Door Jaap de Haan

In het Mauritshuis in Den Haag hangt Rembrandts beroemde schilderij De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp. Weinig mensen weten dat Tulp aan het eind van de 16de eeuw geboren werd als Claes Pietersz. Rond zijn dertigste nam hij de achternaam Tulp aan, genoemd naar de plant op het uithangbord aan zijn huis. Hoewel de dokter bevriend was met de tulpenliefhebber Outger Cluyt en een van de drijvende krachten was achter de oprichting van de Amsterdamse Hortus Botanicus, zijn er geen aanwijzingen dat hij bevangen was door de tulpenkoorts van 1637.

Aan de handel in tulpenbollen heeft Museum de Zwarte Tulp in Lisse in 2023 een tentoonstelling gewijd. Henk Looijesteijn schreef met medewerking van Annemarie Vels Heijn een begeleidend boek, getiteld Tulpenkoorts 1636-1637 – Mythe en werkelijkheid. Over de 17de-eeuwse tulpenhandel bestaan inderdaad vele spectaculaire verhalen. Zo kon voor de prijs van één tulpenbol een Amsterdams grachtenpand worden gekocht. In dit boek laten de auteurs zien dat dit soort verhalen slechts deels op de werkelijkheid is gebaseerd.

Dat deze handel zo tot de verbeelding spreekt, komt door één specifieke veiling. Op 5 februari 1637 werden in Alkmaar de bollen van kastelein en kweker Wouter Winckel verkocht ten behoeve van zijn kinderen, die door zijn overlijden en de dood van zijn vrouw wees waren geworden. De Alkmaarse weesmeesters wilden met de verkoop de kosten voor de opvoeding van de kinderen dekken. Dat lukte ruimschoots. De duurste tulpenbol van Winckel, een Viceroy, werd geveild voor ƒ 4200,-, gevolgd door een Admirael Liefkens voor ƒ 1010,-. In totaal bracht de veiling ƒ 90.000,- op (nu zo’n € 2,5 miljoen).

De veiling Winckel vond precies op het goede moment plaats, want twee dagen later stortten de prijzen van tulpenbollen in. Sommige bollen daalden maar liefst 90% in waarde. De Staten van Holland bogen zich over de gevolgen van de ingestorte handel voor kopers en verkopers, maar besloten niet in te grijpen. Uiteindelijk losten de problemen zich vanzelf op. Veel koopcontracten werd afgekocht door het betalen van een rouwkoop: een afkoopsom van ongeveer 10% van de (oorspronkelijke) waarde van een tulpenbol.

Ook in 17de eeuw werd met verwondering gekeken naar de zogeheten tulpenkoorts. De prijzen van Winckels bollen waren zo bijzonder dat ze in pamfletten werden gepubliceerd, zoals in Tooneel van Flora (op pagina 46-47 is zo’n lijst afgebeeld). Na de ineenstorting van de tulpenhandel keken velen hoofdschuddend terug op deze vorm van speculatie. In talloze pamfletten werd de tulpenhandel aangegrepen om te waarschuwen tegen de hebzucht van de mens.

Looijesteijn heeft dankbaar gebruikt gemaakt van deze publicaties, niet vanwege de morele boodschap, maar vanwege de informatie die ze geven over de tulpenhandel. Op basis van de pamfletten beschrijft hij een aantal stappen de professionalisering van de tulpenhandel. Het begon met de specialisatie van kwekers, die zich alleen nog toelegden op het kweken van tulpen. Vervolgens ontstonden er ‘compagniën’ die zich hoofdzakelijk richtten op de tulpenhandel. Deze groepen handelaren kregen een eigen beroepsaanduiding, namelijk floristen, en ze kwamen met andere floristen in herbergen bij elkaar om tulpenbollen te kopen en te verkopen. De gespecialiseerde samenkomsten stonden bekend als ‘collegiën’. Tenslotte was er sprake van een gestandaardiseerde verkoopmethode.

Tulpenkoorts is een prettig leesbaar en informatief boek over een vroeg 17de-eeuwse economische bubbel. Op een gedecideerde en overzichtelijke manier zetten Looijesteijn en Vels Heijn de handel in tulpen uiteen en laten zij zien dat de spectaculaire bedragen die voor sommige bollen werden geboden, een uitzondering waren en zeer waarschijnlijk nooit betaald zijn geweest. De literatuurlijst biedt degenen die zich verder in het onderwerp willen verdiepen, voldoende keus. Ook zonder een bezoek aan de tentoonstelling (die inmiddels voorbij is) is dit boek de moeite waard voor iedereen die geïnteresseerd is in de lokale economie van de 17de eeuw.

Henk Looijesteijn in samenwerking met Annemarie Vels Heijn, Tulpenkoorts 1636-1637 – Mythe en werkelijkheid. Lisse: Stichting Museum de Zwarte Tulp, 88 blz., ill., ISBN: 9789464550269, prijs €18,50

Door Ad van der Zee

Ten noorden van Amsterdam, aan de overkant van het IJ begint Waterland, een open en vogelrijk veenweidegebied dat zich uitstrekt langs de oever van het IJsselmeer, (voorheen Zuiderzee) tot aan het voormalige Purmermeer, aan de westzijde begrensd door de rivier de Zaan. Het gebied ten noorden daarvan, vanaf Volendam tot aan Etersheim, wordt de Zeevang genoemd. De archeologische en landschappelijke geschiedenis van dit gebied vormt het onderwerp van een studie door Corrie Boschma-Aarnoudse. De auteur gaat daarbij in op (bijna) alle aspecten van het ontstaan en de wording van het gebied, vanaf de Karolingische tijd tot het eind van de Middeleeuwen.

Bewoningsgeschiedenis

Het grootste deel van het boek (deel 1) is gewijd aan de landschappelijke oorsprong en de wordingsgeschiedenis. Vanaf de 12de eeuw werd het oorspronkelijke hoogveen ontgonnen en raakte het gebied bewoond, maar dat wil niet zeggen dat het daarvóór onbewoond was. De auteur toont overtuigend aan dat er al mensen woonden op kleine huisplaatsen, die gewoon los in het veen waren gelegen. Eind 11de eeuw wisten leden van de familie Persijn grote delen van deze ‘wildernis’ in eigendom te verkrijgen en begonnen grootschalige ontginningen. Ook de familie De Grebber, oorspronkelijk afkomstig uit Zuiderwoude, speelde een voorname rol in de geschiedenis van Waterland. Leden van deze clan vervulden op het eind van de Middeleeuwen ook voorname bestuursfuncties zoals baljuw van Waterland en schout van Amsterdam.

In Purmerend en omgeving werd die rol vervuld door de familie Eggert. Daarnaast verkregen abdijen, zoals die van Egmond omvangrijk grondbezit; de Friese abdij van Mariengaarde bij Hallum bezat de helft van het eiland Marken (dat toen een stuk groter was dan nu), maar dat werd in 1344 door graaf Willem IV geconfisqueerd aan de vooravond van zijn veldtocht naar Friesland. Op het eind van de middeleeuwen werd Waterland meer en meer het toeleveringsbedrijf van Amsterdam, als leverancier van goederen en personeel voor de zeevaart. Het gebied raakte er door in zekere welstand.

Families en steden

Het tweede deel van de studie is gewijd aan het ontstaan en de middeleeuwse geschiedenis van de steden in het gebied: Monnickendam, Edam en Purmerend. Zij concentreert zich hierbij op de vraag hoe de verhouding tussen de leidende families (Persijn, De Grebber en Eggert) en de graaf van Holland de ruimtelijke ontwikkeling van de steden heeft beïnvloed. Deze blijkt in elk van de drie steden verschillend te zijn verlopen. Analyse van archeologische opgravingen en veranderingen in het grondbezit ondersteunt dit betoog over gebruik, landinrichting en economische ontwikkeling. De stadjes kenden zowel groei als neergang, als hernieuwde groei, terwijl de schaduw van het grote Amsterdam altijd over hen heen bleef liggen.

Multidisciplinair boek

De auteur haalt nogal wat overhoop en put uit tal van onderzoeken op het terrein van de archeologie, historische geografie, ontginningsgeschiedenis en leenrechtelijke kwesties. Dat leidt tot een hoge informatie- en detaildichtheid, wat de lezer nog wel eens het zicht op de grote lijn ontneemt. En al kunnen we dit boek in alle opzichten een multidisciplinaire onderneming noemen, voor taalkunde is helaas geen plek ingeruimd. Dat is jammer, want juist Waterland was een van de laatste plekken in Noord-Holland waar nog lang Fries werd gesproken (waarschijnlijk tot het eind van de 17de eeuw), zoals dat tot aan de 11de eeuw in heel Holland het geval was. Daar zou nog best veel over te vertellen zijn.

Aan kaarten geen gebrek in dit boek. Het bevat afbeeldingen van schitterende manuscriptkaarten van steden en landelijke percelen en ook zijn er diverse ‘technische’ kaarten zoals hoogtekarteringen die veel landschappelijke details verklaren. Een nieuw getekende overzichtskaart, als referentie voor al die lokale details, wordt daarbij wel gemist. Zo’n kaart had kunnen tonen waar precies alle genoemde dorpjes, gehuchten, waterlopen, dijken en meertjes gelegen zijn. Ook de precieze begrenzingen van Waterland en de Zeevang blijven daardoor enigszins onduidelijk.

Geen publieksboek

Gezien het onderwerp en de rijk geïllustreerde uitvoering lijkt dit boek bedoeld voor betrekkelijke leken die geïnteresseerd zijn in de ontstaans- en wordingsgeschiedenis van Waterland en de Zeevang. Maar in de aanpak en uitwerking richt het zich toch met name op hen die al die diverse soorten informatie ook weten te plaatsen. De uitgave als Jaarboek van de Vrienden van de Hondsbossche wijst daar ook op. Zoals gezegd, de auteur haalt nogal wat overhoop en dat maakt het boek niet eenvoudig toegankelijk. Het taalgebruik is vaak opsommend en technisch van aard, wat helaas enige afbreuk doet aan de interessante inhoud. De ‘algemene’ lezer – een categorie die juist bij uitstek geschikt zou zijn om met een mooie regionaal-historische studie te bereiken – zal mogelijk tussentijds afhaken of zich beperken tot het consumeren van wat interessante weetjes. Het boek had dus een breder publiek kunnen aanspreken, maar nu blijft de doelgroep – vrees ik – beperkt. Niettemin is deze studie een belangrijke toevoeging aan de (landschaps-)historische en archeologische kennis van het gebied.

Corrie Boschma-Aarnoudse, Boer en poorter in het veen. Waterland en de Zeevang in de middeleeuwen, Stichting Uitgeverij Noord-Holland, Heerhugowaard/Wormer, 2022, 154 p., ill., ISBN 978-94-92335-35-7, prijs €34,95.

Door Jaap de Haan

Over smaak valt niet te twisten. Maar toch… De glazen bol uit Allegorie van het katholieke geloof siert het omslag, maar dit schilderij is bepaald niet het hoogtepunt uit Vermeers oeuvre. De katholieke beeldtaal met de smachtende blik van een vrouw naar een crucifix is ook heel on-Nederlands. Waarom is er niet gekozen voor een detail uit het Melkmeisje of Vrouw met weegschaal? Na lezing van Johannes Vermeer. Geloof, licht en reflectie blijkt waarom deze bol goed past bij de strekking van dit boek.

Ter gelegenheid van de grote Vermeertentoonstelling en van zijn pensionering als hoofd beeldende kunst van het Rijksmuseum heeft Gregor Weber deze fascinerende analyse geschreven van Vermeers oeuvre. Hierin gaat hij na welke invloed Vermeers katholieke huwelijk en omgeving hebben gehad op zijn persoonlijke leven en op zijn kunst. Weber bouwt zijn boek slim op. Hij begint bij de concrete feiten uit Vermeers leven, dan behandelt hij de katholieke devotiekunst in Delft en schakelt vervolgens over naar het jezuïtische licht in het werk van de schilder.

Papenhoek in Delft

Onder Vermeer-kenners bestond lang onenigheid of deze van oorsprong protestantse schilder daadwerkelijk was overgegaan naar de katholieke kerk. Volgens Weber was dat wel het geval. De schoonmoeder van de schilder stond daarop toen hij met haar dochter Catharina Bolnes wilde trouwen. Wat voor deze aanname spreekt is dat Vermeer na zijn huwelijk in de Papenhoek in Delft woonde en zijn kinderen zeer katholieke namen gaf, variërend van Maria tot Franciscus en Ignatius.

Toen Vermeer in de jaren 1650 het schilderpenseel ter hand nam, maakte hij een aantal religieuze werken, zoals Christus in het huis van Maria en Martha en Sint-Praxedes. Het ligt voor de hand dat hij een uitgebreide katholieke klantenkring had. In de Papenhoek, ten zuiden van de Nieuwe Kerk, woonden veel welgestelde katholieke families. Hier was ook een jezuïtische schuilkerk gevestigd en de auteur vermoedt dat pater Roeland de Pottere – en later Isaac van der Mye – Vermeer in aanraking bracht met de emblemata van Guiliermus Hesius en jezuïtische traktaten over optica.

Het licht van God

Nadat Weber overtuigend Vemeers katholieke leef- en denkwereld heeft neergezet, gaat hij een stap verder. Aan de hand van vele voorbeelden uit 17de-eeuwse boeken zet hij uiteen hoe jezuïeten het licht als een symbool van God zagen. Emblemen met optische fenomenen, zoals de glazen bol en de camera obscura, hadden tot doel God en zijn schepping te loven. ‘De jezuïtische thematiek is doordesemd van de idee dat het weerkaatste licht een verwijzing is naar het licht van God zelf, dat het zichtbare teken is van het onzichtbare,’ aldus Weber. (p. 89)

Licht speelt een belangrijke rol in Vermeers werk, zoals in het Melkmeisje, dat zelf licht lijkt te geven. Hij heeft dat bereikt door met minuscule stipjes verf de kleding, het aardewerk en het brood aan te duiden. In het schilderij zijn sommige delen haarscherp, terwijl in andere juist de kleuren in elkaar overlopen. Weber laat in het midden of Vermeer daadwerkelijk gebruik maakte van een camera obscura (wat zou verklaren dat sommige onderdelen van een voorstelling vager zijn dan andere). Hoe dan ook, de symbolische of emblematische betekenis van de camera obscura is aanwezig in het werk van Vermeer. Volgens de jezuïeten projecteert het goddelijke licht dat door de lens van dit apparaat valt het beeld van de echte wereld.

Devotie in het alledaagse

Na 1660 legde Vermeer zich toe op huiselijke taferelen. Weber ziet hierin de devotie in het alledaagse. Veel schilderijen sluiten aan bij de jezuïtische emblemata en laten zien hoe de mens zich wel of niet moet gedragen. Vrouw met weegschaal heeft een zo’n boodschap: de weegschaal staat voor het laatste oordeel, waarbij de deugden en de zonden van elk mens worden gewogen. Op Vrouw met parelsnoer zet Vermeer zijn model neer als een personificatie van alle wereldse verlokkingen, want ze bewondert in de spiegel de fraaie parelketting om haar nek. Ook hier speelt het goddelijke licht een belangrijke rol. Dat valt uitbundig door het raam naar binnen, maar de vrouw kan God niet ervaren doordat ze slechts oog heeft voor het parelsnoer.

Weber heeft een even overtuigende als fascinerende interpretatie van het oeuvre van Vermeer gegeven. Dat licht een grote rol speelde in zijn werk was bekend, maar nu weten we ook waar het licht vandaan komt dat Vermeer over zijn beroemde alledaagse, Hollandse taferelen laat schijnen.

Gregor J.M. Weber, Johannes Vermeer. Geloof, licht en reflectie, Rijksmuseum Amsterdam, 2023, 168 p., ISBN 978-462087576, prijs €25,-.

Door Henk Looijesteijn

Hij woonde als jongen aan het hof van graaf Floris V, maakte de ontvoering van de graaf mee en wist ternauwernood te ontsnappen. Een paar jaar later slachtte hij genadeloos opstandige Zeeuwen af. Op 11 juli 1302 kwam er aan zijn loopbaan al een einde, toen hij, ongeveer 24 jaar oud, tezamen met een groot deel van de Franse ridderadel bij Kortrijk in de pan werd gehakt door de Vlamingen. Houwdegen Jan ‘zonder Genade’ van Avesnes volgde zodoende nooit zijn vader op als graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland.

Het is een van de vele, dikwijls tamelijk onbekende, opmerkelijke levens die aan de orde komen in Hoogtij van Holland, het vierde boek van historicus en heraldicus Henk ’t Jong. Het is net als zijn in 2018 verschenen Dageraad van Holland. De geschiedenis van het graafschap 1100-1300 een publieksboek waarin het verhaal van het gewest Holland en zijn graven wordt verteld. Waar Dageraad van Holland valt op te vatten als ‘Holland voor en tijdens Floris’, gaat Hoogtij van Holland over het 14de-eeuwse gewest, over de graven die regeerden na de enige graaf die het grote publiek wellicht nog kent: Floris V.

‘Vergeten’ graven

Tussen 1299 en 1404 werd Holland geregeerd door vijf mannen en één vrouw. Vier van hen stamden uit het Waalse geslacht Avesnes dat ook over Henegouwen heerste; twee kwamen van nog verder weg, Beierse prinsen die via hun moeder aan de Noordzee verzeild raakten. Hun ‘vreemde’ afkomst is wellicht een van de redenen waarom deze graven tamelijk onbekend zijn, maar in de 14de eeuw werd in Holland, onder andere door langdurige tijden van vrede tijdens graaf Willem III en graaf Albrecht, al wel de grondslag gelegd van de latere economische bloei en invloed van het gewest. 

Na een uitgebreide inleiding waarin onder andere wordt uitgelegd waar de ‘buitenlandse’ graven vandaan kwamen en wat voor gebieden Henegouwen en Beieren in die tijd waren, behandelt ’t Jong elke grafelijke regering chronologisch. Het hoofdstuk over graaf Jan II is een epos over acht jaar strijd en steeds wisselende krijgskansen, waarin de Henegouwer de erfenis van zijn vermoorde neef Floris wist veilig te stellen tegen Vlaamse invallen, Utrechtse bisschoppen en opstandige Hollanders en Zeeuwen. Stof voor een epische roman met de nog piepjonge Willem III die zich kranig weerde in de noordelijke graafschappen, terwijl zijn vader in Henegouwen zat. Nadat hij op zijn achttiende graaf werd, bestuurde Willem zijn graafschappen zo uitmuntend dat de bevolking hem later herinnerde als ‘Willem de Goede’.   

Het hoofdstuk over Willems zoon en opvolger Willem IV heeft weer een heel andere toonzetting. Deze rusteloze en vechtlustige jonge vorst was er vaker niet dan wel, regelmatig op ‘Pruisentocht’ (mooi uitgelegd door ’t Jong) en altijd op zoek naar geld wat hij over de balk smeet. Zowel Amsterdam als Rotterdam kregen tegen betaling stadsrecht van de graaf. Zijn rampzalige tocht naar Friesland stortte het graafschap in nieuwe onzekerheid. Hij werd opgevolgd door zijn zuster de keizerin, maar zij moest al gauw wijken voor haar Beierse zoon Willem V, die echter geestesziek werd. Willems jongere broer Albrecht moest er aan te pas komen om als regent op te treden. De Beierse vorsten hadden daarna heel wat te stellen met de partijstrijd tussen Hoeken en Kabeljauwen.

Een rijk boek

Deze impressie doet geen recht aan de zeer rijke inhoud van dit boek. Over elk van deze graven valt een apart boek te schrijven, stelt ’t Jong vast, en hij heeft zich dan ook moeten beperken. Toch voegt hij veel verhelderende bijzonderheden toe, zoals beschouwingen over portretten, watersnoden, oorlogvoering, de pest en levensbeschrijvingen van opmerkelijke bijfiguren. Bijvoorbeeld over bisschop Jacob van Zuden (c. 1270-1331), een grafelijke geldschieter die nooit in zijn Griekse bisdom kwam, en graaf Jan van Blois (c. 1342-1381) die in Holland vele bezittingen had, een Frans graafschap erfde en ook nog hertog van Gelre poogde te worden. Het boek is rijk voorzien van afbeeldingen, kaarten en stambomen. ’t Jong erkent dat de vele namen en jaartallen de lezer wel eens zullen doen duizelen, maar stelt terecht vast dat een publieksboek over de middeleeuwen nu eenmaal niet zonder kan. 

Hoogtij van Holland is een vol boek, maar het was dan ook een volle, ‘waanzinnige’ eeuw waarin het kustgraafschap het toneel vormde voor ten minste twee vorsten van Europees formaat. Willem III en Albrecht voerden een luisterrijk hof en waren schoonvaders van koningen en keizers. Holland bloeide op tijdens hun regeringen en Den Haag beleefde een eerste hoogtij als hofstad. Willem III en Albrecht behoren met Willem II en Floris V tot de grootste graven van Holland en dit boek is onontbeerlijk voor de student of de liefhebber die zich wil verdiepen in de wederwaardigheden van deze ‘vergeten’ graven.

Henk ‘t Jong, Hoogtij van Holland. Het graafschap in de veertiende eeuw, Utrecht: Uitgeverij Omniboek, 2022, 416 p., ISBN 9789401918534, prijs €27,50.

Door Romy Beck, redactielid Holland

‘Pardoes zit de lezer aan boord van de walvisvaarder Michaël bij een “dunne, vriesige, kouwe lugt” onderweg naar Straat Davis. Het is 15 mei 1783 en een week later is de uitreis voltooid als de hoogte van Disko Eiland wordt bereikt. Het was een lange reis geweest van bijna tien weken, nadat men op 15 maart in zee was gestoken.’ (p. 41). Dit citaat uit de journalen van Aerjen Jansz. Ruijs (1750-1818) neemt je mee naar de noordelijk gelegen gebieden in de 18de eeuw. Ruijs, afkomstig uit het Noord-Hollandse de Zijpe, ging als matroos mee op walvisvaart en legde zijn ervaringen vast in twee journalen. Een werkgroep van het Regionaal Archief Alkmaar transcribeerde deze documenten en besloot hier een publicatie aan te wijden.

Een bijzonder dagboek

In 1783, 1784 en 1785 koos de 23-jarige Ruijs, net als talloze leeftijdsgenoten, het ruime sop, in de richting van Groenland en Straat Davis. Tijdens de reis hield hij een journaal bij, waarin hij uitgebreid verslag deed van zijn ervaringen. Zo beschreef hij de dagen aan boord en vermeldde per dagdeel gebeurtenissen en koersen, en hoe het gesteld was met het weer en de wind. Het weer viel hem niet altijd mee, zo hij noteerde bijvoorbeeld op 18 mei dat ‘de wind door je lichaam heen waait alsof je geen kleren aan hebt’. Bij strenge vorst bewaarde hij zijn inktkoker niet voor niets in een ‘ondertasje’, om deze te beschermen tegen bevriezing. Toch keek hij zijn ogen uit in het noordelijk gelegen gebied: ijsbergen leken wel ‘of ’t cassteelen waren’. Een enkele keer voorzag Ruijs zijn verhaal van een tekening. In de journalen vinden we bijvoorbeeld een verbeelding van een Inuit in een kajak en het hoofd van een pijprokende man.

Dat Aerjen Jansz. Ruijs zijn lotgevallen optekende, is bijzonder. Er bestaan maar weinig vroegmoderne scheepsjournalen van opvarenden uit lagere rangen. Overgeleverde journalen zijn vaak van commandeurs, zoals Het dagboek van de Amelander walvisvaarder Hidde Dirks Kat (Dokkum 2018). De manuscripten van Ruijs, tegenwoordig bewaard in het Regionaal Archief Alkmaar, zijn door Gery Baars-Visser, Hans Besseling, Netty Bleichrodt-Vegter, Harry de Raad en Piet Schilte getranscribeerd en voorzien van verklarende voetnoten. Zo is de transcriptie goed leesbaar en begrijpelijk voor de hedendaagse lezer. Daarnaast bevat het boek een bespreking van de geschiedenis van de vroegmoderne walvisvaart en een reflectie op de twee journalen.

Verrijking beeld walvisvaart

Jaap R. Bruijn en Ineke Vonk-Uitgeest besteden per paragraaf kort aandacht aan thema’s, zoals de voorbereidingen, de schepen, de bemanning, de verdiensten, de reis, de verschillende vangstgebieden, de praktijken en de afrekeningen en afwikkelingen bij terugkomst. Zo stellen Bruijn en Vonk-Uitgeest bijvoorbeeld dat commandeurs de belangrijkste personen waren bij de walvisvaart, ook bij het werven van de juiste bemanningsleden. Op de overgeleverde monsterrol van de Michaël voor de reis naar Straat David in 1783 is dit terug te zien. Hierop stonden 22 mannen (van de in totaal 45 opvarenden) die afkomstig waren uit de eigen omgeving van commandeur Dirk Hopman. Zo ook matroos ‘Arijen Reuys van de Zijpe’ (p. 31-33).    

De combinatie van het primaire bronnenmateriaal en een inleiding op basis van de bestaande literatuur zorgt voor verdere verrijking en inkleuring van de kennis over de Nederlandse walvisvaart in de 18de eeuw. De teksten van Ruijs maken het mogelijk om de vroegmoderne walvisvaart nu eens vanuit een ander perspectief, meer van onderaf, te bestuderen. Daarnaast laat dit boek heel mooi zien hoe lokale geschiedenis en de inspanningen van plaatselijke historici van toegevoegde waarde kunnen zijn voor wetenschappelijke kennis en het academische debat.

Gery Baars-Visser, Hans Besseling, Netty Bleichrodt-Vegter e.a. [red.], De walvisvaartjournalen van Aerjen Jansz. Ruijs uit de Zijpe, 1783 en 1784, Hilversum: Verloren, 2022, 160 p., ISBN: 9789464550207, prijs €20,-.

Door Jaap de Haan, historicus aan de Universiteit Utrecht

Net zoals tulpen en klompen horen molens bij Nederland. Met klompen hebben molens gemeen dat ze vroeger alom vertegenwoordigd waren, maar tegenwoordig veel minder vaak te zien zijn. Al moet worden gezegd dat de kans groter is om een molen tegen te komen dan iemand op traditionele klompen. Molens waren in Nederland overal, niet alleen in het lage westen, maar ook in de hoger gelegen delen. Naast het beheren van de waterstand in de polders werden ze gebruikt om hout te zagen, olie te persen, papier te maken en graan te malen. In het midden van de 19de eeuw telde ons land ongeveer 10.000 molens en daar waren er ruim een eeuw later nog zo’n 1.000 van over.

Stokhuyzen

Rond 1960 stond het er beroerd voor met de molenstand. Tijdens de industrialisering waren er stoom- en later elektrische machines beschikbaar gekomen die de traditionele windmolens in snel tempo vervingen. Na een periode van verval volgde meestal de sloop van een molen. Aan het begin van de 20ste eeuw maakten de eerste mensen zich druk over het verdwijnen van molens uit het landschap. Zo werd de vereniging De Hollandsche Molen opgericht in 1923, die als doel had nog bestaande molens te behouden. Een belangrijke bijdrage aan dit doel leverde ir. F. Stokhuyzen. Van hem verscheen in 1961 het boek Molens, dat voor een kentering zorgde in de manier waarop naar de resterende molens gekeken werd. Niet langer stond sloop maar behoud voorop. Molens. Altijd in beweging is de 6e herziene druk van Stokhuyzens pionierswerk.

Techniek

De eindredacteuren Nicole Bakker en Ed van Gerven hebben de bijdragen van diverse molendeskundigen in een prettig leesbare tekst gegoten. Het boek loopt systematisch de verschillende soorten molens af, van spinnenkop, zes- of achtkanter, bovenkruier tot grondzeiler. In duidelijke taal en geïllustreerd met vele technische tekeningen wordt de werking van diverse molens uitgelegd. De lezer, die veelal een leek zal zijn op dit onderwerp, moet zo wel bewondering krijgen voor de vaak al eeuwenoude techniek die in molens is toegepast.

De wieken van een molen zijn schuin geplaatst, zodat hun vlucht (de lengte) langer is en de molen van onderen breder en steviger gebouwd kan worden. Een voorbeeld hiervan is de veelvoorkomende achtkantige molen. Deze houten, riet gedekte molen was een stuk lichter dan molens met een stenen onderbouw en dat scheelde een zware fundering op de slappe veenbodem in West-Nederland. Bovendien zorgde constructie van houten balken voor een grote stijfheid, die de krachten van de molen kon opvangen.

Bijzonder vernuftig is de werking van de houtzaagmolen; ooit stond deze in grote getale langs de Zaan. Dankzij de uitvinding van de krukas door Cornelis Cornelisz. in 1596 was het mogelijk om de draaiende beweging van de wieken over te brengen op drie op-en-neer-gaande zaagramen. Eén houtzaagmolen nam het werk van wel 50 handzagers over.

Overleefd

Behalve bij de verschillende soorten molens en de gebruikte techniek staat het boek ook stil bij de bewoners van molens en het molenbehoud. Over het laatste onderwerp biedt het boek een verrassend inzicht. Om molens zo lang mogelijk in bedrijf te houden schreef De Hollandsche Molen diverse prijsvragen uit om het rendement te verhogen. Dat leverde enkele succesvolle ideeën op. In 1927 kwam molenbouwer A.J . Dekker bijvoorbeeld met en metalen omhulsel voor wieken, dat de aerodynamica flink verbeterde. Dankzij deze en andere moderniseringen is een deel van de molens voor sloop behoed. Snel na de Tweede Wereldoorlog werden ze alsnog buiten werking gesteld, maar toen ze rond 1960 in verval raakten was de publieke opinie over het slopen van molens veranderd. Vrijwel allemaal werden ze opgeknapt, met als resultaat dat er tegenwoordig bijna 1200 complete molens zijn in Nederland.

Molens. Altijd in beweging is een toegankelijk boek voor iedereen die eens op zijn of haar gemak wil bekijken hoe een molen werkt. De vele fraaie kleurenfoto’s en overzichtelijke tekeningen helpen om alle technische begrippen – de molentaal – te kunnen plaatsen. Het boek is voorzien van een uitgebreid register, wat het opzoeken van termen vergemakkelijkt. Een lijst met literatuursuggesties voor de lezer die meer wil weten over molens had een welkome aanvulling geweest.

Nicole Bakker en Ed van Gerven (red.), Molens, Altijd in beweging, Zwolle: Uitgeverij Wbooks 2022, 232 p., ill., ISBN 9789462584785, prijs €24,95.

Door Ad van der Zee, Adviseur Erfgoedhuis Zuid-Holland en redacteur Holland Historisch Tijdschrift

Neue Westwall

Toen Hitler in 1941 het besluit nam tot de invasie van Rusland met drie miljoen soldaten, moesten als gevolg daarvan grote delen van het Duitse leger uit het recent veroverde West-Europa worden teruggetrokken om ingezet te kunnen worden in het oosten. Om verzekerd te zijn van rugdekking gaf Hitler opdracht de kust van West-Europa te beschermen tegen een mogelijke invasie van de westelijke geallieerden met de bouw van liefst 15.000 versterkingen. Deze versterkingen, waaronder een groot aantal betonnen bunkers, werden gepland volgens een door de Duitse legerstaf bedacht systeem en zouden in mei 1943 gereed moeten zijn. De verdedigingslinie strekte zich uit van Noorwegen tot aan de Pyreneeën en werd de Neue Westwall genoemd. Het Duitse kustverdedigingssysteem was hiërarchisch opgebouwd: de kleinste eenheid was een bunker; een groep gerelateerde bunkers vormde een Widerstandsnest (Wn) die weer samen een Stützpunkt of een Stützpunktgruppe vormden. De strategisch belangrijkste daarvan werden Verteidigungsbereich genoemd. Die vinden we in Nederland bij Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden en Den Helder. De linie was in de diepte gelaagd, met een ‘zeefront’ direct aan de kust en een ‘landfront’ iets landinwaarts, om de bunkers ook tegen een aanval in de rug te beschermen. Daarachter waren extra (water)linies gepland, zoals de zogeheten Vordere/Hintere Wasserlinie.

De ‘onneembare’ Atlantikwall

Hitler was ontevreden over het tempo en de sterkte van de Neue Westwall. Hij vond dat een veel groter deel van de bunkers ‘ständig’, dus bomvrij moest worden gebouwd. Hij droomde van een onneembare verdedigingslinie en introduceerde tijdens een bespreking met zijn ministers op 13 augustus 1942 daartoe de term Atlantikwall. Alle legeronderdelen gingen aan de slag met het ontwerp van nieuwe ständige bunkers en de verdere uitbouw van de Atlantikwall. De nieuwe term leende zich bovendien uitstekend voor een propaganda-offensief. De aanduiding Festung, voor een Verteidigungsbereich dat tot de laatste man en kogel zou moeten worden verdedigd, paste daar goed bij. Hoek van Holland en IJmuiden werden in 1944 tot Festung uitgeroepen.

Ontwerpen, kaarten, atlassen met kaarten, nieuwe ontwerpen en nóg meer kaarten werden aan de lopende band geproduceerd om de legertop tevreden te stellen. Dat leverde een onvoorstelbare hoop papier op die systematisch werd gearchiveerd. Onderzoekers van de geschiedenis van de Atlantikwall kunnen daarom putten uit een reusachtige berg aan gegevens, waarvan het merendeel wordt bewaard in het Bundesarchiv.

Tweeëneenhalve kilo informatie

Jeroen Rijpsma en Arthur van Beveren bestuderen al jaren de bouw en het gebruik van de Atlantikwall tot op detailniveau. In hun monumentale, tweeëneenhalve kilo zware, boek Atlantikwall in kaart etaleren zij alle kennis die zij hebben vergaard. Zij richten zich voornamelijk op de provincie Zuid-Holland, maar de reikwijdte van het boek is vele malen breder. Immers, wie het ontwerp en de systematiek van de Atlantikwall wil begrijpen, kan zich niet tevreden stellen met de beschrijving van lokale situaties.

De samenhang van de verschillende delen binnen het geheel van de Atlantikwall zet aan tot een uitgebreide analyse van dat totaalverband. Bovendien werden de meeste, zo niet alle beslissingen aangaande de kustverdediging in Berlijn genomen, meestal ook nog door de Führer zelf, die zich soms tot in de kleinste details met de bouw bemoeide. Dat maakt dit boek niet tot een willekeurige bunkergids of een soort ‘Atlantikwall voor beginners’. Kaarten, plattegronden en tekeningen zijn daarbij steeds het startpunt om te laten zien waartoe de Atlantikwall werd ontworpen en hoe die functioneerde. Veel van de getoonde kaarten zijn heel bijzonder, waarmee het boek voor kaartenliefhebbers echt smullen is. De auteurs wijden niet alleen hoofdstukken aan ontwerp en bouw, maar ook aan het dagelijks leven van de soldaten in de bunkers gedurende de oorlogsjaren. Ze maken daarbij gebruik van archiefmateriaal, maar ook van foto’s, zoals de vele ‘oorlogskiekjes’ die Duitse soldaten maakten en in plakboeken mee naar huis namen. Dat levert schitterende en vaak unieke beelden op in dit boek. Geen aspect van de Atlantikwall blijft daarbij onbesproken.

Rijpsma en Van Beveren hebben het zichzelf bepaald niet gemakkelijk gemaakt. En ook van de lezer wordt een stevige inspanning verwacht, al was het maar om de grote hoeveelheid Duitse jargontermen, afkortingen en citaten tot zich te laten doordringen. Gelukkig is er een uitgebreide verklarende woordenlijst achterin het boek opgenomen. Van het gebruik van noten is afgezien, maar de documentatie en bronverwijzing zijn ruim voldoende.

Dit boek vráágt als het ware om een vervolg waarin ook de provincies Zeeland, Noord-Holland, Friesland en Groningen aan de beurt komen. Zo’n vervolg kan wel een stuk dunner zijn, want de grote lijn van het hoe en waarom van de Atlantikwall als geheel wordt in deze atlas aan de hand van de situatie in Zuid-Holland uitgebreid besproken. Atlantikwall in kaart is wellicht vooral voor kenners bedoeld, maar wie zichzelf nog niet als zodanig beschouwt zal zich er na lezing misschien al wel eentje voelen.

Jeroen Rijpsma en Arthur van Beveren, Atlantikwall in kaart – Bunkers en bezetting in Zuid-Holland, Rozenburg: Rijpsma Drukkers, 328 p., ill., ISBN 9789078012092, prijs € 49,95. Voor meer informatie en bestelmogelijkheden:  www.atlantikwallinkaart.nl

Door Henk Looijesteijn

Het mooiste dorp van Holland is het wel eens genoemd, en ook al valt over smaak niet te twisten en zullen andere Hollanders het daar allicht niet mee eens zijn, Broek in Waterland spreekt nog altijd tot de verbeelding. Op twintig minuten met de bus van Amsterdam Centraal is het kalme dorp ogenschijnlijk een geheel andere wereld dan de jachtige grootstad, met de statige, veelal houten huizen omringd door veel water en groen.

Roemrucht is de legende van de schat van Neeltje Pater (1730-1789), ooit de rijkste vrouw van Nederland. Hoewel de erfenis al binnen korte tijd na haar dood werd verdeeld, bleven tot ver in de 20ste eeuw tal van zelfverklaarde erfgenamen ervan overtuigd dat ergens in een bankkluis nog een fortuin verborgen lag. Inmiddels heeft onderzoek uitgewezen dat daar geen sprake van is: de droom van de schat van Neeltje Pater is grotendeels vervlogen. Geertje Wiersma heeft daar een vermakelijk en vlot leesbaar boek over geschreven, Verborgen fortuin: de jacht op de erfenis van Neeltje Pater (Amsterdam 2010).

Wie een wandeling maakt door Broek in Waterland kan Neeltje Pater eigenlijk niet missen, al is het alleen al door de fraaie grafsteen voor haar en haar man Cornelis Schoon (1719-1778) die nog prijkt in de fraaie zerkenvloer van de kerk. Schoon is veel minder bekend gebleven dan zijn echtgenote, maar zijn cultuurhistorische nalatenschap is wellicht groter doordat verschillende van zijn handschriften en door hem gemaakte tekeningen van Broek in Waterland bewaard zijn gebleven. Schoon maakte onder andere een beschrijving van zijn dorp, waar hij tot de plaatselijke elite behoorde en het tot burgemeester bracht. Delen hiervan zijn opgenomen in de Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden uit het midden van de 18de eeuw.

Gezien de roem van dit echtpaar komt het niet als een verrassing dat Jochem Kroes in zijn studie van de Broeker dorpselite in de 18de eeuw een apart hoofdstuk aan het rijke echtpaar besteedt. In zijn boek wordt dit koningskoppel ingebed in een achtergrond van een hele sociale klasse binnen het dorp. Zij maakten deel uit een kleine en hecht verwante groep van Broeker kooplieden, die met name in de tweede helft van de 17de en het eerste kwart van de 18de eeuw welgesteld werd door deel te nemen aan de Amsterdamse wereldhandel. In de loop van de 18de eeuw trokken zij zich terug uit die handel en werd Broek een dorp van rijke renteniers, die opvielen door een hoge mate van endogamie en lage huwelijksvruchtbaarheid. Daardoor hoopte kapitaal zich op bij een paar erfgenamen – zoals het geval was met Neeltje Pater.

Beroepsgenealoog Jochem Kroes (1951) heeft zich sinds zijn pensionering als medewerker van het Centraal Bureau voor Genealogie in 2015 tot doel gesteld onderzoek te doen naar de vaak nog nauwelijks onderzochte plattelandselites van Holland. Na artikelen over de 18de-eeuwse elite van Schagen en zijn studie Bij de groote op Texel (Den Haag 2019), verplaatste Kroes zijn aandacht naar het 18de-eeuwse Broek. Dat is uitgemond in een omvangrijk, door het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde uitgegeven boek.

Het Dorp van Neeltje Pater behandelt de kooplieden- en regentenfamilies van 18de-eeuws Broek in Waterland en zoals te verwachten viel, zit daar veel overlapping tussen. Naast het echtpaar Schoon en Pater komen de geslachten Verlaan, Mars, Pater, Timmerman, Ploeger, Bakker en Koker veelvuldig aan de orde. Kroes heeft een omvangrijke studie geschreven waarin de Broeker elite in kaart is gebracht als een soort Who is who? en hun doen en laten, voor zover opgetekend in archiefstukken, is beschreven. Hun economische handel en wandel komt uitgebreid aan de orde, hun nalatenschappen en hoe ze in hun huizen leefden en hun tuinen hadden ingericht.

Als zodanig is het een zeer bruikbare aanwinst voor de geschiedschrijving van het Waterlandse dorp. Het beschrijvende aspect van het boek staat helaas wel nadrukkelijk voorop. Het een en ander is daardoor nogal opsommend, niet in de laatste plaats door de vele op elkaar lijkende en steeds weer terugkerende namen. Vereenvoudigde stambomen hadden de lezer een makkelijker overzicht kunnen geven dan de genealogische schema’s die nu in de bijlagen staan. Het boek is daarnaast ook wat dun in de analyse van alle gepresenteerde gegevens. Een grondige vergelijking met zijn eerder werk of andere elitestudies blijft bovendien uit. Wellicht komt dat nog als Kroes zijn onderzoeken voortzet.

Dat neemt allemaal niet weg dat we nu aanzienlijk meer weten van de 18de-eeuwse Broeker elite dan voor Kroes’ onderzoek. Neeltje Pater stond bepaald niet alleen in haar dorp. In dat opzicht is de echte schat van Neeltje Pater niet zozeer de klinkende munt die ze bij leven bezat als wel het fraaie beschermde dorpsgezicht dat voortvloeide uit de 18de-eeuwse Broeker rijkdom. 

Jochem Kroes, Het dorp van Neeltje Pater. De kooplieden- en regentenfamilies van Broek in Waterland in de achttiende eeuw, Werken van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht en Wapenkunde XXVII, ’s-Gravenhage: KNGGW, 2022, 488 p., ISBN 9789082527933. Prijs: €25,-. 

Arjan Nobel, Universiteit van Amsterdam

Lokaal-historische publicaties blijven regelmatig onopgemerkt. Bijvoorbeeld omdat ze worden uitgegeven door een kleine uitgeverij of een plaatselijke historische vereniging. Dat is jammer, want juist daar verschijnen soms interessante uitgaven die een schat aan onbekend materiaal ontsluiten. Leiderdorp tijdens de 80-jarige oorlog, door de auteurs zelf gekarakteriseerd als ‘een dorpsbiografie’ (p. 11), is zo’n boek. Het biedt geen afgerond verhaal, maar een serie schetsen over een dorpssamenleving in de late 16de en vroege 17de eeuw.

Het boek vindt zijn oorsprong in een cursus ‘Oud Schrift’ van de Volksuniversiteit Leiderdorp, gegeven door emeritus-hoogleraar middeleeuwse geschiedenis Dick E.H. de Boer. Enkele deelnemers waren zo enthousiast dat ze besloten hun archiefvondsten aan het papier toe te vertrouwen. Inspiratiebron daarbij was de inmiddels klassieke studie over het dorp Graft van A.Th. van Deursen. Het resultaat is een boek met negen hoofdstukken over evenzoveel onderwerpen, die een venster bieden op het bestuurlijke, economische, religieuze, culturele en sociale leven van Leiderdorp tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Dick de Boer nam zelf vijf hoofdstukken voor zijn rekening, over de verwoestingen in en rond het dorp en de wederopbouw van de kerk na het Beleg van Leiden (1574), het onderwijs, het culturele leven en de impact van de grote politieke gebeurtenissen. Willem Hovestreydt beschrijft in detail de lotgevallen van huis Ter Does en zijn bewoners, onder wie Pieter van der Does (1562-1599), die in 1588 werd benoemd tot vice-admiraal van Holland. De steen- en kalkindustrie staat centraal in een bijdrage van Hans Endhoven, terwijl Edward Sodderland de activiteiten in de talloze herbergen onder de loep neemt. Een breed opgezette schets van Leiderdorp rond 1620, van de hand van Emil Broesterhuizen, completeert het geheel.

Leiderdorp was geen Graft, zoveel is zeker. Het was beduidend kleiner: in 1622 woonden er 945 mensen, terwijl Graft in dat jaar 3161 inwoners telde. Bestuurlijk viel de ambachtsheerlijkheid Leiderdorp onder de stad Leiden, terwijl de banne Graft ressorteerde onder de Staten van Holland. Ook in economisch opzicht waren er verschillen. De Leiderdorpers vonden hun emplooi in de agrarische sector – de veeteelt, tuinbouw en fruitteelt – en de verschillende industrieën zoals de textielnijverheid, de steenfabrieken en kalkbranderijen, terwijl de Grafters veel meer waren gericht op het water, de zeevaart en de visserij. De inwoners van beide dorpen maakten een oorlog mee, maar zeker niet in gelijke mate. Mannen uit Graft werden tijdens het Beleg van Alkmaar (1573) opgeroepen om schansen te graven en vrouwen verpleegden de gewonde soldaten. Maar zo dichtbij als in Leiderdorp kwam het oorlogsgeweld nooit. Na het Beleg van Leiden lagen hier talloze gebouwen in puin en stonden landerijen onder water.

Ondanks de verschillen, zijn de overeenkomsten tussen Leiderdorp en Graft treffend. In beide dorpen was bijvoorbeeld 10% van de volwassen mannen gelijktijdig betrokken bij het openbaar bestuur. En wat te denken van de voorname rol van vrouwen? In tal van herbergen zwaaiden zij de scepter en een groot aantal winkeltjes werd door hen gerund. Wat ook in het oog springt, is de bloeiende lokale cultuur. Het kleine Leiderdorp kende zelfs een eigen rederijkerskamer, terwijl ook op het Schermereiland liederen werden gemaakt. Wellicht niet allemaal van een even hoog niveau, maar de plattelandscultuur beperkte zich zeker niet tot het huishoudboekje en de bedrijfsboekhouding.

Vergelijkingen als deze, met Graft en andere dorpen, hebben in Leiderdorp tijdens de 80-jarige oorlog vrijwel geen plaats gekregen. Het boek is toch vooral een, soms uitermate gedetailleerde, beschrijving van enkele aspecten van een dorpssamenleving op de drempel van de nieuwe tijd. Dat is jammer, want door het trekken van bredere lijnen had het boek meer algemene geldigheid gekregen. Maar, eerlijk is eerlijk, daar was het de auteurs ook niet om te doen. Het boek is, in hun eigen woorden, slechts ‘een verzameling schetsen’ (p. 11) en ‘een eerste aanzet om het leven van de Leiderdorpers aan het eind van de 16de en het begin van de 17de eeuw te doorgronden’ (p. 406). Natuurlijk valt er altijd wel iets aan te merken – een goede bureauredacteur had foutjes en herhalingen er zeker uitgehaald – maar eerlijk gezegd doen schrijvers zich met deze uitspraken toch tekort. Het uitbrengen van een dergelijke studie door een groep liefhebbers is een prestatie van formaat. Sterker, als het gaat om de afbeeldingen hebben ze Van Deursen zeker overtroffen. Het boek bevat een groot aantal schilderijen, kaarten en foto’s die niet alleen dienen als verluchtiging van de tekst, maar ook regelmatig uitvoerig worden geanalyseerd. Helemaal aan het einde doen de auteurs de uitnodiging om de ‘paradijselijke rijstebrijberg aan bronnen’ (p. 406) voor het vroegmoderne platteland verder te ontsluiten. Die oproep kan niet genoeg worden herhaald. Onderzoek in dorpsarchieven vereist veel geduld en doorzettingsvermogen. Maar deze bronnen bevatten vaak een schat aan prachtige gegevens. Leiderdorp tijdens de 80-jarige oorlog is daarvan een uitstekend bewijs.

Dick E.H. de Boer e.a., Leiderdorp tijdens de 80-jarige oorlog. Schetsen van een dorpssamenleving, Leiden: Uitgeverij Ginkgo, 2019, 432 pp., ISBN 978 90 71256 74 5, prijs €29,95.

Door Doreen van den Boogaart, freelance historisch onderzoeker

Slavenhandelaren aan de Prinsengracht

In 18de-eeuws Amsterdam en Suriname stonden koopmannen Jochem Matthijs en Coenraad Smitt van de Prinsengracht bekend om hun handel in koffie, suiker én slaafgemaakte mensen. Ramona Negrón en Jessica den Oudsten schrijven in hun recent gepubliceerde boek over de ontdekking dat deze vader en zoon de grootste slavenhandelaren van Amsterdam waren. De firma Jochem Matthijs en Coenraad Smitt komt veelvuldig voor in het archief van het Amsterdamse notariaat, dat de afgelopen jaren door het Stadsarchief Amsterdam is gedigitaliseerd en geïndexeerd met de hulp van ruim duizend vrijwilligers. De firma bleek de meeste private slavenschepen vanuit Amsterdam uitgereed te hebben in de 18de eeuw en tussen de 11.000 en 13.000 West-Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen verhandeld te hebben.

Aan de hand van de reis van een van de eerste slavenschepen van de Smitts, ‘t Gezegende Suikerriet (1745), vertellen de auteurs de geschiedenis van de firma Jochem Matthijs en Coenraad Smitt. Door hun gedetailleerde analyse van de akten wordt de werkwijze van de Smitts zichtbaar, evenals hun grootste drijfveer: economisch gewin. Dit staat in schril contrast met de ervaringen van de slachtoffers, wier lotgevallen richting het einde van het boek steeds meer aandacht krijgen.

Kennismaking met de slavenhandel

De eerste kennismaking tot de private slavenhandel kreeg Jochem Matthijs Smitt mogelijkerwijs door het lezen van een advertentie van de Sociëteit van Suriname in de Amsterdamse Courant. De grootste slavenhandelaren van Amsterdam begint dan ook met hoofdrolspeler Jochem Matthijs die de Amsterdamse Courant openslaat. Op deze verhalende wijze brengen Negrón en Den Oudsten aan de start van elk hoofdstuk de geschiedenis dicht bij de lezers. Ook de toegankelijk manier waarop de inleiding op de Nederlandse slavenhandel, de opkomst van koopmannen als de Smitts en de kolonie Suriname is opgesteld, laat zien dat het rijk geïllustreerde boek is geschreven voor een breed publiek.

Ondertussen levert dit boek een belangrijke aanvulling op de kennis van de situatie op Nederlandse slavenschepen en de Amsterdamse private slavenhandel tussen 1730 en 1779. Het vernieuwende gebruik van notariële akten levert een completer beeld van de organisatie rond de slavenhandel op. Notarissen waren namelijk betrokken vanaf het moment dat de Smitts op zoek gingen naar investeerders voor hun schepen tot aan de evaluatie van de reizen bij terugkeer in Amsterdam.

De vele verklaringen van de bemanning van ’t Gezegende Suikerriet en andere slavenschepen van de Smitts schetsen een beeld van structureel geweld aan boord. Hiermee weerleggen de auteurs de stelling van verschillende historici dat dit incidenteel gebeurde en tot slaafgemaakten op slavenschepen goed behandeld werden. Die intentie was wel vastgelegd bij de notaris in contracten voorafgaand aan de reis, maar het overlijden van verscheidene gevangenen tijdens de reis en de rechtszaken na afloop vanwege het gewelddadige beleid van de kapitein, laten zien dat de realiteit anders was.

Stemmen uit notariële akten

Dankzij het diepgravende onderzoek van de auteurs wordt de betrokkenheid van de notarissen, bemanningsleden en plantage-eigenaren in Suriname zichtbaar. Daarnaast is er aandacht voor de stiltes in de bronnen, aangezien alleen de bemanning gehoord is en de stemmen van de verhandelde West-Afrikaanse mensen ontbreken. Toch weten de Negrón en Den Oudsten door de reis van het ‘t Gezegende Suikerriet te beschrijven vanuit twee perspectieven. Ze reconstrueren de ervaringen van de mannen, vrouwen en kinderen die onvrijwillig verscheept werden, evenals het leven op de plantages in Suriname waar ze terecht zouden komen. 

Echter, er had in het boek meer aandacht besteed mogen worden aan de impact van de vrijheidsberoving, ontmenselijking, mishandeling en brandmerking die plaatsvond op de slavenschepen. In het voorwoord wordt kort de keuze voor het gebruik ‘slaafgemaakten’ en ‘slaafgemaakte mensen’ aangestipt. De afgelopen jaren is dit woordgebruik steeds gangbaar geworden, omdat zo het proces van ‘tot slaaf maken’ zichtbaar gemaakt wordt. Negrón en Den Oudsten spreken al vanaf het moment van aankoop op de West-Afrikaanse kust over ‘slaafgemaakten’. Dat het tot slaaf maken ook op zee plaatsvond, had duidelijker naar voren kunnen komen, juist om zo de betekenis van het woordgebruik te onderstrepen.

Ramona Negrón en Jessica den Oudsten laten met De grootste slavenhandelaren van Amsterdam veel meer zien dan alleen de werkwijze van Amsterdams grootste slavenhandelaren. De overvloed aan (ontstellende) kennis die ontsloten kan worden in de Nederlandse (stads)archieven brengen zij voor het voetlicht. Dat geldt ook voor de betrokkenheid op verschillende niveaus, verschillende locaties en in alle lagen van de Nederlandse bevolking bij het tot slaaf maken van duizenden mensen.

Ramona Negrón en Jessica den Oudsten, De grootste slavenhandelaren van Amsterdam. Over Jochem Matthijs en Coenraad Smitt, Zutphen: Walburg Pers, 2022, 264 pp., ISBN 9789462499270, prijs €29,99.