Laura van Hasselt en Yvonne Bleyerveld red., Amsterdam in vogelvlucht. Stad op de drempel van de Gouden Eeuw Waanders, Zwolle, 2014, 87p., geill., ISBN: 9789462620384, prijs €19,95

door Jan Tervoort, historicus en stadsgids in Amsterdam

Het eerste deel van de vorig jaar verschenen bundel Jacob Cornelisz van Oostsanen (ca.1475-1533). De Renaissance in Amsterdam en Alkmaar naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstellingen in het Stedelijk Museum Alkmaar en het Amsterdam Museum, is onlangs uitgebracht als zelfstandige uitgave onder de naam Amsterdam in Vogelvlucht. Hoewel directeur van het Amsterdam Museum Paul Spies in het voorwoord aangeeft dat de nieuwe uitgave is bewerkt, blijkt bij een snelle inspectie dat niet het geval te zijn. Het eerste deel van de bundel over Van Oostsanen is vrijwel ongewijzigd overgenomen.

Hoewel directeur van het Amsterdam Museum Paul Spies in het voorwoord aangeeft dat de nieuwe uitgave is bewerkt, blijkt bij een snelle inspectie dat niet het geval te zijn

Oorspronkelijk bedoeld als context bij het leven en werk van de voornoemde  Amsterdamse kunstschilder, schetst Amsterdam in vogelvlucht aan de hand van het beroemde gelijknamige schilderij van Cornelis Anthonisz uit 1538,  een overzicht van de geschiedenis van de stad aan het IJ aan de vooravond van de Gouden Eeuw. Dit topstuk van het Amsterdam Museum waar menig toerist onevenredig lang naar blijft turen, blijft als kunstwerk en historische bron fascinerend. De negen hoofdstukken van de bundel zijn thematisch opgezet, waarin verschillende historici en kunsthistorici de politieke, economische, sociale, religieuze en culturele situatie van het zestiende-eeuwse Amsterdam uit de doeken doen. Daarbij wordt regelmatig verwezen naar de kaart van Cornelis Anthonisz om zo de stad uit het verleden tot leven te brengen. Ondanks de brede thematische aanpak en de over het algemeen vlotte en levendige schrijfstijl, slaagt de bundel daar niet helemaal in.

Er wordt regelmatig verwezen naar de kaart Amsterdam in Vogelvlucht van Cornelis Anthonisz om zo de stad uit het verleden tot leven te brengen. Ondanks de brede thematische aanpak en de over het algemeen vlotte en levendige schrijfstijl, slaagt de bundel daar niet helemaal in

Amsterdam in Vogelvlucht is namelijk bedoeld voor de geïnteresseerde museumbezoeker. Voor historici die zich met de geschiedenis van Amsterdam bezighouden, valt er weinig nieuws in te ontdekken. De talloze verwijzingen naar de kaart van Anthonisz vereisen echter wel een gedegen (straten)kennis van de huidige Amsterdamse middeleeuwse binnenstad. Die is bij het gros van de geïnteresseerde museumbezoekers naar we mogen aannemen niet aanwezig. Laat staan dat zij zich in de stad uit de zestiende eeuw zouden kunnen oriënteren aangezien het perspectief op het schilderij van Anthonisz 180 graden is gedraaid ten opzichte van moderne plattegronden van Amsterdam. Daarbij komt nog dat het aangezicht van de middeleeuwse binnenstad vanaf eind negentiende eeuw behoorlijk is veranderd.

Dit probleem wordt in het inleidende hoofdstuk van de nog maar net afgestudeerde historicus Tom Knevel direct duidelijk. Zou de gemiddelde lezer weten waar de lang verdwenen Papenbrug lag wanneer bekende straten of grachten als de Warmoesstraat of de Nieuwezijds Voorburgwal al moeilijk te vinden zijn op het stadsgezicht uit de zestiende eeuw? Ondanks de vele detailafbeeldingen van het schilderij blijft dit probleem zich in de hele bundel voordoen. Dit had makkelijk verholpen kunnen worden met wat extra kaarten waarop de beschreven locaties en straatnamen aangegeven staan in combinatie met een bewerkte vogelvluchtfoto van de huidige Amsterdamse middeleeuwse binnenstad. Aangezien dit een uitgave van een museum is, en ook de verantwoordelijke voor ‘publieksgeschiedenis’ bij de Universiteit van Amsterdam Paul Knevel er aan bijdraagt, is dit toch enigszins een gemiste kans.

Desalniettemin blijft Amsterdam in Vogelvlucht een leerzame introductie in een boeiend stuk Amsterdamse geschiedenis. Vooral de levendige hoofdstukken van kunsthistorica Suzette Van ’t Hof over Amsterdam als pelgrimsstad en het kloosterleven springen er op een positieve manier uit. Ook het leidmotief van deze periode – de scheuring van de religieuze en daarmee ook stedelijke gemeenschap naar aanleiding van de Reformatie – wordt kundig door alle hoofdstukken heen geweven. Daarbij wordt het belang van het op zich redelijk onschuldige wederdopersoproer van 1535, waarvan de ongekend harde repressie en politieke gevolgen specifiek in Amsterdam nog lang door zouden werken, mooi duidelijk gemaakt. De schilder- en prentkunst komen er met één hoofdstuk gevoelsmatig wat bekaaid vanaf. Het spectaculaire werk van vooruitstrevende Amsterdamse kunstenaars als Cornelis Anthonisz, Pieter Aertsen en Dirck Barendsz verdienden eigenlijk een extra hoofdstuk.

Voor historici die zich met de geschiedenis van Amsterdam bezighouden, valt er weinig nieuws in te ontdekken. Desalniettemin blijft Amsterdam in Vogelvlucht een leerzame introductie in een boeiend stuk Amsterdamse geschiedenis

Het zijn de extra kosten die deze en de daarvoor beschreven omissie ongetwijfeld hebben veroorzaakt. Het tegen minimale kosten opnieuw uitbrengen van een deel van een eerdere uitgave, is voor de uitgever en de betrokken musea natuurlijk lucratief. Want voor twee tientjes aan de toonbank had zelfs ondergetekende deze aardige en bovendien rijk geïllustreerde bundel gewoon even meegenomen ware het niet dat hij de oorspronkelijke bundel over Van Oostsanen al in de kast had staan.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Jan Tervoort, 12 februari 2015.

Maarten Hell, Emma Los en Norbert Middelkoop, Hollanders van de Gouden Eeuw WBooks, Zwolle, 2014, 128 p., geïll., ISBN 978-90-78653-52-3 (Engelse editie ISBN 978-90-78653-53-0), prijs € 19,95

door Leon Wessels, student Vrije Universiteit

Groepsportretten waren razend populair in de Gouden Eeuw. Welvarende burgers lieten zich graag vereeuwigen als een deugdzaam gezelschap. Tegenwoordig verlaten de meeste groepsportretten nog maar zelden de museale depots. De schilderijen zijn simpelweg te groot voor de meeste expositieruimtes. Sinds februari 2014 is dit gemis een beetje goedgemaakt door de opening van een permanente tentoonstelling van meer dan dertig groepsportretten in de Hermitage Amsterdam. Naar aanleiding van deze tentoonstelling, een samenwerkingsproject van het Rijksmuseum, het Amsterdam Museum en de Hermitage Amsterdam, verscheen het rijkelijk geïllustreerde boek Hollanders van de Gouden Eeuw. De auteurs beogen aan de hand van groepsportretten het succes van Nederlands Gouden Eeuw te verklaren. Als centrum van de Republiek en de Hollandse portretkunst, vormt Amsterdam het middelpunt van het boek. Sporadisch besteden de auteurs aandacht aan andere Hollandse steden.

Het lukt de auteurs niet om schilderijen te gebruiken als startpunt van een historisch verhaal. Evenmin slagen zij er in om de grote ontwikkelingen duidelijk te maken die het groepsportret als genre doormaakte tijdens de Gouden Eeuw

Na een voorwoord en een inleidend hoofdstuk, volgen zes inhoudelijke hoofdstukken. In drie hoofdstukken staat het groepsportret centraal. ‘Samen op het portret’ beschrijft de begintijd van het groepsportret. Vóór de Gouden Eeuw waren groepsportretten al in trek in Holland. De schilderijen drukten de band uit tussen de afgebeelde groepsleden. De bloei van de Hollandse portretkunst was het gevolg van de groeiende welvaart. ‘Orde en rust’ is gericht op schuttersstukken. Schutterijen waren verantwoordelijk voor de stadsverdediging en de openbare orde. Hoewel er onder de schutters nog wel eens onenigheid heerste, straalden de schuttersstukken daadkracht, verantwoordelijkheidsbesef en burgertrots uit, aldus de auteurs. ‘Zorg en tucht’ behandelt groepsportretten van het bestuur van verschillende instellingen. Bestuursleden van weeshuizen, gasthuizen, tuchthuizen en andere tehuizen lieten zich veelal vastleggen tijdens een vergadering. Een opengeslagen rekeningboek, de inspectie van een lapje stof of de liefdevolle hand op de schouder van een weesje, moesten duidelijk maken dat de regenten hun taak serieus namen. Zo nu en dan bevat een groepsportret een doorkijkje naar een Bijbels tafereel of staat één van de zeven werken van barmhartigheid centraal.

In de overige drie hoofdstukken is het groepsportret naar de achtergrond verschoven. ‘De stad van de Gouden Eeuw’ gaat over de architectuurgeschiedenis, de machtspositie en de burgers van Amsterdam. Het hoofdstuk is versierd met verschillende stadsgezichten. ‘Burgers aan de macht’ behandelt het Hollandse regentenpatriciaat. Telgen uit voorname regentengeslachten fungeren als gidspersonen, die onder meer het belang van welstand, huwelijk en nepotisme verduidelijken. Het hoofdstuk telt enkele groepsportretten, maar bevat vooral veel individuele portretten van welgestelde burgers. ‘Handel en economie’ beschrijft economische aspecten van urbaan Holland. En passant wordt ook aandacht besteed aan de stand van wetenschap en het tolerante klimaat in Holland. De gebruikte afbeeldingen lopen uiteen van handelsschepen tot groentemarkten en van lakenmeesters tot anatomische lessen. Paul Spies sluit het boek af met een epiloog in de stijl van Herman Pleij. Hij beschrijft het ‘historisch DNA’ van de Hollandse burger als een paradoxaal mengsel van individualisme en collectiviteit.

De auteurs laten kansen liggen om aan te sluiten bij historische debatten. Hollanders van de Gouden Eeuw is een salontafelboek vol schitterende groepsportretten, maar voor de geïnteresseerde lezer biedt het boek niets nieuws

Hollanders van de Gouden Eeuw bevat een selectie schitterende groepsportretten, die het waard is gebundeld te worden. Wat mij betreft hadden de auteurs het daarbij gelaten. De stadsgezichten en soloportretten die her en der in het boek opduiken leiden de aandacht af van het hoofdonderwerp. De bijgaande tekst leest prettig, maar voegt nauwelijks iets toe aan de bestaande literatuur. De algemene hoofdstukken over Amsterdam, het regentenpatriciaat en de economie vormen een gemankeerde samenvatting van wat je in elk handboek over Hollands Gouden Eeuw kunt lezen.

De hoofdstukken waarin de groepsportretten centraal staan maken de verwachtingen niet waar. Het lukt de auteurs niet om schilderijen te gebruiken als startpunt van een historisch verhaal. Evenmin slagen zij er in om de grote ontwikkelingen duidelijk te maken die het groepsportret als genre doormaakte tijdens de Gouden Eeuw. De auteurs beperken zich voornamelijk tot details, zoals veranderende blikken en handgebaren. Voorstellingen van het groepsportret als de belichaming van burgerlijke deugden worden uitsluitend in het hoofdstuk ‘Zorg en tucht’ aannemelijk gemaakt.

De auteurs laten kansen liggen om aan te sluiten bij historische debatten. Zo wordt het einde van het groepsportret en de introductie van wapenborden enkel beschouwd vanuit praktische motieven. De regentenkamers hingen vol en de wapenborden waren kleiner en goedkoper. Veel interessanter was het geweest, als de auteurs zich hadden gemengd in het belangrijke debat over aristocratisering van vermogende burgers – recent heropend door Paul Brusse en Wijnand Mijnhardt in Towards a New Template for Dutch History.

Al met al slagen de auteurs er niet in de hoofdvraag, hoe de burgers van de zeventiende eeuw een Gouden Eeuw hebben gemaakt, te beantwoorden. Hollanders van de Gouden Eeuw is een salontafelboek vol schitterende groepsportretten, maar voor de geïnteresseerde lezer biedt het boek niets nieuws.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Leon Wessels, 11 februari 2015.

Lees hier ook de blog van redacteur Henk Looijesteijn over de tentoonstelling Hollanders van de Gouden Eeuw in de Hermitage Amsterdam!

Esther Starkenburg, Rudi van Maanen en Cor Smit, Tastbaar geheugen, 150 jaar zorg voor Leidse monumenten Primavera Pers, Leiden, 2014, 192 p., geïll., ISBN 9789059971752, prijs €19,50

door Marc Laman

Primavera Pers publiceerde in het najaar van 2015 met Tastbaar geheugen, 150 jaar zorg voor Leidse monumenten alweer het 22ste deel in de ‘Leidse Historische Reeks’. Sinds 1987 zijn rijk geïllustreerde publicaties verschenen over onder andere 75 jaar Leidse Hout, De nieuwe trekweg langs de Vliet, De burcht van Leiden en over het Romeinse castellum Matilo, waarmee het Leidse erfgoed, materieel en immaterieel, voor een breed publiek onder de aandacht is gebracht.

Tastbaar Geheugen is – zoals te verwachten – een echt ‘Leids’ boek geworden. In twaalf artikelen wordt de geschiedenis van de zorg van het ruimtelijke erfgoed in Leiden belicht vanuit verschillende invalshoeken: archeologie, industrieel erfgoed, stedenbouwkundige ontwikkelingen en bouwhistorie.

Zo komen ook ervaringsdeskundigen aan het woord: een timmerman, een ontwikkelaar, een architect, een bewoner delen de ervaring, ergernis en passie die ze hebben met het ruimtelijke erfgoed. Daarmee komen de meer abstracte en technische restauratie- en stedenbouwkundige voorbeelden ook in een emotionele context te staan, waarmee de herkenbaarheid en inleving voor de lezer wordt versterkt.

Zorg is strijd

Uit de verhalen blijkt meermalen dat de ‘zorg’ voor het ruimtelijke erfgoed vaak een ware strijd is geweest. Die strijd begon aan het eind van de 19de eeuw, toen ons land en de wereld om ons heen in snel tempo industrialiseerde. Maatschappelijke en politieke ontwikkelingen werden in gang gezet die grote veranderingen teweeg zouden brengen voor de dan nog ‘ongeschonden’ historische steden en landschappen.

Net als in andere grotere steden werden in Leiden tussen 1863-1876 de stadswallen geslecht en de stadspoorten een voor een afgebroken. Eerst ging dat zonder protest maar nadat de vijfde poort was afgebroken ontstond er toch bij sommige vooraanstaande Leidenaren het besef dat hiermee wel kostbaar erfgoed verloren ging. Conrad Leemans, directeur van het Museum van Oudheden, nam het voortouw om de nog twee resterende poorten te behouden. En gelukkig voor ons: met succes.

Maar de modernisering was niet te stoppen. In de historische binnenstad van Leiden verschenen nieuwe gebouwtypen; fabrieken, stations, watertorens, ziekenhuizen, warenhuizen en niet te vergeten veel nieuwe universiteitsgebouwen. Zij vallen nog steeds op door hun omvang en niet altijd even harmonieuze inpassing in de historisch stedelijke structuur.

Leiden, van oudsher al een nijverheidsstad, kreeg in de 19de eeuw ook te maken met een grote toename van industriële gebouwen. De skyline van de stad kenmerkte zich in het eerste kwart van de 20ste eeuw door een woud van schoorsteenpijpen aan de oostkant van de stad. Zo werd een nieuwe identiteit en historische laag aan de stad toegevoegd. De moderne tijd is een dynamischer samenleving. Ontwikkelingen volgen elkaar nu veel sneller op.

In Leiden is het erfgoed uit de industriële tijd er slecht van afgekomen. Van de vele schoorstenen die er waren is er slechts nog een handje vol over. Dat kwam simpelweg omdat er nauwelijks interesse voor bestond. Brede waardering voor dit erfgoed kwam pas in de jaren negentig. En dat is heel jammer voor de Zoutkeet, een van rijkswege beschermd vroeg-industrieel monument dat toch in een onoplettend moment begin jaren zeventig werd afgebroken, om vervangen te worden door een enorm appartementencomplex uitgevoerd in wit baksteen. Ook fouten en vergissingen komen in dit boek aan de orde, en dat is te prijzen.

De jaren zestig: idealisme, vooruitgang en modernisme

De jaren zestig stonden in het teken van de vooruitgang, waarbij men voor de historische context weinig aandacht had.

Elke stad kent uit die tijd wel de vervooruitzichten, verbeeld in – toen nog – indrukwekkende analoge maquettes. Grote verkeersaders werden dwars door historische structuren gepland. De vele afbeeldingen in het artikel ‘De bereikbare stad versus monumentale stad’ laten weinig aan de verbeelding over. Ook de oude stad van Leiden zou modern worden volgens het Basisplan 1961. Brede verkeersaders zijn hierin dwars door de middeleeuwse stad getrokken. Het ging gelukkig niet allemaal door, daar maakte de economische crisis en een verandering van politieke kleur van het gemeentebestuur na 1970 een eind aan.

Hoe heeft Leiden de hierboven ontwikkelingen doorstaan in de afgelopen 150 jaar?

De historische schetsen wekken grote verbazing en soms afgrijzen, over het feit dat dergelijke drastische plannen ooit bedacht zijn en in sommige gevallen ook daadwerkelijk uitgevoerd. Tegenwoordig zou dat toch niet meer zo makkelijk gaan. Erfgoed heeft een vaste plaats gekregen in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Historische gebouwen die hun functie hebben verloren, krijgen vaker een nieuwe bestemming. In Leiden hebben ze daarmee de afgelopen twintig jaar al veel ervaring mee opgedaan. En dat heeft ook effect gehad voor het draagvlak in de samenleving. Was in de 19de eeuw de belangstelling voor het erfgoed nog een aangelegenheid voor de gegoede burgerij, tegenwoordig is het erfgoed van ons allen. Dat blijkt elk jaar weer op de open monumentendagen in Leiden. Deze publicatie kan aan die belangstelling alleen maar een waardevolle bijdrage leveren.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2015-2).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Marc Laman, 3 februari 2015.

Het spektakel en de feiten: over de film Michiel de Ruyter

door Gijs Rommelse

De luitenant-admiraal die tijdens een zeeslag met een sabel in de hand aan een touw over zwierde naar een Engelse schip om daar vervolgens hoogstpersoonlijk een stuk of vijf vijanden onschadelijk te maken? Prins Willem III die De Ruyter door middel van chantage en intimidatie dwong naar de Middellandse Zee te zeilen om daar tegen een Franse overmacht bewust de dood te zoeken, omdat de prins, ingefluisterd door de Rotterdamse intrigant Johan Kievit, de legendarische marinecommandant was gaan beschouwen als de erfgenaam van Johan de Witts republikeinse erfgoed? De bijzonder ervaren Franse commandant Abraham Duquesne die zich kinderlijk eenvoudig door de Ruyter liet beetnemen om vervolgens zijn hele eskader op een zandbank bij Kijkduin te zien lopen? Cornelis Tromp die zich allengs ontwikkelde van een jaloerse, ongedisciplineerde primadonna tot een verholen bewonderaar van De Ruyter? Het zijn slechts enkele voorbeelden van de historische onzinnigheden en verzinsels waarmee de scriptschrijvers van de nieuwe spektakelfilm Michiel de Ruyter de heroïek en tragiek in het leven van de beroemde zeeheld voor het grote publiek dramatiseren.

In ongeveer tweeënhalf uur vertelt de film het verhaal van de carrière van de grote Zeeuwse admiraal tijdens de drie Engels-Nederlandse Oorlogen (1652-1654, 1665-1667 en 1672-1674) en diens uiteindelijke dood tegen een Franse vloot in 1676. Door De Ruyter aanwezig te laten zijn bij het sneuvelen van admiraal Maarten Harpertszoon Tromp tijdens de Slag bij Ter Heijde in 1653 en daar getuige te laten zijn van diens laatste woorden suggereren de makers dat hij van meet af voorbestemd was het opperbevelhebberschap op zich te nemen. In werkelijkheid zou dat pas in 1665 gebeuren, nadat zijn voorganger Wassenaar van Obdam met zijn schip Eendracht was ontploft tijdens de Slag bij Lowestoft. Wel is het waar dat Johan de Witt, de in 1653 aangetreden raadpensionaris van het gewest Holland, in De Ruyter een formidabel talent herkende, iemand die bijzonder geschikt zou zijn als commandant. De film maakt terecht duidelijk dat De Witt een cruciale rol speelde in de professionalisering van de vlootorganisatie en de opbouw van een krachtige staande vloot. Een serie nederlagen tijdens de Eerste Engelse Oorlog had aangetoond dat het oude model – een beperkt aantal echte oorlogsschepen voor de gelegenheid aangevuld met een veel groter aantal van extra bepantsering voorziene koopvaardijschepen – volledig uit de tijd was. Het was de grote staatsman die de staatsfinanciële randvoorwaarden schiep en via zijn wijdvertakte netwerk voldoende politiek draagvlak wist te creëren. Overigens maakt de film ook meer dan terecht het punt dat de opbouw van de oorlogsvloot ten koste ging van het landleger en zo de invasie van de troepen van Lodewijk XIV in 1672 vergemakkelijkte. Zoals de film laat zien, was het inderdaad telkens weer De Ruyter die het Engelse en Franse gevaar het hoofd bood en aldus een cruciale rol speelde in het voortbestaan van de Republiek als zelfstandige staat.

Kijkend naar de film zou men de indruk krijgen dat de carrière van De Ruyter slechts enkele maanden of hooguit twee of drie jaren heeft beslagen. De vlootvoogd zelf, gespeeld door Frank Lammers, zijn vrouw en kinderen worden namelijk geen dag ouder. Hierbij worden de militaire en politieke verwikkelingen van de Tweede en Derde Engels-Nederlandse Oorlogen als het ware in elkaar worden geschoven tot één conflict. Verder valt op dat een van De Ruyters beroemdste wapenfeiten in de film geheel ontbreekt, namelijk de herovering van de slavenforten van de Westindische Compagnie (WIC) op de West-Afrikaanse kust in 1664-1665. Het was juist deze tocht die allerlei activisten ertoe had gebracht de feestelijke première van de film op 26 januari 2015 bij het Scheepvaartmuseum in Amsterdam met veel lawaai te willen verstoren (zie hun Facebook-pagina). De Ruyter was een gewetenloze voorvechter van de slavernij geweest, zo was te lezen op hun spandoeken. Dit protestgeluid bood overigens wel een aardig tegenwicht aan de kritiekloze verering die De Ruyter altijd ten deel is gevallen vanuit en nog steeds geniet binnen marinekringen. De Koninklijke Marine was dan ook een van de ‘partners’ van de productiemaatschappij Farmhouse Film & TV.

Bijzonder interessant in de film is de rol van De Ruyter in de politieke strijd tussen de staatsgezinden rondom de gebroeders Johan en Cornelis de Witt, en de Orangisten, die de verheffing van prins Willem III tot stadhouder voorstonden. In de film is De Ruyter een goede vriend van de republikeinse broers en vormde hij met zijn militaire successen bovendien een onmisbare steunpilaar voor hun machtspositie. In de meest gezaghebbende Nederlandse literatuur wordt De Ruyter daarentegen voorgesteld als iemand die min of meer buiten het politieke gekrakeel stond, iemand die respect had voor De Witt en met hem samenwerkte maar verder eigenlijk alleen geïnteresseerd was in het wel en wee van het lieve vaderland. Dit beeld lijkt overgeleverd uit 19de-eeuwse studies, toen men bijzonder geïnteresseerd was in de glorieuze daden van illustere zeehelden maar De Ruyter niet kon en wilde voorstellen als tegenstander van Orangisme. Interessant genoeg heeft de Britse maritiem historicus David Davies recentelijk in een Engelstalige bundel over De Ruyters leven gesteld dat er tot dusver te weinig oog is geweest voor diens politieke rol. In de film wordt feitelijk ditzelfde punt gemaakt, zij het dat men vermoedelijk slechts probeerde een vileine tegenstrever te creëren om het verhaal interessant te maken voor de kijker en dat het de makers niet zozeer te doen was een serieuze wetenschappelijke herinterpretatie te bieden. Hoe dan ook, misschien is het tijd de geschiedenis van de Nederlandse vloot in de 17de eeuw nadrukkelijker te bezien door een prisma van politieke ideologie en polarisatie.

Tenslotte moet worden opgemerkt dat de kijker wordt vergast op spectaculaire gevechtsscènes met omvangrijke vloten, prachtige decors en een fraaie inkijk in het sociale, economische en religieuze leven van de Gouden Eeuw.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Gijs Rommelse, 2 februari 2015.

Chris de Bont, Amsterdamse boeren. Een historisch geografie van het gebied tussen de duinen en het Gooi in de middeleeuwen Verloren, Hilversum, 2014. Deel 2 in reeks ‘Waterstaat, cultuur en geschiedenis’, 303 p., geïll., ISBN 9789087044589, prijs €35,-

door Heleen Kole, Universiteit Utrecht

Wie dit boek heeft gelezen gaat anders kijken naar het verloop van stegen en straten vanaf de Amsterdamse Nieuwendijk. Dan worden de kromme lijnen sloten uit een ver ontginningsverleden, toen een woest veengebied veranderde in boerenland. In deze historisch-geografische studie wordt aangetoond dat de Amstelstad een langere geschiedenis heeft dan was aangenomen.

Over het algemeen wordt het Nederlandse veenlandschap grofweg ingedeeld in westelijk laagveen en oostelijk hoogveen. Aanvankelijk werd verondersteld dat laaggelegen veenland eerst was bedijkt alvorens het landschap werd omgevormd tot akkers en weilanden. Begin 20e eeuw maakte de geografie opmars en dit leidde tot nieuwe inzichten alsook debatten over de oorspronkelijke situatie van veengebieden en waterstromen. Een van die inzichten was dat het veenland in Holland helemaal niet zo vlak en boomloos was als men dacht (Borger 1975, 1994). De Bont bouwde voort op de bodemkundige aspecten van veenlandschappen en hoe die de ontginningsstrategie van de middeleeuwse boeren bepaalden. Het dogma dat dijken het begin van een ontginningsperiode aanduiden wordt afgebroken om plaats te maken voor het inzicht dat die veeleer een afsluiting daarvan zijn. Om zijn geografische invalshoek kenbaar te maken aan een breder publiek en in het bijzonder historici, werkte De Bont zijn dissertatie uit 2008 om tot een handelseditie. Hierin brengt hij twee thema’s samen: de ontginningsgeschiedenis van het gebied tussen de Kennemerduinen en het Gooi en de vroegste geschiedenis van Amsterdam. Doordat dit werk voorzien is van veel heldere schema’s en kaarten is de auteur in zijn opzet zeker geslaagd.

Wie dit boek heeft gelezen gaat anders kijken naar het verloop van stegen en straten vanaf de Amsterdamse Nieuwendijk. Dan worden de kromme lijnen sloten uit een ver ontginningsverleden, toen een woest veengebied veranderde in boerenland

Zo maken we kennis met de onderzoeksmethodiek van het topografisch archief: het interpreteren van landschappelijke kenmerken op een basiskaart ontleend aan de Militaire Topografische Atlas uit 1867, waarop de (oude) verkavelingslijnen nog optimaal zichtbaar zijn. De verkavelingsstructuren worden naast gegevens gelegd uit andere disciplines zoals naamkunde (toponiemen en hydroniemen); archeologie en bodemkunde; kerkgeschiedenis (het ontstaan van dochterparochiekerken in pas-ontgonnen veen). Op bijgevoegde kaarten wordt een reconstructie gegeven van het veenlandschap in circa 800, 1000-1250 en 1850, geprojecteerd op de geografische basiskaart.

In hoofdstukken 2 en 3 introduceert de auteur zijn ontginningsmodel. Hij onderscheidt drie typen veenlandschappen: het eutrofe (vruchtbare) laaggelegen veen, bemest met kleisedimenten die door regelmatige overstromingen worden meegevoerd; het mesotrofe veen als tussenstap naar het oligotrofe (voedselarme) veen dat zich tot hoge kussens heeft opgewerkt, waardoor het haar voeding enkel uit regenwater kan halen. Deze driegeleding wordt nader uitgewerkt naar type vegetatie alsook het voorkomen van veenplassen en -stroompjes, waaruit de verschillende ontginningspatronen in het landschap zijn te verklaren. Deze patronen worden niet alleen bepaald door het type veen, maar ook door de vorm van een veencomplex: een laagvlakte, een langere veenrug of een hooggelegen kegelvormige veenkoepel. Sleutels om deze bodemkundige kenmerken te koppelen aan een topografische benadering zijn de roedelengte van de cope (Van der Linden 1956) en het verband tussen verkavelingsstructuren en de aard van het ontgonnen veen (Edelman 1974). De Bont concludeert dat ontginningsnederzettingen zich veelal verplaatsten van een lage positie nabij waterlopen naar hoger gelegen veenkussens. Afwijkend gevormde percelen die overbleven na de eerste middeleeuwse ontginningen waren de zijdewenden, waarop vaak bijzondere woonvormen onstonden met kerken. In lokale geschiedenissen, waarin naamkunde en archeologische vondsten meer aandacht krijgen, is het fenomeen van opschuivende nederzettingen in Noord-Holland wel bekend, maar De Bont laat zien hoe het achterliggende mechanisme van deze verplaatsingen was. Hoe verhelderend ook, het betoog roept soms vragen op omdat De Bont factoren erbij betrekt zonder dat het verband met zijn ontginningspatronen concreet wordt, zoals bevolkingsgroei (pp 61-62) of rechtshistorische ontwikkelingen (pp 42, 59).  

In lokale geschiedenissen, waarin naamkunde en archeologische vondsten meer aandacht krijgen, is het fenomeen van opschuivende nederzettingen in Noord-Holland wel bekend, maar De Bont laat zien hoe het achterliggende mechanisme van deze verplaatsingen was

De auteur heeft het gebied tussen de Kennemerduinen en het Gooi in vier kwadranten opgedeeld. Deze vormen het uitgangspunt voor vier ontginningsgeschiedenissen (hoofdstukken 6 – 9) waarbij het eerste kwadrant de zuidelijke Kennemervenen vertegenwoordigt; het tweede Waterland, Marken en Katwoude; het derde Amstelland (met Amsterdam); en het vierde de westelijke Vechtstreek. Naar mijn mening is de aandachtsverdeling over deze vier kwadranten onevenwichtig, omdat de auteur in hoofdstuk 8 (Amsterdam) de ontginningsgeschiedenis combineert met waterstaatkundige kwesties, welke hij in de andere gebieden veelal buiten beschouwing laat. Dat neemt niet weg dat dit onderdeel tot de verbeelding spreekt omdat besproken locaties velen bekend zullen voorkomen. Bijvoorbeeld, waar ontginningen hellingopwaarts verliepen vanaf de Nieuwendijk, kwam de behuizing verder van het water te liggen, de latere bewoners keerden weer terug tot vlak bij het water achter de Amsteldijk. Of met een reconstructie van hoe een zijdewende liep waardoor het verband tussen de stichting van de Oude Kerk en het eerste huis van de heren Van Amstel duidelijk wordt. Toch zou een dergelijke analyse met meer voorbeelden voor de andere gebieden zinvol zijn geweest.

De kracht van dit werk is dat de ontginningsgeschiedenis vanuit een ruimtelijk perspectief inzichtelijk wordt gemaakt. Minpunt is echter dat sommige tekstpassages en zinsconstructies dezelfde heldere structuur van de illustraties ontberen.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Heleen Kole, 17 januari 2015.

Bart Wallet (m.m.v. Liesbeth van Huit-Schimmel en Paul van Trigt), Zeeburg. Geschiedenis van een joodse begraafplaats 1714-2014 Verloren, Hilversum, 2014, 220 p., geïll., ISBN 9789087044688, prijs €19,-

door Eline de Graaf

In een vergeten uithoek van Amsterdam ligt de joodse begraafplaats Zeeburg. Na 1914 nam het gebruik van deze begraafplaats snel af. Wanneer de dodenakker in de jaren tachtig van de twintigste eeuw wordt herontdekt als historisch en ecologisch erfgoed ligt het terrein er mistroostig bij. Maar de weggezakte en omgevallen grafzerken die staan verspreid in een slecht onderhouden landschap herbergen bijna drie eeuwen geschiedenis van de joodse gemeenschap in Amsterdam.

Het is die ‘geheel verwilderde en overwoekerde’ staat van het terrein, die eind 2008 aanleiding gaf tot de oprichting van Stichting Eerherstel Joodse Begraafplaats Zeeburg. Deze stichting zet zich in voor het herstel, het beheer en de ontsluiting van de begraafplaats. In dat kader heeft historicus Bart Wallet zich in Zeeburg: Geschiedenis van een joodse begraafplaats 1714-2014, met medewerking van Liesbeth van Huit-Schimmel en Paul van Trigt, gewaagd aan het ontsluiten van een geschiedenis van drie eeuwen begraven op deze dodenakker aan de rand van Amsterdam. Wallet gebruikt de begraafplaats als een spiegel van de bredere joodse geschiedenis van de stad, waarmee hij vooral het verhaal van de arme joodse Amsterdammers in beeld wil krijgen. Het betreft hier de geschiedenis van de joden van Centraal- of Oost-Europese komaf. Deze Asjkenazische gemeenschap is tot op heden grotendeels buiten beeld gebleven.

Wallets studie bestaat uit drie delen, beginnend met een reconstructie van de eigenlijke geschiedenis van de begraafplaats van 1714 tot 2014. De auteur laat zien hoe Zeeburg in de achttiende eeuw even sterk als ad hoc meegroeit met de joodse gemeenschap in Amsterdam, hoe deze voortdurende uitbreiding in de negentiende eeuw gepaard gaat met een strijd tegen het water, modernisering en de oprukkende stad, en hoe de dodenakker in de twintigste eeuw verwordt tot een onderdeel van een natuur- en wandelgebied. Deze ontwikkeling wordt helder uiteengezet als een samenspel tussen de joodse gemeenschap, de overheid en de natuur.

De weggezakte en omgevallen grafzerken die staan verspreid in een slecht onderhouden landschap herbergen bijna drie eeuwen geschiedenis van de joodse gemeenschap in Amsterdam

In het tweede, thematische, deel van het boek staan de sociale gelaagdheid van de joodse gemeenschap in Amsterdam en hun religieuze gebruiken rond dood en begraven centraal. Meer nog dan in de eerste hoofdstukken van het boek maakt de lezer hier kennis met de sociale geschiedenis van de Asjkenazische Amsterdammers, alsmede met de relatie tussen hen en de Portugees-joodse gemeenschap.

Tenslotte volgt een groepsanalyse van degenen die op Zeeburg begraven liggen. Deze prosopografie begint met Van Trigts statistische analyse van het aantal mensen dat in drie eeuwen op Zeeburg begraven is. Het is in het tweede en derde hoofdstuk van dit deel dat de geschiedenis van de begraafplaats gaat leven. Met uitzondering van de paragraaf over de beheerdersfamilie Verduin is Zeeburg namelijk vooral een zakelijk relaas, waarin naar mijn smaak weinig ruimte is voor verhaal, terwijl deze geschiedenis zich daar wel voor leent. Zowel Van Huits analyse van negentiende-eeuwse begraafboeken als de daaropvolgende door Van Trigt en Wallet geschreven biografieën maken de geschiedenis wel levendig en invoelbaar. De tot dan toe abstracte gemeenschap krijgt een gezicht in de korte verhalen over bijvoorbeeld de circusartiest Jacques Schuitenvoerder, die na een relatief kort ziekbed in bijzijn van zijn collegae uit de circuswereld op Zeeburg werd begraven.

Wallet gebruikt de begraafplaats als een spiegel van de bredere joodse geschiedenis van de stad, waarmee hij vooral het verhaal van de arme joodse Amsterdammers in beeld wil krijgen

De waarde van Zeeburg ligt mijns inziens dan ook vooral in de geslaagde poging van Wallet om de geschiedenis van deze vergeten begraafplaats te reconstrueren op basis van oorspronkelijk bronmateriaal. Zijn kennis over Zeeburg en over de joodse funeraire cultuur en geschiedenis van de joodse gemeenschap in Amsterdam is evident. Dit heeft echter tot gevolg dat in de eerste zes hoofdstukken de nadruk zodanig ligt op de presentatie van feiten en cijfers dat het boek niet makkelijk wegleest. Bovendien maakt het veelvoudig gebruik van Jiddische en Hebreeuwse woorden de tekst minder toegankelijk. De verklarende woorden lijst, die achterin het boek is opgenomen, is derhalve geen overbodige luxe. Datzelfde geldt voor de verschillende kaarten die deel uit maken van het illustraties- en kleurkatern. Meer dan de afbeeldingen van grafzerken visualiseren deze kaarten de geschiedenis van de begraafplaats.

Het boek biedt een goede voorzet voor verder onderzoek naar de geschiedenis van de Asjkenazische gemeenschap in Amsterdam en is een studie die de geïnteresseerde lezer van veel informatie hierover zal voorzien. Zeeburg: Geschiedenis van een joodse begraafplaats 1714-2014 draagt daarmee absoluut bij aan de herwaardering van Zeeburg als historisch erfgoed.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Eline de Graaf, 12 december 2014.

Peter Sigmond en Wouter Kloek, Hollands glorie. Zeeslagen in de Gouden Eeuw WBooks, Zwolle, 2014, 184 p., geïll., ISBN 978-94/6258/023/7 (Engelse editie ISBN 978-94-625-8029-9), prijs € 24,95 

door Ron Brand, conservator Maritiem Museum Rotterdam

In 2007 werd de vierhonderdste geboortedag van Michiel de Ruyter herdacht. Dit leverde tentoonstellingen, symposia en lezingen, een vlootschouw, uitgifte van postzegels en munten, en natuurlijk een flinke stapel boeken op. De meeste van die boeken bieden maar weinig nieuws, want sinds de biografie van De Ruyter door de Amsterdamse dominee Gerard Brandt uit 1687 verschenen nog maar weinig boeken waarvan de auteurs zich op andere bronnen baseerden dan degene die Brandt raadpleegde. In de hausse aan publicaties over Michiel de Ruyter verscheen destijds ook een publicatie, die iets verder van deze zeeheld afstaat: Zeeslagen en zeehelden in de Gouden Eeuw. In tien hoofdstukken behandelden maritiem historicus Peter Sigmond en kunsthistoricus Wouter Kloek de maritieme geschiedenis van Nederland vanaf de zeeslagen op het Haarlemmermeer en de Zuiderzee in 1573 tot aan de laatste grote zeeslag in de Derde Engelse Oorlog in 1673, de zeeslag bij Kijkduin.

Zeven jaar later is een nieuwe editie verschenen onder de titel Hollands glorie. Zeeslagen in de Gouden Eeuw. Er is een andere hoofdtitel gekozen en de ‘zeehelden’ zijn daaruit verdwenen. Het wordt gepresenteerd als een ‘geheel herziene uitgave’, maar dat is niet terecht, want de indeling en inhoud van het boek is praktisch gelijk aan de uitgave uit 2007. En ook hier passeren alle belangrijke Hollandse zeehelden de revue: Jacob van Heemskerck, Piet Hein, Maerten en Cornelis Tromp, en Michiel de Ruyter. De belangrijkste verschillen zitten in de vormgeving van het boek. De recent verschenen uitgave bevat prachtige kleurenillustraties en heeft een harde kaft. De redelijk uitgebreide literatuurlijst bevat ook recent verschenen maritiem-historische en kunsthistorische titels en er is een handig register. Soms zijn er wat andere illustraties gebruikt, maar ook deze keer putten de auteurs hiervoor vooral uit de rijke collectie van het Rijksmuseum in Amsterdam.

Sigmond en Kloek vertellen in hun boek wat al die plaatjes van zeehelden en zeeslagen ons vertellen. Waarom werden ze gemaakt? Wat laten ze werkelijk zien en hoe kwamen ze tot stand?

Inhoudelijk is de opzet dus niet veel anders. In het eerste hoofdstuk ‘Van watergeuzen naar een zeemacht’ laten de auteurs zien dat de zestiende eeuw het voorspel was tot de grote daden van de Nederlanders op het water een eeuw later. Voorstellingen van zeeslagen uit de zestiende eeuw werden opmerkelijk genoeg pas in de zeventiende eeuw geschilderd, soms tientallen jaren later pas. Een voorstelling van de Spaanse Armada van 1588 werd in 1608 door Aert Anthonisz geschilderd, de slag op het Haarlemmermeer van 1573 door Hendrick Cornelisz Vroom in 1629 en de slag op de Zuiderzee, die ook in 1573 plaatsvond, door Abraham de Verwer in 1621. Het tweede hoofdstuk behandelt de afbeeldingen en voorwerpen die herinneren aan de zeeslag bij Gibraltar in 1607 waarbij admiraal Jacob van Heemskerck van de Amsterdamse admiraliteit om het leven kwam en daarmee de eerste echte Nederlandse zeeheld werd. Alle schilderijen ervan in de verzameling van het Rijksmuseum passeren de revue en ook het grote zeestuk uit 1622 door Cornelis Claesz van Wieringen en een voorstudie ervan in de collectie van Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam.

Piet Hein en de Zilvervloot staan centraal in hoofdstuk drie. Piet Hein werd een zeeheld zonder dat hij ooit een zeeslag van formaat leverde. Hij stierf in een betrekkelijk onbetekenend gevecht tegen de Duinkerker kapers, maar door zijn aandeel in de verovering van de Zilvervloot in 1628 bereikte hij toch al de status van onsterfelijke held. Hoofdstuk vier ‘De marine, de mensen en de middelen’ laat zien waarom de Republiek zo goed kon draaien: handel en visvangst waren de kurken waarop de economie dreef en daarom was de zee zo belangrijk. De auteurs behandelen hier de vlootorganisatie, discipline, tactiek, wapens en schepen. Na dit intermezzo vervolgt het boek met hoofdstuk vijf over Maerten Tromp, de zeeslag bij Duins (1639) en de Eerste Engelse Oorlog (1652-54). Deze oorlog verliep slecht voor de Republiek al werd uiteindelijk een niet onredelijke vrede bereikt. Het meest interessant was het uitgangspunt, omdat er gevochten werd om een verschil van inzicht over de vrijheid op zee. In het zesde hoofdstuk komen Cornelis Tromp en de zeeslag bij Livorno (1653) aan de orde. Drie schilderijen van deze zeeslag laten elk een verschillend perspectief zien. In dit hoofdstuk wordt ook aandacht besteed aan Trompenburgh, het buiten van Cornelis Tromp in ’s-Graveland, dat hij tussen 1675 en 1684 opnieuw liet opbouwen. In de zomer bewoonde het gezin deze buitenplaats, die Tromp overigens na zijn verheffing in de Deense adelstand Syllisburg noemde. De Rijksgebouwendienst beheert deze ingrijpend gerenoveerde buitenplaats momenteel.

Deze nieuwe editie bevat prachtige kleurenillustraties en heeft een harde kaft. De redelijk uitgebreide literatuurlijst bevat ook recent verschenen maritiem-historische en kunsthistorische titels en er is een handig register. Soms zijn er wat andere illustraties gebruikt, maar ook deze keer putten de auteurs hiervoor vooral uit de rijke collectie van het Rijksmuseum in Amsterdam

De kunstenaars en hun opdrachtgevers worden behandeld in hoofdstuk zeven. Het gaat dan vooral om de Haarlemmer Hendrick Cornelisz Vroom, de grondlegger van het zeestuk in de noordelijke Nederlanden aan het begin van de 17de eeuw, en de Leidenaren vader en zoon Willem van de Velde, die in Rampjaar 1672 naar Engeland uitweken en voor de Engelse koning Karel II gingen werken. Dat werd niet als verraad gezien, want de kunstenaars keerden met enige regelmaat terug in hun vaderland.

Michiel de Ruyter en de Tweede Engelse Oorlog (1665-67) komen aan bod in hoofdstuk acht. De slag bij Lowestoft in 1665 ging door strategisch en tactisch falen verloren, maar de Republiek behaalde eclatante successen bij de Vierdaagse zeeslag in 1666 en de Tocht naar Chatham een jaar later. Het negende hoofdstuk betreft wederom De Ruyter, maar nu tijdens de Derde Engelse Oorlog (1672-74). Had de vloot tijdens de deze oorlog geen stand gehouden, dan was het met de Republiek gedaan. Gelukkig waren de resultaten van de slagen bij Solebay (1672), Schooneveld (1673) en Kijkduin (1673) zodanig, dat de beoogde landing van een gecombineerde Frans-Engelse vloot voorkomen kon worden. Het boek sluit wat merkwaardig af met een verhaal over memorabilia, voorwerpen die bedoeld of onbedoeld een herinnering aan een persoon levend houden. Vooral de voorwerpen met betrekking tot De Ruyter krijgen hier aandacht.

Op de keerzijde van de titelpagina is een kaart van de Noordzee gevoegd. Daarop zijn de plaatsen afgebeeld, die in de tekst zijn besproken. Maar de plaatsen waar de zeeslagen bij Duins (Downs), Schooneveld en de Vierdaagse Zeeslag plaatsvonden, zijn niet aangegeven. Ook de Baai van Matanzas, die van Gibraltar of Livorno staan er niet op. Beter was geweest om een wereldkaart op te nemen met daarop alle locaties van de zeeslagen.

Hollands Glorie. Zeeslagen in de Gouden Eeuw is een boek voor de geïnteresseerden in de heldendaden op zee, maar ook voor diegenen die belangstelling hebben voor de virtuositeit van de kunstenaars die de zeehelden en zeeslagen in beeld brachten

Sigmond en Kloek vertellen in hun boek wat al die plaatjes van zeehelden en zeeslagen ons vertellen. Waarom werden ze gemaakt? Wat laten ze werkelijk zien en hoe kwamen ze tot stand? In de beantwoording van die vragen zijn ze redelijk geslaagd. Over het algemeen is het een heel behoorlijk boek, dat voor de insiders echter weinig nieuws biedt. Het boek lijkt daarom vooral bestemd te zijn voor het grote algemeen maritiem-geïnteresseerde publiek. Het is mooi dat er nu een tweede druk van het boek is verschenen, want kennelijk is er nog steeds vraag naar.

Bij het lezen van het boek rees mij regelmatig de vraag hoe al die schilderijen en andere voorwerpen in de collectie van het Rijksmuseum terecht zijn gekomen? Dat is interessant om te weten, want hadden zeehelden wellicht belang en invloed in de mate en manier waarop zij werden uitgebeeld en verheerlijkt? Was er dan misschien sprake van speciaal opgezette publiciteitscampagnes? Jammer genoeg wordt aan de beantwoording van die vraag geen aandacht besteed. Het boek is overigens prettig leesbaar en uitstekend en zorgvuldig vormgegeven en de kwaliteit van de vele illustraties is goed. Hollands Glorie. Zeeslagen in de Gouden Eeuw is een boek voor de geïnteresseerden in de heldendaden op zee, maar ook voor diegenen die belangstelling hebben voor de virtuositeit van de kunstenaars die de zeehelden en zeeslagen in beeld brachten.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Ron Brand, 19 oktober 2014.

Judith Brouwer, Levenstekens. Gekaapte brieven uit het rampjaar 1672 Verloren, Hilversum, 2014, 352 p., geïll., ISBN 9789087044053, prijs €35,-

door Gijs Rommelse

De Sailing Letters, de verzameling van ongeveer 38.000 Nederlandstalige brieven in de collectie Prize Papers van de Britse National Archives, zijn ‘hot’ onderzoeksmateriaal. Sinds Roelof van Gelder in 2006 in opdracht van de Koninklijke Bibliotheek een verkennende inventarisatie publiceerde van deze tijdens de vier Engels(/Brits)-Nederlandse oorlogen (1652-1654, 1665-1667, 1672-1674 en 1780-1784) door kapers en marineschepen onderschepte poststukken, zijn tal van historici en neerlandici met het bijzonder rijke materiaal aan de gang gegaan. Judith Brouwer, die in 2013 aan de Universiteit van Groningen promoveerde op Levenstekens. Gekaapte brieven uit het rampjaar 1672, bevindt zich daarom in goed en talrijk gezelschap. Het bijzondere van de Sailing Letters voor geschiedkundigen, naast de kwantiteit – geen enkele Nederlandse instantie beschikt in de verste verte over een dergelijk aantal vroegmoderne egodocumenten –, is dat ze een stem geven aan groepen in de maatschappij die voorheen sterk ondervertegenwoordigd waren in ons geschiedbeeld, zoals vrouwen en de lagere klassen. In Brouwers onderzoek zijn beide groepen zeer ruim vertegenwoordigd.    

Het Rampjaar 1672 is nooit echt uit de aandacht van historici en het publiek verdwenen, maar lijkt zich sinds enkele jaren te mogen verheugen op bijzonder intensieve belangstelling. Michel Reinders publiceerde in 2010 Gedrukte chaos. Populisme en moord in het Rampjaar 1672. Datzelfde jaar vond aan de Universiteit Utrecht een symposium plaats waar een tiental onderzoekers hun ideeën ten aanzien van het Rampjaar presenteerde. Brouwer was hier één van de sprekers. Luc Panhuysen, voor wie dat eveneens gold, bracht een jaar eerder zijn boek Rampjaar 1672. Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte uit. Vorig jaar publiceerde R.P. Prud’homme van Reine ten slotte Moordenaars van Jan de Witt. De zwartste bladzijde van de Gouden Eeuw. Alle drie de werken werden eerder al in Holland Historisch Tijdschrift besproken.

Het bijzondere van de Sailing Letters voor geschiedkundigen, naast de kwantiteit – geen enkele Nederlandse instantie beschikt in de verste verte over een dergelijk aantal vroegmoderne egodocumenten –, is dat ze een stem geven aan groepen in de maatschappij die voorheen sterk ondervertegenwoordigd waren in ons geschiedbeeld

Brouwer heeft in totaal 195 brieven onderzocht, waarvan het overgrote deel afkomstig was uit het gewest Holland en zich bevond op twee door de Engelsen onderschepte koopvaarders, het WIC-schip de Morgenster en het VOC-schip het Wapen van Hoorn. Deze selectie zorgt voor een dubbele clustering in tijd; de brieven, waarvan de afzenders veelal vrouwen uit de lagere maatschappelijke lagere segmenten zijn, dateren hoofdzakelijk uit mei en november 1672. Aan de hand van dit materiaal wil Brouwer in de eerste plaats analyseren hoe de ‘gewone vrouw of man’ de politieke en militaire gebeurtenissen uit het turbulente jaar waarnamen en beleefden, en hoe de oorlog tegen Frankrijk, Engeland en de prins-bisschoppen van Keulen en Münster hun dagelijks leven en bestaanszekerheid beïnvloedde. De auteur tracht te beantwoorden uit welke nieuwsbronnen de brievenschrijvers putten, welke gebeurtenissen zij van belang achtten te vermelden, of en hoe de nieuwsbronnen de weergave van deze gebeurtenissen in de brieven kleurden, en welke plaats de actualiteiten in hun epistels kregen. Daarnaast gaat zij in op het dagelijks leven van de schrijvers en de relaties tussen de zenders en de beoogde ontvangers.                     

Levenstekens. Gekaapte brieven uit het rampjaar 1672 telt vijf hoofdstukken. In het eerste beschrijft de auteur het onderzoeksmateriaal, de vraag en de methodologische opzet, overzeese postbezorging in het algemeen, de onderschepping door de Engelsen van de beide schepen, de rechtsgang rondom dergelijke oorlogsbuit en de plaats daarin van alle aan boord aangetroffen papieren. Het volgende hoofdstuk handelt over briefcultuur. De 195 onderzochte brieven, zo stelt Brouwer, waren in de eerste plaats levenstekens van relationele aard, tussen vrouw en man, moeder, vader en zoon of anderszins. Verder constateert zij dat brievenschrijvers van lagere komaf veelal houvast zochten bij geschreven en ongeschreven epistolaire conventies, terwijl rijkeren die vaker brieven schreven losser hiermee omsprongen. Ook stelt zij vast dat in veel gevallen de afzender niet de schrijver is, maar dat een professional, een familielid of een kennis de pen ter hand heeft genomen. In hoofdstuk 3 komen de afzenders en de beoogde ontvangers aan bod; wie waren zij, in welke relatie stonden zij tot elkaar, wat was hun sociaal-economische positie? Hoofdstuk 4 gaat over de oorlogberichtgeving in brieven en de vraag hoe deze berichtgeving werd beïnvloed door algemeen beschikbare nieuwsbronnen of opiniërende media van dat moment. Brouwer stelt vast dat, in tegenstelling tot wat eerder door andere historici is beweerd, vrouwen uit lagere milieus wel degelijk geïnteresseerd waren in politieke en staatkundige gebeurtenissen, en zich via schriftelijke en mondelinge bronnen op de hoogte stelden. In het laatste hoofdstuk gaat de auteur in op de in de brieven verwoordde gevoelens en emoties, die van wanhoop, verlangen en nijd, maar ook die van zorgen om geldnood, ziekte en de dood.

Levenstekens. Gekaapte brieven uit het rampjaar 1672 is een goed geschreven, fraai geïllustreerd boek dat aan de hand van grondig onderzoek naar nog nauwelijks ontgonnen primaire bronnen een duidelijk beeld biedt van hoe verschillende groepen in de Republiek het Rampjaar 1672 ervoeren

Levenstekens. Gekaapte brieven uit het rampjaar 1672 is een goed geschreven, fraai geïllustreerd boek dat aan de hand van grondig onderzoek naar nog nauwelijks ontgonnen primaire bronnen een duidelijk beeld biedt van hoe verschillende groepen in de Republiek het Rampjaar 1672 ervoeren. Met name het feit dat we nu ook van vrouwen uit lagere milieus weten hoe zij in het leven stonden, waar hun interesses lagen, hoe zij hun relaties zagen, en hoe zij nieuws tot zich namen en in brieven vertaalden, is een belangrijke aanwinst voor ons geschiedbeeld. Een paar kanttekeningen. Hoofdstuk 3 is weliswaar levendig geschreven en bevat tal van door vele uren hard werken verkregen biografische gegevens over de afzenders en de beoogde ontvangers die voor de analyse van het bronmateriaal ongetwijfeld van groot belang zijn, maar is als op zichzelf staand hoofdstuk een tamelijk zwakke opsomming zonder kop of staart. Een tweede punt is dat Brouwer in de inleiding en elders de boeken van Reinders en Panhuysen over het Rampjaar noemt en zich ook rekenschap geeft van de vele recente publicaties over nieuwscultuur in de Republiek, maar eigenlijk nauwelijks of niet de discussie of aansluiting zoekt met deze auteurs. Deze kritiekpunten doen echter niet erg veel af aan de waarde van haar prima boek.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Gijs Rommelse, 11 augustus 2014.

E.H. de Jong, Weldenkende burgers en Oranjeliefhebbers. Patriotten en prinsgezinden in Leiden 1775-1795 Verloren, Hilversum, 2014, 396 p., geïll., ISBN 9789087044466, prijs € 35,00

door Rick Honings, Universiteit Leiden

Vermoedelijk is er geen Leidenaar te bedenken die zoveel geleden heeft onder de politieke woelingen van de patriottentijd als de kleurrijke lector en dichter Johannes le Francq van Berkheij. In tijdschriften en pamfletten werd hij onophoudelijk aangevallen. Tegenstanders hingen verbrand oranjelint aan zijn voordeur, sloegen zijn vensters in en besmeurden zijn huis met teer. Als hij over straat liep, werd hij uitgescholden en bespuugd. In oktober 1784 liep de situatie uit de hand, toen hij door een groep patriotse studenten bijna gemolesteerd werd. Uiteindelijk liep dit voorval met een sisser af, maar Berkheijs verhaal is illustratief voor de gespannen sfeer in de jaren tachtig van de achttiende eeuw. Net als in andere Hollandse steden werd het conflict tussen patriotten en prinsgezinden ook in Leiden fel uitgevochten. In juni 1784 kwam de onrust tot een uitbarsting, toen het Oranjeoproer plaatsvond, onder leiding van de beruchte broodbakker Adrianus Trago. Deze fanatieke Oranjeklant verkocht in zijn winkel ‘patriotjes’, een soort koekjes, bedoeld om door prinsgezinde kaken te worden vermalen.

Er was al het een en ander bekend over de politieke gebeurtenissen in Leiden aan het eind van de achttiende eeuw. P.J. Blok besteedde er aandacht aan in zijn Geschiedenis eener Hollandsche stad. Ook in de vierdelige studie Leiden. De geschiedenis van een Hollandse stad (onder redactie van R.C.J. van Maanen) viel er al over te lezen. Een afzonderlijke studie over de strijd tussen patriotten en prinsgezinden in Leiden was er nog niet. In die leemte is nu voorzien, dankzij Weldenkende burgers en Oranjeliefhebbers, waarop Erik Halbe de Jong (1946) op 9 mei 2014 in Utrecht promoveerde.

Net als in andere Hollandse steden werd het conflict tussen patriotten en prinsgezinden ook in Leiden fel uitgevochten

De Jong heeft een boek geschreven waar niemand omheen kan die zich wil bezighouden met Leiden in de tweede helft van de achttiende eeuw. In bijna vierhonderd bladzijden geeft hij een minutieus beeld van de politieke gebeurtenissen. Daarbij komt een keur aan organisaties, conflicten, verzoekschriften en debatten aan de orde. Die worden allemaal beschreven, op basis van nauwkeurig archiefonderzoek. Dat levert veel nieuwe informatie op. Zo lezen we alles over de structuur, werkwijze en strubbelingen van de schutterij, en over de lotgevallen van het vrijkorps. We komen alles te weten over het oproer, net als over de machtsovername door de patriotten, hun interne intriges en hun voorlopige nederlaag na de komst van het Pruisische leger in 1787. Interessant is ook wat De Jong schrijft over de patriotse studenten, die een unieke positie innamen binnen de Leidse samenleving.

Over de prinsgezinden, met uitzondering van Berkheij, weet De Jong minder informatie boven water te halen. De bronnen hierover dan ook zijn schaars. Iemand als de spinster en fruitverkoopsters Pieternella Timmermans, alias ‘Nelle Potvet’, heeft weinig sporen achtergelaten. Dat geldt voor veel Oranjeklanten, die enkel ten tijde van rellen en oproeren zichtbaar worden in de geschiedenis. Dankzij Weldenkende burgers en Oranjeliefhebbers krijgen we nu een volledig beeld van wat zich vanaf 1775 tot aan de komst van de Fransen allemaal heeft afgespeeld, afgezet tegen de maatschappelijke achtergronden (zoals de neergang van de textielindustrie en de armoede die dit tot gevolg had). Het boek eindigt met het planten van een vrijheidsboom voor het Stadhuis op de Breestraat in 1795.

Een studie boordevol nieuwe gegevens, die het verdient om te worden gelezen en gebruikt

Hoe informatief dit fraai uitgegeven boek ook is, natuurlijk zijn er ook kritische opmerkingen te maken. Zo slaagt de auteur er naar mijn idee niet echt in de geschiedenis invoelbaar te maken. Vermoedelijk is het streven naar volledigheid hier debet aan, evenals De Jongs wat stroeve, zakelijke stijl. Dat is jammer, want de politieke gebeurtenissen waren voor iemand als Berkheij een persoonlijk drama: hij raakte zijn baan kwijt, ging failliet en moest zijn huis verkopen. Juist over dat menselijke element had ik graag meer willen lezen. Het ontbreken daarvan hangt wellicht samen met het uitgangspunt dat De Jong kiest: de theorie van de collectieve actie van de Amerikaanse socioloog Charles Tilly. Kort door de bocht betekent dit dat er gekeken wordt naar collectieven, naar groepen mensen dus, die in actie komen. In zijn inleiding legt De Jong uit dat de theorie dient als een zoeklicht: ‘Hopelijk komen daarmee onverwachte en onbekende aspecten in het conflict, die andere beschouwingswijzen tot nu toe onder- of onbelicht hebben gelaten, duidelijker naar voren.’ (p. 22)

Van dat laatste ben ik niet helemaal overtuigd. Hoewel de theorie voor De Jong niet heilig is, heeft zijn werkwijze soms iets van een invuloefening. Vrijwel elk hoofdstuk begint met een tamelijk conventionele beschrijving van de gebeurtenissen, waarna aan het einde ervan geprobeerd wordt de materie te duiden volgens de door Tilly geïntroduceerde concepten (collectieve actie, revolutionaire situatie, collectief geweld, etc.). Veel helderheid biedt dit niet, eerder het tegenovergestelde. In zijn derde hoofdstuk stelt De Jong dat deze theorie ook al is benut in studies over het conflict tussen patriotten en prinsgezinden in andere steden, zoals Deventer. Een comparatief element ontbreekt echter. Graag had ik, meer dan nu gebeurt, gelezen wat de Leidse situatie uniek maakte in vergelijking met elders. Bovendien is het jammer dat De Jong weinig oog heeft voor literaire instituties. Het is bekend dat tal van leesgezelschappen, de vrijmetselaarsloges, maar vooral het dichtgenootschap Kunst wordt door arbeid verkreegen een belangrijke rol hebben gespeeld in de discussie. Vrijwel alle personen die in De Jongs studie voorkomen, waren er lid van. Zeker ook in het kader van de collectiviteit zou het interessant geweest zijn als dit laatste gezelschap in het onderzoek was betrokken.

Deze kritiekpunten nemen niet weg dat De Jong een studie heeft geschreven boordevol nieuwe gegevens, die het verdient om te worden gelezen en gebruikt. Zijn boek toont eens te meer aan dat Leiden een dankbare casus vormt voor historisch onderzoek. Dat er nog maar veel mogen volgen!

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Rick Honings, 4 augustus 2014.

Diederick Klein Kranenburg, ‘Samen voor ons eigen’. De geschiedenis van een Nederlandse volksbuurt: de Haagse Schilderswijk 1920-1985 Verloren, Hilversum, 2013, 420 p., geïll., ISBN 9789087043759, prijs €25,-

door Stefan Couperus, Universiteit Utrecht

De huidige Minister van Veiligheid en Justitie Ivo Opstelten heeft al enkele malen voorgesteld om er met drones de aanwezige jeugdbendes in de gaten te houden. Eerder waarschuwden enkele bewoners en journalisten voor de aanwezigheid van een vermeende islamistische enclave – de zogenaamde shariadriehoek – in de ‘armste wijk van Nederland’. De Haagse Schilderswijk belichaamt in de beeldvorming bijna alles wat er mis zou zijn in de ‘oude volkswijken’. Tegelijkertijd bestaat het nostalgische beeld van de volkswijk waar lange tijd solidariteit en nabuurschap een hechte gemeenschap smeedden, die bestand bleef tegen het (klein)burgerlijke beschavingsoffensief van buitenaf.

Maar lijden deze waarderingen niet te zeer onder mythe- en beeldvorming – denk aan de fictieve Schilderswijkse politici Jacobse en Van Es? In hoeverre is aan de Schilderswijk werkelijk een eigen karakter toe te schrijven? Was de gemeenschap wel zo hecht als doorgaans verondersteld? Hebben de huidige problemen in de wijk niet een veel langere ontstaansgeschiedenis dan gedacht? Diederick Klein Kranenburg zocht in ‘Samen voor ons eigen’ het antwoord in de geschiedenis van de wijk en – bovenal – in de lotgevallen van haar bewoners in de twintigste eeuw.

De wetenschappelijke waarde van deze studie ligt ontegenzeglijk in de eclectische methodologie die aan het onderzoek ten grondslag ligt. Archiefmateriaal van publieke (gemeentelijke instanties) en particuliere (het clubhuis De Mussen) instanties, afgenomen interviews met (oud)bewoners (76 in totaal), primaire en secundaire literatuur (historisch en sociologisch), worden door Klein Kranenburg zeer (bronnen)kritisch en op een vruchtbare wijze ingezet. Daarnaast combineert hij kwantitatieve analyses (huurprijzen, leegstand of gezinssamenstelling) met kwalitatieve uitspraken over bijvoorbeeld de per straat verschillende moraal rondom prostitutie (p. 69-75) of criminaliteit (p. 85-89) in de vooroorlogse periode.

De Haagse Schilderswijk belichaamt in de beeldvorming bijna alles wat er mis zou zijn in de ‘oude volkswijken’. Maar lijden deze waarderingen niet te zeer onder mythe- en beeldvorming?

Klein Kranenburg hanteert met het onderzoek naar een periode van meer dan zestig jaar, 1920 tot 1985, een langetermijnperspectief. Hierdoor wordt rekenschap gegeven van de veranderende inzichten in de oorzaken van ‘afwijkend gedrag in stadswijken’ – tot een korte weergave van de beroemde affaire Buikhuisen aan toe (p. 183). De verwijzingen naar buitenlandse casuïstiek of de sociologische literatuur zijn vaak inzichtelijk. Zo biedt de inleiding op het derde, naoorlogse deel van het boek een heel instructieve weergave van de ontwikkeling van het historische en sociologische wijkonderzoek in binnen- en buitenland.

In navolging van recent sociologisch onderzoek, zoekt Klein Kranenburg mogelijke verklaringen voor sociale (zelf)uitsluiting in de Schilderswijk in een combinatie van sociaaleconomische omstandigheden én – met nadruk – de groepsprocessen binnen een (langdurige) armoedecultuur. Daarin slaagt de auteur uitstekend, vooral in het naoorlogse deel van de studie. In een intelligent betoog, functioneel gelardeerd met vaak kleurrijke uitspraken van de geïnterviewde (oud)bewoners en ondersteund met relevante bronnen, ontstaat een rijkgeschakeerd beeld van de Schilderswijk. Naast elkaar bestaande historische processen van gemeenschapsvorming worden geplaatst tegen de achtergrond van heel lokale bepaalde (anti)burgerlijke waarden die van straat tot straat en soms zelfs van straathoek tot straathoek verschilden – en ook weer veranderden.

In navolging van recent sociologisch onderzoek, zoekt Klein Kranenburg mogelijke verklaringen voor sociale (zelf)uitsluiting in de Schilderswijk in een combinatie van sociaaleconomische omstandigheden én de groepsprocessen binnen een langdurige armoedecultuur 

Illustratief voor de waarde van het boek is de aangehaalde affaire rond een kinderrijk gezin in 1969. Na een geruchtmakende televisiedocumentaire – waarin de erbarmelijke huiselijke omstandigheden van Rinus, Bep en de kinderen in beeld werden gebracht –ontstak de buurt in een volkswoede die zich richtte tegen het gezin. De buurtbewoners ervoeren de beelden van het sociaal zwakke gezin als een onjuiste afspiegeling van hun wijk. In de ogen van de buren was dat vooral de schuld van het gezin. Rinus en Bep hadden een ingewikkeld complex van ongeschreven regels overtreden: ze lieten de buitenwereld toe, wat na de Tweede Wereldoorlog in toenemende mate als een doodzonde werd gezien, en hadden de precaire balans van afwijkende en burgerlijke normen de verkeerde kant op laten slaan (p. 321). In dit soort passages wordt het anekdotische in het boek steeds opnieuw verbonden met goed onderbouwde inzichten in de sociale logica’s en regels van de Schilderswijk – regels die overigens met de komst van arbeidsmigranten in de wijk vanaf de jaren 1970 steeds moeilijker konden worden afgedwongen.

Toch blijft een belangrijke sociaal-politieke dimensie grotendeels onderbelicht: het verband tussen het leven van alledag en de interventies van regulerende instituties in de stad. Het governmentality-werk van de Britse historicus Patrick Joyce, bijvoorbeeld, laat zien hoe op heel lokaal niveau sociale isolatie of segregatie het gevolg is van een soms doelbewuste regulering van de stedelijke ruimte. Een straat zonder tramhalte wordt (en blijft) eerder het domein van een in toenemende mate geïsoleerde sociale onderklasse dan een buurt waar alle voorzieningen aanwezig zijn. In zijn magistrale boek Segregation laat Carl Nightingale zien hoe segregatie op wereldschaal samenvalt met allerlei historische praktijken van stedelijke ordening. In zulke studies worden de contouren zichtbaar van de classificatie van de stadsbewoners aan de hand van niet zelden essentialistische categorieën als klasse, etniciteit, religie, afkomst of beroep.

Het boek zal iedere geïnteresseerde in wijkgeschiedenis en de Schilderswijk boeien – en verrassen! Het lijkt of Klein Kranenburg de gewenste drone van Opstelten heeft laten tijdreizen

Tegelijkertijd wordt ook de weerslag van classificatie op sociale normen, groepsprocessen en identiteitsvorming op straatniveau in deze en andere studies belicht. In ‘Samen voor ons eigen’ is zeker een aantal aanknopingspunten te vinden voor zo’n benadering (bijvoorbeeld over de gemeentelijke huisvestingspolitiek op p. 346), maar het verband tussen stedelijke governmentality en de moraal en codes van de buurt of straat wordt nergens instrumenteel, terwijl de rijkdom van het bronnenmateriaal daartoe wel aanleiding lijkt te geven. Een terloopse zin als ‘[t]oen de Schilderswijk steeds beruchter werd, ging de politie er zich steeds meer mee bemoeien’ (p. 191) kan in dezelfde adem omgekeerd worden, en daarmee aanzet geven voor het blootleggen van een veel complexere dynamiek tussen ‘instituties die in de wijk actief waren’ en de Schilderswijkers.

Wat desalniettemin bovenal beklijft, is dat ‘Samen voor ons eigen’ een boeiende en zeer uitvoerig gedocumenteerde studie is, die historici weer eens herinnert aan de (zeggings)kracht van de sociale geschiedenis ‘van onderop’. Het boek zal iedere geïnteresseerde in wijkgeschiedenis en de Schilderswijk boeien – en verrassen! Het lijkt of Klein Kranenburg de gewenste drone van Opstelten heeft laten tijdreizen.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Stefan Couperus, 26 februari 2014.