten. Dankzij nuttige detailkaartjes en een  heldere overzichtskaart van de stad waarop alle straatnamen staan aangegeven, is de tekst op het punt van de ruimtelijke ontwikkeling goed te volgen, ook voor lezers die niet in Dordrecht bekend zijn.  

Waar het de behandeling van de ruimtelijke ontwikkeling betreft, heb ik twee punten van kritiek. Ten eerste zet ik een groot vraagteken bij de aanname van de auteur dat Dordrecht aanvankelijk ‘een van de vele gemeenschappen (was) die als lintbebouwing op de oevers van de rivieren in het nieuw ontgonnen veengebied werden gesticht’. Mijns inziens gaat dat niet op. Typerend voor de ontginningsnederzettingen was de opstrekkende verkaveling die zich verder, soms veel verder dan een kilometer landinwaarts uitstrekte. Aldus voor de Sint-Elisabethsvloed van 1421 direct ten oosten van Dordrecht het ambacht Merwede, dat zo goed als zeker opstrekkend was verkaveld vanaf de rivier de Merwede zuidwaarts, met ten zuiden daarvan Erkentrudenkerke/Tolloysen, ontgonnen vanaf de Dubbel in noordelijke richting. Daarentegen strekte het stadsgebied van Dordrecht zich vanaf de Voorstraatshaven slechts hooguit 400 meter zuidoostwaarts uit, namelijk tot aan de westgrens van de ambachten Merwede en Tolloysen. Dat het hier al een oude situatie betrof, blijkt uit het feit dat de parochie van de kerk van Dordrecht, die al eind 11de eeuw bestond, nooit meer dan alleen het stadsgebied heeft omvat. Het maakt aannemelijk dat Dordrecht van meet af aan een ander karakter had dan de aangrenzende ontginningsambachten, ook al was er in het oude Dordrecht wel een agrarische component aanwezig.

Een tweede kanttekening betreft de stadsversterking. ’t Jong vraagt zich af of de brede sloot die in de middeleeuwen aanwezig was ter hoogte van het tracé Hil-Lenghenstraat-Museumstraat-Schoolstraat-Veststraat kan zijn gegraven als stadsgracht toen in 1271 en 1284 graaf Floris V toestemming had gegeven de stad te versterken. De auteur is daar terecht niet helemaal zeker van, maar vreemd is dan wel dat hij als alternatief niet de meest voor de hand liggende mogelijkheid noemt, namelijk dat in genoemde jaren de middeleeuwse stadsgracht is gegraven die op de 16de-eeuwse kaart van Jacob van Deventer staat en ook nu nog aanwezig is. Waarom die gracht niet uit het laatste kwart van de 13de eeuw zou kunnen dateren maar, zoals ’t Jong oppert, mogelijk pas is gegraven na de Sint-Elisabethsvloed van 1421, is mij volstrekt onduidelijk.

Afgezien van deze kanttekeningen, is ’t Jong er naar mijn mening goed in geslaagd om, hetgeen zijn bedoeling was, de vroegste geschiedenis van Dordrecht op een verantwoorde en leesbare manier toegankelijk te maken voor een brede groep geïnteresseerde lezers.

Henk ’t Jong, De oudste stad van Holland. Opkomst en verval van Dordrecht  1000-1421. Uitgeverij Omniboek, Utrecht, 2020, 240 p., ISBN: 9789401916882, ISBK e-book: 9789401916899. Prijs: € 20,-

Ingrid de Zwarte

Het afgelopen jaar herdachten we het einde van de Tweede Wereldoorlog en de vrijheid waarin we sindsdien leven. De landelijke aftrap van het lustrumjaar vond plaats in Terneuzen, waar op 31 augustus 2019 de bevrijding van Zuid-Nederland werd gevierd. Een maand later stonde we stil bij Operatie Market Garden en de Slag om de Schelde; in januari volgde een indrukwekkende herdenking van de verschrikkingen van de Holocaust. Lokale geschiedenissen en persoonlijke verhalen stonden centraal. Nu oorlogsherinneringen vervagen, en verhalen over de oorlog overgaan van een eerste op de tweede generatie, zijn deze van onschatbare waarde.

De Maand van de Vrijheid, die duurde van 4 april tot en met 5 mei, liep anders dan voorzien. Toen de Rijksoverheid afgelopen maart vergaande maatregelen afkondigde om de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan, zijn alle herdenkingsactiviteiten opgeschort. 75 jaar vrijheid vierden we thuis. De vlaggen mochten eerder uit, maar festivals maakten plaats voor optredens via sociale media en vrijheidsmaaltijden voor blikken vrijheidsmaaltijdsoep.

Desondanks – of juist hierdoor – was de Nationale Herdenking op 4 mei wellicht de indrukwekkendste tot nu toe. Ruim 6 miljoen keken naar een verlaten Dam, met meer  duiven dan mensen, en luisterden naar de waarschuwende woorden van Arnon Grunberg en de historische, persoonlijke speech van koning Willem-Alexander. Twee minuten stilte waren nog nooit zo stil. Op mei speelde het gerestaureerde draaiorgel Het Snotneusje – dat als schuilplek diende voor de Duitse beschieting van de Dam op 7 mei 1945 – voor meer mensen thuis dan het ooit voor directe toehoorders had kunnen doen.

De uitzonderlijke manier waarop we dit jaar vierden en herdachten maakte op velen een grote indruk. Op sociale media gingen echter ook stemmen op die een parallel tussen de beperkingen van de oorlog en de tijdelijke lockdown noodzakelijk achtten. De coronacrisis kon en kan echter op geen enkele manier vergeleken worden met wat landgenoten tijdens de oorlog meemaakten. De naoorlogse generatie kent geen onderdrukking, vervolging, massaal geweld of honger. Dat de generatie die dit wél heeft doorstaan met strengste beperkingen moet leven, is daarentegen wel iets waar we bij mogen stilstaan.

Toch gingen de herdenkingen niet enkel over het oorlogsverleden, al dan niet in relatie tot het onzekere heden. De meeste kracht van de Nationale Herdenking en Viering ging dit jaar uit naar de toekomst. Een toekomst waarin vrede en vrijheid nog altijd niet vanzelfsprekend zijn. Zoals Grunberg in een lege Nieuwe Kerk observeerde: ‘Geen herdenken zonder dit angstige vermoeden, geen betekenisvol herdenken zonder gegronde vrees dat wij de toekomstige daders en hun helpers zijn’. Ook de koning bracht een duidelijke boodschap voor de toekomst, waarin we ons moeten blijven verzetten tegen willekeur en waanzin: ‘Niet wegkijken. Niet goedpraten. Niet uitwissen. Niet apart zetten. Niet “normaal” maken wat niet normaal is.’

Op 24 oktober zal het herdenkingsjaar in Den Haag worden afgesloten met de viering van de oprichting van de Verenigde Naties – in 1945 ingesteld om nieuwe oorlogen te voorkomen en mensenrechten te beschermen. Dat zal een uitstekend moment zijn om stil te staan bij wat we in dit opzicht hebben bereikt, maar ook waar we hebben gefaald – bijvoorbeeld in Indonesië, waar oorlog en bezetting niet in 1945 maar in 1949 eindigden – en waar de uitdagingen voor de toekomst liggen.

Nederland viert dit jaar 75 vrijheid, maar op verschillende plekken in de wereld zijn oorlog, geweld en honger nog steeds aan de orde van de dag. Denk aan Syrië, Jemen of Zuid-Soedan. Naar verwachting zal de coronacrisis huidige conflicten en sociaaleconomische ongelijkheden alleen maar verdiepen, en daarmee de kans op nieuwe oorlogen en voedseltekorten vergroten. Laten we de vrijheid die wij hebben koesteren, en actief inzetten om vrijheid, vrede en voedselzekerheid elders in de wereld te bewerkstelligen.

Afbeelding Maarten Streefland

Ad van der Zee

Zoals zovelen ben ook ik sinds dit voorjaar grotendeels veroordeeld (nou ja…) tot thuiswerken. Het officiële kantoor van mijn werk bevindt zich in het centrum van Delft aan een oude gracht en daar kom ik nu nog maar zelden. Dat is best jammer, want Delft is een mooie stad en ik maakte er altijd graag tussen de middag een wandeling door de binnenstad.

Nu wil het geval dat mijn echtgenote beschikt over een eigen klein kantoor aan de rand van het centrum in Haarlem. Het zit in een niet al te fraai jaren-70-kantoorpand tegenover het Haarlemse station waar op tijdelijke basis kleine units worden verhuurd aan zzp’ers. Zij maakt er al enkele jaren gebruik van. Omdat zij er niet altijd hoeft te zijn, kan ik er geregeld een dag naar toe. Zij noemt het haar ‘Werkpaleis’ en die benaming heb ik dus maar overgenomen. Naar analogie van de koning, die heeft behalve een thuispaleis ook een werkpaleis aan het Haagse Noordeinde, waar zijn moeder trouwens ook al zat. Het voordeel van werken in een Werkpaleis is dat het je in staat stelt om wat afstand te nemen tussen woon- en werkplek. Het is voor mij ruim twintig minuten fietsen of als het regent een stuk met de bus en een stukje lopen en dat is net lang genoeg om je hoofd even leeg te kunnen maken en je te concentreren op werkdingen.

Afb. 1 Uitzicht vanuit Het Werkpaleis. Foto: auteur, 2020.

Een bijkomend voordeel is dat ik op mijn werkpaleisdagen een lunchwandelingetje kan maken door Haarlem en dat biedt wat leuke mogelijkheden om beide steden met elkaar te vergelijken. Ze lijken immers nogal op elkaar, Haarlem en Delft, maar kennen elk een nét iets andere ontstaans- en wordingsgeschiedenis, zodat er toch ook weer verschillen zijn. Zo is Delft in de 12de eeuw ontstaan langs een ontginningskanaal met aan weerszijden boerderijen en wat ambachtelijke bedrijfjes (de Oude Delft), terwijl Haarlem een veel oudere nederzettingsgeschiedenis kent op de plek die nog altijd het hart van de stad is: de Grote Markt. Aan die markt bevond zich sinds mensenheugenis het bestuurscentrum (het grafelijk hof, nu het stadhuis) en ook het religieuze centrum, de Sint Bavo. In Delft lag de Markt net iets achter de oudste bewoning en die ontstond echt als marktplaats voor de producten van de boeren in de directe omgeving. De Hollandse graaf en zijn bestuur vestigden zich daar pas nadat er al een nederzetting was. Dat grafelijk hof werd nadien het huidige stadhuis.

Het oudste kerkelijke gebouw in Delft, de Oude Kerk (waarvan de scheve toren door Delftenaren liefkozend de Oude Jan wordt genoemd) bevindt zich dan ook niet aan de Markt, maar aan de Oude Delft, in het centrum van de oorspronkelijke nederzetting. Aan de Markt staat wel de beroemde Nieuwe Kerk, maar die staat daar pas vanaf het einde van de 14de eeuw toen Delft al echt een flinke stad was geworden, terwijl de voorganger van de Bavo aan de Markt in Haarlem misschien zelfs al uit de 10de eeuw stamt. Met de bouw van de huidige Bavo is begonnen ongeveer in dezelfde tijd als de Nieuwe Kerk in Delft, kort na 1370.

Verder overheersen natuurlijk de overeenkomsten tussen beide steden. Groot en belangrijk geworden gedurende de middeleeuwen, vooral dankzij de bierproductie; enorme groei en bloei in de vroegmoderne tijd dankzij handel en nijverheid (textiel en aardewerk) en nog altijd tal van mooie gevels en andere herinneringen aan de Gouden Eeuw. Beroemde schilders kwamen er ook vandaan. Delft heeft Vermeer en Pieter de Hooch, Haarlem kent een hele rits schilders uit de 16de en 17de eeuw (Frans Hals! Judith Leyster! Ruysdael!). Beide steden trekken ook veel toeristen uit de hele wereld, waarbij Haarlem profiteert van de al aanwezige toeristen in Amsterdam, en Delft veelal is opgenomen in diverse Holland-tours van grote touroperators (buiten de coronatijden dan…). Museum Prinsenhof (Delft) en Frans Halsmuseum (Haarlem) zijn redelijk aan elkaar gewaagd, maar de balans slaat hier wel door naar Delft, want alleen daar zie je echte kogelgaten in de muur vanwege de moord op Willem van Oranje. Haarlem daarentegen beschikt over een heuse rivier, het Spaarne en dat is ook niet mis. En hofjes, heel veel hofjes!

Zo maak ik geregeld al mijmerend mijn lunchrondje door de Haarlemse binnenstad en probeer ik overeenkomsten en verschillen te zien en te verklaren. Daarna betreed ik het kantoorgebouw, neem de lift naar de vijfde verdieping waar het Werkpaleis zich bevindt en zie dan door het raam wat deze thuiswerkplek, de thuiswerkdependencewerkplek, zo bijzonder maakt. Dat uitzicht, dat heb je echt alleen maar in ons eigen Werkpaleis.

Haarlem is natuurlijk, net als tal van andere steden, enorm veranderd in de afgelopen honderd jaar. Hoe mooi en stil het ooit was kun je zien in dit filmpje uit 1919. Het is gerestaureerd, ingekleurd en op tempo aangepast.

NPO 1 VPRO | Serie De plantage van onze voorouders (duur: 8 afleveringen van ca. 35 minuten)

Gesignaleerd door Karin Lurvink

Een witte adellijke Nederlandse familie komt samen in het omstreden statige grachtenpand van museum Van Loon. Weinig verrassend. Maar voeg daarbij een zwarte familie en een discussie over hun gezamenlijke slavernijgeschiedenis, en de spanning stijgt. Aflevering 8, de afsluiter van de podcast ‘De plantage van onze voorouders’, is daarmee dan ook uniek en ontzettend leerzaam. Zelfs voor iemand die al veel over het Nederlandse slavernijverleden en racisme heeft gelezen. De acht afleveringen plus de bonusafleveringen van deze podcast duren ruim zes uur, maar de vertelling is slechts bij tijd en wijle langdradig en een beetje herhalend: de luisteraar blijft nieuwsgierig naar de afloop.

In de eerste afdeling introduceert de hoofdverteller zich: Maartje Duin, een witte journalist uit een adellijke familie. Ze stelt zichzelf de vraag: welke rol hebben mijn voorouders gespeeld in het Nederlandse slavernijverleden? Ze beschrijft deze relatief makkelijke zoektocht in de eerste drie afleveringen van de podcast: haar voorouders bezaten aandelen in plantage Tout Lui Faut in Suriname. In het archief krijgt Maartje de lijst onder ogen met daarop de namen van de slaafgemaakten die gedwongen op deze plantage werkten. Ze zoekt contact met nazaten van hen en gaat met een van deze nazaten samenwerken: Peggy Bouva. Vanaf aflevering vier staat niet alleen meer de familiegeschiedenis van Maartje centraal, maar ook die van Peggy. Voor haar is de zoektocht naar haar familiegeschiedenis, in Nederland en in Suriname, door een gebrek aan documentatie een stuk lastiger, dat uiteraard verklaard kan worden door het verschil in sociale klasse tussen Peggy’s en Maartjes familie in de 18de eeuw.  

Toch is deze podcast meer dan twee persoonlijke genealogische zoektochten in de Nederlandse geschiedenis. De gesprekken over de verschillen tussen het witte en het zwarte perspectief en over het slavernijverleden maken veel los, en geven Maartje nieuwe inzichten over hoe bepaalde aspecten doorwerken in het heden. Zo wordt ze zich steeds meer bewust van haar bevoorrechte positie en de subtiele manieren waarop dit zich uit, bijvoorbeeld in Nederlandse gewoontes en taalgebruik. In de bespreking hiervan gaan Maartje en Peggy (en hun families) geen enkel omstreden en gevoelig onderwerp uit de weg: het witte schuldgevoel, racisme, zwarte piet, slavernijexcuses en herstelbetalingen komen allemaal uitvoerig aan bod. Deze gelaagdheid is wat deze podcast tot een must hear maakt voor iedereen en laat zien hoe relevant geschiedenis voor het heden kan zijn.

De podcastserie is De plantage van onze voorouders hier te beluisteren: https://www.vpro.nl/programmas/de-plantage-van-onze-voorouders.html

Roosje Peeters

Afb. 1 Gezicht op het Gravensteen te Leiden. Prent door Abraham Delfos, naar Joannis Jacobus Bijlaert, 1763-1770. Collectie Rijksmuseum.

De binnenstad van Leiden kent allerlei mooie monumenten, waarvan sommige meer in het oog springen dan andere. In een eerdere Uithoek kwam al de burcht van Leiden aan bod, weggestopt tussen steegjes in de drukke Sleutelstad. Hier hadden de graven van Holland al vanaf circa het jaar 1000 een versterking, op de plek waar de Oude en Nieuwe Rijn bij elkaar komen. Er is echter nog een ander groot gebouw in Leiden dat een nauwe band heeft met de Hollandse graven: het Gravensteen. Het eerste gedeelte van deze naam behoeft geen nadere uitleg. Het tweede deel, ‘-steen’, verwijst naar de stenen (vlucht)toren die de graven er bouwden, nu herkenbaar als het oudste deel van het gebouw.

Het Gravensteen ligt op loopafstand van de burcht, aan de zuidkant van de Nieuwe Rijn. Hoewel omgeven door allerlei andere herkenningspunten – zoals het Rijksmuseum van Oudheden, het café ’t Suppiershuysinghe (wereldberoemd in Leiden als ‘het koffiehuisje’) en de Pieterskerk – eist het Gravensteen toch de aandacht. Het samengestelde en door de eeuwen heen steeds uitgebreide gebouw bestaat uit verschillende torens, gangen en bijgebouwen die schots-en-scheef aan elkaar zijn gezet. Dit maakt het gebouw tot een uniek monument in de Leidse binnenstad.

Afb. 2 Onthoofding van Arminianen te Leiden en Rotterdam. Op de achtergrond het oudste deel van het Gravensteen. Prent door Claes Jansz. Visscher (II), 1623. Collectie Rijksmuseum.

De samengestelde aard van het Gravensteen wijst er al op dat het door de eeuwen heen verschillende bestemmingen heeft gekend. In de hoge middeleeuwen hadden de Hollandse graven hier een hof met onder andere een woning, een kapel (later de Pieterskerk) en een boomgaard. In waarschijnlijk de 13de eeuw bouwden zij de genoemde toren, welke functioneerde als grafelijke gevangenis. In de 15de eeuw werd het gebouw aan de stad Leiden geschonken, die het in de daaropvolgende eeuwen steeds verder uitbreidde. Zo gebruikte de stad het eveneens als gevangenis en werden er bijvoorbeeld cellenblokken bijgebouwd, evenals een spin- en rasphuis (tuchthuizen). Het plein voor het gebouw werd zelfs gebruikt voor executies, waarbij men vanaf de zuilengalerij de terechtstellingen goed kon volgen. Eind 17de eeuw werd het Gravensteen tenslotte aan de noordzijde uitgebreid met een vierschaar en schepenkamer.

Inmiddels is het gebouw al lange tijd niet meer in gebruik als gevangenis of rechtbank (de laatste executie bij het Gravensteen is gelukkig al meer dan 150 jaar geleden). Vanaf de 19de eeuw raakte het zelfs enigszins in ongebruik. Gelukkig realiseerde men zich al snel dat het zonde was om dit bijzondere monument te laten vervallen. Het werd daarom in de loop van de 20ste eeuw voor verschillende doeleinden ingezet, totdat het uiteindelijk door de Universiteit Leiden in gebruik werd genomen. Nu werken er (onder normale omstandigheden dan) verscheidene afdelingen van Onderwijs en Studentenzaken, en worden er zelfs colleges gegeven. De cellen (in gebruik als vergaderruimtes) en de tralies voor de ramen verwijzen echter nog naar vervlogen tijden.

Afb. 3 Achterzijde van het Gravensteen, waar inmiddels de Universiteit Leiden is gevestigd. Foto: Publiek Domein, Wikimedia Commons

Christoph van den Belt

Na mijn vorige thuishoek, waarin ik ruiterlijk erkende buiten de grenzen van Hollands grondgebied te wonen, bleef een opstand uit. Geen hordes hooivorken, geen afhakende abonnees. Ook de redactie protesteerde niet. Signalen die hierop wijzen, hebben mij in ieder geval niet bereikt. Wellicht kwam dit mede doordat ik mijn best deed om Hollandse invloeden in Nijmegen te ontwaren. Een beetje Hollander beziet de wereld vanuit de hoogte, dus het kwam goed uit dat ik schreef over Hollandse invloeden op Nijmegen in plaats van andersom.

Hoe dan ook: Hollandse invloeden wilde ik wel benoemen. Het Nijmeegse treinstation, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog helaas verloren ging, kan gerust als een provinciaalse variant van het Amsterdamse treinstation worden gezien. Provinciaal in de zin van: groter is niet altijd beter. Dat weten we toch al sinds het bijbelse verhaal over de Toren van Babel? Ziehier: er is geen Hollandse stad waar meer talen klinken dan in Amsterdam.

Over taal gesproken: als er iets is dat gemakkelijk reist, grenzen overschrijdt, dan is het taal: boeken, gedichten, ideeën. Zelfs de boekenkasten van mij, op en top Gelderlander, zijn grotendeels gevuld met boeken die zijn uitgeven in Holland. Of ik dat nu leuk vind of niet. Een ander voorbeeld is het gedicht, ‘Herinnering aan Holland’ van de dichter Hendrik Marsman (1899-1940), dat ik onlangs trof aan de binnenkant van een Nijmeegs raam.

Het gedicht, dat elke Holland-redacteur uit het hoofd moet kunnen voordragen, bezingt het Hollandse landschap en de voortdurende omgang met het water. De eerste zin, ‘Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan’, is zo bekend dat ik mij afvraag of er een zin bestaat die meer bekendheid geniet in Holland en de gewesten daarbuiten. De openingszin van de Bijbel misschien? De bekendheid van die zin wordt gehinderd door de vraag welke vertaling je kiest. Laten we het op Marsmans zin houden.

Het is een prachtig gedicht, vol welluidende zinnen en klare klanken, dat mij ertoe uitnodigt, ik ben per slot van rekening historicus, mijn gedachten te laten afdwalen naar de Hollandse geschiedenis, de verhalen die Hollanders vertelden over hun omgang met het water en mijn redactiegenoten, die vanwege een gebrek aan fysieke vergaderingen verder zijn dan ooit. Toch weet ik mij, dankzij de evocatieve kracht van Marsmans gedicht, verbonden met de Hollandredactie. Al sluit ik een opstand nog altijd niet uit.

Afb. 1 Herinnering aan Holland. Het gedicht van Hendrik Marsman aan de binnenzijde van een Nijmeegs raam. Foto: Christoph van den Belt, 2020.