Recensie A. Agnes Sneller, De Gouden Eeuw in gedichten van Joost van den Vondel (1587-1679)

A. Agnes Sneller, De Gouden Eeuw in gedichten van Joost van den Vondel (1587-1679) Verloren, Hilversum, 2014, 107p., geïll., ISBN 9789087043926, prijs €14

door Berith van Pelt, redacteur Codex Historiae Vrije Universiteit

Joost van den Vondel was tijdens zijn leven de beroemdste dichter van de Gouden Eeuw. Hij kreeg toentertijd niet voor niets de bijnaam ‘prins der dichters’. Dat is tegenwoordig wel anders. Vondels poëzie is verworden tot verplichte literatuur in studies Nederlands en wordt door slechts weinig mensen nog graag gelezen. Sneller beschrijft de relatie tussen Vondel en de hedendaagse literatuurliefhebber als afstandelijk; Vondels werk is te moeilijk leesbaar voor het publiek van nu. Terwijl het werk van Vondel ook nu wel degelijk inspirerend kan zijn, zo meent de auteur. Uit deze overtuiging is het boek De Gouden Eeuw in gedichten van Joost van den Vondel (1587-1679) voortgekomen. Aan de hand van verschillende thema’s typeert de auteur zowel de Gouden Eeuw in het algemeen als het werk van Joost van den Vondel.

Sneller heeft er goed aan gedaan het boek in te delen in thema’s, en niet op basis van chronologie, zoals bij een boek met een historische insteek wellicht te verwachten is. Op deze manier beschrijft ze een gehele eeuw in een behapbaar boek, dat zo niet alleen voor ervaren professoren leesbaar is

Na een inleiding, waarin de auteur haar overwegingen uiteenzet, volgen vier hoofdstukken die elk uitweiden over een typerend kenmerk van (het werk van) Joost van den Vondel. Het eerste hoofdstuk, ‘Joost van den Vondel, Amsterdammer’, gaat over de ouders en jeugd van Vondel en over zijn overtuigingen. Hier wordt duidelijk dat Vondel al vanaf jonge leeftijd maatschappelijk betrokken was, wat ook in zijn verdere werk een rol zal spelen. Daarnaast leert dit hoofdstuk de lezer in het kort iets over de rederijkerskamers in de Gouden Eeuw, waarvan ook de jonge Joost lid was. Het hoofdstuk ‘’t is Bruiloft’ is geheel gewijd aan de huwelijksmoraal in de Gouden Eeuw, die door de auteur wordt uitgelegd aan de hand van passages uit gedichten van Vondel. In de Gouden Eeuw werden veel huwelijken gesloten met het politieke belang als belangrijkste drijfveer. Zodra er kinderen werden geboren, was het huwelijk geslaagd. Sneller brengt passages naar voren waarin deze conventies door Vondel aangehaald worden, maar laat daarnaast ook zien hoe Vondel afweek van de patronen.

Sneller lijkt willekeurige gedichten van Vondel gekozen te hebben bij de vier thema’s, die wel veel vertellen over Vondel, maar die niet altijd duidelijk gelinkt worden aan het leven van een gemiddelde burger in de zeventiende eeuw. Het toegankelijk maken van het werk van Vondel is Sneller dan ook slechts deels gelukt

Hierna volgt een hoofdstuk over het Amsterdamse bestuur tijdens de Gouden Eeuw, getiteld ‘Amsterdam, ‘de grootste koopstadt van Euroop’’. In dit hoofdstuk gaat de auteur uitgebreid in op de inwijding van het nieuwe stadhuis op de Dam. Vervolgens komt het bestuur van de stad aan bod, met in het bijzonder de burgemeesters, die het in de praktijk voor het zeggen hadden in het bestuur.

Het boek sluit af met een hoofdstuk over ‘Het Huis van Oranje-Nassau’. Achtereenvolgens verschijnen Maurits, Frederik Hendrik en Willem II ten tonele. Vondel was erg betrokken bij het stadhouderlijk huis en vooral Frederik Hendrik ontving van hem niets dan lof. In de gedichten die hij voor en over de verschillende stadhouders schreef, komt bovendien sterk Vondels vrijheidsideaal naar voren. Zelfs tijdens het stadhouderloos tijdperk wijdde de dichter werk aan de familie Oranje-Nassau.

De Gouden Eeuw in gedichten van Joost van den Vondel (1587-1679) is een aardig boek voor wie niet te diep op de materie wil ingaan, maar is voor een (literatuur)historicus niet bijzonder interessant

Sneller heeft er goed aan gedaan De Gouden Eeuw in gedichten van Joost van den Vondel (1587-1679) in te delen in thema’s, en niet op basis van chronologie, zoals bij een boek met een historische insteek wellicht te verwachten is. Op deze manier beschrijft ze een gehele eeuw in een behapbaar boek, dat zo niet alleen voor ervaren professoren leesbaar is. Het is mij echter niet duidelijk of de auteur de nadruk nu juist op Vondel wil leggen of op het leven in de Gouden Eeuw. Sneller lijkt willekeurige gedichten van Vondel gekozen te hebben bij de vier thema’s, die wel veel vertellen over Vondel, maar die niet altijd duidelijk gelinkt worden aan het leven van een gemiddelde burger in de zeventiende eeuw. In andere delen van de tekst daarentegen, wijdt ze uitgebreider uit over typerende kenmerken van de Gouden Eeuw en betrekt ze Vondel daar slechts zijdelings bij. Hierdoor wordt op beide invalshoeken niet diep ingegaan.

Het toegankelijk maken van het werk van Vondel is Sneller dan ook slechts deels gelukt. Doordat ze Vondels werk en leven uiteenzet tegen het perspectief van de tijd, komt Vondel weliswaar meer tot leven en zijn zijn gedichten beter te plaatsen, maar doordat de gedichten zelf niet de hoofdrol spelen in het boek, ontstaat na het lezen niet het idee dichter bij het werk van Vondel te zijn gekomen. Een bijlage met de complete gedichten had een mooie toevoeging aan het boek geweest. Kortom, De Gouden Eeuw in gedichten van Joost van den Vondel (1587-1679) is een aardig boek voor wie niet te diep op de materie wil ingaan, maar is voor een (literatuur)historicus niet bijzonder interessant.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Berith van Pelt, 7 april 2015.

Getagd met