Judith Brouwer, Levenstekens. Gekaapte brieven uit het rampjaar 1672 Verloren, Hilversum, 2014, 352 p., geïll., ISBN 9789087044053, prijs €35,-

door Gijs Rommelse

De Sailing Letters, de verzameling van ongeveer 38.000 Nederlandstalige brieven in de collectie Prize Papers van de Britse National Archives, zijn ‘hot’ onderzoeksmateriaal. Sinds Roelof van Gelder in 2006 in opdracht van de Koninklijke Bibliotheek een verkennende inventarisatie publiceerde van deze tijdens de vier Engels(/Brits)-Nederlandse oorlogen (1652-1654, 1665-1667, 1672-1674 en 1780-1784) door kapers en marineschepen onderschepte poststukken, zijn tal van historici en neerlandici met het bijzonder rijke materiaal aan de gang gegaan. Judith Brouwer, die in 2013 aan de Universiteit van Groningen promoveerde op Levenstekens. Gekaapte brieven uit het rampjaar 1672, bevindt zich daarom in goed en talrijk gezelschap. Het bijzondere van de Sailing Letters voor geschiedkundigen, naast de kwantiteit – geen enkele Nederlandse instantie beschikt in de verste verte over een dergelijk aantal vroegmoderne egodocumenten –, is dat ze een stem geven aan groepen in de maatschappij die voorheen sterk ondervertegenwoordigd waren in ons geschiedbeeld, zoals vrouwen en de lagere klassen. In Brouwers onderzoek zijn beide groepen zeer ruim vertegenwoordigd.    

Het Rampjaar 1672 is nooit echt uit de aandacht van historici en het publiek verdwenen, maar lijkt zich sinds enkele jaren te mogen verheugen op bijzonder intensieve belangstelling. Michel Reinders publiceerde in 2010 Gedrukte chaos. Populisme en moord in het Rampjaar 1672. Datzelfde jaar vond aan de Universiteit Utrecht een symposium plaats waar een tiental onderzoekers hun ideeën ten aanzien van het Rampjaar presenteerde. Brouwer was hier één van de sprekers. Luc Panhuysen, voor wie dat eveneens gold, bracht een jaar eerder zijn boek Rampjaar 1672. Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte uit. Vorig jaar publiceerde R.P. Prud’homme van Reine ten slotte Moordenaars van Jan de Witt. De zwartste bladzijde van de Gouden Eeuw. Alle drie de werken werden eerder al in Holland Historisch Tijdschrift besproken.

Het bijzondere van de Sailing Letters voor geschiedkundigen, naast de kwantiteit – geen enkele Nederlandse instantie beschikt in de verste verte over een dergelijk aantal vroegmoderne egodocumenten –, is dat ze een stem geven aan groepen in de maatschappij die voorheen sterk ondervertegenwoordigd waren in ons geschiedbeeld

Brouwer heeft in totaal 195 brieven onderzocht, waarvan het overgrote deel afkomstig was uit het gewest Holland en zich bevond op twee door de Engelsen onderschepte koopvaarders, het WIC-schip de Morgenster en het VOC-schip het Wapen van Hoorn. Deze selectie zorgt voor een dubbele clustering in tijd; de brieven, waarvan de afzenders veelal vrouwen uit de lagere maatschappelijke lagere segmenten zijn, dateren hoofdzakelijk uit mei en november 1672. Aan de hand van dit materiaal wil Brouwer in de eerste plaats analyseren hoe de ‘gewone vrouw of man’ de politieke en militaire gebeurtenissen uit het turbulente jaar waarnamen en beleefden, en hoe de oorlog tegen Frankrijk, Engeland en de prins-bisschoppen van Keulen en Münster hun dagelijks leven en bestaanszekerheid beïnvloedde. De auteur tracht te beantwoorden uit welke nieuwsbronnen de brievenschrijvers putten, welke gebeurtenissen zij van belang achtten te vermelden, of en hoe de nieuwsbronnen de weergave van deze gebeurtenissen in de brieven kleurden, en welke plaats de actualiteiten in hun epistels kregen. Daarnaast gaat zij in op het dagelijks leven van de schrijvers en de relaties tussen de zenders en de beoogde ontvangers.                     

Levenstekens. Gekaapte brieven uit het rampjaar 1672 telt vijf hoofdstukken. In het eerste beschrijft de auteur het onderzoeksmateriaal, de vraag en de methodologische opzet, overzeese postbezorging in het algemeen, de onderschepping door de Engelsen van de beide schepen, de rechtsgang rondom dergelijke oorlogsbuit en de plaats daarin van alle aan boord aangetroffen papieren. Het volgende hoofdstuk handelt over briefcultuur. De 195 onderzochte brieven, zo stelt Brouwer, waren in de eerste plaats levenstekens van relationele aard, tussen vrouw en man, moeder, vader en zoon of anderszins. Verder constateert zij dat brievenschrijvers van lagere komaf veelal houvast zochten bij geschreven en ongeschreven epistolaire conventies, terwijl rijkeren die vaker brieven schreven losser hiermee omsprongen. Ook stelt zij vast dat in veel gevallen de afzender niet de schrijver is, maar dat een professional, een familielid of een kennis de pen ter hand heeft genomen. In hoofdstuk 3 komen de afzenders en de beoogde ontvangers aan bod; wie waren zij, in welke relatie stonden zij tot elkaar, wat was hun sociaal-economische positie? Hoofdstuk 4 gaat over de oorlogberichtgeving in brieven en de vraag hoe deze berichtgeving werd beïnvloed door algemeen beschikbare nieuwsbronnen of opiniërende media van dat moment. Brouwer stelt vast dat, in tegenstelling tot wat eerder door andere historici is beweerd, vrouwen uit lagere milieus wel degelijk geïnteresseerd waren in politieke en staatkundige gebeurtenissen, en zich via schriftelijke en mondelinge bronnen op de hoogte stelden. In het laatste hoofdstuk gaat de auteur in op de in de brieven verwoordde gevoelens en emoties, die van wanhoop, verlangen en nijd, maar ook die van zorgen om geldnood, ziekte en de dood.

Levenstekens. Gekaapte brieven uit het rampjaar 1672 is een goed geschreven, fraai geïllustreerd boek dat aan de hand van grondig onderzoek naar nog nauwelijks ontgonnen primaire bronnen een duidelijk beeld biedt van hoe verschillende groepen in de Republiek het Rampjaar 1672 ervoeren

Levenstekens. Gekaapte brieven uit het rampjaar 1672 is een goed geschreven, fraai geïllustreerd boek dat aan de hand van grondig onderzoek naar nog nauwelijks ontgonnen primaire bronnen een duidelijk beeld biedt van hoe verschillende groepen in de Republiek het Rampjaar 1672 ervoeren. Met name het feit dat we nu ook van vrouwen uit lagere milieus weten hoe zij in het leven stonden, waar hun interesses lagen, hoe zij hun relaties zagen, en hoe zij nieuws tot zich namen en in brieven vertaalden, is een belangrijke aanwinst voor ons geschiedbeeld. Een paar kanttekeningen. Hoofdstuk 3 is weliswaar levendig geschreven en bevat tal van door vele uren hard werken verkregen biografische gegevens over de afzenders en de beoogde ontvangers die voor de analyse van het bronmateriaal ongetwijfeld van groot belang zijn, maar is als op zichzelf staand hoofdstuk een tamelijk zwakke opsomming zonder kop of staart. Een tweede punt is dat Brouwer in de inleiding en elders de boeken van Reinders en Panhuysen over het Rampjaar noemt en zich ook rekenschap geeft van de vele recente publicaties over nieuwscultuur in de Republiek, maar eigenlijk nauwelijks of niet de discussie of aansluiting zoekt met deze auteurs. Deze kritiekpunten doen echter niet erg veel af aan de waarde van haar prima boek.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Gijs Rommelse, 11 augustus 2014.

E.H. de Jong, Weldenkende burgers en Oranjeliefhebbers. Patriotten en prinsgezinden in Leiden 1775-1795 Verloren, Hilversum, 2014, 396 p., geïll., ISBN 9789087044466, prijs € 35,00

door Rick Honings, Universiteit Leiden

Vermoedelijk is er geen Leidenaar te bedenken die zoveel geleden heeft onder de politieke woelingen van de patriottentijd als de kleurrijke lector en dichter Johannes le Francq van Berkheij. In tijdschriften en pamfletten werd hij onophoudelijk aangevallen. Tegenstanders hingen verbrand oranjelint aan zijn voordeur, sloegen zijn vensters in en besmeurden zijn huis met teer. Als hij over straat liep, werd hij uitgescholden en bespuugd. In oktober 1784 liep de situatie uit de hand, toen hij door een groep patriotse studenten bijna gemolesteerd werd. Uiteindelijk liep dit voorval met een sisser af, maar Berkheijs verhaal is illustratief voor de gespannen sfeer in de jaren tachtig van de achttiende eeuw. Net als in andere Hollandse steden werd het conflict tussen patriotten en prinsgezinden ook in Leiden fel uitgevochten. In juni 1784 kwam de onrust tot een uitbarsting, toen het Oranjeoproer plaatsvond, onder leiding van de beruchte broodbakker Adrianus Trago. Deze fanatieke Oranjeklant verkocht in zijn winkel ‘patriotjes’, een soort koekjes, bedoeld om door prinsgezinde kaken te worden vermalen.

Er was al het een en ander bekend over de politieke gebeurtenissen in Leiden aan het eind van de achttiende eeuw. P.J. Blok besteedde er aandacht aan in zijn Geschiedenis eener Hollandsche stad. Ook in de vierdelige studie Leiden. De geschiedenis van een Hollandse stad (onder redactie van R.C.J. van Maanen) viel er al over te lezen. Een afzonderlijke studie over de strijd tussen patriotten en prinsgezinden in Leiden was er nog niet. In die leemte is nu voorzien, dankzij Weldenkende burgers en Oranjeliefhebbers, waarop Erik Halbe de Jong (1946) op 9 mei 2014 in Utrecht promoveerde.

Net als in andere Hollandse steden werd het conflict tussen patriotten en prinsgezinden ook in Leiden fel uitgevochten

De Jong heeft een boek geschreven waar niemand omheen kan die zich wil bezighouden met Leiden in de tweede helft van de achttiende eeuw. In bijna vierhonderd bladzijden geeft hij een minutieus beeld van de politieke gebeurtenissen. Daarbij komt een keur aan organisaties, conflicten, verzoekschriften en debatten aan de orde. Die worden allemaal beschreven, op basis van nauwkeurig archiefonderzoek. Dat levert veel nieuwe informatie op. Zo lezen we alles over de structuur, werkwijze en strubbelingen van de schutterij, en over de lotgevallen van het vrijkorps. We komen alles te weten over het oproer, net als over de machtsovername door de patriotten, hun interne intriges en hun voorlopige nederlaag na de komst van het Pruisische leger in 1787. Interessant is ook wat De Jong schrijft over de patriotse studenten, die een unieke positie innamen binnen de Leidse samenleving.

Over de prinsgezinden, met uitzondering van Berkheij, weet De Jong minder informatie boven water te halen. De bronnen hierover dan ook zijn schaars. Iemand als de spinster en fruitverkoopsters Pieternella Timmermans, alias ‘Nelle Potvet’, heeft weinig sporen achtergelaten. Dat geldt voor veel Oranjeklanten, die enkel ten tijde van rellen en oproeren zichtbaar worden in de geschiedenis. Dankzij Weldenkende burgers en Oranjeliefhebbers krijgen we nu een volledig beeld van wat zich vanaf 1775 tot aan de komst van de Fransen allemaal heeft afgespeeld, afgezet tegen de maatschappelijke achtergronden (zoals de neergang van de textielindustrie en de armoede die dit tot gevolg had). Het boek eindigt met het planten van een vrijheidsboom voor het Stadhuis op de Breestraat in 1795.

Een studie boordevol nieuwe gegevens, die het verdient om te worden gelezen en gebruikt

Hoe informatief dit fraai uitgegeven boek ook is, natuurlijk zijn er ook kritische opmerkingen te maken. Zo slaagt de auteur er naar mijn idee niet echt in de geschiedenis invoelbaar te maken. Vermoedelijk is het streven naar volledigheid hier debet aan, evenals De Jongs wat stroeve, zakelijke stijl. Dat is jammer, want de politieke gebeurtenissen waren voor iemand als Berkheij een persoonlijk drama: hij raakte zijn baan kwijt, ging failliet en moest zijn huis verkopen. Juist over dat menselijke element had ik graag meer willen lezen. Het ontbreken daarvan hangt wellicht samen met het uitgangspunt dat De Jong kiest: de theorie van de collectieve actie van de Amerikaanse socioloog Charles Tilly. Kort door de bocht betekent dit dat er gekeken wordt naar collectieven, naar groepen mensen dus, die in actie komen. In zijn inleiding legt De Jong uit dat de theorie dient als een zoeklicht: ‘Hopelijk komen daarmee onverwachte en onbekende aspecten in het conflict, die andere beschouwingswijzen tot nu toe onder- of onbelicht hebben gelaten, duidelijker naar voren.’ (p. 22)

Van dat laatste ben ik niet helemaal overtuigd. Hoewel de theorie voor De Jong niet heilig is, heeft zijn werkwijze soms iets van een invuloefening. Vrijwel elk hoofdstuk begint met een tamelijk conventionele beschrijving van de gebeurtenissen, waarna aan het einde ervan geprobeerd wordt de materie te duiden volgens de door Tilly geïntroduceerde concepten (collectieve actie, revolutionaire situatie, collectief geweld, etc.). Veel helderheid biedt dit niet, eerder het tegenovergestelde. In zijn derde hoofdstuk stelt De Jong dat deze theorie ook al is benut in studies over het conflict tussen patriotten en prinsgezinden in andere steden, zoals Deventer. Een comparatief element ontbreekt echter. Graag had ik, meer dan nu gebeurt, gelezen wat de Leidse situatie uniek maakte in vergelijking met elders. Bovendien is het jammer dat De Jong weinig oog heeft voor literaire instituties. Het is bekend dat tal van leesgezelschappen, de vrijmetselaarsloges, maar vooral het dichtgenootschap Kunst wordt door arbeid verkreegen een belangrijke rol hebben gespeeld in de discussie. Vrijwel alle personen die in De Jongs studie voorkomen, waren er lid van. Zeker ook in het kader van de collectiviteit zou het interessant geweest zijn als dit laatste gezelschap in het onderzoek was betrokken.

Deze kritiekpunten nemen niet weg dat De Jong een studie heeft geschreven boordevol nieuwe gegevens, die het verdient om te worden gelezen en gebruikt. Zijn boek toont eens te meer aan dat Leiden een dankbare casus vormt voor historisch onderzoek. Dat er nog maar veel mogen volgen!

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Rick Honings, 4 augustus 2014.

Diederick Klein Kranenburg, ‘Samen voor ons eigen’. De geschiedenis van een Nederlandse volksbuurt: de Haagse Schilderswijk 1920-1985 Verloren, Hilversum, 2013, 420 p., geïll., ISBN 9789087043759, prijs €25,-

door Stefan Couperus, Universiteit Utrecht

De huidige Minister van Veiligheid en Justitie Ivo Opstelten heeft al enkele malen voorgesteld om er met drones de aanwezige jeugdbendes in de gaten te houden. Eerder waarschuwden enkele bewoners en journalisten voor de aanwezigheid van een vermeende islamistische enclave – de zogenaamde shariadriehoek – in de ‘armste wijk van Nederland’. De Haagse Schilderswijk belichaamt in de beeldvorming bijna alles wat er mis zou zijn in de ‘oude volkswijken’. Tegelijkertijd bestaat het nostalgische beeld van de volkswijk waar lange tijd solidariteit en nabuurschap een hechte gemeenschap smeedden, die bestand bleef tegen het (klein)burgerlijke beschavingsoffensief van buitenaf.

Maar lijden deze waarderingen niet te zeer onder mythe- en beeldvorming – denk aan de fictieve Schilderswijkse politici Jacobse en Van Es? In hoeverre is aan de Schilderswijk werkelijk een eigen karakter toe te schrijven? Was de gemeenschap wel zo hecht als doorgaans verondersteld? Hebben de huidige problemen in de wijk niet een veel langere ontstaansgeschiedenis dan gedacht? Diederick Klein Kranenburg zocht in ‘Samen voor ons eigen’ het antwoord in de geschiedenis van de wijk en – bovenal – in de lotgevallen van haar bewoners in de twintigste eeuw.

De wetenschappelijke waarde van deze studie ligt ontegenzeglijk in de eclectische methodologie die aan het onderzoek ten grondslag ligt. Archiefmateriaal van publieke (gemeentelijke instanties) en particuliere (het clubhuis De Mussen) instanties, afgenomen interviews met (oud)bewoners (76 in totaal), primaire en secundaire literatuur (historisch en sociologisch), worden door Klein Kranenburg zeer (bronnen)kritisch en op een vruchtbare wijze ingezet. Daarnaast combineert hij kwantitatieve analyses (huurprijzen, leegstand of gezinssamenstelling) met kwalitatieve uitspraken over bijvoorbeeld de per straat verschillende moraal rondom prostitutie (p. 69-75) of criminaliteit (p. 85-89) in de vooroorlogse periode.

De Haagse Schilderswijk belichaamt in de beeldvorming bijna alles wat er mis zou zijn in de ‘oude volkswijken’. Maar lijden deze waarderingen niet te zeer onder mythe- en beeldvorming?

Klein Kranenburg hanteert met het onderzoek naar een periode van meer dan zestig jaar, 1920 tot 1985, een langetermijnperspectief. Hierdoor wordt rekenschap gegeven van de veranderende inzichten in de oorzaken van ‘afwijkend gedrag in stadswijken’ – tot een korte weergave van de beroemde affaire Buikhuisen aan toe (p. 183). De verwijzingen naar buitenlandse casuïstiek of de sociologische literatuur zijn vaak inzichtelijk. Zo biedt de inleiding op het derde, naoorlogse deel van het boek een heel instructieve weergave van de ontwikkeling van het historische en sociologische wijkonderzoek in binnen- en buitenland.

In navolging van recent sociologisch onderzoek, zoekt Klein Kranenburg mogelijke verklaringen voor sociale (zelf)uitsluiting in de Schilderswijk in een combinatie van sociaaleconomische omstandigheden én – met nadruk – de groepsprocessen binnen een (langdurige) armoedecultuur. Daarin slaagt de auteur uitstekend, vooral in het naoorlogse deel van de studie. In een intelligent betoog, functioneel gelardeerd met vaak kleurrijke uitspraken van de geïnterviewde (oud)bewoners en ondersteund met relevante bronnen, ontstaat een rijkgeschakeerd beeld van de Schilderswijk. Naast elkaar bestaande historische processen van gemeenschapsvorming worden geplaatst tegen de achtergrond van heel lokale bepaalde (anti)burgerlijke waarden die van straat tot straat en soms zelfs van straathoek tot straathoek verschilden – en ook weer veranderden.

In navolging van recent sociologisch onderzoek, zoekt Klein Kranenburg mogelijke verklaringen voor sociale (zelf)uitsluiting in de Schilderswijk in een combinatie van sociaaleconomische omstandigheden én de groepsprocessen binnen een langdurige armoedecultuur 

Illustratief voor de waarde van het boek is de aangehaalde affaire rond een kinderrijk gezin in 1969. Na een geruchtmakende televisiedocumentaire – waarin de erbarmelijke huiselijke omstandigheden van Rinus, Bep en de kinderen in beeld werden gebracht –ontstak de buurt in een volkswoede die zich richtte tegen het gezin. De buurtbewoners ervoeren de beelden van het sociaal zwakke gezin als een onjuiste afspiegeling van hun wijk. In de ogen van de buren was dat vooral de schuld van het gezin. Rinus en Bep hadden een ingewikkeld complex van ongeschreven regels overtreden: ze lieten de buitenwereld toe, wat na de Tweede Wereldoorlog in toenemende mate als een doodzonde werd gezien, en hadden de precaire balans van afwijkende en burgerlijke normen de verkeerde kant op laten slaan (p. 321). In dit soort passages wordt het anekdotische in het boek steeds opnieuw verbonden met goed onderbouwde inzichten in de sociale logica’s en regels van de Schilderswijk – regels die overigens met de komst van arbeidsmigranten in de wijk vanaf de jaren 1970 steeds moeilijker konden worden afgedwongen.

Toch blijft een belangrijke sociaal-politieke dimensie grotendeels onderbelicht: het verband tussen het leven van alledag en de interventies van regulerende instituties in de stad. Het governmentality-werk van de Britse historicus Patrick Joyce, bijvoorbeeld, laat zien hoe op heel lokaal niveau sociale isolatie of segregatie het gevolg is van een soms doelbewuste regulering van de stedelijke ruimte. Een straat zonder tramhalte wordt (en blijft) eerder het domein van een in toenemende mate geïsoleerde sociale onderklasse dan een buurt waar alle voorzieningen aanwezig zijn. In zijn magistrale boek Segregation laat Carl Nightingale zien hoe segregatie op wereldschaal samenvalt met allerlei historische praktijken van stedelijke ordening. In zulke studies worden de contouren zichtbaar van de classificatie van de stadsbewoners aan de hand van niet zelden essentialistische categorieën als klasse, etniciteit, religie, afkomst of beroep.

Het boek zal iedere geïnteresseerde in wijkgeschiedenis en de Schilderswijk boeien – en verrassen! Het lijkt of Klein Kranenburg de gewenste drone van Opstelten heeft laten tijdreizen

Tegelijkertijd wordt ook de weerslag van classificatie op sociale normen, groepsprocessen en identiteitsvorming op straatniveau in deze en andere studies belicht. In ‘Samen voor ons eigen’ is zeker een aantal aanknopingspunten te vinden voor zo’n benadering (bijvoorbeeld over de gemeentelijke huisvestingspolitiek op p. 346), maar het verband tussen stedelijke governmentality en de moraal en codes van de buurt of straat wordt nergens instrumenteel, terwijl de rijkdom van het bronnenmateriaal daartoe wel aanleiding lijkt te geven. Een terloopse zin als ‘[t]oen de Schilderswijk steeds beruchter werd, ging de politie er zich steeds meer mee bemoeien’ (p. 191) kan in dezelfde adem omgekeerd worden, en daarmee aanzet geven voor het blootleggen van een veel complexere dynamiek tussen ‘instituties die in de wijk actief waren’ en de Schilderswijkers.

Wat desalniettemin bovenal beklijft, is dat ‘Samen voor ons eigen’ een boeiende en zeer uitvoerig gedocumenteerde studie is, die historici weer eens herinnert aan de (zeggings)kracht van de sociale geschiedenis ‘van onderop’. Het boek zal iedere geïnteresseerde in wijkgeschiedenis en de Schilderswijk boeien – en verrassen! Het lijkt of Klein Kranenburg de gewenste drone van Opstelten heeft laten tijdreizen.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Stefan Couperus, 26 februari 2014.

Holland is een eiland. De Batavia van Hadrianus Junius (1511-1575) Inleiding, vertaling en annotatie: Nico de Glas Verloren, Hilversum, 2011, 512 p., geïll., ISBN 9789087042141, prijs €45,-

door Coen Maas

De Batavia van Hadrianus Junius, voor het eerst gepubliceerd door Raphelengius in 1588, behoort ongetwijfeld tot de belangrijkste geschiedwerken over Holland die in de 16de eeuw zijn voortgebracht. Haitsma Mulier heeft de positie van het boek binnen het subgenre van de chorografie in Holland wel gekarakteriseerd als ‘het klassieke werk waar allen vol respect èn kritisch naar verwezen’. Junius gaat in zijn boek, dat uit drie delen bestaat, eerst in op de antieke situatie waarin de Bataven het ‘eiland’ bewoonden, waarbij met name de oorsprong van de Bataven en Caninefaten, de oorspronkelijke ligging van hun gebieden en hun culturele bijzonderheden de revue passeren. In het tweede deel geeft hij een beschrijving en lof van het eigentijdse Holland, inclusief een etymologie van de naam Holland, een geografie van het gewest, een opsomming van de kwaliteiten van zijn inwoners en een beschrijving van de belangrijke steden en de grote geesten die zij voortbrachten. Het derde deel bevat een aantal losse onderwerpen met betrekking tot de oertijd van de Germanen.

Vanuit historiografische optiek is het werk onder meer interessant omdat het qua historische methode, literaire presentatiewijze en politieke inbedding kan worden beschouwd als een verbinding tussen de generatie van Aurelius, Snoy en Van Naaldwijk enerzijds en die van Dousa en Scriverius anderzijds. Ook vanuit een meer cultuurhistorische invalshoek toont het boek een aantal boeiende fenomenen. Zonder uitputtend te willen zijn verwijs ik naar Junius’ gebruik van klassieke frames voor zijn Hollandse verhaal, zijn economische analyse, de spanning tussen Hollandse eenvoud en luxe en Junius’ visie op de adel in een tijd dat de positie daarvan sterk in verandering was. De Batavia vormt daardoor een uiterst waardevolle bron voor iedereen met een (al dan niet academische) interesse in de geschiedenis van de geschiedschrijving, de intellectuele geschiedenis of de cultuurgeschiedenis van de Nederlanden op het scharnierpunt tussen de Bourgondisch-Habsburgse tijd en de Republiek.

De Batavia van Hadrianus Junius, voor het eerst gepubliceerd door Raphelengius in 1588, behoort ongetwijfeld tot de belangrijkste geschiedwerken over Holland die in de 16de eeuw zijn voortgebracht

Naarmate de kennis van het Latijn gestaag blijft afnemen worden boeken als de Batavia echter steeds minder toegankelijk. In het geval van de Batavia zelf wordt dit nu ondervangen door een Nederlandse vertaling van de hand van Nico de Glas. Ook de lezer die niet in de oude lingua franca is ingewijd kan daardoor kennis nemen van de talloze wetenswaardigheden die Junius te boek heeft gesteld. De Glas heeft er daarbij alles aan gedaan om het erudiete, doch soepele Latijn van Junius zo goed mogelijk naar het Nederlands over te brengen. Hij is daarin naar mijn mening uitstekend geslaagd en wel zonder een vleugje van de gymnasiastentaal die vertalingen van Neolatijnse teksten zo vaak kenmerkt.

De vlotheid van De Glas’ tekst is het uitvloeisel van zijn vertaaltechniek. Bij wijze van steekproef heb ik heb een aantal passages uit de vertaling naast het oorspronkelijke Latijn gelegd (hetgeen overigens wordt vergemakkelijkt door de verwijzingen naar de paginanummers uit de editie van 1588). Daaruit blijkt dat De Glas niet woord voor woord werkt, maar de betekenis van een zin of zinsdeel als geheel vat en die vervolgens in goed Nederlands idioom uitdrukt met behoud van alle betekeniselementen, maar zonder angstvallig vast te houden aan de grammaticale structuur van het Latijn. Bovendien deelt De Glas de Latijnse zinnen, die door hun gedrongenheid vaak meer gedachten bevatten dan wenselijk zou zijn in het Nederlands, op een logische manier op. Ten slotte is hij vindingrijk bij het zoeken naar equivalenten voor technische Latijnse termen (zo wordt ‘artificiosa ductus coniectura’ vertaald als ‘bij wijze van educated guess’, p. 235).

De Glas is uitstekend geslaagd in zijn poging om het erudiete, doch soepele Latijn van Junius zo goed mogelijk naar het Nederlands over te brengen

De vertaling is voorzien van een redelijk grondige annotatie waarin vooral de talrijke en dikwijls obscure eigennamen worden toegelicht. Tevens zijn verwijzingen opgenomen naar subteksten die aan specifieke passages ten grondslag liggen. Daarmee wordt een goed beeld gegeven aan de verwevenheid van de tekst met literaire voorbeelden en historische bronnen, een verwevenheid die zo kenmerkend is voor veel humanistische geschiedschrijving. Uit de noten blijkt voorts De Glas’ gevoel voor humor en opmerkelijke details.

Mijn voornaamste kritiek op de vertaling van Junius’ Batavia geldt de keuzes die gemaakt zijn in de inleiding. Deze is naar mijn mening op een aantal belangrijke punten nogal beknopt, met name omtrent de ontstaansgeschiedenis en turbulente politieke context van de Batavia (p. 18; zie voor een uitvoerige analyse hiervan de bijdrage van B.A. Vermaseren aan het Huldeboek Pater Dr Bonaventura Kruitwagen O.F.M, verschenen in 1949 ). Ook de plaats van de Batavia in de historiografische traditie komt er wat bekaaid vanaf. Aan de andere kant krijgt de lezer een nogal lange uiteenzetting over zich heen over de vraag waarom Junius’ roem verbleekt is (p. 10-18), een passage die leest als een lang uitgesponnen betoog waarom de lezer dit boek niet ter hand moet nemen. Junius wordt hierbij gepresenteerd als een wereldvreemde kamergeleerde, het Latijn als stoffige taal voor de studeerkamer en de Batavia als een werk dat bij zijn verschijnen al hopeloos achterhaald was.

De Batavia vormde misschien geen weerslag van de meest progressieve politieke ideeën op het moment van schrijven, maar anderzijds biedt het werk een prachtig inkijkje in het Holland van rond 1570, dat zo sterk in transitie was

Door dit zo te benadrukken doet De Glas zichzelf en zijn onderwerp onrecht. Het Latijn bood Junius de kans om een internationaal publiek te bereiken, zeker via een uitgever als Raphelengius. De Batavia vormde misschien geen weerslag van de meest progressieve politieke ideeën op het moment van schrijven, maar anderzijds biedt het werk een prachtig inkijkje in het Holland van rond 1570, dat zo sterk in transitie was. En Junius’ klassieke denkkaders zijn een fascinerend voorbeeld van hoe iemands blik op de eigen tijd bewust en onbewust wordt bepaald door zijn intellectuele achtergrond. Dat alles maakt het werk van Junius en de nieuwe vertaling daarvan door De Glas alleszins de moeite waard.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Coen Maas, 2 februari 2014.

Eddy Verbaan, De woonplaats van de faam. Grondslagen van de stadsbeschrijving in de zeventiende-eeuwse Republiek Verloren, Hilversum, 2011, 366 p. geïll., ISBN 9789087042462, prijs €35,-

door Maarten van Dijck, Erasmus Universiteit Rotterdam

Met twee argumenten wil Eddy Verbaan de lezer overtuigen van het belang van zijn studie. Ten eerste wijst hij op de snelle opkomst van de stadsbeschrijvingen in Holland tijdens de zeventiende eeuw. Vervolgens maakt hij de vergelijking met de hedendaagse hausse aan stadsgeschiedenissen. Daarom lijkt het Verbaan nuttig om de oorsprong van dit genre nader te bekijken. In totaal bestudeert hij in zijn boek achttien publicaties die de karakteristieken vertonen van een stadsbeschrijving. Het is niet de inhoud van deze stadsbeschrijvingen die het onderwerp van Verbaans studie vormen, maar de kenmerken van het genre. Historici blijven daarom ook grotendeels op hun honger zitten bij het lezen van dit boek, al moet worden gezegd dat de kennis en het vakmanschap van de letterkundige Verbaan wel alle lof verdient.

Deze stadsbeschrijvingen ontwikkelden zich volgens Verbaan op het kruispunt van chorografie, stedenlof, reiskunde en geschiedenis. In de eerste vier hoofdstukken beschrijft Verbaan hoe de stadsbeschrijving ontstond uit deze vier genres. De chorografie komt eerst aan bod en wordt door de auteur omschreven als een mengeling van aardrijkskunde en geschiedenis. In feite gaat het om de beschrijving van plaatsen en hun geschiedenis, maar binnen deze chorografie onderscheidt Verbaan twee verschillende tradities: de ene praktisch-economisch georiënteerd, de andere geleerd- antiquarisch. Daarna volgt een hoofdstuk waarin aandacht wordt besteed aan het stedenlof. Dat dit genre aan bod komt in deze studie is het resultaat van de vormelijke benadering van Verbaan. Inhoudelijk kregen dergelijke teksten in het verleden amper aandacht in de historiografie omwille van het subjectieve karakter van deze geschriften, maar Verbaan toont aan dat ook dit soort publicaties het bestuderen waard zijn. De aandacht voor de morele kwaliteiten van de stedelingen ontleenden de stadsbeschrijvingen immers aan het stedenlof. Hoewel de auteur hier zeker nog een aantal interessante vragen onbeantwoord laat – bijvoorbeeld over de band met het stedelijke republicanisme – zorgt de vormelijke analyse van de auteur voor inzichten die in andere, meer historische analyses van de stadsbeschrijvingen nog niet aan bod kwamen.

Niet de inhoud van de stadsbeschrijvingen vormen het onderwerp van Verbaans studie, maar de kenmerken van het genre

Verrassend genoeg borduurden de stadsbeschrijvingen uit de zeventiende eeuw ook verder op reisbeschrijvingen. De structuur van het reisverhaal zorgde ervoor dat de belerende functie van de tekst werd gekoppeld aan vermaak. Bovendien verhoogden de reisbeschrijvingen de geloofwaardigheid van de stadsbeschrijvingen, omdat de auteur aangaf dat hij alle zaken met zijn eigen ogen had waargenomen tijdens een wandeling doorheen de stad. Om deze empirische betrouwbaarheid te garanderen gingen de auteurs ook op zoek naar archivalische bronnen. Het verzamelen van deze historische gegevens was geen sinecure aangezien de stedelijke archieven toen nog niet toegankelijk waren en zelfs geheim dienden te blijven voor het grote publiek. Daarom moesten de auteurs over een aanzienlijk netwerk beschikken om stukken te kunnen inzien. De meeste auteurs bewogen zich dan ook in bestuurlijke kringen.

Dit overzicht van de verschillende genres die aan de basis liggen van de stadsbeschrijving, vormt het omvangrijkste en belangrijkste deel van het boek. In hoofdstuk vijf herhaalt de auteur nogmaals hoe deze vier verschillende genres erg met elkaar verwant waren en uitmondden in de zeventiende-eeuwse stadsbeschrijving. Net als in de vorige hoofdstukken kiest de auteur ervoor om zijn argumenten te staven aan de hand van één voorbeeld. In dit hoofdstuk kiest hij voor een vergelijking van de stadsbeschrijving van Delft  van Dirck van Bleysweyck en de figuratieve kaart die voor datzelfde boek werd gemaakt. Door tekst en afbeelding naast elkaar te leggen, maakt Verbaan duidelijk dat topografie, reiskunde en geschiedenis onlosmakelijk met elkaar verbonden waren in de zeventiende eeuw. Hoewel de auteur daarmee zijn centrale onderzoeksvraag heeft opgelost, bewaart hij nog een interessante uitsmijter voor het laatste hoofdstuk.

Verrassend genoeg borduurden de stadsbeschrijvingen uit de zeventiende eeuw ook verder op reisbeschrijvingen. De structuur van het reisverhaal zorgde ervoor dat de belerende functie van de tekst werd gekoppeld aan vermaak. Bovendien verhoogden de reisbeschrijvingen de geloofwaardigheid van de stadsbeschrijvingen, omdat de auteur aangaf dat hij alle zaken met zijn eigen ogen had waargenomen tijdens een wandeling doorheen de stad

In het laatste deel van zijn boek probeert Verbaan de zeventiende-eeuwse stadsbeschrijvingen uit de Republiek in hun Europese context te plaatsen. Dat voornemen is op zich heel interessant, maar uiteindelijk wordt deze vergelijking slechts erg beperkt uitgewerkt. Eigenlijk behandelt hij enkel John Stow’s beschrijving van Londen en Jan Orlers boek over Leiden. Op zich leidt dit tot een aantal interessante vaststellingen. Dat komt in de eerste plaats omdat Verbaan nu veel meer ingaat op de inhoud van deze werken. Zo toont hij aan dat het stedelijke geheugen vorm kreeg rond drie belangrijke lieux de mémoires: de bloei van de lakennijverheid, de oprichting van de universiteit en het Leids Ontzet. Deze drie historische gebeurtenissen worden telkens gekoppeld aan kardinale deugden die volgens Orler tekenend waren voor de Leidse bevolking. Jammer genoeg moest de lezer hiervoor geduld oefenen tot in het laatste hoofdstuk. Verbaans werk is met kennis van zaken geschreven, maar zijn boek is toch vooral voor een publiek van letterkundigen geschreven. Daar is niets oneervol aan, integendeel, maar dit proefschrift leende zich tot een meer interdisciplinaire benadering waarin ook de historische component meer aan bod kon komen. Verbaan heeft wel de fundamenten gelegd voor onderzoek naar de zeventiende-eeuwse stadsbeschrijvingen waar andere onderzoekers kunnen op voortbouwen en dat is alvast een verdienste die niemand hem kan ontnemen.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Maarten van Dijck, 2 februari 2014.

Arie van der Schoor, De dorpen van Rotterdam. Van ontstaan tot annexatie Ad. Donker, Rotterdam, 2013, 295 p., geïll, kaarten, ISBN 9789061006817, prijs €29,50

door Marcel IJsselstijn

Dit boek kent een bijzondere voorgeschiedenis. Naar aanleiding van het verschijnen van de tweedelige stadsmonografie van Rotterdam (Stad in aanwas van Arie van der Schoor, 1999; Stad van formaat van Paul van der Laar, 2000) merkte Anton Stapelkamp, raadslid van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek, in het Rotterdams Dagblad op dat de geschiedenis van de vele geannexeerde dorpen onderbelicht bleef. Hoogleraar stadsgeschiedenis Paul van der Laar pakte de handschoen samen met Stapelkamp op. Er werd een symposium georganiseerd, waarna in 2002 een stichting werd opgericht om te komen tot een wetenschappelijke dorpsgeschiedenis van Rotterdam. Na veel lobbywerk verkreeg het project in 2007 een financiële garantstelling van de Rotterdamse gemeenteraad. Historicus Arie van der Schoor van het Stadsarchief Rotterdam werd aangesteld als auteur en werkte tussen 2008 en 2011 aan het boek. Nadat de langverwachte presentatie verschillende malen was uitgesteld, werd uiteindelijk op 2 oktober 2013 het eerste exemplaar aan burgemeester Aboutaleb overhandigd.

Eigenlijk gaat het hier dus om het derde deel van de stadsmonografie, maar dan vanuit een invalshoek die in Nederland nog amper is beproefd. Interessant is vooral de vergelijking met de recent verschenen Geschiedenis van de Zaanstreek (2012), die bestaat uit twee kloeke delen van elk 400 pagina’s, geschreven door maar liefst 24 specialisten. Hoe anders is de werkwijze die in Rotterdam gevolgd werd: één auteur die de gehele Rotterdamse dorpsgeschiedenis vanaf 1200 tot heden in minder dan 300 pagina’s beschrijft. Geldt hier het adagium ‘less is more’ of heeft men zich er – ondanks de dertien jaar van voorbereiding – te gemakkelijk vanaf gemaakt?

De dorpen van Rotterdam is een overzichtelijke en relevante studie, die vooral toont dat het stedelijke annexatieproces een veel langere aanloop heeft gehad dan veelal wordt gedacht

Volgens de meest ruime definitie telt Rotterdam veertien voormalige dorpen, inclusief de atypische gevallen van het al vroeg (1811) geannexeerde ambacht Cool en de buurtschap Hoek van Holland. Op de noordoever van de Maas gaat het om Delfshaven, Overschie, Schiebroek, Hillegersberg en Kralingen. Op de zuidoever om Rozenburg, Blankenburg, Hoogvliet, Pernis, Charlois, Katendrecht en IJsselmonde. In het eerste hoofdstuk maakt de lezer kennis met de situatie in de dorpen omstreeks 1850, zoals die valt op te maken uit gemeentelijke jaarverslagen en andere contemporaine bronnen. Een originele en slimme zet om niet meteen ‘traditioneel’ chronologisch te beginnen: niet alleen kan zo de diversiteit van het Rotterdamse dorpenlandschap direct voor het voetlicht gebracht worden, het prikkelt ook om verder te lezen doordat de lezer vanzelf nieuwsgierig wordt naar de chronologie van gebeurtenissen die heeft geleid tot die diversiteit.

De chronologie komt aan bod in de volgende hoofdstukken en is opgehangen aan landschappelijke veranderingen en daarmee samenhangende maatschappelijke ontwikkelingen: ontstaan (1000-1300), crises en verandering (1300-1500), landverlies, landwinst en welvaart (1500-1700), land uit water (1700-1850), groei en einde van de zelfstandige dorpen (1850-1960). Elk hoofdstuk besluit met een typering van de dorpen in de betreffende periode op basis van de flexibele matrix die Peter Clark ontwikkelde in zijn artikel in de bundel Small towns in early modern Europe (1995). Daarin stelde Clark voor om het ontstaan en ontwikkelen van dorpen en kleine steden te beschrijven aan de hand van demografische, economische, sociale, politieke en culturele eigenschappen.

Door de nadruk op de grote hoofdlijnen ontbreekt het zo nu en dan aan details die de geschiedenis ‘tot leven wekken’

Het sterkste punt van het boek is dat het een overzicht op hoofdlijnen biedt en de lezer niet laat ‘verdrinken’ in de geschiedenis. De belangrijkste hoofdlijn van het boek betreft de verhouding tussen stad en platteland (de dorpen). Van der Schoor laat zien hoe door de eeuwen heen de wederzijdse afhankelijkheid steeds verder toenam maar de belangen van de stad altijd prevaleerden. Vooral de stedelijke behoefte aan brandstof holde het platteland letterlijk uit. In de late middeleeuwen waren het slimme stedelijke grondbezitters die zich allerlei vrijheden konden permitteren in de turfwinning omdat zij als poorters niet onder het landrecht maar onder het stadsrecht vielen. Later, na de Opstand tegen de Spaanse overheersing, verwierven de stadsbesturen van Rotterdam en Delft zelf complete ambachten en voorrechten om hun belangen veilig te stellen. Opvallend genoeg lijkt daartegen niet veel weerstand vanuit de dorpen te zijn geweest. Van der Schoor spreekt van een “complex geheel van samenwerking en wederzijdse afhankelijkheid die de welvaart van beide partijen ten goede kwam” (p.150). De stedelijke invloed op het platteland kwam de dorpen namelijk ook zeker ten goede, bijvoorbeeld toen steden in de negentiende eeuw nieuwe infrastructuur en nutsvoorzieningen aanlegden waarvan de dorpen profiteerden.

Ook de gereconstrueerde inwonertallen van de dorpen bieden aardige inzichten in de verhouding tussen stad en platteland. Wie alles op een rijtje zet en vergelijkt met de cijfers van omliggende steden – naast Rotterdam ook Delft, Schiedam en Dordrecht – ontdekt bijvoorbeeld dat in de achttiende eeuw de meeste dorpen doorgroeiden terwijl de steden stagneerden of zelfs krompen. Ook de opkomst van het fenomeen ‘voorstad’ is goed te volgen. Aan de westzijde van Rotterdam groeide het inwonertal van het ambacht Cool tussen 1622 en 1733 van 260 naar 2.424, een toename van maar liefst 832 procent. Die groei zette ook in de negentiende eeuw door: in 1850 woonde er 9.000 mensen in Cool, dat toen al bijna vier decennia bij Rotterdam hoorde. Aan de oostzijde van Rotterdam, in Kralingen, voltrok zich eenzelfde ontwikkeling. Het inwonertal groeide daar tussen 1622 en 1732 van 750 naar 2.500, een toename van 233 procent.

De sterke kant van het boek is paradoxaal genoeg ook de zwakste kant. Door de nadruk op de grote hoofdlijnen ontbreekt het zo nu en dan aan details die de geschiedenis ‘tot leven wekken’. Hoe verder in het boek – en dus dichterbij de huidige tijd – hoe algemener en oppervlakkiger het verhaal wordt. Aan jaartallen geen gebrek, dat zeker niet, maar een uitweiding hier en daar op basis van een specifieke bron had soms treffender kunnen zijn om de essentie van een historische ontwikkeling of gebeurtenis over te brengen. Er staan ook te weinig kaartjes in om het verhaal te ondersteunen en te verbeelden. De paragraaf over nieuwe infrastructuur op p.200-207 had bijvoorbeeld prima met een kaartje geïllustreerd of samengevat kunnen worden; nu raakt de lezer het spoor bijna letterlijk bijster door de grote hoeveelheid jaartallen en andere informatie.

Doordat de lijn van de bestuurlijke ontwikkeling als enige consequent over de lange termijn is doorgetrokken, kan Van der Schoor aan het einde wel komen tot een relevante conclusie over ‘bestuurlijke inertie’: experimenten met bestuurlijke vernieuwing acht hij kansrijker naarmate deze beter aansluiten bij de historische bestuursstructuur

De haast exponentieel toenemende hoeveelheid bronnen richting de huidige tijd maakt het ook zeer lastig – zo niet onmogelijk – voor een auteur om zo’n overzicht te hebben dat hij de hoofdlijnen met treffende casussen kan illustreren. Dat is de keerzijde van dit boek, dat enigszins als een nachtkaars uitdooft. Het zevende en laatste hoofdstuk, over de periode 1960 tot heden, is namelijk zeer summier en past ook niet in het stramien van de eerdere hoofdstukken. Hoewel Van der Schoor stelt dat de reeds geannexeerde dorpen in deze periode, waarin ze ook stedenbouwkundig werden verenigd met Rotterdam, “de meest ingrijpende landschappelijke transformatie” (p.262) ondergingen, worden alleen bestuurlijke ontwikkelingen behandeld. Veel onderwerpen die voor lezers een feest van herkenning hadden kunnen zijn – welke wijken zijn er allemaal gebouwd in die periode, wie kwamen daar wonen en werken, wat rest er nog van de dorpen, niet alleen materieel maar ook immaterieel – blijven helaas liggen.

Doordat de lijn van de bestuurlijke ontwikkeling als enige consequent over de lange termijn is doorgetrokken, kan Van der Schoor aan het einde wel komen tot een relevante conclusie over ‘bestuurlijke inertie’: experimenten met bestuurlijke vernieuwing acht hij kansrijker naarmate deze beter aansluiten bij de historische bestuursstructuur (p.256). Dat belooft niet veel goeds voor het nieuwe Rotterdamse bestuursmodel met wijkgerichte gebiedscommissies, dat het systeem met deelgemeentes dit jaar zal vervangen.

Concluderend is De dorpen van Rotterdam een overzichtelijke en relevante studie, die vooral toont dat het stedelijke annexatieproces een veel langere aanloop heeft gehad dan veelal wordt gedacht. Het boek is tevens een uitstekende basis voor vervolgonderzoek omdat Van der Schoor regelmatig aangeeft welke zaken nog onduidelijk zijn. Ten slotte rest mij enkel nog mijn verbazing uit te spreken over de slechte eindredactie van het boek. Niet alleen de grote hoeveelheid typefouten had eruit gehaald moeten worden, ook de hier en daar omslachtige zinsbouw had een betere redactieslag verdiend (zie bijvoorbeeld het bijschrift bij de foto op p.201). Dat dit niet goed is gedaan is beschamend voor een boek waar zo lang aan gewerkt is en naar uitgekeken werd.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-4)

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Marcel IJsselstijn, 25 januari 2014.

Jan Hein Furnée, Plaatsen van beschaafd vertier. Standsbesef en stedelijke cultuur in Den Haag, 1850-1890 Bert Bakker, Amsterdam, 2012, 904 p., geïll., ISBN 9789035134843, prijs €49,95

door Christianne Smit, Universiteit Utrecht

Aan het 19de-eeuwse Den Haag kleeft het aura van een deftige en chique stad, waarin de wereld van Louis Couperus tot leven kwam door het optreden van de Haagse aristocratie, bestuurders, bezitters van ‘oud’ geld en teruggekeerde Indische pioniers. De voorname positie van deze groepen uitte zich in hun deftige huizen, weelderige kleding, luxueuze verteringen en deftige gedrag, maar ook in de manier waarop deze heren en hun families zich ontspanden. Door op bepaalde tijden specifieke plaatsen van vertier te bezoeken, op de juiste manier gekleed en in het gezelschap van correcte mensen, werd voor de buitenwereld duidelijk welke positie ze bezaten. Van welke sociëteit men lid was, of men naar de Franse of juist naar de Hollandse schouwburg ging en op welk Schevenings terras men plaatsnam: de afweging moest zorgvuldig gebeuren, want waar, wanneer en met wie men het spel van ‘zien en gezien worden’ bezigde, luisterde zeer nauw in de hofstad. De stedelijke sociale hiërarchie en de verschillende standen kregen namelijk in deze plaatsen van vertier ‘eigenlijk pas […] daadwerkelijk vorm en gestalte’ (p.20).

Dat is de stelling van Jan Hein Furnée die hij in de bewerking van zijn proefschrift Plaatsen van beschaafd vertier verdedigt. Door middel van een bestudering van de geschiedenis van vijf sociëteiten, een dierentuin, twee schouwburgen en de uitspanningen in Scheveningen wil Furnée inzicht geven in de structuur en het functioneren van de bovenlagen van de Haagse standensamenleving. Deze sociale lagen zijn al wel onderzocht op basis van volkstellingen en kiezerslijsten, maar het bestuderen van het uitgaansleven is nog slechts fragmentarisch gedaan, terwijl juist het gedrag op deze plaatsen inzicht geeft in de manieren waarop de standen zich van elkaar onderscheidden en welke in- en uitsluitingen en verschuivingen in de sociale structuur optraden.

Door middel van een bestudering van de geschiedenis van vijf sociëteiten, een dierentuin, twee schouwburgen en de uitspanningen in Scheveningen heeft Furnée inzicht gegeven in de structuur en het functioneren van de bovenlagen van de Haagse standensamenleving

Dankzij de bestudering van een schat aan bronnen als programmaboekjes, sociëteitsreglementen, kranten, gemeenteraadsverslagen, romans en pamfletten en de analyse van een grote hoeveelheid data uit kiezers- en ledenlijsten, adresboeken en volkstellingsregisters beschrijft Furnée in maar liefst 903 pagina’s nauwkeurig de geschiedenissen van uitgaansgelegenheden als sociëteit De Witte, de Fransche Schouwburg en de Haagse dierentuin. Hierbij heeft de auteur sappige details weten op te sporen: zo blijkt de oprichting van die dierentuin van soapachtige allure, met een ellenlange ontstaansgeschiedenis en een uiteindelijk toch wel schamel resultaat als ‘kippentuin’. Het langdurige getouwtrek om terrashekjes in het Haagse Bos of in Scheveningen is een prachtige illustratie van de pogingen om de sociale grenzen te bewaken, terwijl de prominente plaats van maintenees in de schouwburg of de goklust die in de sociëteiten telkens de kop opstak meer pikante problemen in het sociale leven laten zien.

Al met al bleek het vertier in de tweede helft van de 19de eeuw voor de hogere standen naast amusement zeker ook spanning met zich mee te brengen. Het was geen sinecure om door middel van die ontspanning de eigen sociale positie te tonen, te bewaken of zelfs een betere te veroveren. De verkramping van de hooggeachte maar niet zo bemiddelde ambtenaar die zich veel moeite moest getroosten om in de juiste kringen en met het juiste uiterlijk vertoon zijn vermaak te zoeken, wekt bijna medelijden op. Aandoenlijk zijn ook de inspanningen van de leden van de sociëteit De Vereeniging, die, vooral afkomstig uit de hogere middenklasse, zich rond het midden van de eeuw laten voorstaan op hun verheven morele gedrag als veronderstelde kern van de natie, maar later meer gaan twijfelen aan hun sociale status. Het is knap van Furnée dat hij niet alleen zulke ontwikkelingen aantoont maar bijvoorbeeld ook laat zien dat het afschaffen van de aanwezige, typisch burgerlijke, kegelbaan direct gerelateerd was aan deze vertwijfeling. Beschaving en verburgerlijking, het afgrenzen van de eigen sociale groep en het doorbreken van de distantie, het gevaar van afzakken en de hunkering om op te klimmen, op basis van een serieuze moraal of met joie de vivre: de plaatsen van beschaafd vertier blijken bepaald geen saaie aangelegenheden.

Het langdurige getouwtrek om terrashekjes in het Haagse Bos of in Scheveningen is een prachtige illustratie van de pogingen om de sociale grenzen te bewaken, terwijl de prominente plaats van maintenees in de schouwburg of de goklust die in de sociëteiten telkens de kop opstak meer pikante problemen in het sociale leven laten zien

De verdienste van het boek ligt in het open oog waarmee Furnée zijn onderwerp tegemoet is getreden. Hij had kunnen volstaan met een beschrijving van plekken waar de hogere klassen hun ontspanning zochten en de verschuivingen die daarbij optraden. Dat heeft hij ook op uitgebreide, beeldende manier gedaan. Hij heeft dit echter ook in een bredere context geplaatst, met aandacht voor politiek, machtsverhoudingen en sekseverschillen. Daardoor wordt duidelijk dat het seksespecifieke gedrag gevarieerder was dan algemeen wordt aangenomen: zo kregen vrouwen binnen een aantal van die plaatsen een bewegingsruimte die voorheen ongekend was. Ook laat hij zien hoezeer de plaatsen van vertier verweven waren met de politieke cultuur van die tijd: zelfs een sociëteit, een dierentuinbestuur of de programmering van artiesten in een schouwburg bleken een politieke oefening te kunnen zijn en werden daarmee onderdeel van het democratiseringsproces dat plaatshad. De soms wat té uitgebreide beschrijvingen van deels gelijksoortige plekken vallen dan ook in het niet bij het diepgravende en betekenisvolle beeld dat Furnée van het chique Den Haag weet te schetsen.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-3/4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Christianne Smit, 3 december 2013.

Marion Boers, De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw Verloren, Hilversum, 2012, 116 p., geïll., ISBN 9789087042882, prijs €14,-

door Christi Klinkert, Stedelijk Museum Alkmaar

Buitenlandse toeristen verbaasden zich rond 1640 over de schilderijenhonger van de Hollanders: ze hingen hun huizen vol met geschilderde landschappen, huiselijke tafereeltjes, stillevens, portretten et cetera. In De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw legt Marion Boers uit hoe de schilderijenmarkt in de Noordelijke Nederlanden zo explosief kon groeien. Enerzijds was er natuurlijk de toenemende welvaart van de burgerij – men kreeg steeds meer te besteden, en gaf zijn geld graag aan schilderijen uit. Anderzijds speelden kunstenaars en handelaren handig op die vergrote koopkracht in – zij waren ondernemers, die hun producten en diensten steeds vernieuwden om klanten te trekken. Op die laatste kant van de groei, de kunsthandel, concentreert Boers zich. Meer specifiek gaat ze na hoe diverse verkoopkanalen bijgedragen hebben aan de expansie van de kunstmarkt.

Het openingshoofdstuk ‘De kunstenaar als ondernemer’ is lezenswaardig, maar taai. Boers legt daarin uit dat de bloei van de Hollandse kunsthandel eigenlijk de culminatie is van een ontwikkeling die rond 1480 in Gent en Brugge begon. Daar gingen kunstenaars, gedwongen door verslechterde economische omstandigheden, op zoek naar efficiëntere productietechnieken en nieuwe productsoorten om hun werk aan een breed publiek te kunnen verkopen. De vele zuidelijke vluchtelingen die na de val van Antwerpen naar het noorden trokken moeten de aanzet hebben gegeven voor de commercialisering van de kunstmarkt aldaar. Dat Boers uitgebreid vertelt over de schildertechnische vernieuwingen van zuidelijke kunstenaars, is – hoe boeiend de stof ook is – wat verwarrend: we gingen toch lezen over de handel?

Buitenlandse toeristen verbaasden zich rond 1640 over de schilderijenhonger van de Hollanders: ze hingen hun huizen vol met geschilderde landschappen, huiselijke tafereeltjes, stillevens, portretten et cetera. In De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw legt Marion Boers uit hoe de schilderijenmarkt in de Noordelijke Nederlanden zo explosief kon groeien

De verwarring is snel verdwenen. De hoofdstukken die volgen op ‘De kunstenaars als ondernemer’ behandelen elk een bepaald verkoopkanaal: de schilder als handelaar, de professionele kunsthandel, veilingen, jaarmarkten en loterijen. Dan komt het betoog tot leven, omdat die hoofdstukken gedragen worden door historische figuren. We werpen een blik in de winkels van de Amsterdamse schilder-handelaar Cornelis van der Voort en zijn Haarlemse evenknie Jan Miense Molenaer. We kijken mee over de schouder van de uitdraagster Barber Jacobs (die met haar werk de schildersopleiding van haar zoon Pieter Lastman moet hebben betaald), van de handelaar in goedkope schilderijen Crijn Volmarijn en zijn sjiekere collega, de firma Uylenburgh, waarin Rembrandt een actieve rol speelde. En we krijgen een glimp van het diplomatieke krachtenveld waarin Michel le Blon zich waagde. Die speurde als een soort special agent voor vorsten naar waardevolle kunstvoorwerpen – en verhandelde en passant ook waardevolle informatie. Behalve dezen passeren nog veel meer concrete personen de revue. Fascinerend en leerzaam om kunstenaars die zo bekend zijn om hun artistieke prestaties eens in een commerciële rol te zien!

Boers moet een indrukwekkende hoeveelheid archiefbronnen hebben doorgespit. Dit en vooral de toegankelijke, verhalende manier waarop ze haar bevindingen presenteert dwingen respect af. Natuurlijk is ze schatplichtig aan voorgangers en collega’s, onder wie de Amerikaanse ‘kunst-econoom’ John Michael Montias en onze eigen Marten Jan Bok. Die schatplichtigheid steekt ze niet onder stoelen of banken, maar wordt ruim verantwoord in inleiding, noten en bibliografie. Zo kan deze uitgave fungeren als een inleiding in het onderzoek naar de vroegmoderne Noord-Nederlandse kunsthandel.

Boers moet een indrukwekkende hoeveelheid archiefbronnen hebben doorgespit. Dit en vooral de toegankelijke, verhalende manier waarop ze haar bevindingen presenteert dwingen respect af

De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw vormt het 31ste deel in de Zeven Provinciën Reeks van Uitgeverij Verloren. De uitgaven in deze reeks wekken altijd mijn belangstelling – maar telkens als ik er eentje lees, komt een lichte ergernis op. Volgens de website van Verloren stellen ‘sommige deeltjes zich tot doel om een grotere kwestie in compact formaat te presenteren aan een breder publiek, andere diepen juist een bijzondere casus, tekst of episode uit.’ Met dat concept is op zichzelf natuurlijk niets mis, mijn irritatie geldt de uitwerking ervan.

Waarom is de vormgeving bijvoorbeeld al jarenlang zo fantasieloos en saai? De boekjes lijken net masterscripties die schools in Word zijn opgemaakt. De vaak nogal fletse omslagen zullen niet erg helpen het geïntendeerde ‘brede publiek’ te bereiken. Misschien is dat nog niet eens zo erg. Want de teksten zijn meestal wel beknopt, maar toch van een hoog soortelijk gewicht. Me dunkt dat ze vooral voor de meer doorgewinterde wetenschappers (historici, letterkundigen, kunsthistorici, boekwetenschappers) te verhapstukken zijn. Uiteindelijk is de reeks kennelijk toch niet voor een al te breed publiek bedoeld, maar ‘door wetenschappers, voor wetenschappers’. Jammer! Met een frissere vormgeving en een vlottere toon kunnen de studies vast ook de wat minder ingewijde cultuurliefhebbers boeien.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-3/4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Christi Klinkert, 3 december 2013.

Pit Dehing, Geld in Amsterdam. Wisselbank en wisselkoersen, 1650-1725 Verloren, Hilversum, 2012, 488 p., geïll., ISBN 9789087043117, prijs €45,-

door Alberto Feenstra, Universiteit van Amsterdam

In Geld in Amsterdam geeft Pit Dehing een inkijkje in de financiële keuken van één van Amsterdams belangrijkste instellingen van de Gouden Eeuw: de Wisselbank. Het proefschrift is gebaseerd op een steekproef van 15 jaren uit de rekeningen van de wisselbank die een ongelooflijke hoeveelheid bronmateriaal op leverde, waaruit een indrukwekkende dataset is gecreëerd (p. 35-36, 307-308). Met behulp van een groot aantal grafieken, tabellen en illustraties beschrijft hij de geschiedenis van de Wisselbank tussen 1650 en 1725, waartoe het boek zich overigens niet beperkt. Het boek bevat zowel de aanloop naar de oprichting in 1609 als lange-termijnanalyses tot aan 1795.

Dehings doel is om de rol van de Wisselbank te verduidelijken door de opzet en werking ervan te bestuderen, waarbij hij zich op twee vragen richt. Ten eerste wil hij weten of de Wisselbank een passend instrument voor de bestrijding van Amsterdams belangrijkste monetaire problemen was. Ten tweede onderzoekt hij welke effecten de operaties van de bank op de Amsterdamse wisselmarkt hadden. Deze tweedeling komt terug in de opbouw van het boek, dat naast inleiding en conclusie acht inhoudelijke hoofstukken bevat. De hoofstukken 3 tot en met 6 richten zich op de werking van de bank, de hoofstukken 7 tot en met 9 op de effecten ervan.

In hoofdstuk 2 beschrijft Dehing de algemene en financiële achtergrond van Hollands economische ontwikkeling. De weinig verrassende beschrijving wordt overigens niet gekoppeld aan de discussie of financiële instituties in reactie op economische groei ontstaan of zelf groeibevorderend zijn, zoals Dehing die in het inleidende hoofdstuk uitvoerig uiteenzette. De hoofdstukken 3 en 4 geven een gedetailleerde beschrijving van oprichting en functioneren van de bank. In hoofdstuk 4 wordt de recepis, een verhandelbare kwitantie van storting, geïntroduceerd als nieuw instrument, samen met de activiteiten van de bank op de vrije markt. Beide elementen en hun gebruik worden in het daaropvolgende hoofdstuk nog preciezer uitgelegd.

In Geld in Amsterdam geeft Pit Dehing een inkijkje in de financiële keuken van één van Amsterdams belangrijkste instellingen van de Gouden Eeuw: de Wisselbank

Ook de hypothese dat de Wisselbank een Centrale Bank-functie vervulde door middel van de monetaire politiek wordt in hoofdstuk 5 uitgewerkt op basis van regressiefuncties. Ondanks de sterke cijfermatige onderbouwing, blijft het de vraag of dit een vooropgezet plan was of dat improvisatie hetzelfde resultaat opleverde. Kwalitatieve bronnen hadden misschien extra inzicht kunnen geven in de motieven van de bankbestuurders. Verder stelt Dehing dat de omloopsnelheid van het bankgeld hoog was. Een uitgebreide vergelijking met geld buiten de bank, zowel in Amsterdam als internationaal had dit argument kracht kunnen bijzetten. Hoofdstuk 6 analyseert de bedrijfsresultaten van de bank gedurende zijn bestaan. Zodoende is het eerste deel voor de ingeleide lezer wellicht een te gedetailleerde beschrijving van de werking van de bank.

De goede analyse van de relatie tussen rentestructuur (in hoofdstuk 2; tabel 2.2) internationale handelstransacties en metaalvoorraden in hoofdstuk 7 wordt in hoofdstuk 8 uitgewerkt door te laten zien dat de lage waardering van het Vlaamse pond in Amsterdam, de Hollandse kooplieden  kunstmatig een concurrentievoordeel opleverde. Hoe dit doorwerkte in de opkomst van  Amsterdam als internationaal financieel centrum laat Dehing in hoofdstuk 9 zien, door middel van een centraliteitsindex. Hiermee is het een cijfermatige verbetering van het argument van Lucien Gillard in 2009.

Als er één ding duidelijk wordt uit Dehings boek is het wel dat de vroegmoderne financiële wereld aan complexiteit weinig onderdeed voor die van vandaag

De tragiek van dit boek is dat Dehing tussen de start in 1989 en de afronding in 2012 is ingehaald door publicaties van collega-historici, zoals Quinn en Roberds die al in 2009 betoogden dat de Wisselbank een Centrale Bankfunctie vervulde. Doordat Dehing een veelheid aan technische macro-economische begrippen om die historische ontwikkelingen te duiden, loopt de tekst soms enigszins stroef.  De toevoeging van een verklarende woordenlijst had het tekstbegrip kunnen verbeteren. Ook de grote hoeveelheid citaten en de intermezzo’s aan het einde van de hoofdstukken 2, 3, 6, 7en 8 onderbreken de lijn van het verhaal. Wellicht had het boek kunnen profiteren van een betere integratie van de intermezzo’s, zoals over de frauderende boekhouder Rutgert Vlieck in hoofdstuk 3, die na ontdekking ter dood werd veroordeeld en onthoofd. Hier laat Dehing sterke parallellen met het heden zien in de verlokkingen van het snelle geld.

Want, als er één ding duidelijk wordt uit het boek is het wel dat de vroegmoderne financiële wereld aan complexiteit weinig onderdeed voor die van vandaag, waardoor zowel toen en nu markt en overheidsinstellingen in voortdurende wisselwerking hun eigen doelen nastreven. Zodoende slaagt hij in zijn streven de complexiteit van de wisselbank te laten zien. In hoeverre Dehing ook geslaagd is in zijn opzet de rol van de Wisselbank te verduidelijken moet de lezer zelf beoordelen. Dehings bijdrage is vooral gelegen in het gebruik van grote hoeveelheden historische data, waarmee hij de mogelijkheden van statistisch onderzoek met historisch materiaal aantoont, wat een uitnodiging is voor vervolgonderzoek.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1)

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Alberto Feenstra, 9 november 2013.

Joke Spaans, De levens der maechden: het verhaal van een religieuze vrouwengemeenschap in de eerste helft van de zeventiende eeuw Verloren, Hilversum, 2012, 166 pp., met een bijlage op CD, ISBN 9789087042899, prijs €19,-

door Erika Kuijpers, Universiteit Leiden

Vanaf 1581 was in heel Holland de katholieke eredienst verboden. Kloosters en andere religieuze instellingen werden opgedoekt, en het nog steeds omvangrijke katholieke bevolkingsdeel was voor de bediening van de sacramenten aangewezen op clandestiene bijeenkomsten en in het geheim opererende ambulante priesters. Voor de kerk van Rome werd Holland missiegebied. In deze periode ontstond er in Haarlem een gemeenschap van ongehuwde katholieke vrouwen die een semi-religieus leven leidden.

Hoewel zij niet langer konden intreden in een klooster dicht bij huis voelden nog steeds veel vrouwen zich geroepen tot een religieus leven van werken en bidden. Deze geestelijke maagden werden in de zeventiende eeuw klopjes genoemd. De kloppenvergadering in Haarlem telde al gauw zo´n tweehonderd leden. Zij stonden onder toezicht van een priester maar hadden daarnaast ook een geestelijke moeder. Tryn Jans Oly, een Amsterdamse regentendochter, was de moeder van de vergadering in het tweede kwart van de zeventiende eeuw. In deze periode maakte zij levensbeschrijvingen van overleden maagden. Net als in veel kloosters werden die levens, of zusterboeken, gebruikt om uit voor te lezen zodat andere leden van de gemeenschap er een voorbeeld aan konden nemen.

In de levens werden de deugden en bijzondere verdiensten van de overledene beschreven. Belangrijke deugden voor een maagd waren natuurlijk vroomheid, soberheid en kuisheid maar de levensbeschrijvingen zijn verre van uitwisselbaar. Juist grote verschillen tussen karakters en talenten komen er in naar voren, als ook de verschillen in sociale achtergrond en het soort omstandigheden waarin vrouwen leefden en de tegenslagen die ze in hun leven kregen te verwerken. Dat maakt dat de levens een fascinerend inkijkje bieden in juist individuele levensomstandigheden en soms ook het leven van alledag.

Tryn Jans Oly, een Amsterdamse regentendochter en moeder van de Haarlemse kloppenvergadering, maakte in het tweede kwart van de zeventiende eeuw voorbeeldige levensbeschrijvingen van overleden maagden

Zo is er de maagd Maria Bastyaens die toelegt op het opsporen en opknappen en in ere herstellen van oude afgebladderde heiligenbeelden, die ze opduikelt in stoffige kelders en zolders tot ver buiten Haarlem. Of Tryn Areians, die de teloorgang van het katholicisme zozeer persoonlijk ter harte gaat dat ze wel met de ketters moet spreken om ze tot betere inzichten te brengen. Of over Geertruyt Pieters die zo’n grote ‘treck’ had tot ‘innicheyt’, dat ze ondanks een heel slechte gezondheid en een ‘pyndelicken lichaem’ zich ‘booven haer zelven conde verheeven’ dat ze vaak zo lang in de kerk zat ‘datse daer oock altement bynae voor doot afgebracht werde.’

Spaans behandelt in haar boek een aantal belangrijke thema’s die de maagdenlevens in hun historische context plaatsen. Wat haar werk steeds zo waardevol maakt is dat ze haar imponerende kennis van religiegeschiedenis combineert met sociale geschiedschrijving. Na een beschrijving van de religieuze verhoudingen in Holland na de Opstand in het eerste hoofdstuk volgen hoofdstukken over de organisatie van de Hollandse missie de sociale achtergronden en netwerken van de kloppen en de interne organisatie van de kloppengemeenschap. Maar het interessantst vind ik de hoofdstukken vijf en zes, die over herinnering gaan en over vroomheid.

Zoals Geertruyt Pieters, die zo’n grote ‘treck’ had tot ‘innicheyt’, dat ze ondanks een heel slechte gezondheid en een ‘pyndelicken lichaem’ zich ‘booven haer zelven conde verheeven’ dat ze vaak zo lang in de kerk zat ‘datse daer oock altement bynae voor doot afgebracht werde’

Dit zijn thema’s waarvoor historici vaak zijn aangewezen op geleerde of regelgevende bronnen, of op religieuze werken. Slechts zelden kun je zo dicht tot de belevingswereld en de praktijk van vroomheid naderen als in deze levensbeschrijvingen. Natuurlijk zijn deze levens ook gemodelleerd naar het voorbeeld van bestaande literatuur, bijvoorbeeld de heiligenlevens die door de maagden veel werden gelezen. En natuurlijk werd er over de doden vooral veel goeds geschreven, tenslotte moesten zij, of in ieder geval hun deugden, tot voorbeeld strekken voor de rest van de gemeenschap. Maar toch geven de teksten onverwachte inkijkjes. Trijn Oly beschrijft vaak ook met welke zwakheden de overledene had geworsteld, bijvoorbeeld dat ze ‘veel tenthacie gheleeden heeft vant gheloof, van onsuiverheit, cleinmoedicheyt ende dierghelycke’.

Het omgaan met tegenslag was natuurlijk een belangrijk ijkpunt voor ware godsvrucht. Lijden zonder te klagen en niet verzaken in plichten ongeacht de omstandigheden was een hooggewaardeerde deugd. Ook het omgaan met de verleidingen van de wereld, waar deze vrouwen veel meer dan nonnen in een klooster aan waren blootgesteld zijn een belangrijk thema. Des te mooier als een maagd zo’n verleiding had weerstaan, zoals Aefgen Jacobs, waar een rijke koopman een oogje op had gehad, maar die het geld dat hij haar bood had weggesmeten ‘als oft een borse met slangen en serpenten geweest hadt’.

Joke Spaans heeft een aantal interessante thema’s uit de levens uitgediept en toegelicht – en bovendien is een transcriptie van de Levens op cd-rom toegevoegd aan dit boek

Joke Spaans heeft een aantal interessante thema’s uit de levens uitgediept en toegelicht. Het is een weldadig helder geschreven boek geworden. Bovendien is een transcriptie van de Levens op cd-rom toegevoegd aan dit boek. Drie keer 400 pagina’s doorzoekbare vakkundig getranscribeerde tekst van ruim 200 levens van maagden en daarnaast nog uitvaartpreken, getuigenissen en religieuze spreuken, voorzien van inhoudsopgaven, namenlijsten en een index. Met dat monnikenwerk heeft ze een brede groep van geïnteresseerden in de vroegmoderne geschiedenis een enorme dienst bewezen. En zo is Spaans op haar beurt een nastrevenswaardig voorbeeld voor ons.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

 Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Erika Kuijpers, 3 november 2013.