Sabine Craft-Giepmans, Hilde Gilissen, Annette de Vries, Adellijke familieportretten op Duivenvoorde Waanders Uitgevers, 2015, Zwolle, 176 p. geïll., ISBN 9789462620407, prijs €22,50

door Frauke Laarmann-Westdijk, Open Universiteit Amsterdam

Sinds een aantal jaren verheugt het portret zich in een groeiende belangstelling. Ooit als artistiek minderwaardig beschouwd, spelen portretten inmiddels een belangrijke rol in het kunst- en cultuurhistorisch onderzoek, onder meer vanwege hun identiteitsvormende functie. Zo zijn er inmiddels studies verschenen over lokale tradities – bijvoorbeeld Gelderse of Enhuizense portretten – aparte portretgenres zoals huwelijks-, kinder- of zelfportretten en uitingen van burgerlijk zelfbewustzijn, waaronder schutterstukken en Amsterdamse Kopstukken.

De publicatie Adellijke familieportretten op Duivenvoorde verscheen ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling op het kasteel in Voorschoten in de zomermaanden van 2015. Het boek wil echter meer zijn dan een tentoonstellingscatalogus en probeert zowel een wetenschappelijk als ook geïnteresseerd lekenpubliek te bedienen. De auteurs behandelen de geschiedenis van alle portretten die ooit een plek in het kasteel hebben gehad of er nog steeds zijn. Voor de lezer is het van belang om de ruime omvang die in de geformuleerde ambitie schuil gaat, goed te begrijpen. Slechts een klein deel van het boek handelt over de bewoners van Duivenvoorde en de geschiedenis van het kasteel zelf. Een groot deel van de portretten die er hingen, is ooit min of meer toevallig hier belandt.

Werken die weliswaar van belang zijn voor de verschillende families maar nooit op Duivenvoorde hebben gehangen, zijn als steunafbeeldingen opgenomen zodat het boek een rijk geïllustreerd, mooi bladerboek voor geïnteresseerden in de adellijke geschiedenis van dit land is

In adellijke families was (en is) het gebruikelijk dat de per generatie groeiende collectie voorouderportretten op de oudste zoon wordt vererfd, of – in het geval er geen zonen zijn – aan de oudste mannelijke telg uit de eigen familietak wordt overgedragen. Twee keer is het in de geschiedenis van Duivenvoorde gebeurd dat de mannelijke lijn van de eigenaars uitstierf. Het tot 1200 teruggaande riddergeslacht Van Wassenaer dat sinds de vroege dertiende eeuw op Duivenvoorde zetelde, had in de negentiende eeuw geen mannelijke opvolger meer. Hun laatste erfgename trouwde met een jonkheer Steengracht wiens Zeeuwse familie wortels in het Dordtse en Haarlemse patriciaat had. Via vererving van zijn kant kwam er een serie voorouderportretten op Duivenvoorde terecht, die oorspronkelijk geen enkele relatie met dit adellijke familiehuis had. Een soortgelijk proces vond aan het begin van de twintigste eeuw plaats toen het kasteel in het bezit kwam van baron Schimmelpenninck van der Oye. Meer dan honderd portretten van onder meer de Gelderse tak van deze familie kregen opeens hun onderkomen op Duivenvoorde. Hun verblijf was slechts van korte duur: na het overlijden van de baron verhuisde dit deel van de portrettencollectie na weer een andere mannelijk familielid en raakte uiteindelijk verspreid door heel Nederland.

In drie hoofdstukken wordt de driedelige collectie aan de hand van de achterliggende familiegeschiedenis door de auteurs Sabine Craft-Giepmans en Annette de Vries gereconstrueerd. Het eerste hoofdstuk over de eeuwenlang op Duivenvoorde zetelende familie Van Wassenaar bevat de meeste aanknopingspunten met de locatie zelf, de andere twee waaieren uit tot een caleidoscoop aan brokstukken uit de geschiedenis van de Nederlandse adel en hun portrettraditie. Werken die weliswaar van belang zijn voor de verschillende families maar nooit op Duivenvoorde hebben gehangen, zijn als steunafbeeldingen opgenomen zodat het boek een rijk geïllustreerd, mooi bladerboek voor geïnteresseerden in de adellijke geschiedenis van dit land is.

De familiegeschiedenissen worden smeuïg door anekdotes of heldenverhalen over bepaalde voorouders, maar bergen ook het risico dat de lezer ten onder gaat in de hoeveelheid namen

De familiegeschiedenissen worden smeuïg door anekdotes of heldenverhalen over bepaalde voorouders, maar bergen ook het risico dat de lezer ten onder gaat in de hoeveelheid namen. Daarvan zijn de auteurs zich terdege bewust, maar ze kunnen het soms niet vermijden dat de lezer de draad kwijt raakt tussen de vele generaties van de verschillende familietakken. Het opgenomen overzicht van alle eigenaren van Duivenvoorde biedt daarvoor niet genoeg oriëntatie. Alle drie families met hun uitwaaierende vooroudergeneraties hadden een eigen stamboom verdient.

Een toegift voor de niet in portreticonografie ingewijde lezer zijn de zes korte kaderteksten van Hilde Gilissen die uitleg geven over een aantal typische motieven en hun ontwikkeling, zoals bijvoorbeeld de veranderingen in haardracht, kleding of bijzondere sieraden. Historische gewichtsaanduidingen zeggen echter niets als ze niet naar moderne maten vertaald worden. De lezer moet zelf uit de databank van het Meertens-Instituut opmaken dat de gouden ketting van de echtgenote van Johan van Wassenaar bijna een kilo heeft gewogen.

Bijna de helft van de publicatie wordt ingenomen door de catalogus van alle behandelde portretten. Samenstellers van een corpus van familieportretten staan voor het dilemma volgens welk ordeningsprincipe ze het materiaal willen presenteren: op naam van kunstenaars (bij portretten betekent dit bijna automatisch een grote groep anoniemen), kunsthistorisch chronologisch, chronologisch per familie of op naam van de voorgestelde. Hier hebben de auteurs voor de laatste optie gekozen, waardoor echtgenoten niet bij elkaar staan (er wordt in de beschrijvingen wel naar het desbetreffende pendant verwezen) en de chronologische ontwikkeling van de portreticonografie niet zichtbaar wordt. Om tenminste de drie verschillende deelcollecties herkenbaar te onderscheiden zijn hun namen in drie verschillende kleuren gemarkeerd. Een duidelijk overzicht van de aparte groepen krijgt de lezer hierdoor echter niet. Daarvoor is men aangewezen op de verwijzingen vanuit het tekstgedeelte, wat tot moeizaam heen- en weer geblader leidt. Uitgebreide stambomen zouden ook hier het overzicht hebben bevorderd. Het catalogusgedeelte weerspiegelt op deze manier echter de realiteit, aldus pagina 13: ‘In werkelijkheid hingen portretten van de uiteenlopende families gebroederlijk door elkaar.’

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Frauke Laarmann-Westdijk, 14 maart 2016.

M. Fannee, tLant te Waremunde. Een studie over Warmond in de middeleeuwen (1100-1400) Historisch Genootschap Warmelda, 2014, Warmond 2014, 280 p., geïll., ISBN geen, prijs €22,50 verkrijgbaar via info@warmelda.nl

door Dick E.H. de Boer, Rijksuniversiteit Groningen

In 2014 verscheen als publicatie van het Historisch Genootschap Warmelda deze studie over het middeleeuwse Warmond, van de hand van de in Frankrijk geboren en in Leiden woonachtige taalkundige Mathieu Fannee. Het werk is de vrucht van de herleving van de belangstelling voor de dorpsgeschiedenis in een werkgroep waarin enthousiasme en vakkennis samenkomen. Zo is het een mooi voorbeeld van de impulsen die lokaalhistorische verenigingen kunnen geven aan een serieuze bestudering van de eigen plek. Het boek valt in twee delen uiteen: 137 pagina’s analyse en 130 pagina’s bijlagen (vooral toponymie, de achtergrondgegevens van de kaartreconstructies en genealogieën), gevolgd door een literatuurlijst en register. Het beschrijvend gedeelte is op vijf pijlers gebaseerd: naam, kerk, grondgebruik, heren en kastelen.

Het werk is de vrucht van de herleving van de belangstelling voor de dorpsgeschiedenis in een werkgroep waarin enthousiasme en vakkennis samenkomen

De studie begint met een analyse van de plaatsnaam ‘Uuarmelde’. Jammer genoeg gaat Fannee – met voor dit hoofdstuk als mede-auteur de germanist Karling Rottschäfer – niet in op de nog door C. Dekker in The Origins of Old Germanic Studies (p. 419) vermelde (onwaarschijnlijke) theorie dat de naam is terug te voeren naar de mythische Salische koning Faramund. Overigens deel ik de mening dat het een oude waternaam moet zijn. Bij de behandeling van de dorpskerk maakt de auteur, met een interpretatie van het Matthiaspatrocinium in relatie tot Trier/Echternach, een de datering van de overgang van kapel naar kerk na 1127 en vóór 1156 aannemelijk. Daarmee heeft Warmond ‘meegelift’ met de uitgroei van de centrale rol van Leiden in die tijd.

Hoofdstuk vier presenteert de reconstructie van het grondgebruik van middeleeuws Warmond – volgens de retrograde-methode herleid uit jongere tijnsboekjes. Duidelijk wordt dat we in Warmond met één complex van oude recognitietijnzen te maken hebben. De ligging van het oude dorp op de strandwal, geflankeerd door het oude markegebied dat later de Zwanburgerpolder werd en adellijke goederencomplexen, komt duidelijk naar voren. Het algemene beeld van een stabilisering van het aantal tijnspercelen aan het eind van de veertiende eeuw overtuigt. Het is jammer dat de ontwikkeling van de landelijke dekking van HisGIS (Historisch Geografisch Informatiesysteem) niet snel genoeg is gegaan om al voor het kartografisch verwerken van deze gegevens te kunnen dienen. In dat geval zou het beeld nog beter gevisualiseerd kunnen zijn.

Vooralsnog leggen de voorbeelden in dit boek, vooral over de mogelijke lotgevallen van de Van Warmonds in de dertiende en veertiende eeuw, getuigenis af van grote belezenheid, èn van het ontbreken van essentiële schakels

In hoofdstuk 5 behandelt de auteur het geslacht Van Warmond als de oudst bekende bezitters van de heerlijkheid. Het begint met een aardige, maar niet echt functionele reconstructie van de gebeurtenissen aan het begin van de dertiende eeuw, die het gebrek aan gegevens omtrent Frank van Warmond moet compenseren. Daarna krijgen we vastere grond onder de voeten met het relaas van de manier waarop de Van Teylingens zich in de Warmondse heerlijkheid nestelden. Fannee gelooft daarbij vooral in de usurpatie door de Van Teylingens in de jaren waarin de heerlijkheid Warmond door het ‘zoonloos’ overlijden van Frank, via diens dochter Sophia, overging in handen van de Van den Woude’s. Hij eindigt met de vraag of de Van Warmonds wellicht uit de Van Teylingens waren voortgekomen, of er door huwelijk aan verbonden waren. Dit is een interessante gedachte, die mogelijk ooit kan worden opgelost als systematische genealogie tot nieuwe inzichten in verervings- en naamgevingspatronen leidt. Het is hoog tijd dat genealogie haar plaats als volwaardige deelwetenschap van de geschiedenis terugverdient en –krijgt. Vooralsnog leggen de voorbeelden in dit boek, vooral over de mogelijke lotgevallen van de Van Warmonds in de dertiende en veertiende eeuw, getuigenis af van grote belezenheid, èn van het ontbreken van essentiële schakels. Er zijn interessante nieuwe gedachten, bijvoorbeeld over het wapen van de Van Warmonds, met het opmerkelijke zilveren kruis op een blauw veld. Maar met zijn hypothese over een link met de kruistochten stapelt de auteur teveel aannames op elkaar (en raakt een op zich mooi verhaal wel erg ver van de kern verwijderd).

Het boek bevat heel veel, mooi bij elkaar gebracht materiaal, dat maakt dat het een mooie vraagbaak is voor wie meer wil weten over de oergeschiedenis van Warmond

Met het laatste thema – kastelen – is de auteur duidelijk op zijn favoriete terrein. Hij bespreekt de bouwkundige en archeologische gegevens van Warmond als kastelenlandschap in de veertiende eeuw,  in  samenhang met de bewoners en hun lotgevallen. Hij weet de versnipperde gegevens tot een mooi geheel te maken. En hij schetst interessante mogelijkheden voor nader onderzoek. Hopelijk weten die suggesties door te dringen tot archeologische verwachtingskaarten en –beleidsplannen.

Een korte uiteenzetting van de Warmondse kloosters brengt de auteur in wezen voorbij de door hemzelf gekozen tijdsgrens van 1400. Dat is hem graag vergeven, evenals ‘uutglijders’, zoals het idee dat een man zijn bruid een morgengave moest geven als deze zelf weinig goederen inbracht (pag. 72), het idee dat de ‘Backersven’ naar een lokale broodbakker verwijst (p. 48) en de net iets te ‘gemakkelijke’ manier waarop de Hollandse en Europese context zo nu en dan binnen wordt geloodst. Daartegenover staat immers heel veel, mooi bij elkaar gebracht materiaal, dat maakt dat dit boek (met inbegrip van de hier omwille van de ruimte nauwelijks genoemde bijlagen) een mooie vraagbaak is voor wie meer wil weten over de oergeschiedenis van Warmond. Het is te hopen dat anderen de handschoen opnemen en die geschiedenis tot in de nieuwe tijd vervolgen.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Dick de Boer, 11 februari 2016.

Christiaan Schrickx, Bethlehem in de Bangert. Een historische en archeologische studie naar de ontwikkeling van een vrouwenklooster onder de orde van het Heilig Kruis in het buitengebied van Hoorn, 1475-1572 Verloren, 2015, Hilversum, 495 p. geïll., ISBN 9789087045333, prijs € 49,-

door Bas Diemel, Rijksuniversiteit Groningen

In navolging van J.G.R. Acquoy zijn onderzoekers bij de bestudering en beschrijving van de Moderne Devotie – of de bredere laatmiddeleeuwse religieuze hervormings- en kloosterbeweging – uitgegaan van het beeld van een typisch Nederlandse beweging, waarin ze vaak naargelang hun eigen confessionele achtergrond aanzetten zagen tot de Reformatie of juist een terugkeer naar traditionele katholieke waarden. Anderen, onder wie Johan Huizinga, zagen in de moderne devoten eigenschappen die zij kenmerkend achtten voor de Nederlandse – calvinistische – volksaard, zoals praktisch, kleingeestig en somber van aard. Dit beeld heeft lang de historiografie en de beeldvorming beheerst, maar doet geen recht aan de interne dynamiek en verschillende verschijningsvormen binnen het laatmiddeleeuwse kloosterleven. De laatste jaren is dit eenzijdige idee vervangen door een meer genuanceerde visie, waarin aandacht is voor een heterogeen cluster kloostergemeenschappen waarbinnen meerdere regio- en gendergebonden invullingen onderscheiden kunnen worden; elk met haar specifieke identiteit. Het lijvige en rijk geïllustreerde werk van Christiaan Schrickx is een uitstekend voorbeeld van een studie die past binnen deze benadering. Daar komt nog bij dat zijn studie naar de geschiedenis van het vrouwenklooster Bethlehem in Westerblokker bij Hoorn een multidisciplinaire benadering voorstaat – waar onder andere door Hans Mol al jaren toe wordt opgeroepen –, waarin het historisch onderzoek gecombineerd wordt met archeologisch onderzoek.

Schrickx heeft niet alleen aandacht voor de plaats van Bethlehem tegen het laatmiddeleeuwse kloosterlandschap, maar hij heeft ook – en daar ligt ook de meerwaarde van dit werk voor de niet-specialisten – oog voor de regionale geschiedenis van Holland, en specifiek West-Friesland

Centraal in het werk van Schrickx staat de vraag naar de levenskracht van de religieuze vrouwenbeweging in de late 15e en vroege 16e eeuw. In totaal elf hoofdstukken, voorafgegaan door een uitvoerige inleiding en afgesloten met een conclusie, tracht de auteur antwoord te geven op deze vraag. Zoals gezegd, doet hij dit door zich te richten op een specifiek klooster, namelijk het ‘Onze Lieve Vrouwedal of Bethlehem’ in de Bangert te Westerblokker. Schrickx behandelt achtereenvolgens verschillende aspecten van de geschiedenis van dit klooster, dat pas relatief laat werd gesticht (1475), maar dat zoals uit het uitvoerig beschreven archeologisch onderzoek blijkt, reeds snel tot bloei kwam. In de hoofdstukken twee tot en met vijf schetst de auteur de achtergrond waartegen dit alles gebeurde. Hierbij heeft hij niet alleen aandacht voor de plaats van Bethlehem tegen het laatmiddeleeuwse kloosterlandschap, maar heeft hij – en daar ligt ook de meerwaarde van dit werk voor de niet-specialisten – oog voor de regionale geschiedenis van Holland, en specifiek West-Friesland.

In het zesde hoofdstuk bespreekt Schrickx de economische positie van het klooster Bethlehem. Interessant is dat de zusters hun inkomsten vooral uit de opbrengsten van gehuurde grond haalden en niet uit typische stedelijke activiteiten zoals spinnen en weven. Hierin verschilt Bethlehem van de tot nu toe vooral bestudeerde stedelijke kloosters. Hoofdstuk zeven tot en met negen geven een gedetailleerd beeld van het dagelijkse leven in de gemeenschap, vooral gestoeld op het archeologisch onderzoek. De conclusie dat de zusters een voorkeur hadden voor sobere en functionele voorwerpen, hetgeen aansloot bij de gekozen leefwijze, is niet nieuw. Het zou interessant zijn om dit te vergelijken met enkele Zuid-Nederlandse vrouwenkloosters, zoals het Bethaniëklooster te Mechelen, waar in de kroniek sprake is van cadeautjes die de zusters kregen en rijk versierde devotievoorwerpen. Noord-Hollandse nuchterheid tegenover het Bourgondische leven?

Het is een zeer geslaagde (case)studie naar een specifiek vrouwenklooster en een voorbeeld van de multidisciplinaire weg die het onderzoek naar de laatmiddeleeuwse vroomheid in de Nederlanden dient in te slaan   

Het tiende hoofdstuk gaat in op de lange aanloop naar en het uiteindelijke einde van het klooster Bethlehem. Een naar mijn weten unieke bron in dit verband zijn de verklaringen die de zusters aflegden bij de schout over een inbraak in het klooster. Dit incident viel echter in het niet bij de gewelddadigheden na 1566. Helaas baseert de auteur zich bij de beschrijving hiervan (noodgedwongen?) op meer algemene bronnen, waarin niet specifiek wordt gesproken over Bethlehem. De conclusie dat de plundering op 2 mei 1567 een grote klap voor de zusters moet zijn geweest (pagina 321) is voor de handliggend, maar het zou aardig zijn geweest mochten we de beschikking hebben gehad over ooggetuigenverslagen van de zusters, zoals dit wel het geval is bij het eerder genoemde Bethaniëklooster. Het elfde hoofdstuk ten slotte handelt over de geschiedenis van het huis Bethlehem in de zeventiende eeuw en daarna.

Het boek wordt afgesloten met een uitgebreide conclusie waarin Schrickx terugkomt op de eerdere hoofdstukken en de centrale vraag die ten grondslag lag aan dit onderzoek. Waar Schrickx in zijn slotbeschouwing niet expliciet ingaat op mogelijke pistes voor vervolgonderzoek, bieden de bijlagen – in het bijzonder het memorieboek, maar ook het sermoen van Augustinus – des te meer aanzetten voor verder onderzoek. Al met al een zeer geslaagde (case)studie naar een specifiek vrouwenklooster en een voorbeeld van de multidisciplinaire weg die het onderzoek naar de laatmiddeleeuwse vroomheid in de Nederlanden dient in te slaan.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Bas Diemel, 28 januari 2016.

M. Hoogland, Uit het rijke Roomse leven van Hoogwoud & Opmeer. 150 jaar parochie Sint Jans Geboorte Eigen beheer (druk: Pirola), 2015, Hoogwoud, 419p., geïll., ISBN geen, prijs €22,50 verkrijgbaar via www.stjansgeboorte.nl

door Maarten van den Bos, Universiteit Utrecht

Op 17 juli 1865 werd de Sint Jan de Dooperkerk in Hoogwoud ingewijd door bisschop Wilmer van Haarlem. De parochie had de jaren tevoren aanzienlijke sommen geld bijeengebracht om een nieuwe kerk te realiseren. Het bracht dan ook ‘grote geestdrift van verblijding’ teweeg dat de bisschop bereid bleek de kerk persoonlijk te consacreren. Het was nog wel even zoeken naar een geschikte datum. In mei werden door pastoor en kerkmeester de eerste contacten gelegd; een concrete afspraak was echter nog niet gemaakt. Nadat de bisschop per brief om duidelijkheid was verzocht, waarbij vermeld werd dat er enige vrees leefde of hij niet juist zou komen gedurende de toch al zo drukke periode van ‘de hooibouw’, kwam uiteindelijk de zeventiende juli uit de bus. Voor de consecratie van de kerk rekende Wilmer in eerste aanleg zestig gulden, maar dat bedrag werd al snel kwijtgescholden.

Een uiterst leesbaar boek, waarin bovendien goed te volgen valt hoe hard de ‘grote’ geschiedenis soms neerslaat op lokaal niveau

Honderdvijftig jaar na de inwijding van de kerk zette de parochie Sint Jans Geboorte haar jubileum luister bij met de publicatie van een omvangrijk gedenkboek. Aan de hand van tal van foto’s en verhalen wordt verteld over de lotgevallen van de parochianen tegen de achtergrond van de algemene kerkgeschiedenis van Nederland en meer specifiek West-Friesland. Dat levert een uiterst leesbaar boek op, waarin bovendien goed te volgen valt hoe hard de ‘grote’ geschiedenis soms neerslaat op lokaal niveau.

Het verhaal van honderdvijftig jaar parochie wordt chronologisch uit de doeken gedaan met verschillende thematische uitstapjes over bijvoorbeeld de rol van vrouwen in de parochie en de rol van de sacramenten in het lokale geloofsleven. Daarbij wordt voorkomen al te gemakkelijk de klassieke stereotypen die het Nederlands katholicisme aankleven te volgen. Zo bevat het hoofdstuk over de rol van de vrouw tal van aanknopingspunten om het al te gemakkelijke beeld van de volgzame katholieke huisvrouw, die vooral op aarde was om voor zo veel mogelijk nageslacht te zorgen, danig te nuanceren. En in het hoofdstuk over de sacramenten wordt de betekenis ervan voor de parochianen helder uiteengezet en mooi ingebed in de context van het lokale geloofsleven. De veelvuldig naar voren gebrachte gedachten als zouden katholieke gelovigen de rituelen van hun kerk slaafs en gedachteloos volgen, wordt hierin overtuigend weerlegd.

Veel parochianen zullen het boek, zeker omwille van de prachtige foto’s, koesteren, maar de toegankelijk geschreven geschiedenis van het kerkelijk leven in deze regio had een wat breder publiek verdiend

Vrijwel direct na de bevrijding van 1945 begonnen de religieuze spanningen in het dorp op te lopen. Niet alleen tussen katholieken en protestanten, wat onder meer een stevige strijd bij lokale verkiezingen opleverde, maar ook tussen katholieken onderling. Sommigen wensten de vernieuwing in het lokale verenigings- en kerkelijk leven sneller en verdergaand door te voeren dan anderen. Opvallend hierbij is overigens wel dat de verbinding met de algemene geschiedenis een slagje minder expliciet gemaakt wordt dan in eerdere hoofdstukken. Zo is er bijvoorbeeld weinig aandacht voor het mandement waarmee de bisschoppen in 1954 hun gelovigen vermaanden niet naar de VARA te luisteren en ontrieden op de PvdA te stemmen. Ook het Tweede Vaticaans Concilie, de grote vergadering van alle katholieke bisschoppen tussen 1962 en 1965 in Rome, komt er wat bekaaid vanaf. Dat terwijl de uitvoerig besproken veranderingen in de liturgie in de jaren vijftig en zestig wel degelijk raakten aan voorbereiding van en discussie tijdens het concilie. Hiermee hebben de auteurs een kans gemist het boek nog iets meer uit te doen stijgen boven een vooral voor lokale betrokkenen interessant gedenkboek.

Het valt te hopen dat meer parochies de komende jaren hun geschiedenis op een vergelijkbare manier ontsluiten

Veel parochianen zullen het boek, zeker omwille van de prachtige foto’s, koesteren, maar de toegankelijk geschreven geschiedenis van het kerkelijk leven in deze regio had een wat breder publiek verdiend. Door iets explicieter de verbinding te leggen met de bredere kerkgeschiedenis had het vertelde verhaal aan urgentie en soms ook wel aan structuur gewonnen. Nu was dat niet de doelstelling, maar ergens is het wel jammer. De auteurs doen zichzelf ermee tekort. Bovendien hadden zij zodoende kunnen bijdragen aan het vullen van een lacune in – zeker de recente – geschiedschrijving van het Nederlands katholicisme. Daarin is nog slechts een eerste begin gemaakt met het beantwoorden van de vraag naar de betekenis van grote transformaties in de kerkgeschiedenis voor het religieuze leven op lokaal niveau. De vraag hoe mensen omgingen met de grote veranderingen die zich zeker na de Tweede Wereldoorlog in de wereldkerk voltrokken wordt in het boek niet expliciet aan de orde gesteld, de beantwoording ervan is met publicatie ervan wel een stapje dichterbij gebracht. Met die gedachte in het achterhoofd valt te hopen dat meer parochies de komende jaren hun geschiedenis op een vergelijkbare manier ontsluiten.

Verwijzing: Historisch Tijdschrift Holland, Maarten van den Bos, 22 januari 2016.

M. Bultink, P. Goemans, P. Nijhof, J. Warmenhoven, J. Zwetsloot red., De Bollenstreek. Landschap & Erfgoed van de Bloembollencultuur CultuurHistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek, Damen Grafia, 2015, Haarlem, 192 p., geïll., ISBN geen, prijs €25,-

door André van Noort, Erfgoed Leiden en Omstreken

Dit boek gaat over de geschiedenis van de Bollenstreek, maar wat is nu die Bollenstreek precies? Het boek mist een duidelijke definitie en afbakening van de streek.  Ondersteund door de grote hoeveelheid illustraties krijgt de lezer de indruk dat die zich toch vooral in Lisse en Hillegom bevindt. De twee dorpen spelen in dit boek een overheersende rol. Er is weinig aandacht voor het zuidelijk deel van Bollenstreek, terwijl ook in dorpen als Oegstgeest, Wassenaar, Rijnsburg, Valkenburg, Katwijk en Warmond bollen werden geteeld. Interessant is de oppervlakte bloembollengrond in 1906 op bladzijde 157. Hierin worden genoemde dorpen genoemd, maar de geschiedenis van hun bollenteelt wordt helaas niet uitgewerkt.

Het boek mist een duidelijke definitie en afbakening van de streek. Ondersteund door de grote hoeveelheid illustraties krijgt de lezer de indruk dat die zich toch vooral in Lisse en Hillegom bevindt

In het boek worden de verhalen van vijf succesvolle bollenfamilies verteld. Het is niet duidelijk waarom de keus op hen gevallen is. Ze geven geen goede afspiegeling van de bollenbedrijven in de Bollenstreek, omdat het stuk voor stuk succesverhalen zijn van grote bedrijven. Er is nauwelijks aandacht voor de kleine bollenbedrijven, terwijl die er wel in grote getale waren. Interessant is het verhaal over de familie Zandbergen uit Rijnsburg en Oegstgeest, omdat het  een ander beeld van de Bollenstreek schetst.  In de geschiedschrijving over de Bollenstreek voeren de hyacinten en de tulpen meestal de boventoon. Deze familie en specialiseerde zich daarentegen in de teelt en veredeling van narcissen.

Interessant is het verhaal over de familie Zandbergen uit Rijnsburg en Oegstgeest, omdat het een ander beeld van de Bollenstreek schetst. Deze familie en specialiseerde zich in de teelt en veredeling van narcissen

Niet alleen de bollenbedrijven komen in het boek aan bod. Vernieuwend is dat er ook aandacht is voor bedrijven die aan hen gerelateerd zijn, zoals transportbedrijven, leveranciers van machines en van de gewasbeschermingsmiddelen en spoelbedrijven. Deze bedrijven worden in de geschiedschrijving over de Bollenstreek meestal vergeten. In het boek wordt ook stilgestaan bij het bollenerfgoed: bollenschuren, bollenvilla’s, de schaftschuurtjes, de arbeiderswoningen en de beukenhaagjes. Het is goed dat moderne bollenschuren – ondanks dat ze geen aanwinsten voor het landschap zijn – genoemd worden,  want hieraan is nog nimmer aandacht besteed. De schaftschuurtjes, de arbeiderswoningen en de beukenhaagjes worden in hun voortbestaan bedreigd en verdwijnen in een rap tempo. De schrijvers zijn er uitstekend in geslaagd de lezers bewust te maken van de waarde van dit erfgoed.

In het boek wordt stil gestaan bij het bollenerfgoed: bollenschuren, bollenvilla’s, de schaftschuurtjes, de arbeiderswoningen en de beukenhaagjes De schrijvers zijn er uitstekend in geslaagd de lezers bewust te maken van de waarde van dit erfgoed

Er is in het boek ook aandacht voor de gevolgen van de bollenteelt voor het landschap, onder andere door de grootschalige afzandingen. In 1931 beschreef een journalist de Bollenstreek in 1931 ‘één grote bomenlooze, troostelooze woestijn gedurende elf maanden van het jaar’. Een andere journalist merkte in 1952 – terecht – ook op dat de Bollenstreek geen mooie streek was. Moderne ontwikkelingen zoals de kassenbouw en de grootschalige woningbouw komen eveneens aan de orde. Aan het slot van het boek krijgen het toerisme en de toekomst van de Bollenstreek aandacht. Ook dit is vernieuwend, want in de geschiedschrijving over de Bollenstreek komen zij nimmer aan de orde.

Het is een gemiste kans dat het boek niets zegt is over de crisis van de jaren dertig, want deze was voor de bollenteelt zeer ingrijpend. Er werd te veel geproduceerd en de overheid probeerde een halt toe te roepen aan deze overproductie door te saneren. Voor de kwekers en het landschap had dit grote gevolgen. Bollenland werd afgestoten en vooral onder kleine kwekers heerste armoede. Het zou goed zijn als er ooit wetenschappelijk onderzoek gedaan wordt naar de gevolgen van deze crisis voor de bollenteelt.

Concluderend is het een prachtig geïllustreerd en prima leesbaar boek. Hopelijk gaan veel mensen dit boek lezen zodat ze zich bewust worden van de historische en landschappelijke waarde van het bollenerfgoed

Concluderend is het een prachtig geïllustreerd en prima leesbaar boek. Opvallend is de grote aandacht voor Lisse en Hillegom, waardoor de lezer een vertekend beeld van de Bollenstreek krijgt. Er is ook weinig aandacht voor de kleine kwekers en het boek laat daarmee toch weer zien dat ’de grote jongens‘ geschiedenis geschreven hebben. We moeten af van het traditionele historische beeld van een Bollenstreek die alleen maar bestaat uit grote succesvolle hyacinthen- en tulpentelers uit Lisse en Hillegom. De geschiedenis van de Bollenstreek is meer dan alleen dat. Daarentegen zijn de schrijvers er prima in geslaagd iets nieuws over de Bollenstreek te schrijven. Het is waardevol en nuttig dat er aandacht is voor andere bedrijven dan alleen bollenbedrijven: voor moderne landschappelijke ontwikkelingen, het toerisme en niet te vergeten de schaftschuurtjes, beukenhagen en arbeiderswoningen. Hopelijk gaan veel mensen dit boek lezen zodat ze zich bewust worden van de historische en landschappelijke waarde van het bollenerfgoed.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, André van Noort, 11 januari 2016.

Klaas de Jong, Pieter Rixtel (1643-1673). Een dichter zonder rust Haerlem Reeks 17, Verloren, 2015, Hilversum, 120 p., geïll., ISBN 9789087045241, prijs €15,-

door Henk Looijesteijn, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

Je moet maar durven, in 1669 je jonggestorven dichter-vriend in een postuum lofdicht bezingen als een groter licht aan het Spaarne dan Vondel aan het IJ. De oude Amsterdamse bard was toen al van een eenzame statuur, zelfs in de bepaald niet om dichters verlegen zijnde IJstad. Van enige schroomvalligheid lijkt bij Pieter Rixtel (1643-1673) echter geen sprake, want Vondel was niet de enige die Rixtels scherpe tong tegenover zich vond.

Rixtel publiceerde al vanaf zijn zestiende, het prototype van een young man in a hurry, en kreeg weinig kans om uit te groeien tot het statuur van een Vondel, zoals zijn tijdgenoten na zijn schielijke dood schreven. Ondanks die vroege dood heeft Rixtel een aanzienlijk oeuvre nagelaten, ongetwijfeld aangespoord door zijn persoonlijke motto ‘Sonder rust’. Dat motto moet wel toepasselijk zijn geweest, want veel van de dichters die na zijn dood een lijkdicht aan hem wijdden, verwezen naar de kennelijk onrustige aard van Rixtel. Van 1667 tot zijn dood was hij bovendien factor van de Haarlemse rederijkerskamer De Wijngaardranken. Vermoedelijk is hij de ‘regisseur’ die prominent staat afgebeeld op het schilderij dat de omslag van het boek siert. Het stelt een toneelrepetitie van de rederijkerskamer voor, rond 1670 geschilderd door Job Berckheyde (1630-1693) en is nu in Duits museumbezit. Als factor was Rixtel verantwoordelijk voor een laatste bloeitijd van De Wijngaardranken.

Over veel van deze schrijvers van het tweede garnituur is weinig geschreven en hun oeuvre wordt zelden bestudeerd, wat jammer is, omdat er vaak zeer interessante persoonlijkheden tussen zaten met soms zeer onorthodoxe ideeën

Net als zijn vriend Franciscus Snellinx (1627-1669) en een hele reeks tijdgenoten is Rixtel vandaag de dag zo goed als vergeten, een minor poet van de Gouden Eeuw. Over veel van deze schrijvers van het tweede garnituur is weinig geschreven en hun oeuvre wordt zelden bestudeerd, wat jammer is, omdat er vaak zeer interessante persoonlijkheden tussen zaten met soms zeer onorthodoxe ideeën. Rixtel is daar een voorbeeld van.

Rixtel heette eigenlijk Pieter van Rixtel en was van doopsgezinde afkomst. Hij was geboren in Haarlem maar getogen in Amsterdam. Hier was hij een schoolgenoot van Spinoza op de privéschool van Franciscus van den Enden (1602-1674), wiens pantheïsme (of atheïsme, al naar gelang de interpretatie) Spinoza diep heeft beïnvloed. Ook Rixtel werd door Van den Endens onderwijs sterk beïnvloed: hij behoorde in elk geval tot een kleine maar luidruchtige groep denkers in het 17de-eeuwse Amsterdam die een al te dogmatisch geloof afwezen. Rixtel noemde zich christen, en vond de diepte van het geloof belangrijker dan tot welke kerk men behoorde. Een daadwerkelijk christelijke, deugdzame levenswijze was belangrijker dan theologische scherpslijperij, een gedachte die vrij breed werd gedragen door tal van denkers, onder wie radicale vrijdenkers als Spinoza en radicale christenen als de collegianten. Rixtel bekritiseerde in zijn werk bijvoorbeeld de neiging van doopsgezinden om elkaar op scherpe toon in geschrifte te bestrijden over theologische geschilpunten.

Neerlandicus en Haarlems historicus Klaas de Jong heeft het weinige wat er bekend is van Rixtel samengevat in een handzame en geïllustreerde studie waarin aandacht wordt besteed aan Rixtels levensloop en de inhoud en context van zijn literaire werk

Rixtel behoorde waarschijnlijk tot een, meestal als los zand samenhangende, groep van gelijkgestemde maar onafhankelijke denkers, met wie hij ook een kritische houding jegens de gevolgen van de grote welvaart van de Republiek deelde. Zijn kritische geest kwam ook tot uiting in het jaar 1672, toen hij – inmiddels als procureur werkzaam en woonachtig in zijn geboortestad – één van de leiders was van het verzet van de middenklasse tegen de in dat Rampjaar zo in gebreke gebleken regenten. Hij kreeg toen de bijnaam ‘Volkspensionaris’ vanwege het opstellen van verzoekschriften aan het stadsbestuur waarin op hervormingen werd aangedrongen.

De Jongs studie is een zeer nuttige aanvulling op de nog altijd zeer bescheiden historiografie van Nederlandse minor poets èn van het vrijzinnige denken dat in de tweede helft van de 17de eeuw opbloeit in de Republiek

Neerlandicus en Haarlems historicus Klaas de Jong heeft het weinige wat er bekend is van Rixtel samengevat in een handzame en geïllustreerde studie waarin aandacht wordt besteed aan Rixtels levensloop en de inhoud en context van zijn literaire werk. Daarmee licht hij een tipje van de sluier op die nog altijd hangt over tal van tijdgenoten van Spinoza die ook zo hun eigen tegendraadse opvattingen hadden. Want al zou men dat soms vergeten met alle hedendaagse belangstelling voor de grootste filosoof uit de Nederlandse geschiedenis, Spinoza was niet de enige die kerk en staat kritisch voor het licht hield. Al gingen ze misschien niet zo ver als Spinoza zelf, deze denkers leverden in al hun schakeringen een belangrijke vrijzinnige bijdrage aan het geestesleven van hun tijd. Daarbij kozen ze soms voor de dicht- en toneelkunst als vehikel van hun gedachtengoed, zoals De Jong laat zien aan de hand van Rixtels geschriften.

Al zou men dat soms vergeten met alle hedendaagse belangstelling voor de grootste filosoof uit de Nederlandse geschiedenis, Spinoza was niet de enige die kerk en staat kritisch voor het licht hield

De Jongs studie is een zeer nuttige aanvulling op de nog altijd zeer bescheiden historiografie van Nederlandse minor poets èn van het vrijzinnige denken dat in de tweede helft van de 17de eeuw opbloeit in de Republiek. Het is te hopen dat ook andere radicale tijdgenoten van Spinoza onderwerp van een vergelijkbare studie worden.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Henk Looijesteijn, 5 januari 2016.

Jacques Baartmans, Alexander Philip van der Capellen 1745-1787. De tragische lotgevallen van een dienaar van prins Willem V Verloren, 2015, Hilversum, 222 p., ISBN 978-90-8704-506-7 prijs €23,-

door Marijke Bruggeman, zelfstandig historicus

In deze levensbeschrijving van Alexander Philip van der Capellen concentreert de auteur zich met name op de jaren 1783-1787. In deze periode kwam deze hoveling van prins Willem V in ernstige problemen en verantwoordde hij zijn gedrag in twee uitgegeven documenten. Deze documenten spelen een belangrijke rol in het boek en zijn dan ook als bijlagen opgenomen. De auteur reconstrueert de gang van zaken gedetailleerd op basis van de teksten van de publicaties van Van der Capellen en  briefwisselingen met zijn broers en met de prins, de aantekeningen van Van Hardenbroek en perspublicaties.

In de periode 1783-1787 kwam Alexander Philip van der Capellen in ernstige problemen. De auteur reconstrueert de gang van zaken gedetailleerd

Alexander Philip was een telg uit het Gelderse geslacht Van der Capellen. Hij werkte al op vijftienjarige leeftijd als page aan het hof. Later werd hij kamerheer en officier bij de Garde du Corps, de lijfwacht van Willem V. Zijn broers, met name Robert Jasper van der Capellen tot den Marsch en zijn achterneef Johan Derk van der Capellen tot den Poll voerden oppositie tegen de stadhouder. Alexander Philip daarentegen meende dat het stadhouderschap onlosmakelijk verbonden was met het ‘welzijn van de staat’. Deze afwijkende politieke standpunten stonden een goede relatie tussen Alexander Philip en Robert Jasper echter niet  in de weg. Dat Alexander Philip contacten onderhield met zijn broers en andere Patriotsgezinde regenten gaf aanleiding tot roddels aan het hof en ook in de pers. Hierdoor gingen Willem V en zijn echtgenote Wilhelmina van Pruisen hem wantrouwen. De relatie tussen de prins en zijn kamerheer raakte zo verstoord dat Alexander Philip niet anders kon doen dan ontslag nemen. In een in 1784 verschenen publicatie beschreef Van der Capellen wat er tussen hem en het prinselijk paar was voorgevallen en verantwoordde hij zijn gedrag, omdat hij zijn eer wilde redden.

De waarde van dit boek is dat het duidelijk laat zien hoe iemand die zowel banden had met de prins als met Patriotten en die zich daarom neutraal wilde opstellen, vermalen werd in de politieke strijd

Alexander Philip behield zijn functie bij de Garde du Corps. Hij bleef in die functie in Den Haag toen de stadhouderlijke familie Holland verliet. De Garde du Corps kreeg evenals de andere Hollandse regimenten in 1786 van de Staten opdracht slechts hun orders op te volgen en niet die van de prins. Alexander Philip benadrukte in een reactie de uitzonderingssituatie van de Garde du Corps en liet weten dat veel van de manschappen zich gebonden voelden aan hun eed van trouw aan de prins. Met deze uitzonderingspositie werd in 1787 geen rekening meer gehouden. Alexander Philip werd gewoon als officier beschouwd die orders van de Staten diende te accepteren. Hij kreeg de opdracht Gorkum te verdedigen tegen de Pruisen. Bij aankomst bleek hem dat de stad nauwelijks te verdedigen was. Toen de Pruisen de stad aanvielen kon Alexander Philip weinig anders doen dan de stad overgeven en zichzelf als krijgsgevangene aanbieden. De Pruisen voerden hem af naar Wezel en hielden hem daar onder buitengewoon slechte omstandigheden gevangen. Hij werd ernstig ziek en overleed aan de gevolgen daarvan, kort nadat hij uiteindelijk was vrijgelaten. De slechte behandeling door de Pruisen zou te maken hebben gehad met de wraakzucht van prinses Wilhelmina. Haar rol in het geheel wordt echter niet duidelijk. Omdat er veel kritiek kwam op zijn optreden in Gorkum schreef Alexander Philip een verdediging die postuum werd uitgegeven. Dit is het tweede document dat de auteur gebruikt.

Hoe de lotgevallen van Alexander Philip passen in het grotere geheel van de heersende politieke strijd komt slechts in beperkte mate en niet altijd even duidelijk aan de orde

De waarde van dit boek is dat het duidelijk laat zien hoe iemand die zowel banden had met de prins als met Patriotten en die zich daarom neutraal wilde opstellen, vermalen werd in de politieke strijd. Hoe de lotgevallen van Alexander Philip passen in het grotere geheel van de heersende politieke strijd komt slechts in beperkte mate en niet altijd even duidelijk aan de orde. Omdat de auteur slechts één pagina besteedt aan de beschrijving van de positie van de stadhouders in het staatsbestel van de Republiek in de 17e en 18e eeuw, kan hij niet anders dan generaliseren. Zo lijkt het alsof de stadhouders overal in de Republiek op dezelfde wijze macht hebben kunnen uitoefenen. De invloed van de stadhouders was in het ene gewest echter groter dan het andere en gebaseerd op verschillende soorten afspraken. Zo golden de regeringsreglementen die volgens de auteur de basis waren van de macht van de stadhouders, alleen in Utrecht, Gelderland en Overijssel. Onderzoeken hebben in de afgelopen decennia aangetoond dat de macht van de stadhouders afhankelijk was van de ruimte die de regels hen in de verschillende provincies boden en de manier waarop ze daarvan gebruik maakten. Ook het beeld dat de orangistische ‘partij’ bestond uit ‘stadhouder, aristocratische regenten en volksklasse’ is in de laatste decennia genuanceerd. De werkelijkheid was een stuk ingewikkelder.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Marijke Bruggeman, 21 december 2015.

Clé Lesger, Het winkellandschap van Amsterdam. Stedelijke structuur en winkelbedrijf in de vroegmoderne en moderne tijd, 1550-2000 Verloren, 2013, Hilversum, 472 p., geïll., ISBN 9789087043735, prijs €40,-

door Karin Lurvink, Vrije Universiteit Amsterdam

Op 30 oktober 2015 ontving Clé Lesger de Professor Van Winterprijs – een prijs die elke twee jaar wordt uitgereikt aan het beste boek over de lokale en regionale geschiedenis van Nederland – voor zijn boek over het Amsterdamse winkellandschap. De toekenning van deze prijs en de lovende woorden die voorafgingen aan de prijsuitreiking tijdens de studiemiddag waren voor Holland reden temeer om dit boek uit 2013 alsnog te recenseren.

Engelse historici laten zien dat er sprake was van evolutie: de ontwikkeling van het consumentisme was geen fenomeen van de negentiende en twintigste eeuw, maar was al langer gaande. Daarom begint Lesger’s vernieuwende studie dan ook in de zestiende eeuw

Het boek is chronologisch opgedeeld in vier delen. Lesger start met de behandeling van de Engelse historiografie, omdat Nederlandse historici – in tegenstelling tot Britse en Amerikaanse historici – tot dusverre weinig aandacht geschonken hebben aan het winkelbedrijf en de detailhandel in het algemeen. Engelse historici beargumenteren dat de zogenaamde ‘consumentistische revolutie’, die plaatsvond na de Industriële Revolutie, geen revolutie genoemd moet worden. Ze laten zien dat er sprake was van evolutie: de ontwikkeling van het consumentisme bleek geen fenomeen van de negentiende en twintigste eeuw, maar was al langer gaande. Daarom begint Lesgers vernieuwende studie dan ook in de zestiende eeuw. Hij verklaart het beeld van een weinig ontwikkeld winkelbedrijf in de jaren voordat negentiende-eeuwse grote warenhuizen en kledingmagazijnen ontstonden door een gebrek aan bronnen uit eerdere eeuwen, maar ook door de grootte van de gemiddelde stad. De meeste Hollandse en Nederlandse steden waren klein en de winkels ook. Amsterdam daarentegen – symbool voor de Hollandse welvaart – bereikte al vroeg een omvang die het bestaan van een hoogontwikkeld winkelapparaat niet bij voorbaat uitsloot. Wat nu het hart is van het Amsterdamse winkellandschap – de Dam en de oude rivierdijken het Damrak en het Rokin – was dat al in de tweede helft van de zestiende eeuw.

Vandaag de dag realiseren weinig mensen zich de invloed die het winkellandschap op hun leven heeft. Lesger toont het belang van aandacht voor dit onderwerp

Vandaag de dag realiseren weinig mensen zich de invloed die het winkellandschap op hun leven heeft. Lesger toont het belang van aandacht voor dit onderwerp. Hij spreekt daarbij de lezer persoonlijk aan door het gebruik van de ‘we’-vorm en verlevendigt het verhaal door het gebruik van de tegenwoordige tijd. Vanaf de zestiende eeuw schenkt Lesger bij elke opeenvolgende eeuw uitgebreid aandacht aan de ontwikkelingen in de detailhandel in het stedelijke landschap van Amsterdam tot aan het jaar 2000. Hij analyseert daarbij niet alleen het Amsterdamse winkelbedrijf, maar geeft inzicht in de locatiepatronen van de detailhandel. Lesger betoogt dat de ruimtelijke structuur van steden een dominante invloed heeft op de beweging van consumenten door de stad en daarmee ook op de aantrekkelijkheid van bepaalde locaties voor de detailhandel, gebruikmakend van de begrippen ‘reikwijdte’ en ‘drempelwaarde’. Deze termen hebben te maken met de relatie tussen de stad als fysiek bouwwerk en het functioneren van de stad als economische ruimte. Ook het uiterlijk en de inrichting van de winkels zijn belangrijk: deze dragen bij aan de sfeer en levendigheid van een stad. In economisch verval of economische bloei valt op hoe duidelijk het winkellandschap bijdraagt aan het beeld van de stad. Winkels bepalen het straatbeeld, bevorderen sociale contacten en zijn vaste oriëntatiepunten voor buurtbewoners en passanten.

Samenvattend is Het winkellandschap van Amsterdam een toegankelijk en makkelijk leesbaar, en tevens goed theoretisch en wetenschappelijk onderbouwd boek dat de lezer een levendige indruk geeft van de geschiedenis van niet alleen het winkellandschap van Amsterdam, maar ook de ontwikkeling van de stad in zijn geheel en zijn flexibiliteit

Samenvattend is Het winkellandschap van Amsterdam een toegankelijk en makkelijk leesbaar, en tevens een goed theoretisch en wetenschappelijk onderbouwd boek dat de lezer een levendige indruk geeft van de geschiedenis van niet alleen het winkellandschap van Amsterdam, maar ook de ontwikkeling van de stad in zijn geheel en zijn flexibiliteit. Dit positieve oordeel kwam overigens niet als een verrassing na de lovende toespraken over het boek tijdens de studiedag georganiseerd rondom de prijsuitreiking en het juryrapport van de prijstoekenners.  Zowel voor (voormalige) Amsterdammers als voor (frequente of minder frequente) bezoekers van de stad bevat het boek herkenbare details. Een voorbeeld zijn de enthousiasmerende afbeeldingen en beschrijvingen van de interieurs en exterieurs van bakkerijen, kruideniers, de eerste zelfbedieningszaken en bekende winkels, waaronder een foto van een Hema uit de jaren twintig en een Albert Heijn uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Ook foto’s van minder herkenbare winkels, zoals van chique modezaken uit het begin van de twintigste eeuw, en beschrijvingen van het ontstaan van winkelcentra in relatief nieuwe wijken zoals Buitenveldert en de verhelderende kaarten van de ontwikkeling van het winkelbedrijf van stad en het inkomen van zijn inwoners dragen bij aan de levendigheid van het boek.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Karin Lurvink, 16 december 2015.

Hans van der Sloot, Herman Jansen 1859-1935. Een bevlogen brander-distillateur Stichting Musis, 2015, Schiedam, 144 p., ISBN 9789073677234, prijs €20,- (ook verkrijgbaar in het Engels)

door Henk Slechte, Schiedams historicus

Schiedam dreef vanaf zijn ontstaan tot het einde van de 20ste eeuw economisch op één bedrijfstak met toeleveringsbedrijven. Die drukte ook bestuurlijk en ruimtelijk een stempel op de stad, en als die omviel waren de sociale en economische gevolgen ernstig. De bedrijfstak was van de zeventiende tot de twintigste eeuw de brandersindustrie. Herman Jansen. Een bevlogen brander-distillateur 1859-1935 gaat over een telg uit een Schiedams geslacht van branders en distillateurs. Hij initieerde in de late negentiende eeuw noodzakelijke vernieuwingen in de brandersindustrie, maar beschermde ook het traditionele ambacht van moutwijnbrander en jeneverstoker toen dat gevaar liep. Hij verdedigde Schiedam tegen de Rotterdamse pogingen de stad te annexeren, maar vond wel dat de jeneverstad een nieuwe industriële structuur nodig had om zelfstandig te kunnen blijven. De gedistilleerdindustrie moest daarin een wezenlijke rol houden, maar kon niet meer de enige basis zijn voor de Schiedamse economie. De verandering van de industrie was onvermijdelijk. In de tweede helft van de negentiende eeuw was het brandersbedrijf in Schiedam buitenproportioneel gegroeid. Door de Industriële Revolutie concentreerde de arbeidersbevolking zich in grote steden en industriegebieden, en veranderden de voedingsgewoonten. Dat genereerde een internationale vraag naar brandersgist, lang een onbelangrijk bijproduct van de brandersindustrie maar nu een hoofdproduct. Hierdoor groeide het aantal kleine branderijen snel. Herman Jansen ontwikkelde nieuwe technieken in de gistproductie, die leidden tot een patent op de zuivere gist, dat in 1928 werd overgenomen door de Delftse Gist- en Spiritusfabriek.

Dit boek levert met de aandacht die het aan stakingen besteedt een serieuze bijdrage aan de sociale geschiedenis van Schiedam

Om het ambacht van de (moutwijn)brander te beschermen bepaalt sinds 1902 een gemeentelijke verordening dat Schiedamse jenever alleen ’Echte Schiedamse jenever’ mag heten als die voor honderd procent is gestookt uit moutwijn. Dat zogenaamde kwaliteitszegel was een initiatief van Herman Jansen. Toen de stagnatie in de gisthandel een eind maakte aan de kleinschalige branderijen, groeide de werkloosheid explosief en had Schiedam nieuwe industrie nodig. Herman Jansen richtte daartoe met een vooruitstrevend liberale lokale politicus en de voorman van de katholieke arbeiders in 1900 de Vereeniging Schiedam Vooruit op. Die haalde in de tien jaar van haar bestaan drie scheepswerven naar Schiedam, waarmee de stad een nieuwe leidende bedrijfstak kreeg. Dat vroeg om goede woningen voor de nieuwe arbeiders en dus richtte Jansen op basis van de Woningwet van 1901 in 1907 met dezelfde heren de Vereeniging Volkshuisvesting op.

Hans van der Sloot heeft van de biografie van Herman Jansen meer gemaakt dan een beschrijving van diens leven

Herman Jansen was als ondernemer vooruitstrevend maar als werkgever conservatief. Toen de afzet van gist stagneerde, maar de export van jenever en ander gedistilleerd wereldwijd groeide, en daarmee de schaal van de brandersindustrie, speelde hij ook daarin een hoofdrol met eigen branderijen en distilleerderijen, een kuiperij, een glasfabriek en zelfs eigen mijnen in Limburg. Hij zag de mogelijkheden in verre landen, maar begreep ook dat hij daar alleen kans van slagen had als hij met plaatselijke agenten en handelshuizen kon samenwerken. Zo vooruitstrevend als hij als ondernemer was, zo conservatief was hij als werkgever. De werkdag van de zwaar gealcoholiseerde brandersknechts begon ‘s nachts om drie uur en eindigde pas om zeven uur ‘s avonds of zo lang daarna totdat de laatste ketel was afgestookt. Ze woonden onder erbarmelijke omstandigheden in hofjes en sloppen in de binnenstad en de Brandersbuurt. Het socialistische Schiedamse weekblad De Moker noemde ze ‘weerlooze arbeidsslaven’. In de bedrijven van Herman Jansen waren de arbeidsomstandigheden slecht. Hij riep daarmee als toonaangevende en luidruchtige ondernemer extra toorn van de lokale socialisten en de ‘moderne’ vakbeweging over zich af. In zijn bedrijven werd veel gestaakt. Dit boek levert met de aandacht die het daaraan besteedt een serieuze bijdrage aan de sociale geschiedenis van Schiedam.

Het boek is handzaam en mooi uitgegeven met toepasselijke illustraties en een royale annotatie op de pagina’s waar de noten de tekst aanvullen of naar bronnen verwijzen

De brandersindustrie verdween in de twintigste eeuw in de kleinschalige vorm uit Schiedam, maar het familiebedrijf waarvan Jansen directeur was, bestaat nog en heeft zijn hoofdzetel in Schiedam. Hermans kleinzoon is de initiatiefnemer van dit boek, waarvoor hij (jenever)historicus Hans van der Sloot de vrije hand gaf. Die heeft van de biografie van Herman Jansen meer gemaakt dan een beschrijving van diens leven. Het boek beschrijft de ingrijpende verandering van de brandersindustrie door de snel groeiende vraag naar gist, corrigeert de bestaande geschiedschrijving van de brandersindustrie op wezenlijke onderdelen, werpt economisch- en sociaalhistorisch een nieuw licht op het brandersbedrijf omstreeks 1900, en is dus veel meer dan een biografie. Van der Sloot kon dat doen dankzij de veel ruimere mogelijkheden om bijvoorbeeld kranten – digitaal – te onderzoeken dan zijn voorgangers hadden, en dankzij de vondst van dossiers met brieven en aantekeningen van Herman Jansen over de gistproductie en handel.  

Een paar opmerkingen tot slot. Het boek is handzaam en mooi uitgegeven met toepasselijke illustraties en een royale annotatie op de pagina’s waar de noten de tekst aanvullen of naar bronnen verwijzen. En tot slot een – haast klassieke – klacht. De auteur leidt de hoofdstukken zo in dat de lezer in de thematiek de weg kan vinden, maar het boek ontbeert pijnlijk een index op personen, zaken en geografische namen.  

Verwijzing: Historisch Tijdschrift Holland, Henk Slechte, 21 november 2015.

Femke Deen, Publiek debat en propaganda in Amsterdam tijdens de Nederlandse Opstand: Amsterdam ‘Moorddam’ 1566-1578 Amsterdam University Press, Amsterdam, 2015, 280 p., ISBN 9789089647054, prijs €29,95 (ook verkrijgbaar als eBook)

door Joris van den Tol, Universiteit Leiden

Dit boek van Femke Deen is geschreven op basis van het onderzoek waarmee zij in 2012 aan de UvA promoveerde. Het boek past in een relatief jonge traditie van onderzoek naar pamfletten en andere media in de vroegmoderne periode als objecten met een intrinsieke historische waarde in plaats van als repositorium van quotes om een historisch verhaal te illustreren. Na De Nederlandse opstand in Pamfletten van Pieter Geurts in 1956 en Craig Harline’s Printing and Political Culture in the Early Dutch Republic uit 1987, verschenen in de 21e eeuw verschillende andere boeken over pamfletten en andere media. De bijdrage van Deen aan deze collectie is ongelooflijk gedegen uitgevoerd en zeer goed geworteld in het bronnenmateriaal.

De bijdrage van Deen aan deze collectie is ongelooflijk gedegen uitgevoerd en zeer goed geworteld in het bronnenmateriaal

Het doel van het boek is te achterhalen hoe het publieke debat in Amsterdam zich in de jaren zestig en zeventig van de zestiende eeuw ontwikkelde tot een politieke machtsfactor, tot een instrument waarmee autoriteiten rekening moesten houden. Deen geeft antwoord op die vraag door wat zij noemt de ‘partituur van communicatievormen’ te analyseren. Dit begrip houdt in dat verschillende communicatievormen simultaan worden onderzocht om zo het geheel te kunnen overzien en dissonanten in kaart te kunnen brengen. Deen distantieert zichzelf hiermee van andere studies die zich richten op één medium, zoals pamfletten. De partituur is verdeeld over vijf hoofdstukken: publieke kritiek, retorica en de traditie van verzet; publieke afkondigingen en petities; publieke rituelen; brieven en liederen; en tot slot mondeling nieuws en geruchten.

In het bijzonder de laatste twee hoofdstukken, over de rol van handgeschreven en orale participatie in het publieke debat, zijn indrukwekkend. Deens boek vormt door de aandacht voor orale en handgeschreven nieuwtjes en geruchten een welkome aanvulling en een verrijking op bestaande literatuur over onder andere pamfletten en de rederijkerscultuur

In het bijzonder de laatste twee hoofdstukken, over de rol van handgeschreven en orale participatie in het publieke debat, zijn indrukwekkend. Deen benut haar achtergrond in culturele antropologie door af en toe te schrijven alsof ze er zelf is bij geweest. Dat dit zo nu en dan betwistbare zinnen als ‘ieder gesprek begon met de vraag wat voor nieuws er was’ en ‘wie de stad binnenkwam, werd direct ondervraagd’ (138) tot gevolg heeft, zullen de meeste lezers voor lief nemen. Het belang van mondelinge overlevering van nieuws en geruchten en de wisselwerking met handgeschreven brieven in het eind van de zestiende eeuw zal door niemand worden betwist, maar het is zelden zo degelijk en uitgebreid besproken, en Deen slaagt er op uitmuntende wijze in de rol van geruchten over het voetlicht te brengen. Dit is dan ook primair de kracht van dit boek. Deens boek vormt door de aandacht voor orale en handgeschreven nieuwtjes en geruchten een welkome aanvulling en een verrijking op bestaande literatuur over onder andere pamfletten en de rederijkerscultuur.

Het voornaamste punt van kritiek is dat het concept van ‘publiek debat’ niet echt overtuigt. Het gaat te ver om te stellen dat ‘het ontbreekt aan een bruikbaar alternatief voor publieke sfeer’

Het voornaamste punt van kritiek is dat het concept van ‘publiek debat’ niet echt overtuigt. Deen heeft nadrukkelijk gekozen voor publiek debat, en niet voor Habermas’ publieke sfeer. Ze schrijft onomwonden ‘dat er, ondanks de wijdverspreide discussies en publieke meningsvorming, zeker geen sprake was van een “publieke sfeer”’ (173). Ze verwerpt de these van een (bourgeois) publieke sfeer omdat het te veel verbonden is met Habermas’ utopie: een tegenhanger van de hedendaagse contemporaine gecorrumpeerde publieke sfeer van massamedia. Habermas’ theorie is inderdaad aan veel kritiek onderhevig geweest en er is zeker iets mis met de publieke sfeer gebruiken als een normatief model en dan beweren dat het er wel of niet is geweest. Het gaat echter te ver om te stellen dat ‘het ontbreekt aan een bruikbaar alternatief voor publieke sfeer’ (12). Waarom heeft Deen bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt van Gerard Hausers theorie over publieke sferen, zoals Helmer Helmers heeft gedaan in zijn proefschrift uit 2011?  Immers, er is een debat dat op basis van argumenten werd gevoerd en bepaalde deelnemers hadden op basis van status niet meer gelijk dan anderen. Het vond plaats in de openbaarheid, zoals op de Plaatse (de Dam), de nieuwe brug, en de Warmoestraat. Het ging zeer vaak over beleid en politiek. Bovendien konden zelfs de ongeletterden deelnemen doordat mondelinge geruchten ook een belangrijke rol speelden in het debat; dit gaf de publieke sfeer een inclusief karakter.

Haar ooggetuige-schrijfstijl maakt het boek leesbaar voor een breder, ook niet-academisch, publiek zonder dat daarmee de historische werkelijkheid geweld wordt aangedaan

Kortom, dit boek is gebaseerd op zeer gedegen en uitgebreid bronnenonderzoek, en een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in zestiende-eeuwse communicatiemiddelen. Met name de hoofdstukken over brieven en geruchten zijn zeer de moeite waard. Haar ooggetuige-schrijfstijl maakt het boek leesbaar voor een breder, ook niet-academisch, publiek zonder dat daarmee de historische werkelijkheid geweld wordt aangedaan. De nadruk op het bronnenonderzoek is echter ten koste gegaan van het theoretisch kader en dat maakt het boek als referentiewerk voor mensen geïnteresseerd in een andere periode dan de zestiende eeuw minder relevant.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Joris van den Tol, 18 november 2015.