Recensie Perry Moree en Piet van Sterkenburg red., Verdrinken zonder water

Perry Moree en Piet van Sterkenburg red., Verdrinken zonder water. De memoires van VOC-matroos Jan Ambrosius Hoorn, 1758-1778 Walburg Pers, Zutphen, 2014, 265 p., ISBN 9789057309953, prijs €33,65

door Erik Odegard, Universiteit Leiden

Dit honderd dertiende deel in de serie Werken van de Linschoten Vereniging is een heruitgave van de memoires van Jan Ambrosius van Hoorn (1742-1821) die tussen 1758 en 1778 in verschillende capaciteiten werkzaam was bij de VOC Azië en als vrijburger in Batavia. Van Hoorn schreef zijn memoires op 75-jarige leeftijd in 1817 en het werk werd in 1819 uitgegeven door Wolter van Boekeren in Groningen voor een prijs van twee gulden.

Uit vergelijking van het verslag van Van Hoorn met andere bronnen zijn discrepanties aan het licht gekomen. De bezorgers hebben hier goed onderzoek verricht en kunnen op een aantal punten aangeven wie of welk schip Van Hoorn eigenlijk bedoelde, maar ook geven ze aan welke uitspraken niet gestaafd kunnen worden aan andere bronnen

Het eigenlijke verslag van Van Hoorn wordt ingeleid door een beschouwing van de bezorgers over de achtergrond van de persoon van Van Hoorn, het boek en de uitgever. Het proces waarin Jan van Hoorn uiteindelijk zijn memoires ging schrijven wordt geanalyseerd. Dit is van belang voor het begrip van de tekst van de memoires zelf, omdat er uit vergelijking van het verslag van Van Hoorn met andere bronnen discrepanties aan het licht komen. De bezorgers hebben hier goed onderzoek verricht en kunnen op een aantal punten aangeven wie of welk schip Van Hoorn eigenlijk bedoelde, maar ook geven ze aan welke uitspraken niet gestaafd kunnen worden aan andere bronnen. Ook in de tekst van de memoires worden, door middel van voetnoten, kritische aantekeningen geplaatst en sommige lastige woorden uitgelegd. De memoires zelf zijn goed bezorgd en prettig te lezen. Zoals de bezorgers al aangeven was Van Hoorn wars van lastig taalgebruik of ‘mooischrijverij’. De zinnen zijn eenvoudig en duidelijk opgezet en het geheel is prettig leesbaar en goed te volgen.

Dit boek laat duidelijk zien wat het eigenlijk ook is: de sterke verhalen van een oude man. Van Hoorn eist vaak een heldenrol voor zich op

Het eigenlijke boek valt uiteen in twee delen. Deel 1 met de titel ‘Mijne lotgevallen ter zee’ behandelt de periode 1758-1767 en Van Hoorns werkzaamheden als matroos bij de VOC. Het tweede deel, ‘Mijne bedrijven op Batavia’, behandelt de periode 1767-1778, waarin Van Hoorn verscheidene baantjes had in Batavia en later als substituut waterfiscaal werkzaam was. De eerste periode begint natuurlijk met het van huis weglopen van Van Hoorn en zijn aanmonstering bij de VOC. Hierna volgt een beschrijving van zijn eerste reis naar Batavia, kortere reizen in de Indische wateren en de tocht naar Malakka aan boord van de Pasgeld in 1760-1762 die door Van Hoorn uitgebreid wordt beschreven. Dit is een zeer interessant stuk in het boek, aangezien hier duidelijk een beeld wordt gegeven van de methode van oorlogvoering tussen de VOC en lokale machten in het gebied wat de compagnie beschouwde als haar invloedssfeer. Van Hoorn eist hier, net als elders in zijn memoires, een heldenrol voor zich op. Na Malakka gaat het verslag verder met zijn terugreis en thuiskomst. Hierna treedt Van Hoorn opnieuw in dienst van de VOC en gaat naar Ceylon. Na afgebroken huwelijksplannen aldaar gaat Van Hoorn naar Batavia waar hij kwartiermeester wordt op de equipagiewerf. Na een conflict met zijn superieur wordt zijn positie onmogelijk vraagt en hij in 1767 het vrijburgerschap aan. Het tweede deel van het boek sluit hier op aan en behandelt de activiteiten van Van Hoorn in Batavia als vrijburger en later als assistent-waterfiscaal. De beschrijvingen van de (illegale)handeltjes waar Van Hoorn zich mee inliet zijn interessant en ook de talrijke beschrijvingen van de positie van slaven in de Bataviase maatschappij in deze periode zijn fascinerend.  

De kracht van het boek ligt niet in het accuraat weergeven van feitelijke gebeurtenissen, maar eerder in het inzicht in de wereld van de VOC in de late achttiende eeuw. De omgang met weggelopen en amok-makende slaven neemt hier een belangrijke plaats in en biedt een fascinerend inzicht in de omgang met Aziatische slaven, een onderzoeksonderwerp wat pas recent meer aandacht krijgt

Bij dit soort memoires zijn natuurlijk kritische aantekeningen te maken wat betreft de betrouwbaarheid. Zo is er de al eerder genoemde neiging van Van Hoorn om een heldenrol op te eisen. Wat dit betreft laat het boek duidelijk zien wat het eigenlijk ook is: de sterke verhalen van een oude man. Van Hoorn eist, zoals gezegd, vaak een heldenrol voor zich op. Het lijkt er dan ook op dat Van Hoorn op hoge leeftijd zijn herinneringen heeft verfraaid door zichzelf een meer prominente rol te geven dan hij eigenlijk had. Dit geven de bezorgers ook al aan door te laten weten dat de beweringen van Van Hoorn niet uit andere bronnen bleek. Deze zelfoverschatting van de verteller is echter eigenlijk geen probleem, want de kracht van het boek ligt niet in het accuraat weergeven van feitelijke gebeurtenissen, maar eerder in het inzicht die het biedt in de wereld van de VOC in de late achttiende eeuw. Dit geldt voor de beschrijving van Van Hoorn van de expeditie naar Malakka, maar vooral voor zijn leven in Batavia. De omgang met weggelopen en amok-makende slaven neemt hier een belangrijke plaats in en biedt een fascinerend inzicht in de omgang met Aziatische slaven, een onderzoeksonderwerp wat pas recent meer aandacht krijgt. Ook Van Hoorns activiteiten in Batavia als assistent- waterfiscaal passen hier goed bij. In deze functie moest hij smokkel tegengaan, maar uit zijn beschrijving blijkt dat de functie eerder bestond uit het selectief laten passeren van de illegale vrachten van de Bataviase elite. Hiermee kon Van Hoorn belangrijke beschermheren verwerven en zijn eigen positie uitbouwen. De kracht hier ligt in de openhartigheid en merkbaar plezier waarmee Van Hoorn deze (illegale) activiteiten uit de doeken doet. Het verslag leest prettig weg en vormt een waardevolle aanvulling op de bestaande literatuur over de laat-achttiende eeuwse VOC.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Erik Odegard, 7 april 2015.

Getagd met