Jacques Baartmans, Alexander Philip van der Capellen 1745-1787. De tragische lotgevallen van een dienaar van prins Willem V Verloren, 2015, Hilversum, 222 p., ISBN 978-90-8704-506-7 prijs €23,-

door Marijke Bruggeman, zelfstandig historicus

In deze levensbeschrijving van Alexander Philip van der Capellen concentreert de auteur zich met name op de jaren 1783-1787. In deze periode kwam deze hoveling van prins Willem V in ernstige problemen en verantwoordde hij zijn gedrag in twee uitgegeven documenten. Deze documenten spelen een belangrijke rol in het boek en zijn dan ook als bijlagen opgenomen. De auteur reconstrueert de gang van zaken gedetailleerd op basis van de teksten van de publicaties van Van der Capellen en  briefwisselingen met zijn broers en met de prins, de aantekeningen van Van Hardenbroek en perspublicaties.

In de periode 1783-1787 kwam Alexander Philip van der Capellen in ernstige problemen. De auteur reconstrueert de gang van zaken gedetailleerd

Alexander Philip was een telg uit het Gelderse geslacht Van der Capellen. Hij werkte al op vijftienjarige leeftijd als page aan het hof. Later werd hij kamerheer en officier bij de Garde du Corps, de lijfwacht van Willem V. Zijn broers, met name Robert Jasper van der Capellen tot den Marsch en zijn achterneef Johan Derk van der Capellen tot den Poll voerden oppositie tegen de stadhouder. Alexander Philip daarentegen meende dat het stadhouderschap onlosmakelijk verbonden was met het ‘welzijn van de staat’. Deze afwijkende politieke standpunten stonden een goede relatie tussen Alexander Philip en Robert Jasper echter niet  in de weg. Dat Alexander Philip contacten onderhield met zijn broers en andere Patriotsgezinde regenten gaf aanleiding tot roddels aan het hof en ook in de pers. Hierdoor gingen Willem V en zijn echtgenote Wilhelmina van Pruisen hem wantrouwen. De relatie tussen de prins en zijn kamerheer raakte zo verstoord dat Alexander Philip niet anders kon doen dan ontslag nemen. In een in 1784 verschenen publicatie beschreef Van der Capellen wat er tussen hem en het prinselijk paar was voorgevallen en verantwoordde hij zijn gedrag, omdat hij zijn eer wilde redden.

De waarde van dit boek is dat het duidelijk laat zien hoe iemand die zowel banden had met de prins als met Patriotten en die zich daarom neutraal wilde opstellen, vermalen werd in de politieke strijd

Alexander Philip behield zijn functie bij de Garde du Corps. Hij bleef in die functie in Den Haag toen de stadhouderlijke familie Holland verliet. De Garde du Corps kreeg evenals de andere Hollandse regimenten in 1786 van de Staten opdracht slechts hun orders op te volgen en niet die van de prins. Alexander Philip benadrukte in een reactie de uitzonderingssituatie van de Garde du Corps en liet weten dat veel van de manschappen zich gebonden voelden aan hun eed van trouw aan de prins. Met deze uitzonderingspositie werd in 1787 geen rekening meer gehouden. Alexander Philip werd gewoon als officier beschouwd die orders van de Staten diende te accepteren. Hij kreeg de opdracht Gorkum te verdedigen tegen de Pruisen. Bij aankomst bleek hem dat de stad nauwelijks te verdedigen was. Toen de Pruisen de stad aanvielen kon Alexander Philip weinig anders doen dan de stad overgeven en zichzelf als krijgsgevangene aanbieden. De Pruisen voerden hem af naar Wezel en hielden hem daar onder buitengewoon slechte omstandigheden gevangen. Hij werd ernstig ziek en overleed aan de gevolgen daarvan, kort nadat hij uiteindelijk was vrijgelaten. De slechte behandeling door de Pruisen zou te maken hebben gehad met de wraakzucht van prinses Wilhelmina. Haar rol in het geheel wordt echter niet duidelijk. Omdat er veel kritiek kwam op zijn optreden in Gorkum schreef Alexander Philip een verdediging die postuum werd uitgegeven. Dit is het tweede document dat de auteur gebruikt.

Hoe de lotgevallen van Alexander Philip passen in het grotere geheel van de heersende politieke strijd komt slechts in beperkte mate en niet altijd even duidelijk aan de orde

De waarde van dit boek is dat het duidelijk laat zien hoe iemand die zowel banden had met de prins als met Patriotten en die zich daarom neutraal wilde opstellen, vermalen werd in de politieke strijd. Hoe de lotgevallen van Alexander Philip passen in het grotere geheel van de heersende politieke strijd komt slechts in beperkte mate en niet altijd even duidelijk aan de orde. Omdat de auteur slechts één pagina besteedt aan de beschrijving van de positie van de stadhouders in het staatsbestel van de Republiek in de 17e en 18e eeuw, kan hij niet anders dan generaliseren. Zo lijkt het alsof de stadhouders overal in de Republiek op dezelfde wijze macht hebben kunnen uitoefenen. De invloed van de stadhouders was in het ene gewest echter groter dan het andere en gebaseerd op verschillende soorten afspraken. Zo golden de regeringsreglementen die volgens de auteur de basis waren van de macht van de stadhouders, alleen in Utrecht, Gelderland en Overijssel. Onderzoeken hebben in de afgelopen decennia aangetoond dat de macht van de stadhouders afhankelijk was van de ruimte die de regels hen in de verschillende provincies boden en de manier waarop ze daarvan gebruik maakten. Ook het beeld dat de orangistische ‘partij’ bestond uit ‘stadhouder, aristocratische regenten en volksklasse’ is in de laatste decennia genuanceerd. De werkelijkheid was een stuk ingewikkelder.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Marijke Bruggeman, 21 december 2015.

Clé Lesger, Het winkellandschap van Amsterdam. Stedelijke structuur en winkelbedrijf in de vroegmoderne en moderne tijd, 1550-2000 Verloren, 2013, Hilversum, 472 p., geïll., ISBN 9789087043735, prijs €40,-

door Karin Lurvink, Vrije Universiteit Amsterdam

Op 30 oktober 2015 ontving Clé Lesger de Professor Van Winterprijs – een prijs die elke twee jaar wordt uitgereikt aan het beste boek over de lokale en regionale geschiedenis van Nederland – voor zijn boek over het Amsterdamse winkellandschap. De toekenning van deze prijs en de lovende woorden die voorafgingen aan de prijsuitreiking tijdens de studiemiddag waren voor Holland reden temeer om dit boek uit 2013 alsnog te recenseren.

Engelse historici laten zien dat er sprake was van evolutie: de ontwikkeling van het consumentisme was geen fenomeen van de negentiende en twintigste eeuw, maar was al langer gaande. Daarom begint Lesger’s vernieuwende studie dan ook in de zestiende eeuw

Het boek is chronologisch opgedeeld in vier delen. Lesger start met de behandeling van de Engelse historiografie, omdat Nederlandse historici – in tegenstelling tot Britse en Amerikaanse historici – tot dusverre weinig aandacht geschonken hebben aan het winkelbedrijf en de detailhandel in het algemeen. Engelse historici beargumenteren dat de zogenaamde ‘consumentistische revolutie’, die plaatsvond na de Industriële Revolutie, geen revolutie genoemd moet worden. Ze laten zien dat er sprake was van evolutie: de ontwikkeling van het consumentisme bleek geen fenomeen van de negentiende en twintigste eeuw, maar was al langer gaande. Daarom begint Lesgers vernieuwende studie dan ook in de zestiende eeuw. Hij verklaart het beeld van een weinig ontwikkeld winkelbedrijf in de jaren voordat negentiende-eeuwse grote warenhuizen en kledingmagazijnen ontstonden door een gebrek aan bronnen uit eerdere eeuwen, maar ook door de grootte van de gemiddelde stad. De meeste Hollandse en Nederlandse steden waren klein en de winkels ook. Amsterdam daarentegen – symbool voor de Hollandse welvaart – bereikte al vroeg een omvang die het bestaan van een hoogontwikkeld winkelapparaat niet bij voorbaat uitsloot. Wat nu het hart is van het Amsterdamse winkellandschap – de Dam en de oude rivierdijken het Damrak en het Rokin – was dat al in de tweede helft van de zestiende eeuw.

Vandaag de dag realiseren weinig mensen zich de invloed die het winkellandschap op hun leven heeft. Lesger toont het belang van aandacht voor dit onderwerp

Vandaag de dag realiseren weinig mensen zich de invloed die het winkellandschap op hun leven heeft. Lesger toont het belang van aandacht voor dit onderwerp. Hij spreekt daarbij de lezer persoonlijk aan door het gebruik van de ‘we’-vorm en verlevendigt het verhaal door het gebruik van de tegenwoordige tijd. Vanaf de zestiende eeuw schenkt Lesger bij elke opeenvolgende eeuw uitgebreid aandacht aan de ontwikkelingen in de detailhandel in het stedelijke landschap van Amsterdam tot aan het jaar 2000. Hij analyseert daarbij niet alleen het Amsterdamse winkelbedrijf, maar geeft inzicht in de locatiepatronen van de detailhandel. Lesger betoogt dat de ruimtelijke structuur van steden een dominante invloed heeft op de beweging van consumenten door de stad en daarmee ook op de aantrekkelijkheid van bepaalde locaties voor de detailhandel, gebruikmakend van de begrippen ‘reikwijdte’ en ‘drempelwaarde’. Deze termen hebben te maken met de relatie tussen de stad als fysiek bouwwerk en het functioneren van de stad als economische ruimte. Ook het uiterlijk en de inrichting van de winkels zijn belangrijk: deze dragen bij aan de sfeer en levendigheid van een stad. In economisch verval of economische bloei valt op hoe duidelijk het winkellandschap bijdraagt aan het beeld van de stad. Winkels bepalen het straatbeeld, bevorderen sociale contacten en zijn vaste oriëntatiepunten voor buurtbewoners en passanten.

Samenvattend is Het winkellandschap van Amsterdam een toegankelijk en makkelijk leesbaar, en tevens goed theoretisch en wetenschappelijk onderbouwd boek dat de lezer een levendige indruk geeft van de geschiedenis van niet alleen het winkellandschap van Amsterdam, maar ook de ontwikkeling van de stad in zijn geheel en zijn flexibiliteit

Samenvattend is Het winkellandschap van Amsterdam een toegankelijk en makkelijk leesbaar, en tevens een goed theoretisch en wetenschappelijk onderbouwd boek dat de lezer een levendige indruk geeft van de geschiedenis van niet alleen het winkellandschap van Amsterdam, maar ook de ontwikkeling van de stad in zijn geheel en zijn flexibiliteit. Dit positieve oordeel kwam overigens niet als een verrassing na de lovende toespraken over het boek tijdens de studiedag georganiseerd rondom de prijsuitreiking en het juryrapport van de prijstoekenners.  Zowel voor (voormalige) Amsterdammers als voor (frequente of minder frequente) bezoekers van de stad bevat het boek herkenbare details. Een voorbeeld zijn de enthousiasmerende afbeeldingen en beschrijvingen van de interieurs en exterieurs van bakkerijen, kruideniers, de eerste zelfbedieningszaken en bekende winkels, waaronder een foto van een Hema uit de jaren twintig en een Albert Heijn uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Ook foto’s van minder herkenbare winkels, zoals van chique modezaken uit het begin van de twintigste eeuw, en beschrijvingen van het ontstaan van winkelcentra in relatief nieuwe wijken zoals Buitenveldert en de verhelderende kaarten van de ontwikkeling van het winkelbedrijf van stad en het inkomen van zijn inwoners dragen bij aan de levendigheid van het boek.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Karin Lurvink, 16 december 2015.

Hans van der Sloot, Herman Jansen 1859-1935. Een bevlogen brander-distillateur Stichting Musis, 2015, Schiedam, 144 p., ISBN 9789073677234, prijs €20,- (ook verkrijgbaar in het Engels)

door Henk Slechte, Schiedams historicus

Schiedam dreef vanaf zijn ontstaan tot het einde van de 20ste eeuw economisch op één bedrijfstak met toeleveringsbedrijven. Die drukte ook bestuurlijk en ruimtelijk een stempel op de stad, en als die omviel waren de sociale en economische gevolgen ernstig. De bedrijfstak was van de zeventiende tot de twintigste eeuw de brandersindustrie. Herman Jansen. Een bevlogen brander-distillateur 1859-1935 gaat over een telg uit een Schiedams geslacht van branders en distillateurs. Hij initieerde in de late negentiende eeuw noodzakelijke vernieuwingen in de brandersindustrie, maar beschermde ook het traditionele ambacht van moutwijnbrander en jeneverstoker toen dat gevaar liep. Hij verdedigde Schiedam tegen de Rotterdamse pogingen de stad te annexeren, maar vond wel dat de jeneverstad een nieuwe industriële structuur nodig had om zelfstandig te kunnen blijven. De gedistilleerdindustrie moest daarin een wezenlijke rol houden, maar kon niet meer de enige basis zijn voor de Schiedamse economie. De verandering van de industrie was onvermijdelijk. In de tweede helft van de negentiende eeuw was het brandersbedrijf in Schiedam buitenproportioneel gegroeid. Door de Industriële Revolutie concentreerde de arbeidersbevolking zich in grote steden en industriegebieden, en veranderden de voedingsgewoonten. Dat genereerde een internationale vraag naar brandersgist, lang een onbelangrijk bijproduct van de brandersindustrie maar nu een hoofdproduct. Hierdoor groeide het aantal kleine branderijen snel. Herman Jansen ontwikkelde nieuwe technieken in de gistproductie, die leidden tot een patent op de zuivere gist, dat in 1928 werd overgenomen door de Delftse Gist- en Spiritusfabriek.

Dit boek levert met de aandacht die het aan stakingen besteedt een serieuze bijdrage aan de sociale geschiedenis van Schiedam

Om het ambacht van de (moutwijn)brander te beschermen bepaalt sinds 1902 een gemeentelijke verordening dat Schiedamse jenever alleen ’Echte Schiedamse jenever’ mag heten als die voor honderd procent is gestookt uit moutwijn. Dat zogenaamde kwaliteitszegel was een initiatief van Herman Jansen. Toen de stagnatie in de gisthandel een eind maakte aan de kleinschalige branderijen, groeide de werkloosheid explosief en had Schiedam nieuwe industrie nodig. Herman Jansen richtte daartoe met een vooruitstrevend liberale lokale politicus en de voorman van de katholieke arbeiders in 1900 de Vereeniging Schiedam Vooruit op. Die haalde in de tien jaar van haar bestaan drie scheepswerven naar Schiedam, waarmee de stad een nieuwe leidende bedrijfstak kreeg. Dat vroeg om goede woningen voor de nieuwe arbeiders en dus richtte Jansen op basis van de Woningwet van 1901 in 1907 met dezelfde heren de Vereeniging Volkshuisvesting op.

Hans van der Sloot heeft van de biografie van Herman Jansen meer gemaakt dan een beschrijving van diens leven

Herman Jansen was als ondernemer vooruitstrevend maar als werkgever conservatief. Toen de afzet van gist stagneerde, maar de export van jenever en ander gedistilleerd wereldwijd groeide, en daarmee de schaal van de brandersindustrie, speelde hij ook daarin een hoofdrol met eigen branderijen en distilleerderijen, een kuiperij, een glasfabriek en zelfs eigen mijnen in Limburg. Hij zag de mogelijkheden in verre landen, maar begreep ook dat hij daar alleen kans van slagen had als hij met plaatselijke agenten en handelshuizen kon samenwerken. Zo vooruitstrevend als hij als ondernemer was, zo conservatief was hij als werkgever. De werkdag van de zwaar gealcoholiseerde brandersknechts begon ‘s nachts om drie uur en eindigde pas om zeven uur ‘s avonds of zo lang daarna totdat de laatste ketel was afgestookt. Ze woonden onder erbarmelijke omstandigheden in hofjes en sloppen in de binnenstad en de Brandersbuurt. Het socialistische Schiedamse weekblad De Moker noemde ze ‘weerlooze arbeidsslaven’. In de bedrijven van Herman Jansen waren de arbeidsomstandigheden slecht. Hij riep daarmee als toonaangevende en luidruchtige ondernemer extra toorn van de lokale socialisten en de ‘moderne’ vakbeweging over zich af. In zijn bedrijven werd veel gestaakt. Dit boek levert met de aandacht die het daaraan besteedt een serieuze bijdrage aan de sociale geschiedenis van Schiedam.

Het boek is handzaam en mooi uitgegeven met toepasselijke illustraties en een royale annotatie op de pagina’s waar de noten de tekst aanvullen of naar bronnen verwijzen

De brandersindustrie verdween in de twintigste eeuw in de kleinschalige vorm uit Schiedam, maar het familiebedrijf waarvan Jansen directeur was, bestaat nog en heeft zijn hoofdzetel in Schiedam. Hermans kleinzoon is de initiatiefnemer van dit boek, waarvoor hij (jenever)historicus Hans van der Sloot de vrije hand gaf. Die heeft van de biografie van Herman Jansen meer gemaakt dan een beschrijving van diens leven. Het boek beschrijft de ingrijpende verandering van de brandersindustrie door de snel groeiende vraag naar gist, corrigeert de bestaande geschiedschrijving van de brandersindustrie op wezenlijke onderdelen, werpt economisch- en sociaalhistorisch een nieuw licht op het brandersbedrijf omstreeks 1900, en is dus veel meer dan een biografie. Van der Sloot kon dat doen dankzij de veel ruimere mogelijkheden om bijvoorbeeld kranten – digitaal – te onderzoeken dan zijn voorgangers hadden, en dankzij de vondst van dossiers met brieven en aantekeningen van Herman Jansen over de gistproductie en handel.  

Een paar opmerkingen tot slot. Het boek is handzaam en mooi uitgegeven met toepasselijke illustraties en een royale annotatie op de pagina’s waar de noten de tekst aanvullen of naar bronnen verwijzen. En tot slot een – haast klassieke – klacht. De auteur leidt de hoofdstukken zo in dat de lezer in de thematiek de weg kan vinden, maar het boek ontbeert pijnlijk een index op personen, zaken en geografische namen.  

Verwijzing: Historisch Tijdschrift Holland, Henk Slechte, 21 november 2015.

Femke Deen, Publiek debat en propaganda in Amsterdam tijdens de Nederlandse Opstand: Amsterdam ‘Moorddam’ 1566-1578 Amsterdam University Press, Amsterdam, 2015, 280 p., ISBN 9789089647054, prijs €29,95 (ook verkrijgbaar als eBook)

door Joris van den Tol, Universiteit Leiden

Dit boek van Femke Deen is geschreven op basis van het onderzoek waarmee zij in 2012 aan de UvA promoveerde. Het boek past in een relatief jonge traditie van onderzoek naar pamfletten en andere media in de vroegmoderne periode als objecten met een intrinsieke historische waarde in plaats van als repositorium van quotes om een historisch verhaal te illustreren. Na De Nederlandse opstand in Pamfletten van Pieter Geurts in 1956 en Craig Harline’s Printing and Political Culture in the Early Dutch Republic uit 1987, verschenen in de 21e eeuw verschillende andere boeken over pamfletten en andere media. De bijdrage van Deen aan deze collectie is ongelooflijk gedegen uitgevoerd en zeer goed geworteld in het bronnenmateriaal.

De bijdrage van Deen aan deze collectie is ongelooflijk gedegen uitgevoerd en zeer goed geworteld in het bronnenmateriaal

Het doel van het boek is te achterhalen hoe het publieke debat in Amsterdam zich in de jaren zestig en zeventig van de zestiende eeuw ontwikkelde tot een politieke machtsfactor, tot een instrument waarmee autoriteiten rekening moesten houden. Deen geeft antwoord op die vraag door wat zij noemt de ‘partituur van communicatievormen’ te analyseren. Dit begrip houdt in dat verschillende communicatievormen simultaan worden onderzocht om zo het geheel te kunnen overzien en dissonanten in kaart te kunnen brengen. Deen distantieert zichzelf hiermee van andere studies die zich richten op één medium, zoals pamfletten. De partituur is verdeeld over vijf hoofdstukken: publieke kritiek, retorica en de traditie van verzet; publieke afkondigingen en petities; publieke rituelen; brieven en liederen; en tot slot mondeling nieuws en geruchten.

In het bijzonder de laatste twee hoofdstukken, over de rol van handgeschreven en orale participatie in het publieke debat, zijn indrukwekkend. Deens boek vormt door de aandacht voor orale en handgeschreven nieuwtjes en geruchten een welkome aanvulling en een verrijking op bestaande literatuur over onder andere pamfletten en de rederijkerscultuur

In het bijzonder de laatste twee hoofdstukken, over de rol van handgeschreven en orale participatie in het publieke debat, zijn indrukwekkend. Deen benut haar achtergrond in culturele antropologie door af en toe te schrijven alsof ze er zelf is bij geweest. Dat dit zo nu en dan betwistbare zinnen als ‘ieder gesprek begon met de vraag wat voor nieuws er was’ en ‘wie de stad binnenkwam, werd direct ondervraagd’ (138) tot gevolg heeft, zullen de meeste lezers voor lief nemen. Het belang van mondelinge overlevering van nieuws en geruchten en de wisselwerking met handgeschreven brieven in het eind van de zestiende eeuw zal door niemand worden betwist, maar het is zelden zo degelijk en uitgebreid besproken, en Deen slaagt er op uitmuntende wijze in de rol van geruchten over het voetlicht te brengen. Dit is dan ook primair de kracht van dit boek. Deens boek vormt door de aandacht voor orale en handgeschreven nieuwtjes en geruchten een welkome aanvulling en een verrijking op bestaande literatuur over onder andere pamfletten en de rederijkerscultuur.

Het voornaamste punt van kritiek is dat het concept van ‘publiek debat’ niet echt overtuigt. Het gaat te ver om te stellen dat ‘het ontbreekt aan een bruikbaar alternatief voor publieke sfeer’

Het voornaamste punt van kritiek is dat het concept van ‘publiek debat’ niet echt overtuigt. Deen heeft nadrukkelijk gekozen voor publiek debat, en niet voor Habermas’ publieke sfeer. Ze schrijft onomwonden ‘dat er, ondanks de wijdverspreide discussies en publieke meningsvorming, zeker geen sprake was van een “publieke sfeer”’ (173). Ze verwerpt de these van een (bourgeois) publieke sfeer omdat het te veel verbonden is met Habermas’ utopie: een tegenhanger van de hedendaagse contemporaine gecorrumpeerde publieke sfeer van massamedia. Habermas’ theorie is inderdaad aan veel kritiek onderhevig geweest en er is zeker iets mis met de publieke sfeer gebruiken als een normatief model en dan beweren dat het er wel of niet is geweest. Het gaat echter te ver om te stellen dat ‘het ontbreekt aan een bruikbaar alternatief voor publieke sfeer’ (12). Waarom heeft Deen bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt van Gerard Hausers theorie over publieke sferen, zoals Helmer Helmers heeft gedaan in zijn proefschrift uit 2011?  Immers, er is een debat dat op basis van argumenten werd gevoerd en bepaalde deelnemers hadden op basis van status niet meer gelijk dan anderen. Het vond plaats in de openbaarheid, zoals op de Plaatse (de Dam), de nieuwe brug, en de Warmoestraat. Het ging zeer vaak over beleid en politiek. Bovendien konden zelfs de ongeletterden deelnemen doordat mondelinge geruchten ook een belangrijke rol speelden in het debat; dit gaf de publieke sfeer een inclusief karakter.

Haar ooggetuige-schrijfstijl maakt het boek leesbaar voor een breder, ook niet-academisch, publiek zonder dat daarmee de historische werkelijkheid geweld wordt aangedaan

Kortom, dit boek is gebaseerd op zeer gedegen en uitgebreid bronnenonderzoek, en een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in zestiende-eeuwse communicatiemiddelen. Met name de hoofdstukken over brieven en geruchten zijn zeer de moeite waard. Haar ooggetuige-schrijfstijl maakt het boek leesbaar voor een breder, ook niet-academisch, publiek zonder dat daarmee de historische werkelijkheid geweld wordt aangedaan. De nadruk op het bronnenonderzoek is echter ten koste gegaan van het theoretisch kader en dat maakt het boek als referentiewerk voor mensen geïnteresseerd in een andere periode dan de zestiende eeuw minder relevant.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Joris van den Tol, 18 november 2015.

Carla de Wilt, Landlieden en hoogheemraden. De bestuurlijke ontwikkeling van het waterbeheer en de participatiecultuur in Delfland in de zestiende eeuw Verloren, Hilversum, 2015, 509 p., ISBN 9789087045128, prijs €49,50

door Adrie de Kraker, CLUE Vrije Universiteit Amsterdam

Dit boek is het resultaat van jarenlang archiefonderzoek naar het functioneren van het waterbeheer in Delfland in de zestiende eeuw. Gelet op het onderzochte bronnenmateriaal en de aard van de onderzoeksvragen, voldoet het ruimschoots aan de vereiste criteria om in de reeks Waterstaat, cultuur en geschiedenis te worden opgenomen: een reeks die beoogt om nieuw wetenschappelijk werk onder de aandacht van een geïnteresseerd publiek te brengen. De auteur onderzoekt hoe de bestuurlijke organisatie van het waterbeheer zich op verschillende niveaus in het Delfland van toen heeft ontwikkeld. Zijn het lokale of regionale besturen die als overwinnaar uit de veranderingen zijn gekomen (pagina 266)? De auteur wil het veranderingsproces verklaren tegen de achtergrond van a) de veranderende geografische omstandigheden, dus vernatting, b) de veranderende economische situatie, de transitie naar veeteelt en c) op welke wijze er invloed van onderaf was. Dit laatste noemt zij de participatiecultuur.

Gelet op het onderzochte bronnenmateriaal en de aard van de onderzoeksvragen, voldoet de studie ruimschoots aan de vereiste criteria om in de reeks Waterstaat, cultuur en geschiedenis te worden opgenomen: een reeks die beoogt om nieuw wetenschappelijk werk onder de aandacht van een geïnteresseerd publiek te brengen

De Wilt behandelt genoemde problematiek in acht hoofdstukken. Na een inleiding met een historiografisch overzicht, onderzoeksvragen en –methoden en bronnenmateriaal, behandelt ze in hoofdstuk 2 het regionale waterbeheer. Hierin gaat ze in op de institutionalisering van het waterbeheer, de taakverdeling tussen dijkgraaf en hoogheemraden en welke factoren daarbij van belang waren. Zij ziet in de 15e eeuw een tendens naar decentralisatie, in de loop van de 16e eeuw een naar centralisatie. De hoogheemraden hielden zich vooral bezig met gemeenschapswerken, nieuwe lokale werken en handhaving van keuren, de ambachtsbewaarders voerden vooral werken uit en regelden de financiën. In hoofdstuk 3 bespreekt ze het lokale waterbeheer, waarbij ze ingaat op de functies van ambachtsbewaarder en molenmeester. Eerstgenoemde was vooral uitvoerder van werken en belast met de financiën. Molenmeesters werden vooral ingezet bij het schouwen van werken. De eerste vermeldingen dateren uit de 15e eeuw.  In de volgende hoofdstukken worden de veranderingen per deelgebied geanalyseerd. In hoofdstuk 4 komt Maasland aan bod, waarin een brede participatiecultuur bleef bestaan. Weliswaar werd de ruggenspraak met de buren onderdrukt, maar de toegang tot functies voor kleine landbezitters verruimd. Voor Monsterambacht (hoofdstuk 5) en Berkel (hoofdstuk 6) analyseert ze dezelfde veranderingen. Vervolgens gaat het onderzoek via een andere invalshoek verder: de rechtspraak. Hoe pakten de veranderingen uit door te kijken naar de vele conflicten die er tussen de twee bestuursniveaus waren. Hierbij stelt ze vast dat zowat driekwart van de conflicten over nalatig onderhoud van waterstaatswerken ging en dat de meeste uit Maasland kwamen. Logisch ook vanwege het onderhoud van onder meer de Maasdijk. In alle drie gebieden nam het aantal zaken overigens toe. Algemeen was er een trend naar individuele verantwoordelijkheidstelling te bespeuren (pagina 265). Het boek besluit met hoofdstuk 8 waarin alle bevindingen worden samengevat. Het is eerder aan de lezer om die zelf te lezen, dan aan de recensent om die te verklappen.

Inhoudelijk gezien kunnen de vele herhalingen en samenvattingen storend zijn, maar zonder deze zou het toch lastig zijn de hoofdlijnen te volgen, dus zijn ze een noodzakelijk kwaad

Wat valt er op het boek af te dingen? Bijna een kwart van het boek (284-375) wordt door tabellen en bijlagen ingenomen. Een database van 90 pagina’s is niet meer gebruikelijk, bovendien gaat het om veel kwalitatieve details (pagina’s 284-336). Dit lijkt eerder voer voor plaatselijke genealogen dan voor wetenschappers. Het was bovendien handiger geweest het overzicht van al deze tabellen en grafieken aan het begin te zetten (vanaf pagina 284) en niet ergens verloren achterin het boek. Hetzelfde geldt de summary en het nawoord, in feite een dankwoord. Waarom de summary niet direct na de Nederlandse samenvatting en het nawoord voorin gezet? Inhoudelijk gezien kunnen de vele herhalingen en samenvattingen storend zijn, maar zonder deze zou het toch lastig zijn de hoofdlijnen te volgen, dus zijn ze een noodzakelijk kwaad. Verder heeft de auteur ernaar gestreefd de veranderingen zoveel als mogelijk in te kaderen in de veranderende omgeving, economische en sociale constellatie. Een duidelijk onderscheid tussen factoren die vanuit het gebied zelf invloed hebben en factoren van buiten is er niet. Hoe zit het met de bevolkingstoename: ijkpunt 1500, ijkpunt 1600? Hoe zit het met de vele gevallen van toenemende druk op de waterstaat door grote wateroverlast en overstromingen? Elke ramp heeft op zich invloed op bestuursinstellingen en regelgeving. Wat was de invloed van de grote onderwaterzettingen in de jaren 1570-1580?

De lezer krijgt meer waar voor zijn geld dan de titel suggereert

Zoals met elk boek, met elke dieptestudie, worden specifieke vragen beantwoord, maar andere weer niet. Dit neemt niet weg dat Carla de Wilt een grondige analyse van de waterstaatsinstellingen in Delfland heeft gemaakt en een boek heeft geschreven dat niet louter over de zestiende eeuw gaat, maar ook over de tweede helft van de vijftiende eeuw en het begin van de zeventiende eeuw. De lezer krijgt dus meer waar voor zijn geld dan de titel suggereert.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Arie de Kraker, 28 oktober 2015.

Roel Pots en Nico Randeraad red., Behoedzaam bestuur. Twee eeuwen provincie Zuid-Holland Primavera Pers, Leiden 2014, 403 p., geïll., ISBN  9789059971738, prijs €34,50

door Diederik Smit, Universiteit Leiden

De afgelopen maanden zijn al heel wat boeken verschenen met de woorden ‘twee eeuwen’ in de ondertitel.  Veelal waren dit publicaties die op een of andere manier verbonden waren met de viering ‘200 jaar Koninkrijk’; de reeks festiviteiten en herdenkingen die in 2013 begonnen is en nog tot het einde van dit jaar voortduurt. De uitvoerige studie Behoedzaam bestuur. Twee eeuwen provincie Zuid-Holland onder redactie van Roel Pots en Nico Randeraad is tussen deze verzameling terugblikken een opvallende verschijning. Niet zozeer vanwege de vorm – met zijn grote formaat en vele illustraties lijkt het werk sterk op een jubileumboek voor op de koffietafel – maar allereerst vanwege de inhoud.

De uitvoerige studie is een opvallende verschijning. Niet zozeer vanwege de vorm – met zijn grote formaat en vele illustraties lijkt het werk sterk op een jubileumboek voor op de koffietafel – maar allereerst vanwege de inhoud

De provincie Zuid-Holland is immers niet de eerste provincie die je met de restauratiejaren zou associëren: waar menige Nederlandse provincie zijn oorsprong in 1814 hervond, kwam Zuid-Holland formeel immers pas met de grondwetswijziging van 1840 tot stand. Toch hebben de samenstellers van het boek ervoor gekozen om de geschiedenis van de Zuid-Holland in 1814 te beginnen; een keuze die in de eerste plaats samenhangt met de invalshoek van de studie. Het boek is namelijk geen provinciale geschiedenis in de zin dat het een overzicht biedt van de verschillende gebeurtenissen die de afgelopen twee eeuwen op Zuid-Hollands grondgebied zijn voorgevallen. Het richt zich nadrukkelijk op de provincie als bestuurlijke eenheid en de ontwikkeling die het provinciale bestuur sinds 1814 heeft doorgemaakt. Voor de Nederlandse provincies was de invoering van de nieuwe Grondwet dat jaar namelijk een nogal ambivalent moment. Enerzijds betekende de Restauratie het herstel van oude provincies uit de Republiek, anderzijds verloren zij definitief hun soevereiniteit. Zij waren voortaan slechts een bestuurlijke schakel tussen de nationale en lokale overheden. Het zoeken naar de juiste balans op dit middenniveau loopt als een rode draad door het boek. Het vormt een terugkerend thema in de zeven hoofdstukken waarin de aspecten van het provinciaal bestuur nader, chronologisch worden uitgewerkt. Deze aspecten variëren van de ontwikkeling van de verschillende provinciale bestuursorganen tot de beleidsterreinen waarop de provincie actief is: ruimtelijke ordening, waterstaat, economie, cultuur en zorg. De hoofdstukken worden afgewisseld met inhoudelijke beeldkaternen die een goed licht werpen op de bestuurscultuur van de provincie. Zij laten onder meer zien hoe het provinciaal bestuur gedurende twee eeuwen gehuisvest was, zich naar de buitenwereld presenteerde en  zichzelf letterlijk op de kaart zetten.

De ware kracht van het boek ligt echter niet in zijn opzet maar vooral in zijn benadering. Door voor het eerst in de Nederlandse geschiedschrijving het provinciaal bestuur over een langere periode bij al zijn taken systematisch te bestuderen, werpt de studie een verhelderend licht op de integrerende krachten in het Koninkrijk

De afwisseling van thematische hoofdstukken en beeldkaternen zorgt ervoor dat het boek een compleet beeld biedt en het provinciaal bestuur in al zijn facetten belicht. De ware kracht van het boek ligt echter niet in zijn opzet maar vooral in zijn benadering. Zoals auteur en redacteur Nico Randeraad in zijn inleiding aangeeft, is de geschiedschrijving op het gebied van het provinciaal bestuur in Nederland erg beperkt, of in het beste geval erg verbrokkeld. Op een enkele incidentele deelstudies na, is er nooit systematisch onderzoek gedaan de provincie als bestuurlijke eenheid. Er bestaat geen historiografische traditie, laat staan dat er sprake is van een levendig wetenschappelijk debat. Dit is op zijn minst opmerkelijk. Van de verschillende bestuurslagen die ons land kent, is de provincie immers het meest omstreden. Al sinds het begin van de negentiende eeuw ligt zij onder vuur en klinkt de kritiek dat de provincie weinig beduidend is. Vele reorganisatieplannen, voorstellen tot herindeling en rapporten over het nut van het provinciaal bestuur waren dan ook het gevolg, geen van alle met grote gevolgen overigens. Zelfs de meest recente voorstellen tot de vorming van superprovincies zijn inmiddels alweer een stille dood gestorven.

Behoedzaam Bestuur is een studie die vraagt om navolging, al was het maar om de omstreden onmisbaarheid van de provincie beter te vatten

Alleen al juist deze spanning tussen de provincie als mikpunt van kritiek aan de ene kant en de schijnbare onvermijdelijkheid van de bestuurslaag aan de andere kant verantwoordt de opzet van een studie als Behoedzaam Bestuur.  Door te kiezen voor een provincie zonder sterke historische wortels of kenmerkende culturele identiteit, ligt het zwaartepunt niet op de eigenheid of het meer folkloristische karakter van de provincie, maar blijft het boek bij de politiek-bestuurlijke kant van het verhaal. In die zin laat de ontwikkeling van Zuid-Holland zich dan ook lezen als een geschiedenis die ook representatief is voor andere Nederlandse provincies. Door voor het eerst in de Nederlandse geschiedschrijving het provinciaal bestuur over een langere periode bij al zijn taken systematisch te bestuderen, werpt de studie een verhelderend licht op de integrerende krachten in het Koninkrijk. Het toont de provincie als een essentiële schakel op talrijke beleidsterreinen; zonder veel politiek vuurwerk, maar behoedzaam en met tastbaar resultaat. Behoedzaam Bestuur is een studie die vraagt om navolging, al was het maar om de omstreden onmisbaarheid van de provincie beter te vatten.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Diederik Smit, 18 juli 2015.

Ben Speet, Historische atlas van Kennemerland. Hart van Holland Vantilt, Nijmegen, 2014, 80 p., geïll., ISBN 978 94 6004 172 3, prijs €29,50

door Henk Baas, Hoofd Landschap Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

In 2014 verscheen bij Vantilt de historische atlas van Kennemerland, in een serie historische atlassen van steden en regio’s die begon in 2003. Toen verscheen bij SUN de Historische Atlas van Nijmegen, die zo’n succes was dat dit de start werd van een hele serie. Na Nijmegen volgden historische stedenatlassen van ‘s-Hertogenbosch, Rotterdam, Amsterdam, Utrecht, Maastricht, Arnhem, Den Haag, Haarlem, Hilversum, Gent en Groningen. Bij SUN verscheen ook de regionale historische atlas van Ooijpolder en Duffelt. Daarna is de serie overgenomen door de Nijmeegse uitgever Vantilt, en werd de serie aangevuld met de steden  Dordrecht, Delft, Schiedam, Zutphen en met de historische regio´s Rivierenland en Walcheren. Een uitermate succesvolle serie dus, die aangeeft dat er een breed publiek is voor (historische) atlassen.

Historicus Ben Speet heeft een vlotte pen en schrijft heel toegankelijk over de historische en geografische ontwikkelingen binnen Kennemerland

De historische atlas van Kennemerland is geschreven door Ben Speet, die ook al andere boeken in dit genre op zijn naam heeft staan. Zo verscheen onder zijn redactie in 2013 bij WBooks nog Het Grote Geschiedenisboek van Kennemerland. Speet heeft in deze serie ook de delen Amsterdam en Haarlem geschreven. Deze historicus heeft een vlotte pen en schrijft heel toegankelijk over de historische en geografische ontwikkelingen binnen Kennemerland. Net als de andere delen is dit samengevat in tachtig bladzijden, telkens twee per onderwerp. Tekst, kaarten en foto´s wisselen elkaar in prettige opmaak af. De thema´s van de atlas passen in de ruimtelijke chronologie. Begonnen wordt met de geologische en landschappelijke situering, dan de Romeinen, en langs de lijnen van ontginning, stadsontwikkeling en buitenplaatsen komen we uiteindelijk in de moderne tijd terecht. Alle verwachtte onderwerpen komen aan bod. Hierbij overigens wel de opmerking dat de auteur – en de redactie neem ik aan – gekozen heeft voor wat nu Zuid- en Midden-Kennemerland (IJmond) genoemd wordt. Noord-Kennemerland, het gebied rond Alkmaar, wordt in dit deel geheel buiten beschouwing gelaten. Dit heeft met name te maken met 20ste-eeuwse ontwikkelingen rond wat we nu de IJmond noemen, die de vroegere eenheid van het gebied hebben verstoord.

De kracht van een uitgave als deze ligt vooral in het bijeenbrengen van deze kennis voor een breder publiek; een publiek dat vooral is geïnteresseerd in kaartbeelden

Kennemerland is in de 19e, maar vooral in de 20ste eeuw ruimtelijk enorm getransformeerd. De aanleg van het Noordzeekanaal, de komst van de Hoogovens en de groei van de IJmond zijn hierin sturend geweest. Ook de voortgaande verstedelijking van de binnenduinrand, als gevolg van de aanleg van de spoorlijn, is zo’n ontwikkeling geweest. Hierdoor stemt dit boek de lezer ook wat weemoedig. “Wat geweest is, is geweest” zong Kennemerlander Boudewijn de Groot ooit en dat geldt in hoge mate voor veel Kennemerlandse schoonheid. De afbeeldingen laten zien dat keuzes voor sloop in het nabije verleden niet altijd even gelukkig zijn geweest . Dit is goed te zien in  badplaatsen Zandvoort en Wijk aan Zee. In 1881 liet de Duitse ondernemer Tappenbeck in Wijk aan Zee het schitterende Badhotel bouwen, dat vervolgens in 1980 is gesloopt. Zandvoort kende ook een flink aantal prachtige hotels en badhuizen, waar ook niets meer van over is gebleven. Dit geldt ook voor veel bruggen en ponten: de spoorbrug over het Noordzeekanaal, de Hemburg bij Zaandam, de Velservoetbrug en de spoorbrug bij Velsen zijn stuk voor stuk gesloopt. Wat de slopershamer heeft gemist zijn de meer dan veertig forten van de Stelling van Amsterdam, waarvan een flink aantal in Kennemerland. Hoewel nutteloos en vaak verlaten, kwam voor de forten de status van Unesco-werelderfgoed in 1996 op tijd. Het fort Velsen was in de jaren tachtig trouwens al voor meer dan de helft gesloopt.

De grootste veranderingen in het gebied vonden in de negentiende en twintigste eeuw plaats. Het is daarom jammer dat in de gedeeltes over dorpen en steden de nadruk ligt op de eerdere fasen in de ontwikkeling

In de loop der tijd zijn veel boeken over Kennemerland of afzonderlijke onderwerpen geschreven: de Kennemerlandse buitenplaatsen, de Stelling van Amsterdam, de steden en dorpen, de Middeleeuwse geschiedenis en over de waterstaatsgeschiedenis. De kracht van een uitgave als deze ligt dan ook vooral in het bijeenbrengen van deze kennis voor een breder publiek; een publiek dat vooral is geïnteresseerd in kaartbeelden. Dat publiek is dus groot, getuige het eerder aangehaalde succes van deze serie. De atlas bevat – vooral dankzij de collectie van het Noord-Hollands Archief – fraaie kaarten en afbeeldingen, die in veel gevallen de enorme veranderingen in dit gebied illustreren. Al in de 17e eeuw veranderde het gebied van karakter door de aanleg van tientallen buitenplaatsen aan de binnenduinrand. Deze waren vanuit Amsterdam bereikbaar via het IJ en het Wijkermeer, maar vooral ook door de eveneens in die periode gegraven trekvaarten, de Haarlemmervaart en de Leidsevaart.  De grootste veranderingen in het gebied vonden echter in de negentiende en twintigste eeuw plaats. Het is daarom jammer dat in de gedeeltes over dorpen en steden de nadruk ligt op de eerdere fasen in de ontwikkeling. We lezen nauwelijks iets over de meer recente –moderne – fasen in de dorps- en stadsgeschiedenis, terwijl die juist zo kenmerkend zijn voor de wijze waarop ze zich nu aan ons manifesteren. Feitelijk gaat alleen het laatste hoofdstuk hierover. Wel komen de recente ontwikkelingen terug in meer thematische hoofdstukken, zoals die over de ‘Haarlemse landhonger’.  Verder moet de lezer voor het complete verhaal terug naar de monografieën per stad of dorp, die er overigens in grote getale zijn. Ik snap dat het format van het boek noopt tot het maken van keuzes, maar hierdoor is het eindresultaat soms niet altijd geheel bevredigend.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Henk Baas, 23 juni 2015.

Maarten van Doorn en Kees Stal red., Geschiedenis van Scheveningen. Vroegste tijd tot 1875 Walburg Pers, Zutphen, 2013, 320 p., geïll., ISBN 9789057309540, prijs € 39,50

Geschiedenis van Scheveningen. Van 1875-heden Walburg Pers, Zutphen, 2014, 336 p., geïll., ISBN 9789057309541, prijs € 39,50

door Adri P. van Vliet, Nederlands Instituut voor Militaire Geschiedenis

De in 2009 opgerichte Stichting Geschiedschrijving Scheveningen heeft iets groots verricht. In korte tijd verschenen onder auspiciën van deze stichting twee schitterend vormgegeven, kloeke delen over de geschiedenis van Scheveningen. De laatste integrale geschiedenis van dit dorp – eveneens tweedelig – was in het begin van de 20ste eeuw geschreven door amateurhistoricus J.C. Vermaas (1846-1922).

Op basis van nieuw bronnenonderzoek, archeologische ontdekkingen, waarvan Vermaas slechts kon dromen, en nieuwe publicaties is de geschiedenis van Scheveningen herschreven

De nieuwe Geschiedenis van Scheveningen is het resultaat van de gezamenlijke inspanning van veertien (deel I) en dertien (deel II) auteurs. Op basis van nieuw bronnenonderzoek, archeologische ontdekkingen, waarvan Vermaas slechts kon dromen, en nieuwe publicaties hebben zij de geschiedenis van Scheveningen herschreven.

Deel I bestaat uit vier gedeelten. Het eerste gedeelte beschrijft de bewoningsgeschiedenis van het duingebied waar Scheveningen is ontstaan en de omstandigheden waaronder het dorp tot ontwikkeling kon komen. Dankzij recente archeologische vondsten is hier veel nieuws te vertellen, maar een mogelijk Romeinse fort is nog niet gevonden. Het tweede gedeelte ‘Kustdorp bij Den  Haag’ beschrijft het wel en wee van het dorp tot aan de Bataafs-Franse tijd. Scheveningen ontstond als een gehucht in Haagambacht maar groeide dankzij de visserij en vishandel uit tot een aparte entiteit. Mede door de nieuwe straatweg (1665) die het dorp met Den Haag verbond, werd de band met en de invloed van Den Haag in Scheveningen steeds sterker.De Franse tijd wordt als een intermezzo geschetst. Veel nieuwe ontwikkelingen werden toen in gang gezet. Helaas wordt te weinig aandacht besteed aan de neergang van de visserij en de smokkelhandel. Het vertrek van stadhouder Willen V (1795) en de komst van de Prins (30 november 1813) naar Scheveningen komen gelukkig wel prominent in beeld.

De Franse tijd wordt als een intermezzo geschetst. Veel nieuwe ontwikkelingen werden toen in gang gezet. Helaas wordt te weinig aandacht besteed aan de neergang van de visserij en de smokkelhandel. Het vertrek van stadhouder Willen V (1795) en de komst van de Prins (30 november 1813) naar Scheveningen komen gelukkig wel prominent in beeld

In het vierde gedeelte ‘Nieuwe banden, nieuwe perspectieven’ komen de grote veranderingen aan bod die in de periode 1800-1875 plaatsvonden op bestuurlijk, economisch en maatschappelijk gebied. Scheveningen werd toen naast vissersplaats een echte badplaats en de Haagse bestuurders bemoeiden zich steeds meer met de leefomgeving van de Scheveningers. Zee en strand groeiden uit tot een toeristische acttractie. Bescheiden badhuisjes maakten plaats voor het Stedelijk Badhuis en een rij prestigieuze badhotels. Daarentegen bleven de woonomstandigheden van de ‘gewone’ Scheveningers slecht en teisterden epidemieën de dorpsbevolking. Dankzij de liberalisering van de visserijwetten maakte de visserij, met name de  pekelharingvisserij, een enorme groei door. Het aantal bomschuiten dat op het strand landde, steeg explosief. Er ontstonden zelfs spanningen over het gebruik van het strand.

Het tweede en vierde gedeelte zijn identiek van vorm en opzet. De ontwikkelingen in beide perioden worden telkens bekeken vanuit drie verschillende gezichtspunten: de relatie van Scheveningen met de buitenwereld en met name met Den Haag, de visserij en de komst van de badgasten en de ontwikkelingen in de Scheveningse samenleving.

De Geschiedenis van Scheveningen is een must voor iedereen die meer wil weten van dit bijzondere ‘Haagse’ dorp en een aanwinst voor elke boekenkast 

Deel II bestaat uit drie gedeelten en is qua opzet grotendeels gelijk aan het eerste deel. Het eerste gedeelte ‘Opgeslokt door Den Haag en tegelijk wereldmerk’ loopt tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De haringvisserij neemt in deze periode een enorme vlucht. Scheveningen wordt de grootste haringhaven van Nederland en laat Maassluis en Vlaardingen ver achter zich. Dankzij de aanleg van een haven (1904) en een tweede in 1931 maakten de bomschuiten plaats voor loggers en later voor trawlers. Scheveningen-Bad ging zijn eigen weg en groeide uit tot een mondaine badplaats met een boulevard, Pier (1901), winkelgalerij en badhotels. Dit was mogelijk omdat het Haagse gemeentebestuur de exploitatie overliet aan particuliere investeerders. Het dorp zelf groeide vast aan Den Haag. Verkrotte huizen werden gesaneerd en Duinddorp werd gebouwd.

De oorlogsperiode wordt net als de Franse tijd als een intermezzo beschreven. Een desastreuze tijd voor alle Scheveningers. De vissersvloot was in de meidagen grotendeels uitgeweken naar Fleetwood  (Verenigd Koninkrijk), de meeste bewoners werden geëvacueerd toen de Duitsers Scheveningen omvormden tot een schakel in de Atlantikwall en de Joodse gemeenschap verdween. De naoorlogse jaren staan in laatste gedeelte ‘Stadsdeel aan zee’ centraal. De visserij raakte na een periode van herstel in zwaar weer en werd uiteindelijk van marginale betekenis. De schaalvergroting met de komst van de hektrawlers en later de vriestrawlers, de overbevissing en de quotering waren hiervoor verantwoordelijk.

Het uiterlijk van de badplaats veranderde volledig. Dure hotels verdwenen, het Kurhaus werd ternauwernood gered van de sloop. Hoogbouw, winkelpromenades en vermaakcentra vulden de gaten. De komst van de nieuwe Pier (1961) markeerde dit moment. Massatoerisme en dagrecreanten bepaalden de verdere ontwikkelingen. Scheveningen werd in deze tijd een echt Haags stadsdeel, maar wel met een eigen wethouder die staat voor de belangen van ‘zijn dorp’. Daarnaast waakt een grote groep bewoners ‘over het Scheveningse erfgoed en koestert wat er nog aan tradities rest’.

De Geschiedenis van Scheveningen is een must voor iedereen die meer wil weten van dit bijzondere ‘Haagse’ dorp en een aanwinst voor elke boekenkast.  

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Adri P. van Vliet, 27 mei 2015.

A. Agnes Sneller, De Gouden Eeuw in gedichten van Joost van den Vondel (1587-1679) Verloren, Hilversum, 2014, 107p., geïll., ISBN 9789087043926, prijs €14

door Berith van Pelt, redacteur Codex Historiae Vrije Universiteit

Joost van den Vondel was tijdens zijn leven de beroemdste dichter van de Gouden Eeuw. Hij kreeg toentertijd niet voor niets de bijnaam ‘prins der dichters’. Dat is tegenwoordig wel anders. Vondels poëzie is verworden tot verplichte literatuur in studies Nederlands en wordt door slechts weinig mensen nog graag gelezen. Sneller beschrijft de relatie tussen Vondel en de hedendaagse literatuurliefhebber als afstandelijk; Vondels werk is te moeilijk leesbaar voor het publiek van nu. Terwijl het werk van Vondel ook nu wel degelijk inspirerend kan zijn, zo meent de auteur. Uit deze overtuiging is het boek De Gouden Eeuw in gedichten van Joost van den Vondel (1587-1679) voortgekomen. Aan de hand van verschillende thema’s typeert de auteur zowel de Gouden Eeuw in het algemeen als het werk van Joost van den Vondel.

Sneller heeft er goed aan gedaan het boek in te delen in thema’s, en niet op basis van chronologie, zoals bij een boek met een historische insteek wellicht te verwachten is. Op deze manier beschrijft ze een gehele eeuw in een behapbaar boek, dat zo niet alleen voor ervaren professoren leesbaar is

Na een inleiding, waarin de auteur haar overwegingen uiteenzet, volgen vier hoofdstukken die elk uitweiden over een typerend kenmerk van (het werk van) Joost van den Vondel. Het eerste hoofdstuk, ‘Joost van den Vondel, Amsterdammer’, gaat over de ouders en jeugd van Vondel en over zijn overtuigingen. Hier wordt duidelijk dat Vondel al vanaf jonge leeftijd maatschappelijk betrokken was, wat ook in zijn verdere werk een rol zal spelen. Daarnaast leert dit hoofdstuk de lezer in het kort iets over de rederijkerskamers in de Gouden Eeuw, waarvan ook de jonge Joost lid was. Het hoofdstuk ‘’t is Bruiloft’ is geheel gewijd aan de huwelijksmoraal in de Gouden Eeuw, die door de auteur wordt uitgelegd aan de hand van passages uit gedichten van Vondel. In de Gouden Eeuw werden veel huwelijken gesloten met het politieke belang als belangrijkste drijfveer. Zodra er kinderen werden geboren, was het huwelijk geslaagd. Sneller brengt passages naar voren waarin deze conventies door Vondel aangehaald worden, maar laat daarnaast ook zien hoe Vondel afweek van de patronen.

Sneller lijkt willekeurige gedichten van Vondel gekozen te hebben bij de vier thema’s, die wel veel vertellen over Vondel, maar die niet altijd duidelijk gelinkt worden aan het leven van een gemiddelde burger in de zeventiende eeuw. Het toegankelijk maken van het werk van Vondel is Sneller dan ook slechts deels gelukt

Hierna volgt een hoofdstuk over het Amsterdamse bestuur tijdens de Gouden Eeuw, getiteld ‘Amsterdam, ‘de grootste koopstadt van Euroop’’. In dit hoofdstuk gaat de auteur uitgebreid in op de inwijding van het nieuwe stadhuis op de Dam. Vervolgens komt het bestuur van de stad aan bod, met in het bijzonder de burgemeesters, die het in de praktijk voor het zeggen hadden in het bestuur.

Het boek sluit af met een hoofdstuk over ‘Het Huis van Oranje-Nassau’. Achtereenvolgens verschijnen Maurits, Frederik Hendrik en Willem II ten tonele. Vondel was erg betrokken bij het stadhouderlijk huis en vooral Frederik Hendrik ontving van hem niets dan lof. In de gedichten die hij voor en over de verschillende stadhouders schreef, komt bovendien sterk Vondels vrijheidsideaal naar voren. Zelfs tijdens het stadhouderloos tijdperk wijdde de dichter werk aan de familie Oranje-Nassau.

De Gouden Eeuw in gedichten van Joost van den Vondel (1587-1679) is een aardig boek voor wie niet te diep op de materie wil ingaan, maar is voor een (literatuur)historicus niet bijzonder interessant

Sneller heeft er goed aan gedaan De Gouden Eeuw in gedichten van Joost van den Vondel (1587-1679) in te delen in thema’s, en niet op basis van chronologie, zoals bij een boek met een historische insteek wellicht te verwachten is. Op deze manier beschrijft ze een gehele eeuw in een behapbaar boek, dat zo niet alleen voor ervaren professoren leesbaar is. Het is mij echter niet duidelijk of de auteur de nadruk nu juist op Vondel wil leggen of op het leven in de Gouden Eeuw. Sneller lijkt willekeurige gedichten van Vondel gekozen te hebben bij de vier thema’s, die wel veel vertellen over Vondel, maar die niet altijd duidelijk gelinkt worden aan het leven van een gemiddelde burger in de zeventiende eeuw. In andere delen van de tekst daarentegen, wijdt ze uitgebreider uit over typerende kenmerken van de Gouden Eeuw en betrekt ze Vondel daar slechts zijdelings bij. Hierdoor wordt op beide invalshoeken niet diep ingegaan.

Het toegankelijk maken van het werk van Vondel is Sneller dan ook slechts deels gelukt. Doordat ze Vondels werk en leven uiteenzet tegen het perspectief van de tijd, komt Vondel weliswaar meer tot leven en zijn zijn gedichten beter te plaatsen, maar doordat de gedichten zelf niet de hoofdrol spelen in het boek, ontstaat na het lezen niet het idee dichter bij het werk van Vondel te zijn gekomen. Een bijlage met de complete gedichten had een mooie toevoeging aan het boek geweest. Kortom, De Gouden Eeuw in gedichten van Joost van den Vondel (1587-1679) is een aardig boek voor wie niet te diep op de materie wil ingaan, maar is voor een (literatuur)historicus niet bijzonder interessant.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Berith van Pelt, 7 april 2015.

Paul H.A.M. Abels, Jan Jacobs en Mirjam van Veen red., Terug naar Gouda. Religieus leven in de maalstroom van de tijd Meinema, Zoetermeer, 2014, 304 p., geïll., ISBN 9021143720,  prijs €28,50

door Fred van Lieburg, bijzonder hoogleraar Geschiedenis van het Nederlands protestantisme aan de Vrije Universiteit

Dit boek verscheen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis (VNK), die op 27 mei 1989 in Gouda werd opgericht. Deze aanleiding vormt de helft van de verklaring van de hoofdtitel Terug naar Gouda en van de inhoud van de bundel, die voor een deel bestaat uit artikelen over de geschiedenis van deze interconfessionele vereniging van beroeps- en amateurkerkhistorici. De andere helft van de verklaring is dat de meeste artikelen – net als indertijd de eerste bundel die door de VNK werd uitgegeven – gewijd zijn aan onderwerpen uit de Goudse religie- en kerkgeschiedenis. In één artikel, dat van John Exalto over ‘De opmars van de bevindelijk gereformeerden in de historiografie’, lopen beide perspectieven zelfs een beetje door elkaar, in zoverre als de recente geschiedschrijving van de Biblebelt geïllustreerd wordt vanuit plaatselijke ontwikkelingen op het terrein van kerk en onderwijs. De overige bijdragen over Gouda zijn primair lokaal-historisch van aard, wat uiteraard niet wegneemt dat ze daarmee een spiegel vormen van gewestelijke of internationale ontwikkelingen in de geschiedenis van het christendom. Wel hebben deze bijdragen vrijwel allemaal betrekking op de late Middeleeuwen en de Reformatietijd. Voor de lezers van Holland ligt daarin dan ook de grootste waarde van deze bundel casestudies over het godsdienstige leven in de vroegmoderne periode.

Het is winst dat in deze bundel meer nuchterheid wordt betracht en zelfs een zekere spijt wordt betuigd dat een kwarteeuw geleden niet gewoon een Vereniging voor Nederlandse Religiegeschiedenis is opgericht

Koen Goudriaan beschrijft enkele, rond 1500 in Gouda gedrukte boeken waarin de betekenis van de mis werd uitgelegd. Hij plaatst deze in de context van een kerkelijk catechese-offensief waarmee geestelijken de aandacht van leken voor de eucharistie probeerden terug te winnen. Jan van Herwaarden behandelt strafbedevaarten die tussen 1447 en 1563 door Goudse rechters werden opgelegd aan personen die zich aan allerlei kleinere of grotere overtredingen hadden schuldig gemaakt. Drie artikelen, geschreven door Mirjam van Veen, Kees Plaizier en Gertjan Glismeijer, gaan in op de min of meer spiritualistische stroming in het door confessionalisme beïnvloede protestantisme rond 1600, vertegenwoordigd door auteurs als Dirck Volckertsz. Coornhert en Herman Herbers. De aandacht voor deze schakering van het christelijke spectrum wordt in de bundel niet echt gecompenseerd door studies over de gereformeerde orthodoxie, die uiteindelijk ook in Gouda langdurig de toon aangaf. Maar liefst drie artikelen, aangeboden door Paul Abels, Marieke Abels en Marianne van der Veer, bestrijken het rooms- en oud-katholieke leven in Gouda in de vroegmoderne tijd. De negentiende en twintigste eeuw komen er in de bundel bekaaid af. Gelukkig leverde Henny van Dolder-de Wit nog een lezenswaardige bijdrage over de kerkmuzikale ontwikkelingen in de Goudse hervormde gemeente in de loop der eeuwen.

In de eerste VNK-bundel over Gouda wordt met geen woord over moslims gerept, hoewel de stad in 1989 al twee moskeeën telde. Tekenend voor de verschuivingen in historie én historiografie is dat in de huidige bundel een boeiend artikel over de islam in Gouda is opgenomen. Haar openheid voor een in alle opzichten brede beoefening van de geschiedenis van religie, geloof en kerk in Nederland verdient lof en steun

Zoals gezegd hinkt de bundel een beetje op twee gedachten – de religiegeschiedenis van Gouda en de geschiedenis van de VNK zijn vermengd. Veel aandacht wordt besteed aan de verschillen tussen het in 2005 uitgegeven handboek Nederlandse religiegeschiedenis en het een jaar later gepubliceerde Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis. Vreemd genoeg heeft de VNK zich van meet af aan nogal sterk met het laatstgenoemde werk geïdentificeerd. Daarmee verbonden was een krampachtige verdediging van iets wat specifiek ‘kerkgeschiedenis’ in tegenstelling tot ‘religiegeschiedenis’ zou moeten heten. Het is winst dat in deze bundel meer nuchterheid wordt betracht en zelfs een zekere spijt wordt betuigd dat een kwarteeuw geleden niet gewoon een Vereniging voor Nederlandse Religiegeschiedenis is opgericht. Initiatiefnemer Henk ten Boom voorzag al tijdens een bestuursvergadering in december 1988 dat het vak zich in deze richting zou bewegen. Zelf heb ik aan het einde van een voorbereidingsbijeenkomst van de oprichters op schrikkeldag 1988 voorgesteld de aandacht niet te beperken tot het christendom, maar ook het jodendom erbij te betrekken. Van de opmars van de islam in Nederland had ik nog geen kaas gegeten. Ook in de eerste VNK-bundel over Gouda wordt met geen woord over moslims gerept, hoewel de stad in 1989 al twee moskeeën telde. Tekenend voor de verschuivingen in historie én historiografie is dat in de huidige bundel een boeiend artikel over de islam in Gouda is opgenomen van de inmiddels helaas overleden archivaris Nico Haber­mehl. Daarmee krijgt de ondertitel van het boek – Religieus leven in de maalstroom van de tijd – het volle pond en toont de VNK volwassen te zijn geworden. Haar openheid voor een in alle opzichten brede beoefening van de geschiedenis van religie, geloof en kerk in Nederland verdient lof en steun. De frisse blik op de toekomst blijkt ook uit de feestrede die Willem Frijhoff hield bij de presentatie van de bundel op de VNK-jubileumdag op 11 oktober 2014 in Gouda. Zijn titel bevatte een uitroepteken en een vraagteken – in die volgorde: ‘Lang leve de kerkgeschiedenis!?’

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Fred van Lieburg, 7 april 2015.