Frank de Hoog

Afb. 1 Drukte op de Vlaardingse Vaart, 19 januari 1966. Het Stadsarchief Vlaardingen

Het aangekondigde winterweer wakkert de schaatskoorts in alle hevigheid aan. Met als gevolg dat er in kranten en praatprogramma’s weer volop gespeculeerd wordt over de Elfstedentocht. Voor veel schaatsliefhebbers is dit evenement het ultieme, maar de Westlanders hebben een eigen traditie hoog te houden.

Als het natuurijs sterk genoeg is, binden de Westlanders al jarenlang de schaatsen om. Op de vele tuinderslootjes is het goed toeven, maar je telt pas echt mee als je in Vlaardingen bent geweest. Sinds de negentiende eeuw begeven de inwoners uit de verschillende Westlandse dorpen zich op het ijs om in Vlaardingen zogeheten ijsmoppen te halen. Dit harde winterbaksel – Westlanders spreken eerder van Vlaardingse moppen – is een ambachtelijk koekje gemaakt van zanddeeg dat gekenmerkt wordt door een vaste verhouding van bloem, suiker en vetstof (2:1:1). Zodra het vriest, en alleen dan, maken de Vlaardingse bakkers deze bijzondere specialiteit.

Afb. 2 Verpakkingszakje voor Vlaardingse ijsmoppen bakkerij Frans Hazenberg, 1993-2009. Collectie Museum Vlaardingen

De tocht naar de Haringstad verliep via de Vlaardingse Vaart. De rooms-katholieke Sint-Joannes de Dooperkerk op de Hoogstraat kenmerkte het eindpunt van deze zo’n vijftien kilometer lange schaatstocht. Hier werden de schaatsen afgebonden of uitgedaan om massaal naar de Vlaardingse Hoogstraat te trekken. In de cafés warmden de Westlanders zich op om vervolgens bij de bakkers de felbegeerde ijsmoppen te kopen. Geknoopt in een witte of rode zakdoek hingen de koekjes aan een riem of knoopsgat op de buik van de schaatsers. Wie als eerst in zijn of haar dorp met deze moppen thuiskwam, was de held van de dag.

Afb. 3 Schaatsen op de Vlaardingse Vaart. Het Stadsarchief Vlaardingen

Deze traditie van de ijsmoppen uit Vlaardingen was de eerste kennismaking met stad waar ik nu twee jaar werk. Op het moment dat ik bij Museum Vlaardingen aan de slag ging, vertelde mijn vader over een verhaal dat in de familie de ronde deed. Toen zijn broer in de jaren vijftig het levenslicht zag, was zijn vader niet bij de geboorte aanwezig. Wat was er aan de hand? Het had gevroren, waardoor mijn opa zich op het ijs had begeven om geheel volgens Westlands gebruik ijsmoppen te halen in Vlaardingen. De schaatskoorts had hem volledig in zijn greep.

Vijftig jaar later leg ik als echte Westlander de tocht naar Vlaardingen nog wekelijks af. Weliswaar niet via het ijs, maar met het opkomende winterweer is het binnenkort misschien mogelijk in de schaatssporen van mijn streekgenoten te treden.

Afb. 4 Ansichtkaart van bakkerij Frans Hazenberg, ontworpen door Jan Houdijk. Collectie Museum Vlaardingen

Literatuur

  • Gertruud en Frank Hazenberg, IJsmoppen uit Vlaardingen. Traditie in een zakdoek (Vlaardingen 2009).

Op 18 juni 2015 herdachten meer dan 60.000 bezoekers de slag bij Waterloo door getuige te zijn van een grootschalige re-enactement van deze veldslag. Napoleon stierf zes jaar later in ballingschap, ver verwijderd van een Europees slagveld op St. Helena. De mis-en-scène van Napoleons sterfbed is eerder meelijwekkend dan indrukwekkend en bovendien veel te perifeer en kleinschalig voor een lucratief spektakel. Maar blijkbaar mocht het tweehonderdjarig jubileum van de laatste ademteug van Napoleon niet ongemerkt voorbijgaan. Bij uitgeverij De Bezige Bij verscheen vorig jaar de bundel Napoleons nalatenschap waarin maar liefst vijftien specialisten onder redactie van hoogleraar Nederlandse taal en cultuur Lotte Jensen verslag doen van hun vondsten. Lauren Lauret liet zich voor ons meevoeren in Napoleons nalatenschap tot aan het bed van de keizer. Lees hier haar recensie.

In het bed van de keizer: Napoleons nalatenschap

Lauren Lauret, Universitair Docent Universiteit Leiden

Op 18 juni 2015 herdachten meer dan 60.000 bezoekers de slag bij Waterloo door getuige te zijn van een grootschalige re-enactement van deze veldslag. Napoleon stierf zes jaar later in ballingschap, ver verwijderd van een Europees slagveld op St. Helena. De mis-en-scène van Napoleons sterfbed is eerder meelijwekkend dan indrukwekkend en bovendien veel te perifeer en kleinschalig voor een lucratief spektakel. Maar blijkbaar mocht het tweehonderdjarig jubileum van de laatste ademteug van Napoleon niet ongemerkt voorbijgaan. De nalatenschap van Napoleon intrigeert de lezende Nederlander, getuige ook een recent artikel in Elsevier Weekblad (2 januari jl.).

Een kantelend beeld

In de bundel Napoleons nalatenschap leggen maar liefst vijftien specialisten onder redactie van hoogleraar Nederlandse taal en cultuur Lotte Jensen verslag van hun vondsten. In samenwerking met uitgeverij De Bezige Bij hebben zij er een feest voor het oog van gemaakt door tal van prachtige kleurenafbeeldingen op te nemen. De bijdragen zijn onderverdeeld in vier thema’s: materiële sporen, kunst en cultuur, eenwording van de staat, en tenslotte leger en veiligheid. In de bundel als geheel loopt een interessante spanning tussen afschuw en bewondering voor Napoleon.

De bundel begint bewonderend en plaatst geleidelijk aan steeds meer kritische kanttekeningen. In de bijdragen over de geschenken die Napoleon aan Nederlandse burgers gaf of de invloed van de empirestijl in de Nederlandse paleizen ligt de nadruk op de barmhartige keizer of de positieve invloed op de Nederlandse kunstwereld. Jos Gabriëls daarentegen verklaart in zijn bijdrage over de optische telegraaf van Chappe tussen Amsterdam en Zeeuws-Vlaanderen hoe deze seintoestellen op kerktorens uitgroeiden tot gehate symbolen van de bezetter rond 1813.

Tegenwoordig spannen lokale historische verenigingen zich echter in om met enige trots te herinneren aan de rol van hun stad of dorp als onmisbare schakel in de informatieketen van Napoleon. Rick Honings dateert de kanteling van het beeld van Napoleon in 1840, het jaar waarin Napoleons gebeente naar Parijs werd overgebracht. Vanaf dat jaar is het beeld van de keizer in de Nederlandse literatuur zuiver positief, terwijl daarvoor Bilderdijk en Da Costa naast hun bewondering voor Napoleons genie tegelijkertijd kritisch bleven. Uit de bijdrage van Lotte Jensen heb ik geleerd waarom Napoleon bij mij niet meteen sterke gevoelens van afkeer of Oranjeliefde oproept. Vanaf 1990 nam de belangstelling voor de napoleontische tijd onder kinderboekenschrijvers namelijk af om pas in 2015 weer op te laaien onder invloed van de grote Waterloo-herdenking.

Een kwestie van perspectief

Uit de verschillende hoofdstukken blijkt dat de beoordeling van Napoleons nalatenschap afhangt van wie op welk moment een oordeel velt. De Rotterdamse lezer zal zich door de bijdrage van Johan Joor over het continentaal stelsel vooral verheugen over de verschuiving van de Amsterdamse naar de Rotterdamse haven als leidend commercieel centrum van het latere Nederland. In tegenstelling tot de Amsterdammers wisten de Noordzeevissers en Engels georiënteerde koopmansgemeenschap in Rotterdam, ondanks het continentaal stelsel, wel in bedrijf te blijven. Als vrouwelijke lezer keek ik dan weer vreemd op toen Barend Jan van Spaendonck een vooruitziende blik prees als ‘het geniale van Napoleon’ op maatschappelijk vlak, nadat Van Spaendonck net had aangetoond hoe (de erfenis van) de Code civil de Nederlandse vrouw tot diep in de twintigste eeuw achter de man stelde.

En de tijdgenoten?

Minder aandacht is er voor de vraag welke gevolgen de afkeer van het Franse bewind onder tijdgenoten heeft gehad voor het voortbestaan van bestuurspraktijken uit het ancien régime direct na 1813. Er wordt gerefereerd aan de inefficiënte decentrale bestuursvormen van voor 1795, maar als Willem I zich publiekelijk afzet tegen Lodewijk Napoleon komt niet ter sprake dat hij zich wellicht wel gedroeg zoals zijn vader stadhouder Willem V hem had opgevoed. Bart Verheijen sluit zijn bijdrage af met de constatering dat vanaf 1813 de actieve vorm van nationaal orangisme actief door de staat werd verspreid en voormalige vrienden en vijanden van Napoleon toetraden tot de nieuwe regering. Beatrice de Graaf bespreekt een van de gevolgen van een napoleontische leerschool van deze bestuurders. Onder het mom van nationale veiligheid kregen kritische geesten of vrijbuiters in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden te maken met het politienetwerk van Justitieminister Van Maanen en zijn procureur-generaal bij het Hooggerechtshof Philipse. Daarmee vormt deze bijdrage een belangrijke aanvulling op de besprekingen van de talrijke steunbetuigingen aan het Huis van Oranje die de Franse tijd uitlokte, zowel voor als na 1813.

Knap overzicht

De bundel verdient een breed lezerspubliek, want bij elkaar opgeteld vormen de hoofdstukken een indrukwekkende vlootschouw van de kennis over Napoleons nalatenschap in Nederland. Aan het einde weet de lezer tot op de nagel nauwkeurig hoe het gevleugelde napoleontische bed eruitzag – zowel fysiek als administratief – en zelfs waar Napoleons bedje stond bij zijn bliksembezoek aan de nieuwe uithoek van zijn rijk. Het boek heeft mij daarom ook op een idee gebracht om Napoleon in bed alsnog op grotere schaal te gedenken. Misschien zet ik deze zomer de route uit het kader ‘Waar sliep Napoleon?’ om in een fietsvakantie langs de keizerlijke pleisterplaatsen van weleer.

Lotte Jensen (red.), Napoleons nalatenschap. Sporen in de Nederlandse samenleving. De Bezige Bij, Amsterdam, 2020, 272 p, ISBN: 9789403109817, €29,99,-.

Marieke Dwarswaard

In september 2020 verruilde ik mijn geboortestad Leiden voor Groningen – verder van Holland kun je het bijna niet krijgen binnen de grenzen van Nederland. Een maand later begon ik aan mijn promotieopdracht: het schrijven van een biografie van de ondernemersfamilie Scholten. Voordat ik solliciteerde had ik nog nooit van de naam gehoord; de familie blijkt vooral regionale bekendheid te genieten.

Afb. 1 Portret van W.A. Scholten. Collectie Groninger Archieven.

In 1842 trok Willem Albert Scholten, op dat moment een jongeman van 22 jaar, vanuit het Gelderse dorpje Warnsveld naar Foxhol, in de Groningse Veenkoloniën. Zijn ambitie lag op het gebied van de productie van verfmiddelen, maar een Amsterdamse koopman meldde hem in klare taal dat dat geen goed idee was: ‘Smijt al die verfprullen aan den kant – gij woont in het aardappelland en gij moet stroop maken.’ Dat advies bleek goud waard: Willem Albert ging zich specialiseren in aardappelmeel en -stroop en werd daarmee een van de rijkste inwoners van Groningen. Toen hij in 1892 overleed had hij 24 fabrieken gesticht in Nederland, Polen, Rusland en Oekraïne.  

Afb. 2 Een blikje van de firma W.A. Scholten. Bron: Wikimedia Commons. Foto: Tjako

Willem Albert besloot om niet op zijn geld te gaan zitten: hij wilde investeren. Al in 1850 was hij in contact gekomen met Lodewijk Pincoffs, de Rotterdamse ondernemer die later vooral bekend zou worden om het oplichtingsschandaal rondom de Rotterdamse Handelsvereeniging. Pincoffs, zijn zakenpartner Marten Mees en Willem Albert Scholten zouden in 1873 de drie belangrijkste investeerders voor de Nederlandsch-Amerikaanse Stoomvaart-Maatschappij (NASM, later de Holland-Amerika Lijn) worden. Scholten zegde fl. 600.000 toe (in de huidige tijd ongeveer een bedrag van zes miljoen euro), maar wilde in ruil daarvoor als enige van de drie investeerders wel een schip dat zijn naam droeg. Zijn wens werd – hoewel er door de andere betrokkenen op neergekeken werd – vervuld en in 1875 werd de W.A. Scholten te water gelaten. Een erg lange carrière had het schip niet: het zonk in 1887 bij de kust van Dover, waarbij honderden passagiers om het leven kwamen. Daarmee eindigde de carrière van Scholten als naamgever van schepen niet: er kwam nog een W.A. Scholten II. Marten Mees vond dit ‘opmerkelijk’.

Afb. 3 De S.S. W.A Scholten. Bron: Wikimedia Commons

Toch zou Scholten niet om zijn betrokkenheid bij de NASM herinnerd worden, maar vooral om het oer-Hollandse product dat hem zo rijk had gemaakt: de aardappel.

* Citaat uit de ‘biografie’ van W.A. Scholte: Anthony Winkler Prins, W.A. Scholten. Uit het leven van een industrieel (Groningen 1892).

Loek en Bas | De Hutspodcast (duur: 4 afleveringen, tussen de 30 en 45 minuten)

Gesignaleerd door Koen Marijt

Het is maar eens per jaar… dus neem er nog een paar!

Altijd al meer te weten willen komen over de mooiste stad van Nederland en daarvoor ‘alleen maar’ naar een podcast luisteren? Het is mogelijk met de vierdelige Hutspodcast over Leiden, haar inwoners en belevenissen. De woordspeling behoeft voor de echte Leidenaar weinig uitleg, maar zal voor de gemiddelde Amsterdammer misschien nog wel moeten worden uitgelegd. Elk jaar op 3 oktober viert Leiden het Ontzet van de Spaanse Belegering van 1574. Na het wegtrekken van de Spanjaarden vond (zo wil de legende) een klein Leids jongetje in het Spaanse legerkamp een pruttelende ketel met daarin hutspot avant la lettre. Een maaltijd die nog ieder jaar traditioneel op 3 oktober gegeten wordt.

In aflevering 1 wordt naast het ontstaan van de Drie Oktoberfeesten ook het gebruik van ecoglazen tijdens de feesten besproken. Het vele plastic dat na 3 oktober overbleef in de Leidse straten en grachten was enkele Leidenaars een doorn in het oog. Auke-Florian Hiemstra, ook bekend door zijn deelname aan de Slimste Mens én prachtige haardos, zorgde als een van de initiatiefnemers ervoor dat de wegwerpplasticbierbekers in 2019 werden vervangen door duurzame ecoglazen. Een unicum in Nederland. Wie weet volgen andere steden dit mooie voorbeeld.

In een totaal van vier afleveringen worden in de Hutspodcast uiteenlopende onderwerpen binnen de stad behandeld. Natuurlijk komt de geschiedenis naar voren, maar ook de coronapandemie wordt niet ongemoeid gelaten. In de laatste aflevering wordt de stilstand van het Leidsche leven besproken. Onder andere het rijke cultuur- en horecaleven kwam plotsklap plat te liggen. De pandemie had in 2020 ook grote consequenties voor de Drie Oktoberfeesten. De grote feesten en bijeenkomsten gingen niet door, maar in plaats daarvan zorgden diverse instanties ervoor dat 3 oktober digitaal wel een beetje doorgang kon vinden. Bij lange na niet zo’n beleving als bij de live feesten, maar zo kon deze belangrijke gebeurtenis voor Leiden toch gevierd worden. Want zoals de Leidse muziekformatie Rubberen Robbie het in de jaren ’70 en ’80 al vertolkte: ‘Het is maar eens per jaar… dus neem er nog een paar!’

De Hutspodcast is hier te beluisteren: De Hutspodcast | Podcast on Spotify

Henk Looijesteijn

Eens in de zoveel tijd kom ik terug in mijn geboortedorp. Al wandelend richten mijn schreden zich dan vaak naar het grootste kerkgebouw van de Noordkop, de Sint-Jan de Evangelist. Letterlijk torent de Sint-Jan uit over een dorp dat verder weinig kenmerkende of historische gebouwen kent; wie van buitenaf naar Breezand kijkt, ziet als eerste de toren. ‘s Nachts licht het kruis op de spits op; als ons gezin vroeger ’s avonds terugkeerde van vakantie, dan vertelde het kruis ons dat we bijna thuis waren.

De Sint Jan en Breezand, ze vielen lang vrijwel samen. Mijn grootouders zijn er getrouwd en er op één na vanuit begraven, mijn ouders zijn er gedoopt en getrouwd. Ik ben er gedoopt, heb er mijn eerste Heilige Communie gedaan en heb er het Heilig Vormsel ontvangen. Regelmatig gingen we op zondag naar de mis, ik zat op het kinderkoor en later op het jeugdkoor. Tot ik achttien werd en ging studeren, toen liet ik de Sint-Jan achter me. Voor zover dat kan.

Afb. 1 Luchtfoto van de Sint Jan, een paar jaar na de bouw. Linksboven de bijbehorende school, rechts de pastorie. Daarboven het uit bollenvelden bestaande kerkeland, verhuurd aan bollenkwekers en aldus bijdragend aan het onderhoud van Christus’ kerk.
Met dank aan Leo van der Reep, koster van de Sint Jan.

Vanaf de opkomst van de bloembollenteelt in de Noordkop kwamen katholieke bollenkwekers uit Zuid-Holland in groten getale naar Breezand, met hun arbeiders: de Looijesteijns kwamen al in 1912, een jaar nadat de eerste bollenkweker in het dorp was neergestreken. Breezand groeide snel, door een gestage stroom nieuwkomers en de grote katholieke gezinnen. In 1927 achtte de bisschop van Haarlem de tijd rijp voor een eigen kerk. Uit Gouda kwam kapelaan Jan Verhoeff (1883-1955) als bouwpastoor. Hij trof er vermogende parochianen, en tussen 1929 en 1931 verrees een ware ‘bollenkathedraal’, ontworpen door de Rotterdamse bouwmeester Herman de Vries (1895-1965), ooit winnaar van de prestigieuze ‘Prix de Rome’.

De Vries was een kerkenbouwmeester, bekend van onder andere de Martelaren van Gorcumkerk in Brielle. Die werd in 1931 gebouwd op de plek waar de beroemde martelaren zijn omgebracht, en is dus één van de belangrijkste lieux de mémoire van het katholicisme in Holland. Niet de minste bouwmeester dus, al is de Breezandse Sint Jan één van de meer bescheiden kerkgebouwen van zijn hand. Ongetwijfeld in overeenstemming met de zuinige rechttoe rechtaan houding van de Breezandse kerkmeesters.

Afb 2 Bouwpastoor Jan Verhoef op oudere leeftijd, bemind maar ook wel gevreesd patriarch van Breezand. Hij bleef zijn leven lang in ‘zijn’ parochie. Met dank aan Leo van der Reep, koster van de Sint Jan.

De Sint-Jan dient Christus, maar vroomheid in Breezand ging altijd hand in hand met de nuchtere eredienst van een andere godheid: Flora, de Romeinse godin van de lente en van de bloemen. De levenscyclus van de bloembol bepaalde het leven van de Breezanders: in de zomer waren ze drukker met Flora dan met Christus. Het hele gezin werkte dan mee: de mannen oogstten en verwerkten de bollen, de vrouwen en kinderen pelden ze. Pastoor Verhoeff begreep maar al te goed hoe schatplichtig zijn Christus in dit dorp was aan Flora: met hoofdletters schreef hij in het parochiegedenkboek: ‘De uitbreiding der bloembollencultuur in Nederland werd […] de opkomst van Breezand’.

Buitenstaanders komen zelden naar Breezand. En als ze het dorp al bezoeken, dan vooral in het voorjaar. Dan wordt de Lentetuin gehouden, een jaarlijks terugkerende overdekte bolbloemententoonstelling, en in de buitenlucht de Bloemendagen. Die zijn een verre echo van de Floralia die de Romeinen jaarlijks tussen 28 april en 31 mei hielden ter ere van de lentegodin. De Bloemendagen waren ooit heel belangrijk in het rituele jaar van de Breezanders. Met hyacintenbloempjes werden door hele families mozaïeken gemaakt, die in de tuinen werden opgesteld; bruggen werden versierd met kransen van narcissen. Het weekend van de Bloemendagen betekende filerijden in en om het dorp.

Afb. 3 Mozaïeken worden gemaakt door hyacintenbloempjes vast te prikken op een perspex ondergrond. Dit ‘tegeltje’ met het Meisje met de Parel van Vermeer was in het voorjaar van 2020 te bewonderen. Herkomst foto: Bloemendagen Anna Paulowna

De tijden zijn veranderd. De schaalvergroting heeft het aantal bollenkwekers drastisch teruggebracht, de dorpsvrouwen hebben tegenwoordig een baan, het aantal dorpskinderen is veel kleiner geworden en Poolse seizoenwerkers vullen nu de zomerse arbeidstekorten op. Flora is minder belangrijk geworden. En ook Christus heeft te kampen met een veel legere kerk. Dankzij Geert Maks bestseller is ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ een gevleugeld begrip geworden. Maar God verdween niet helemaal uit Jorwerd, en ook in Breezand leidt Hij een taai bestaan. Of de bollenkathedraal altijd God zal blijven dienen is onzeker. Maar mijn neefjes zijn er ook gedoopt; dit voorjaar zal de oudste zijn Heilige Communie doen. Het lichtend kruis is vooralsnog nog altijd een baken in de nacht.

Dit voorjaar dient ook Holland Historisch Tijdschrift Flora, met een themanummer gewijd aan de bloembollenteelt. Daarin is onder andere een artikel te lezen over hoe de bloembollenteelt het leven in Breezand en de Noordkop drastisch veranderde. Voor meer informatie, zie: Verwacht – Holland Historisch Tijdschrift (tijdschriftholland.nl).     

“Memorabilia van de Tachtigjarige Oorlog is een helder verslag van een gedegen onderzoek naar de rol van voorwerpen in de herinneringscultuur, dat zich trouwens niet beperkt tot de grenzen van het oude gewest Holland”, luidt de conclusie van Henk van Nierop over het recent verschenen boek van Marianne Eekhout. Deze publicatie is een bewerking en uitbreiding van het proefschrift dat de auteur schreef in het kader van het door prof. Judith Pollmann geleide onderzoeksproject Tales of the Revolt over de ‘herinneringscultuur’ van de Opstand en de Tachtigjarige Oorlog. De volledige recensie is hier terug te lezen.

Memorabilia van de Tachtigjarige Oorlog

Henk van Nierop – emeritus hoogleraar Nieuwe Geschiedenis

De bronzen ketel die in het Leidse Museum De Lakenhal bewaard wordt, is niet zomaar een kookpot. Het is dé ketel gevuld met hutspot die na het opbreken van het Spaanse beleg in de Lammenschans werd aangetroffen. Daarmee was dit eenvoudige stuk keukengerei een symbool geworden van het beleg, het ontzet, de hongersnood en het dappere verzet van de Leidenaren. Voorzien van een gedicht gegraveerd in zijn bronzen buik werd de ketel eeuwenlang in enkele Leidse regentenfamilies bewaard, voor het in de 19de eeuw in de 3-oktobercollectie van het museum belandde.

Marianne Eekhout, conservator geschiedenis in het Dordrechts Museum, gebruikt het begrip ‘memorabilia’ voor materiële voorwerpen die aan iets gedenkwaardigs in het verleden herinneren. Die voorwerpen spelen niet alleen een passieve rol door de beschouwer aan bepaalde gebeurtenissen te herinneren, maar zetten hem of haar ook actief aan tot een bepaalde emotie of gedachte. De Leidse hutspotketel noodt niet tot overpeinzingen over keukengerei, maar herinnert aan hongersnood, strijd en de met hulp van de goddelijke voorzienigheid behaalde overwinning. Hij is de drager van verhalen, een medium dat de herinnering aan de oorlog levend houdt.

Dit boek is een bewerking en uitbreiding van het proefschrift dat de auteur schreef in het kader van het door prof. Judith Pollmann geleide onderzoeksproject Tales of the Revolt over de ‘herinneringscultuur’ van de Opstand en de Tachtigjarige Oorlog. Eekhout laat zien hoe vanaf het begin van het conflict voorwerpen werden gered, bewaard, gekoesterd en tentoongesteld teneinde bepaalde herinneringen levend te houden. Dat kon een (al dan niet beschadigd) heiligenbeeld zijn, of een kanonskogel die een stadsbewoner die zich in zijn baan bevond op schijnbaar miraculeuze wijze gemist had.

Later in het conflict ging men er toe over speciale memorabilia te (laten) vervaardigen, die de herinnering aan een bepaalde gebeurtenis levendig moesten houden. Deze voorwerpen konden vele vormen aannemen: gevelstenen, gedenkpenningen, draagtekens, schilderijen, prenten, beelden, zilveren en gouden drinkschalen, aardewerk. Ook gedichten, toneelstukken en historiewerken werden geschreven om de herinnering aan de oorlog te onderhouden, maar deze vallen niet onder de materiële cultuur die in dit boek behandeld wordt.

Uiteraard onderzoekt de schrijver niet uitputtend alle memorabilia van de Tachtigjarige Oorlog die nog bestaan of ooit bestaan hebben. Eerst passeren voorwerpen de revue die tijdens oorlogshandelingen ontstonden en door particulieren als aandenken werden bewaard. Vervolgens neemt Eekhout de memorabilia onder de loep die in opdracht werden vervaardigd, achtereenvolgens door particulieren, stadsbesturen en de Staten-Generaal en de stadhouder (het gewestelijke niveau ontbreekt). Ten slotte is een hoofdstuk gewijd aan de materiële herinneringscultuur in de eeuw na de Vrede van Munster.

Eekhout schetst een helder en overtuigend beeld van de rol die voorwerpen in de herinneringscultuur konden spelen. Dergelijke ‘souvenirs’ zijn nooit neutraal. Ze zijn altijd verbonden met een bepaalde interpretatie van de gebeurtenissen waarin ze zijn ontstaan. Een heiligenbeeld verwees voor een aanhanger van de kerkhervorming op de onmacht en volstrekte nutteloosheid van afgodsbeelden. Voor een gelovige katholiek die zo’n beeld van de vernielzucht van de beeldenstormers had weten te redden, duidde het op miraculeuze goddelijke interventie. Het afgehouwen hoofd van Balthazar Gerards werd in Keulen als een belangrijk relikwie vereerd. Betekenis is niet inherent aan het object, maar wordt er door gebruikers, eigenaars en waarnemers aan toegeschreven.

Memorabilia zijn volgens het Woordenboek der Nederlandse taal (WNT) ‘gedenkwaardigheden’ of de schriftelijke neerslag daarvan. Het WNT kent ‘gedenkwaardigheid’ alleen als afleiding van gedenkwaardig: ‘waardig om gedacht te worden of in duurzame herinnering te blijven’. Strikt genomen zijn memorabilia dus niet de voorwerpen die aan een gebeurtenis herinneren, maar de heugenswaardige gebeurtenissen zelf. Opmerkelijk is dat memorabilia alleen in meervoudsvorm bestaat: een ‘memorabilium’ bestaat niet. De ondertitel van dit boek is daarom preciezer: de rol van voorwerpen in de oorlogsherinnering. Strikt genomen zijn de voorwerpen die Eekhout onderzoekt aandenkens of souvenirs.

Memorabilia van de Tachtigjarige Oorlog is een helder verslag van een gedegen onderzoek naar de rol van voorwerpen in de herinneringscultuur, dat zich trouwens niet beperkt tot de grenzen van het oude gewest Holland. Behalve aan de overige Nederlandse gewesten, besteedt het onderzoek terecht aandacht aan Vlaanderen en Brabant, waar vergelijkbare belegeringen en veldslagen aanleiding gaven tot een herinneringscultuur die diametraal tegenovergesteld was aan die van het noorden. Het boek is ruim geïllustreerd, maar de afbeeldingen zijn soms zo klein dat ze slecht te lezen zijn. Dat is een onvermijdelijk bezwaar van alle boeken die niet het formaat van een tentoonstellingscatalogus hebben.

Marianne Eekhout, Memorabilia van de Tachtigjarige Oorlog. De rol van voorwerpen in de oorlogsherinnering, 1566-1750, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2020, 126 pp., ISBN: 9789087048372. Prijs: € 15,-.