Eddy Verbaan, De woonplaats van de faam. Grondslagen van de stadsbeschrijving in de zeventiende-eeuwse Republiek Verloren, Hilversum, 2011, 366 p. geïll., ISBN 9789087042462, prijs €35,-

door Maarten van Dijck, Erasmus Universiteit Rotterdam

Met twee argumenten wil Eddy Verbaan de lezer overtuigen van het belang van zijn studie. Ten eerste wijst hij op de snelle opkomst van de stadsbeschrijvingen in Holland tijdens de zeventiende eeuw. Vervolgens maakt hij de vergelijking met de hedendaagse hausse aan stadsgeschiedenissen. Daarom lijkt het Verbaan nuttig om de oorsprong van dit genre nader te bekijken. In totaal bestudeert hij in zijn boek achttien publicaties die de karakteristieken vertonen van een stadsbeschrijving. Het is niet de inhoud van deze stadsbeschrijvingen die het onderwerp van Verbaans studie vormen, maar de kenmerken van het genre. Historici blijven daarom ook grotendeels op hun honger zitten bij het lezen van dit boek, al moet worden gezegd dat de kennis en het vakmanschap van de letterkundige Verbaan wel alle lof verdient.

Deze stadsbeschrijvingen ontwikkelden zich volgens Verbaan op het kruispunt van chorografie, stedenlof, reiskunde en geschiedenis. In de eerste vier hoofdstukken beschrijft Verbaan hoe de stadsbeschrijving ontstond uit deze vier genres. De chorografie komt eerst aan bod en wordt door de auteur omschreven als een mengeling van aardrijkskunde en geschiedenis. In feite gaat het om de beschrijving van plaatsen en hun geschiedenis, maar binnen deze chorografie onderscheidt Verbaan twee verschillende tradities: de ene praktisch-economisch georiënteerd, de andere geleerd- antiquarisch. Daarna volgt een hoofdstuk waarin aandacht wordt besteed aan het stedenlof. Dat dit genre aan bod komt in deze studie is het resultaat van de vormelijke benadering van Verbaan. Inhoudelijk kregen dergelijke teksten in het verleden amper aandacht in de historiografie omwille van het subjectieve karakter van deze geschriften, maar Verbaan toont aan dat ook dit soort publicaties het bestuderen waard zijn. De aandacht voor de morele kwaliteiten van de stedelingen ontleenden de stadsbeschrijvingen immers aan het stedenlof. Hoewel de auteur hier zeker nog een aantal interessante vragen onbeantwoord laat – bijvoorbeeld over de band met het stedelijke republicanisme – zorgt de vormelijke analyse van de auteur voor inzichten die in andere, meer historische analyses van de stadsbeschrijvingen nog niet aan bod kwamen.

Niet de inhoud van de stadsbeschrijvingen vormen het onderwerp van Verbaans studie, maar de kenmerken van het genre

Verrassend genoeg borduurden de stadsbeschrijvingen uit de zeventiende eeuw ook verder op reisbeschrijvingen. De structuur van het reisverhaal zorgde ervoor dat de belerende functie van de tekst werd gekoppeld aan vermaak. Bovendien verhoogden de reisbeschrijvingen de geloofwaardigheid van de stadsbeschrijvingen, omdat de auteur aangaf dat hij alle zaken met zijn eigen ogen had waargenomen tijdens een wandeling doorheen de stad. Om deze empirische betrouwbaarheid te garanderen gingen de auteurs ook op zoek naar archivalische bronnen. Het verzamelen van deze historische gegevens was geen sinecure aangezien de stedelijke archieven toen nog niet toegankelijk waren en zelfs geheim dienden te blijven voor het grote publiek. Daarom moesten de auteurs over een aanzienlijk netwerk beschikken om stukken te kunnen inzien. De meeste auteurs bewogen zich dan ook in bestuurlijke kringen.

Dit overzicht van de verschillende genres die aan de basis liggen van de stadsbeschrijving, vormt het omvangrijkste en belangrijkste deel van het boek. In hoofdstuk vijf herhaalt de auteur nogmaals hoe deze vier verschillende genres erg met elkaar verwant waren en uitmondden in de zeventiende-eeuwse stadsbeschrijving. Net als in de vorige hoofdstukken kiest de auteur ervoor om zijn argumenten te staven aan de hand van één voorbeeld. In dit hoofdstuk kiest hij voor een vergelijking van de stadsbeschrijving van Delft  van Dirck van Bleysweyck en de figuratieve kaart die voor datzelfde boek werd gemaakt. Door tekst en afbeelding naast elkaar te leggen, maakt Verbaan duidelijk dat topografie, reiskunde en geschiedenis onlosmakelijk met elkaar verbonden waren in de zeventiende eeuw. Hoewel de auteur daarmee zijn centrale onderzoeksvraag heeft opgelost, bewaart hij nog een interessante uitsmijter voor het laatste hoofdstuk.

Verrassend genoeg borduurden de stadsbeschrijvingen uit de zeventiende eeuw ook verder op reisbeschrijvingen. De structuur van het reisverhaal zorgde ervoor dat de belerende functie van de tekst werd gekoppeld aan vermaak. Bovendien verhoogden de reisbeschrijvingen de geloofwaardigheid van de stadsbeschrijvingen, omdat de auteur aangaf dat hij alle zaken met zijn eigen ogen had waargenomen tijdens een wandeling doorheen de stad

In het laatste deel van zijn boek probeert Verbaan de zeventiende-eeuwse stadsbeschrijvingen uit de Republiek in hun Europese context te plaatsen. Dat voornemen is op zich heel interessant, maar uiteindelijk wordt deze vergelijking slechts erg beperkt uitgewerkt. Eigenlijk behandelt hij enkel John Stow’s beschrijving van Londen en Jan Orlers boek over Leiden. Op zich leidt dit tot een aantal interessante vaststellingen. Dat komt in de eerste plaats omdat Verbaan nu veel meer ingaat op de inhoud van deze werken. Zo toont hij aan dat het stedelijke geheugen vorm kreeg rond drie belangrijke lieux de mémoires: de bloei van de lakennijverheid, de oprichting van de universiteit en het Leids Ontzet. Deze drie historische gebeurtenissen worden telkens gekoppeld aan kardinale deugden die volgens Orler tekenend waren voor de Leidse bevolking. Jammer genoeg moest de lezer hiervoor geduld oefenen tot in het laatste hoofdstuk. Verbaans werk is met kennis van zaken geschreven, maar zijn boek is toch vooral voor een publiek van letterkundigen geschreven. Daar is niets oneervol aan, integendeel, maar dit proefschrift leende zich tot een meer interdisciplinaire benadering waarin ook de historische component meer aan bod kon komen. Verbaan heeft wel de fundamenten gelegd voor onderzoek naar de zeventiende-eeuwse stadsbeschrijvingen waar andere onderzoekers kunnen op voortbouwen en dat is alvast een verdienste die niemand hem kan ontnemen.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Maarten van Dijck, 2 februari 2014.

Holland is een eiland. De Batavia van Hadrianus Junius (1511-1575) Inleiding, vertaling en annotatie: Nico de Glas Verloren, Hilversum, 2011, 512 p., geïll., ISBN 9789087042141, prijs €45,-

door Coen Maas

De Batavia van Hadrianus Junius, voor het eerst gepubliceerd door Raphelengius in 1588, behoort ongetwijfeld tot de belangrijkste geschiedwerken over Holland die in de 16de eeuw zijn voortgebracht. Haitsma Mulier heeft de positie van het boek binnen het subgenre van de chorografie in Holland wel gekarakteriseerd als ‘het klassieke werk waar allen vol respect èn kritisch naar verwezen’. Junius gaat in zijn boek, dat uit drie delen bestaat, eerst in op de antieke situatie waarin de Bataven het ‘eiland’ bewoonden, waarbij met name de oorsprong van de Bataven en Caninefaten, de oorspronkelijke ligging van hun gebieden en hun culturele bijzonderheden de revue passeren. In het tweede deel geeft hij een beschrijving en lof van het eigentijdse Holland, inclusief een etymologie van de naam Holland, een geografie van het gewest, een opsomming van de kwaliteiten van zijn inwoners en een beschrijving van de belangrijke steden en de grote geesten die zij voortbrachten. Het derde deel bevat een aantal losse onderwerpen met betrekking tot de oertijd van de Germanen.

Vanuit historiografische optiek is het werk onder meer interessant omdat het qua historische methode, literaire presentatiewijze en politieke inbedding kan worden beschouwd als een verbinding tussen de generatie van Aurelius, Snoy en Van Naaldwijk enerzijds en die van Dousa en Scriverius anderzijds. Ook vanuit een meer cultuurhistorische invalshoek toont het boek een aantal boeiende fenomenen. Zonder uitputtend te willen zijn verwijs ik naar Junius’ gebruik van klassieke frames voor zijn Hollandse verhaal, zijn economische analyse, de spanning tussen Hollandse eenvoud en luxe en Junius’ visie op de adel in een tijd dat de positie daarvan sterk in verandering was. De Batavia vormt daardoor een uiterst waardevolle bron voor iedereen met een (al dan niet academische) interesse in de geschiedenis van de geschiedschrijving, de intellectuele geschiedenis of de cultuurgeschiedenis van de Nederlanden op het scharnierpunt tussen de Bourgondisch-Habsburgse tijd en de Republiek.

De Batavia van Hadrianus Junius, voor het eerst gepubliceerd door Raphelengius in 1588, behoort ongetwijfeld tot de belangrijkste geschiedwerken over Holland die in de 16de eeuw zijn voortgebracht

Naarmate de kennis van het Latijn gestaag blijft afnemen worden boeken als de Batavia echter steeds minder toegankelijk. In het geval van de Batavia zelf wordt dit nu ondervangen door een Nederlandse vertaling van de hand van Nico de Glas. Ook de lezer die niet in de oude lingua franca is ingewijd kan daardoor kennis nemen van de talloze wetenswaardigheden die Junius te boek heeft gesteld. De Glas heeft er daarbij alles aan gedaan om het erudiete, doch soepele Latijn van Junius zo goed mogelijk naar het Nederlands over te brengen. Hij is daarin naar mijn mening uitstekend geslaagd en wel zonder een vleugje van de gymnasiastentaal die vertalingen van Neolatijnse teksten zo vaak kenmerkt.

De vlotheid van De Glas’ tekst is het uitvloeisel van zijn vertaaltechniek. Bij wijze van steekproef heb ik heb een aantal passages uit de vertaling naast het oorspronkelijke Latijn gelegd (hetgeen overigens wordt vergemakkelijkt door de verwijzingen naar de paginanummers uit de editie van 1588). Daaruit blijkt dat De Glas niet woord voor woord werkt, maar de betekenis van een zin of zinsdeel als geheel vat en die vervolgens in goed Nederlands idioom uitdrukt met behoud van alle betekeniselementen, maar zonder angstvallig vast te houden aan de grammaticale structuur van het Latijn. Bovendien deelt De Glas de Latijnse zinnen, die door hun gedrongenheid vaak meer gedachten bevatten dan wenselijk zou zijn in het Nederlands, op een logische manier op. Ten slotte is hij vindingrijk bij het zoeken naar equivalenten voor technische Latijnse termen (zo wordt ‘artificiosa ductus coniectura’ vertaald als ‘bij wijze van educated guess’, p. 235).

De Glas is uitstekend geslaagd in zijn poging om het erudiete, doch soepele Latijn van Junius zo goed mogelijk naar het Nederlands over te brengen

De vertaling is voorzien van een redelijk grondige annotatie waarin vooral de talrijke en dikwijls obscure eigennamen worden toegelicht. Tevens zijn verwijzingen opgenomen naar subteksten die aan specifieke passages ten grondslag liggen. Daarmee wordt een goed beeld gegeven aan de verwevenheid van de tekst met literaire voorbeelden en historische bronnen, een verwevenheid die zo kenmerkend is voor veel humanistische geschiedschrijving. Uit de noten blijkt voorts De Glas’ gevoel voor humor en opmerkelijke details.

Mijn voornaamste kritiek op de vertaling van Junius’ Batavia geldt de keuzes die gemaakt zijn in de inleiding. Deze is naar mijn mening op een aantal belangrijke punten nogal beknopt, met name omtrent de ontstaansgeschiedenis en turbulente politieke context van de Batavia (p. 18; zie voor een uitvoerige analyse hiervan de bijdrage van B.A. Vermaseren aan het Huldeboek Pater Dr Bonaventura Kruitwagen O.F.M, verschenen in 1949 ). Ook de plaats van de Batavia in de historiografische traditie komt er wat bekaaid vanaf. Aan de andere kant krijgt de lezer een nogal lange uiteenzetting over zich heen over de vraag waarom Junius’ roem verbleekt is (p. 10-18), een passage die leest als een lang uitgesponnen betoog waarom de lezer dit boek niet ter hand moet nemen. Junius wordt hierbij gepresenteerd als een wereldvreemde kamergeleerde, het Latijn als stoffige taal voor de studeerkamer en de Batavia als een werk dat bij zijn verschijnen al hopeloos achterhaald was.

De Batavia vormde misschien geen weerslag van de meest progressieve politieke ideeën op het moment van schrijven, maar anderzijds biedt het werk een prachtig inkijkje in het Holland van rond 1570, dat zo sterk in transitie was

Door dit zo te benadrukken doet De Glas zichzelf en zijn onderwerp onrecht. Het Latijn bood Junius de kans om een internationaal publiek te bereiken, zeker via een uitgever als Raphelengius. De Batavia vormde misschien geen weerslag van de meest progressieve politieke ideeën op het moment van schrijven, maar anderzijds biedt het werk een prachtig inkijkje in het Holland van rond 1570, dat zo sterk in transitie was. En Junius’ klassieke denkkaders zijn een fascinerend voorbeeld van hoe iemands blik op de eigen tijd bewust en onbewust wordt bepaald door zijn intellectuele achtergrond. Dat alles maakt het werk van Junius en de nieuwe vertaling daarvan door De Glas alleszins de moeite waard.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Coen Maas, 2 februari 2014.

Arie van der Schoor, De dorpen van Rotterdam. Van ontstaan tot annexatie Ad. Donker, Rotterdam, 2013, 295 p., geïll, kaarten, ISBN 9789061006817, prijs €29,50

door Marcel IJsselstijn

Dit boek kent een bijzondere voorgeschiedenis. Naar aanleiding van het verschijnen van de tweedelige stadsmonografie van Rotterdam (Stad in aanwas van Arie van der Schoor, 1999; Stad van formaat van Paul van der Laar, 2000) merkte Anton Stapelkamp, raadslid van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek, in het Rotterdams Dagblad op dat de geschiedenis van de vele geannexeerde dorpen onderbelicht bleef. Hoogleraar stadsgeschiedenis Paul van der Laar pakte de handschoen samen met Stapelkamp op. Er werd een symposium georganiseerd, waarna in 2002 een stichting werd opgericht om te komen tot een wetenschappelijke dorpsgeschiedenis van Rotterdam. Na veel lobbywerk verkreeg het project in 2007 een financiële garantstelling van de Rotterdamse gemeenteraad. Historicus Arie van der Schoor van het Stadsarchief Rotterdam werd aangesteld als auteur en werkte tussen 2008 en 2011 aan het boek. Nadat de langverwachte presentatie verschillende malen was uitgesteld, werd uiteindelijk op 2 oktober 2013 het eerste exemplaar aan burgemeester Aboutaleb overhandigd.

Eigenlijk gaat het hier dus om het derde deel van de stadsmonografie, maar dan vanuit een invalshoek die in Nederland nog amper is beproefd. Interessant is vooral de vergelijking met de recent verschenen Geschiedenis van de Zaanstreek (2012), die bestaat uit twee kloeke delen van elk 400 pagina’s, geschreven door maar liefst 24 specialisten. Hoe anders is de werkwijze die in Rotterdam gevolgd werd: één auteur die de gehele Rotterdamse dorpsgeschiedenis vanaf 1200 tot heden in minder dan 300 pagina’s beschrijft. Geldt hier het adagium ‘less is more’ of heeft men zich er – ondanks de dertien jaar van voorbereiding – te gemakkelijk vanaf gemaakt?

De dorpen van Rotterdam is een overzichtelijke en relevante studie, die vooral toont dat het stedelijke annexatieproces een veel langere aanloop heeft gehad dan veelal wordt gedacht

Volgens de meest ruime definitie telt Rotterdam veertien voormalige dorpen, inclusief de atypische gevallen van het al vroeg (1811) geannexeerde ambacht Cool en de buurtschap Hoek van Holland. Op de noordoever van de Maas gaat het om Delfshaven, Overschie, Schiebroek, Hillegersberg en Kralingen. Op de zuidoever om Rozenburg, Blankenburg, Hoogvliet, Pernis, Charlois, Katendrecht en IJsselmonde. In het eerste hoofdstuk maakt de lezer kennis met de situatie in de dorpen omstreeks 1850, zoals die valt op te maken uit gemeentelijke jaarverslagen en andere contemporaine bronnen. Een originele en slimme zet om niet meteen ‘traditioneel’ chronologisch te beginnen: niet alleen kan zo de diversiteit van het Rotterdamse dorpenlandschap direct voor het voetlicht gebracht worden, het prikkelt ook om verder te lezen doordat de lezer vanzelf nieuwsgierig wordt naar de chronologie van gebeurtenissen die heeft geleid tot die diversiteit.

De chronologie komt aan bod in de volgende hoofdstukken en is opgehangen aan landschappelijke veranderingen en daarmee samenhangende maatschappelijke ontwikkelingen: ontstaan (1000-1300), crises en verandering (1300-1500), landverlies, landwinst en welvaart (1500-1700), land uit water (1700-1850), groei en einde van de zelfstandige dorpen (1850-1960). Elk hoofdstuk besluit met een typering van de dorpen in de betreffende periode op basis van de flexibele matrix die Peter Clark ontwikkelde in zijn artikel in de bundel Small towns in early modern Europe (1995). Daarin stelde Clark voor om het ontstaan en ontwikkelen van dorpen en kleine steden te beschrijven aan de hand van demografische, economische, sociale, politieke en culturele eigenschappen.

Door de nadruk op de grote hoofdlijnen ontbreekt het zo nu en dan aan details die de geschiedenis ‘tot leven wekken’

Het sterkste punt van het boek is dat het een overzicht op hoofdlijnen biedt en de lezer niet laat ‘verdrinken’ in de geschiedenis. De belangrijkste hoofdlijn van het boek betreft de verhouding tussen stad en platteland (de dorpen). Van der Schoor laat zien hoe door de eeuwen heen de wederzijdse afhankelijkheid steeds verder toenam maar de belangen van de stad altijd prevaleerden. Vooral de stedelijke behoefte aan brandstof holde het platteland letterlijk uit. In de late middeleeuwen waren het slimme stedelijke grondbezitters die zich allerlei vrijheden konden permitteren in de turfwinning omdat zij als poorters niet onder het landrecht maar onder het stadsrecht vielen. Later, na de Opstand tegen de Spaanse overheersing, verwierven de stadsbesturen van Rotterdam en Delft zelf complete ambachten en voorrechten om hun belangen veilig te stellen. Opvallend genoeg lijkt daartegen niet veel weerstand vanuit de dorpen te zijn geweest. Van der Schoor spreekt van een “complex geheel van samenwerking en wederzijdse afhankelijkheid die de welvaart van beide partijen ten goede kwam” (p.150). De stedelijke invloed op het platteland kwam de dorpen namelijk ook zeker ten goede, bijvoorbeeld toen steden in de negentiende eeuw nieuwe infrastructuur en nutsvoorzieningen aanlegden waarvan de dorpen profiteerden.

Ook de gereconstrueerde inwonertallen van de dorpen bieden aardige inzichten in de verhouding tussen stad en platteland. Wie alles op een rijtje zet en vergelijkt met de cijfers van omliggende steden – naast Rotterdam ook Delft, Schiedam en Dordrecht – ontdekt bijvoorbeeld dat in de achttiende eeuw de meeste dorpen doorgroeiden terwijl de steden stagneerden of zelfs krompen. Ook de opkomst van het fenomeen ‘voorstad’ is goed te volgen. Aan de westzijde van Rotterdam groeide het inwonertal van het ambacht Cool tussen 1622 en 1733 van 260 naar 2.424, een toename van maar liefst 832 procent. Die groei zette ook in de negentiende eeuw door: in 1850 woonde er 9.000 mensen in Cool, dat toen al bijna vier decennia bij Rotterdam hoorde. Aan de oostzijde van Rotterdam, in Kralingen, voltrok zich eenzelfde ontwikkeling. Het inwonertal groeide daar tussen 1622 en 1732 van 750 naar 2.500, een toename van 233 procent.

De sterke kant van het boek is paradoxaal genoeg ook de zwakste kant. Door de nadruk op de grote hoofdlijnen ontbreekt het zo nu en dan aan details die de geschiedenis ‘tot leven wekken’. Hoe verder in het boek – en dus dichterbij de huidige tijd – hoe algemener en oppervlakkiger het verhaal wordt. Aan jaartallen geen gebrek, dat zeker niet, maar een uitweiding hier en daar op basis van een specifieke bron had soms treffender kunnen zijn om de essentie van een historische ontwikkeling of gebeurtenis over te brengen. Er staan ook te weinig kaartjes in om het verhaal te ondersteunen en te verbeelden. De paragraaf over nieuwe infrastructuur op p.200-207 had bijvoorbeeld prima met een kaartje geïllustreerd of samengevat kunnen worden; nu raakt de lezer het spoor bijna letterlijk bijster door de grote hoeveelheid jaartallen en andere informatie.

Doordat de lijn van de bestuurlijke ontwikkeling als enige consequent over de lange termijn is doorgetrokken, kan Van der Schoor aan het einde wel komen tot een relevante conclusie over ‘bestuurlijke inertie’: experimenten met bestuurlijke vernieuwing acht hij kansrijker naarmate deze beter aansluiten bij de historische bestuursstructuur

De haast exponentieel toenemende hoeveelheid bronnen richting de huidige tijd maakt het ook zeer lastig – zo niet onmogelijk – voor een auteur om zo’n overzicht te hebben dat hij de hoofdlijnen met treffende casussen kan illustreren. Dat is de keerzijde van dit boek, dat enigszins als een nachtkaars uitdooft. Het zevende en laatste hoofdstuk, over de periode 1960 tot heden, is namelijk zeer summier en past ook niet in het stramien van de eerdere hoofdstukken. Hoewel Van der Schoor stelt dat de reeds geannexeerde dorpen in deze periode, waarin ze ook stedenbouwkundig werden verenigd met Rotterdam, “de meest ingrijpende landschappelijke transformatie” (p.262) ondergingen, worden alleen bestuurlijke ontwikkelingen behandeld. Veel onderwerpen die voor lezers een feest van herkenning hadden kunnen zijn – welke wijken zijn er allemaal gebouwd in die periode, wie kwamen daar wonen en werken, wat rest er nog van de dorpen, niet alleen materieel maar ook immaterieel – blijven helaas liggen.

Doordat de lijn van de bestuurlijke ontwikkeling als enige consequent over de lange termijn is doorgetrokken, kan Van der Schoor aan het einde wel komen tot een relevante conclusie over ‘bestuurlijke inertie’: experimenten met bestuurlijke vernieuwing acht hij kansrijker naarmate deze beter aansluiten bij de historische bestuursstructuur (p.256). Dat belooft niet veel goeds voor het nieuwe Rotterdamse bestuursmodel met wijkgerichte gebiedscommissies, dat het systeem met deelgemeentes dit jaar zal vervangen.

Concluderend is De dorpen van Rotterdam een overzichtelijke en relevante studie, die vooral toont dat het stedelijke annexatieproces een veel langere aanloop heeft gehad dan veelal wordt gedacht. Het boek is tevens een uitstekende basis voor vervolgonderzoek omdat Van der Schoor regelmatig aangeeft welke zaken nog onduidelijk zijn. Ten slotte rest mij enkel nog mijn verbazing uit te spreken over de slechte eindredactie van het boek. Niet alleen de grote hoeveelheid typefouten had eruit gehaald moeten worden, ook de hier en daar omslachtige zinsbouw had een betere redactieslag verdiend (zie bijvoorbeeld het bijschrift bij de foto op p.201). Dat dit niet goed is gedaan is beschamend voor een boek waar zo lang aan gewerkt is en naar uitgekeken werd.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-4)

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Marcel IJsselstijn, 25 januari 2014.

Jan Hein Furnée, Plaatsen van beschaafd vertier. Standsbesef en stedelijke cultuur in Den Haag, 1850-1890 Bert Bakker, Amsterdam, 2012, 904 p., geïll., ISBN 9789035134843, prijs €49,95

door Christianne Smit, Universiteit Utrecht

Aan het 19de-eeuwse Den Haag kleeft het aura van een deftige en chique stad, waarin de wereld van Louis Couperus tot leven kwam door het optreden van de Haagse aristocratie, bestuurders, bezitters van ‘oud’ geld en teruggekeerde Indische pioniers. De voorname positie van deze groepen uitte zich in hun deftige huizen, weelderige kleding, luxueuze verteringen en deftige gedrag, maar ook in de manier waarop deze heren en hun families zich ontspanden. Door op bepaalde tijden specifieke plaatsen van vertier te bezoeken, op de juiste manier gekleed en in het gezelschap van correcte mensen, werd voor de buitenwereld duidelijk welke positie ze bezaten. Van welke sociëteit men lid was, of men naar de Franse of juist naar de Hollandse schouwburg ging en op welk Schevenings terras men plaatsnam: de afweging moest zorgvuldig gebeuren, want waar, wanneer en met wie men het spel van ‘zien en gezien worden’ bezigde, luisterde zeer nauw in de hofstad. De stedelijke sociale hiërarchie en de verschillende standen kregen namelijk in deze plaatsen van vertier ‘eigenlijk pas […] daadwerkelijk vorm en gestalte’ (p.20).

Dat is de stelling van Jan Hein Furnée die hij in de bewerking van zijn proefschrift Plaatsen van beschaafd vertier verdedigt. Door middel van een bestudering van de geschiedenis van vijf sociëteiten, een dierentuin, twee schouwburgen en de uitspanningen in Scheveningen wil Furnée inzicht geven in de structuur en het functioneren van de bovenlagen van de Haagse standensamenleving. Deze sociale lagen zijn al wel onderzocht op basis van volkstellingen en kiezerslijsten, maar het bestuderen van het uitgaansleven is nog slechts fragmentarisch gedaan, terwijl juist het gedrag op deze plaatsen inzicht geeft in de manieren waarop de standen zich van elkaar onderscheidden en welke in- en uitsluitingen en verschuivingen in de sociale structuur optraden.

Door middel van een bestudering van de geschiedenis van vijf sociëteiten, een dierentuin, twee schouwburgen en de uitspanningen in Scheveningen heeft Furnée inzicht gegeven in de structuur en het functioneren van de bovenlagen van de Haagse standensamenleving

Dankzij de bestudering van een schat aan bronnen als programmaboekjes, sociëteitsreglementen, kranten, gemeenteraadsverslagen, romans en pamfletten en de analyse van een grote hoeveelheid data uit kiezers- en ledenlijsten, adresboeken en volkstellingsregisters beschrijft Furnée in maar liefst 903 pagina’s nauwkeurig de geschiedenissen van uitgaansgelegenheden als sociëteit De Witte, de Fransche Schouwburg en de Haagse dierentuin. Hierbij heeft de auteur sappige details weten op te sporen: zo blijkt de oprichting van die dierentuin van soapachtige allure, met een ellenlange ontstaansgeschiedenis en een uiteindelijk toch wel schamel resultaat als ‘kippentuin’. Het langdurige getouwtrek om terrashekjes in het Haagse Bos of in Scheveningen is een prachtige illustratie van de pogingen om de sociale grenzen te bewaken, terwijl de prominente plaats van maintenees in de schouwburg of de goklust die in de sociëteiten telkens de kop opstak meer pikante problemen in het sociale leven laten zien.

Al met al bleek het vertier in de tweede helft van de 19de eeuw voor de hogere standen naast amusement zeker ook spanning met zich mee te brengen. Het was geen sinecure om door middel van die ontspanning de eigen sociale positie te tonen, te bewaken of zelfs een betere te veroveren. De verkramping van de hooggeachte maar niet zo bemiddelde ambtenaar die zich veel moeite moest getroosten om in de juiste kringen en met het juiste uiterlijk vertoon zijn vermaak te zoeken, wekt bijna medelijden op. Aandoenlijk zijn ook de inspanningen van de leden van de sociëteit De Vereeniging, die, vooral afkomstig uit de hogere middenklasse, zich rond het midden van de eeuw laten voorstaan op hun verheven morele gedrag als veronderstelde kern van de natie, maar later meer gaan twijfelen aan hun sociale status. Het is knap van Furnée dat hij niet alleen zulke ontwikkelingen aantoont maar bijvoorbeeld ook laat zien dat het afschaffen van de aanwezige, typisch burgerlijke, kegelbaan direct gerelateerd was aan deze vertwijfeling. Beschaving en verburgerlijking, het afgrenzen van de eigen sociale groep en het doorbreken van de distantie, het gevaar van afzakken en de hunkering om op te klimmen, op basis van een serieuze moraal of met joie de vivre: de plaatsen van beschaafd vertier blijken bepaald geen saaie aangelegenheden.

Het langdurige getouwtrek om terrashekjes in het Haagse Bos of in Scheveningen is een prachtige illustratie van de pogingen om de sociale grenzen te bewaken, terwijl de prominente plaats van maintenees in de schouwburg of de goklust die in de sociëteiten telkens de kop opstak meer pikante problemen in het sociale leven laten zien

De verdienste van het boek ligt in het open oog waarmee Furnée zijn onderwerp tegemoet is getreden. Hij had kunnen volstaan met een beschrijving van plekken waar de hogere klassen hun ontspanning zochten en de verschuivingen die daarbij optraden. Dat heeft hij ook op uitgebreide, beeldende manier gedaan. Hij heeft dit echter ook in een bredere context geplaatst, met aandacht voor politiek, machtsverhoudingen en sekseverschillen. Daardoor wordt duidelijk dat het seksespecifieke gedrag gevarieerder was dan algemeen wordt aangenomen: zo kregen vrouwen binnen een aantal van die plaatsen een bewegingsruimte die voorheen ongekend was. Ook laat hij zien hoezeer de plaatsen van vertier verweven waren met de politieke cultuur van die tijd: zelfs een sociëteit, een dierentuinbestuur of de programmering van artiesten in een schouwburg bleken een politieke oefening te kunnen zijn en werden daarmee onderdeel van het democratiseringsproces dat plaatshad. De soms wat té uitgebreide beschrijvingen van deels gelijksoortige plekken vallen dan ook in het niet bij het diepgravende en betekenisvolle beeld dat Furnée van het chique Den Haag weet te schetsen.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-3/4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Christianne Smit, 3 december 2013.

Marion Boers, De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw Verloren, Hilversum, 2012, 116 p., geïll., ISBN 9789087042882, prijs €14,-

door Christi Klinkert, Stedelijk Museum Alkmaar

Buitenlandse toeristen verbaasden zich rond 1640 over de schilderijenhonger van de Hollanders: ze hingen hun huizen vol met geschilderde landschappen, huiselijke tafereeltjes, stillevens, portretten et cetera. In De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw legt Marion Boers uit hoe de schilderijenmarkt in de Noordelijke Nederlanden zo explosief kon groeien. Enerzijds was er natuurlijk de toenemende welvaart van de burgerij – men kreeg steeds meer te besteden, en gaf zijn geld graag aan schilderijen uit. Anderzijds speelden kunstenaars en handelaren handig op die vergrote koopkracht in – zij waren ondernemers, die hun producten en diensten steeds vernieuwden om klanten te trekken. Op die laatste kant van de groei, de kunsthandel, concentreert Boers zich. Meer specifiek gaat ze na hoe diverse verkoopkanalen bijgedragen hebben aan de expansie van de kunstmarkt.

Het openingshoofdstuk ‘De kunstenaar als ondernemer’ is lezenswaardig, maar taai. Boers legt daarin uit dat de bloei van de Hollandse kunsthandel eigenlijk de culminatie is van een ontwikkeling die rond 1480 in Gent en Brugge begon. Daar gingen kunstenaars, gedwongen door verslechterde economische omstandigheden, op zoek naar efficiëntere productietechnieken en nieuwe productsoorten om hun werk aan een breed publiek te kunnen verkopen. De vele zuidelijke vluchtelingen die na de val van Antwerpen naar het noorden trokken moeten de aanzet hebben gegeven voor de commercialisering van de kunstmarkt aldaar. Dat Boers uitgebreid vertelt over de schildertechnische vernieuwingen van zuidelijke kunstenaars, is – hoe boeiend de stof ook is – wat verwarrend: we gingen toch lezen over de handel?

Buitenlandse toeristen verbaasden zich rond 1640 over de schilderijenhonger van de Hollanders: ze hingen hun huizen vol met geschilderde landschappen, huiselijke tafereeltjes, stillevens, portretten et cetera. In De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw legt Marion Boers uit hoe de schilderijenmarkt in de Noordelijke Nederlanden zo explosief kon groeien

De verwarring is snel verdwenen. De hoofdstukken die volgen op ‘De kunstenaars als ondernemer’ behandelen elk een bepaald verkoopkanaal: de schilder als handelaar, de professionele kunsthandel, veilingen, jaarmarkten en loterijen. Dan komt het betoog tot leven, omdat die hoofdstukken gedragen worden door historische figuren. We werpen een blik in de winkels van de Amsterdamse schilder-handelaar Cornelis van der Voort en zijn Haarlemse evenknie Jan Miense Molenaer. We kijken mee over de schouder van de uitdraagster Barber Jacobs (die met haar werk de schildersopleiding van haar zoon Pieter Lastman moet hebben betaald), van de handelaar in goedkope schilderijen Crijn Volmarijn en zijn sjiekere collega, de firma Uylenburgh, waarin Rembrandt een actieve rol speelde. En we krijgen een glimp van het diplomatieke krachtenveld waarin Michel le Blon zich waagde. Die speurde als een soort special agent voor vorsten naar waardevolle kunstvoorwerpen – en verhandelde en passant ook waardevolle informatie. Behalve dezen passeren nog veel meer concrete personen de revue. Fascinerend en leerzaam om kunstenaars die zo bekend zijn om hun artistieke prestaties eens in een commerciële rol te zien!

Boers moet een indrukwekkende hoeveelheid archiefbronnen hebben doorgespit. Dit en vooral de toegankelijke, verhalende manier waarop ze haar bevindingen presenteert dwingen respect af. Natuurlijk is ze schatplichtig aan voorgangers en collega’s, onder wie de Amerikaanse ‘kunst-econoom’ John Michael Montias en onze eigen Marten Jan Bok. Die schatplichtigheid steekt ze niet onder stoelen of banken, maar wordt ruim verantwoord in inleiding, noten en bibliografie. Zo kan deze uitgave fungeren als een inleiding in het onderzoek naar de vroegmoderne Noord-Nederlandse kunsthandel.

Boers moet een indrukwekkende hoeveelheid archiefbronnen hebben doorgespit. Dit en vooral de toegankelijke, verhalende manier waarop ze haar bevindingen presenteert dwingen respect af

De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw vormt het 31ste deel in de Zeven Provinciën Reeks van Uitgeverij Verloren. De uitgaven in deze reeks wekken altijd mijn belangstelling – maar telkens als ik er eentje lees, komt een lichte ergernis op. Volgens de website van Verloren stellen ‘sommige deeltjes zich tot doel om een grotere kwestie in compact formaat te presenteren aan een breder publiek, andere diepen juist een bijzondere casus, tekst of episode uit.’ Met dat concept is op zichzelf natuurlijk niets mis, mijn irritatie geldt de uitwerking ervan.

Waarom is de vormgeving bijvoorbeeld al jarenlang zo fantasieloos en saai? De boekjes lijken net masterscripties die schools in Word zijn opgemaakt. De vaak nogal fletse omslagen zullen niet erg helpen het geïntendeerde ‘brede publiek’ te bereiken. Misschien is dat nog niet eens zo erg. Want de teksten zijn meestal wel beknopt, maar toch van een hoog soortelijk gewicht. Me dunkt dat ze vooral voor de meer doorgewinterde wetenschappers (historici, letterkundigen, kunsthistorici, boekwetenschappers) te verhapstukken zijn. Uiteindelijk is de reeks kennelijk toch niet voor een al te breed publiek bedoeld, maar ‘door wetenschappers, voor wetenschappers’. Jammer! Met een frissere vormgeving en een vlottere toon kunnen de studies vast ook de wat minder ingewijde cultuurliefhebbers boeien.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-3/4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Christi Klinkert, 3 december 2013.

Pit Dehing, Geld in Amsterdam. Wisselbank en wisselkoersen, 1650-1725 Verloren, Hilversum, 2012, 488 p., geïll., ISBN 9789087043117, prijs €45,-

door Alberto Feenstra, Universiteit van Amsterdam

In Geld in Amsterdam geeft Pit Dehing een inkijkje in de financiële keuken van één van Amsterdams belangrijkste instellingen van de Gouden Eeuw: de Wisselbank. Het proefschrift is gebaseerd op een steekproef van 15 jaren uit de rekeningen van de wisselbank die een ongelooflijke hoeveelheid bronmateriaal op leverde, waaruit een indrukwekkende dataset is gecreëerd (p. 35-36, 307-308). Met behulp van een groot aantal grafieken, tabellen en illustraties beschrijft hij de geschiedenis van de Wisselbank tussen 1650 en 1725, waartoe het boek zich overigens niet beperkt. Het boek bevat zowel de aanloop naar de oprichting in 1609 als lange-termijnanalyses tot aan 1795.

Dehings doel is om de rol van de Wisselbank te verduidelijken door de opzet en werking ervan te bestuderen, waarbij hij zich op twee vragen richt. Ten eerste wil hij weten of de Wisselbank een passend instrument voor de bestrijding van Amsterdams belangrijkste monetaire problemen was. Ten tweede onderzoekt hij welke effecten de operaties van de bank op de Amsterdamse wisselmarkt hadden. Deze tweedeling komt terug in de opbouw van het boek, dat naast inleiding en conclusie acht inhoudelijke hoofstukken bevat. De hoofstukken 3 tot en met 6 richten zich op de werking van de bank, de hoofstukken 7 tot en met 9 op de effecten ervan.

In hoofdstuk 2 beschrijft Dehing de algemene en financiële achtergrond van Hollands economische ontwikkeling. De weinig verrassende beschrijving wordt overigens niet gekoppeld aan de discussie of financiële instituties in reactie op economische groei ontstaan of zelf groeibevorderend zijn, zoals Dehing die in het inleidende hoofdstuk uitvoerig uiteenzette. De hoofdstukken 3 en 4 geven een gedetailleerde beschrijving van oprichting en functioneren van de bank. In hoofdstuk 4 wordt de recepis, een verhandelbare kwitantie van storting, geïntroduceerd als nieuw instrument, samen met de activiteiten van de bank op de vrije markt. Beide elementen en hun gebruik worden in het daaropvolgende hoofdstuk nog preciezer uitgelegd.

In Geld in Amsterdam geeft Pit Dehing een inkijkje in de financiële keuken van één van Amsterdams belangrijkste instellingen van de Gouden Eeuw: de Wisselbank

Ook de hypothese dat de Wisselbank een Centrale Bank-functie vervulde door middel van de monetaire politiek wordt in hoofdstuk 5 uitgewerkt op basis van regressiefuncties. Ondanks de sterke cijfermatige onderbouwing, blijft het de vraag of dit een vooropgezet plan was of dat improvisatie hetzelfde resultaat opleverde. Kwalitatieve bronnen hadden misschien extra inzicht kunnen geven in de motieven van de bankbestuurders. Verder stelt Dehing dat de omloopsnelheid van het bankgeld hoog was. Een uitgebreide vergelijking met geld buiten de bank, zowel in Amsterdam als internationaal had dit argument kracht kunnen bijzetten. Hoofdstuk 6 analyseert de bedrijfsresultaten van de bank gedurende zijn bestaan. Zodoende is het eerste deel voor de ingeleide lezer wellicht een te gedetailleerde beschrijving van de werking van de bank.

De goede analyse van de relatie tussen rentestructuur (in hoofdstuk 2; tabel 2.2) internationale handelstransacties en metaalvoorraden in hoofdstuk 7 wordt in hoofdstuk 8 uitgewerkt door te laten zien dat de lage waardering van het Vlaamse pond in Amsterdam, de Hollandse kooplieden  kunstmatig een concurrentievoordeel opleverde. Hoe dit doorwerkte in de opkomst van  Amsterdam als internationaal financieel centrum laat Dehing in hoofdstuk 9 zien, door middel van een centraliteitsindex. Hiermee is het een cijfermatige verbetering van het argument van Lucien Gillard in 2009.

Als er één ding duidelijk wordt uit Dehings boek is het wel dat de vroegmoderne financiële wereld aan complexiteit weinig onderdeed voor die van vandaag

De tragiek van dit boek is dat Dehing tussen de start in 1989 en de afronding in 2012 is ingehaald door publicaties van collega-historici, zoals Quinn en Roberds die al in 2009 betoogden dat de Wisselbank een Centrale Bankfunctie vervulde. Doordat Dehing een veelheid aan technische macro-economische begrippen om die historische ontwikkelingen te duiden, loopt de tekst soms enigszins stroef.  De toevoeging van een verklarende woordenlijst had het tekstbegrip kunnen verbeteren. Ook de grote hoeveelheid citaten en de intermezzo’s aan het einde van de hoofdstukken 2, 3, 6, 7en 8 onderbreken de lijn van het verhaal. Wellicht had het boek kunnen profiteren van een betere integratie van de intermezzo’s, zoals over de frauderende boekhouder Rutgert Vlieck in hoofdstuk 3, die na ontdekking ter dood werd veroordeeld en onthoofd. Hier laat Dehing sterke parallellen met het heden zien in de verlokkingen van het snelle geld.

Want, als er één ding duidelijk wordt uit het boek is het wel dat de vroegmoderne financiële wereld aan complexiteit weinig onderdeed voor die van vandaag, waardoor zowel toen en nu markt en overheidsinstellingen in voortdurende wisselwerking hun eigen doelen nastreven. Zodoende slaagt hij in zijn streven de complexiteit van de wisselbank te laten zien. In hoeverre Dehing ook geslaagd is in zijn opzet de rol van de Wisselbank te verduidelijken moet de lezer zelf beoordelen. Dehings bijdrage is vooral gelegen in het gebruik van grote hoeveelheden historische data, waarmee hij de mogelijkheden van statistisch onderzoek met historisch materiaal aantoont, wat een uitnodiging is voor vervolgonderzoek.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1)

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Alberto Feenstra, 9 november 2013.

Joke Spaans, De levens der maechden: het verhaal van een religieuze vrouwengemeenschap in de eerste helft van de zeventiende eeuw Verloren, Hilversum, 2012, 166 pp., met een bijlage op CD, ISBN 9789087042899, prijs €19,-

door Erika Kuijpers, Universiteit Leiden

Vanaf 1581 was in heel Holland de katholieke eredienst verboden. Kloosters en andere religieuze instellingen werden opgedoekt, en het nog steeds omvangrijke katholieke bevolkingsdeel was voor de bediening van de sacramenten aangewezen op clandestiene bijeenkomsten en in het geheim opererende ambulante priesters. Voor de kerk van Rome werd Holland missiegebied. In deze periode ontstond er in Haarlem een gemeenschap van ongehuwde katholieke vrouwen die een semi-religieus leven leidden.

Hoewel zij niet langer konden intreden in een klooster dicht bij huis voelden nog steeds veel vrouwen zich geroepen tot een religieus leven van werken en bidden. Deze geestelijke maagden werden in de zeventiende eeuw klopjes genoemd. De kloppenvergadering in Haarlem telde al gauw zo´n tweehonderd leden. Zij stonden onder toezicht van een priester maar hadden daarnaast ook een geestelijke moeder. Tryn Jans Oly, een Amsterdamse regentendochter, was de moeder van de vergadering in het tweede kwart van de zeventiende eeuw. In deze periode maakte zij levensbeschrijvingen van overleden maagden. Net als in veel kloosters werden die levens, of zusterboeken, gebruikt om uit voor te lezen zodat andere leden van de gemeenschap er een voorbeeld aan konden nemen.

In de levens werden de deugden en bijzondere verdiensten van de overledene beschreven. Belangrijke deugden voor een maagd waren natuurlijk vroomheid, soberheid en kuisheid maar de levensbeschrijvingen zijn verre van uitwisselbaar. Juist grote verschillen tussen karakters en talenten komen er in naar voren, als ook de verschillen in sociale achtergrond en het soort omstandigheden waarin vrouwen leefden en de tegenslagen die ze in hun leven kregen te verwerken. Dat maakt dat de levens een fascinerend inkijkje bieden in juist individuele levensomstandigheden en soms ook het leven van alledag.

Tryn Jans Oly, een Amsterdamse regentendochter en moeder van de Haarlemse kloppenvergadering, maakte in het tweede kwart van de zeventiende eeuw voorbeeldige levensbeschrijvingen van overleden maagden

Zo is er de maagd Maria Bastyaens die toelegt op het opsporen en opknappen en in ere herstellen van oude afgebladderde heiligenbeelden, die ze opduikelt in stoffige kelders en zolders tot ver buiten Haarlem. Of Tryn Areians, die de teloorgang van het katholicisme zozeer persoonlijk ter harte gaat dat ze wel met de ketters moet spreken om ze tot betere inzichten te brengen. Of over Geertruyt Pieters die zo’n grote ‘treck’ had tot ‘innicheyt’, dat ze ondanks een heel slechte gezondheid en een ‘pyndelicken lichaem’ zich ‘booven haer zelven conde verheeven’ dat ze vaak zo lang in de kerk zat ‘datse daer oock altement bynae voor doot afgebracht werde.’

Spaans behandelt in haar boek een aantal belangrijke thema’s die de maagdenlevens in hun historische context plaatsen. Wat haar werk steeds zo waardevol maakt is dat ze haar imponerende kennis van religiegeschiedenis combineert met sociale geschiedschrijving. Na een beschrijving van de religieuze verhoudingen in Holland na de Opstand in het eerste hoofdstuk volgen hoofdstukken over de organisatie van de Hollandse missie de sociale achtergronden en netwerken van de kloppen en de interne organisatie van de kloppengemeenschap. Maar het interessantst vind ik de hoofdstukken vijf en zes, die over herinnering gaan en over vroomheid.

Zoals Geertruyt Pieters, die zo’n grote ‘treck’ had tot ‘innicheyt’, dat ze ondanks een heel slechte gezondheid en een ‘pyndelicken lichaem’ zich ‘booven haer zelven conde verheeven’ dat ze vaak zo lang in de kerk zat ‘datse daer oock altement bynae voor doot afgebracht werde’

Dit zijn thema’s waarvoor historici vaak zijn aangewezen op geleerde of regelgevende bronnen, of op religieuze werken. Slechts zelden kun je zo dicht tot de belevingswereld en de praktijk van vroomheid naderen als in deze levensbeschrijvingen. Natuurlijk zijn deze levens ook gemodelleerd naar het voorbeeld van bestaande literatuur, bijvoorbeeld de heiligenlevens die door de maagden veel werden gelezen. En natuurlijk werd er over de doden vooral veel goeds geschreven, tenslotte moesten zij, of in ieder geval hun deugden, tot voorbeeld strekken voor de rest van de gemeenschap. Maar toch geven de teksten onverwachte inkijkjes. Trijn Oly beschrijft vaak ook met welke zwakheden de overledene had geworsteld, bijvoorbeeld dat ze ‘veel tenthacie gheleeden heeft vant gheloof, van onsuiverheit, cleinmoedicheyt ende dierghelycke’.

Het omgaan met tegenslag was natuurlijk een belangrijk ijkpunt voor ware godsvrucht. Lijden zonder te klagen en niet verzaken in plichten ongeacht de omstandigheden was een hooggewaardeerde deugd. Ook het omgaan met de verleidingen van de wereld, waar deze vrouwen veel meer dan nonnen in een klooster aan waren blootgesteld zijn een belangrijk thema. Des te mooier als een maagd zo’n verleiding had weerstaan, zoals Aefgen Jacobs, waar een rijke koopman een oogje op had gehad, maar die het geld dat hij haar bood had weggesmeten ‘als oft een borse met slangen en serpenten geweest hadt’.

Joke Spaans heeft een aantal interessante thema’s uit de levens uitgediept en toegelicht – en bovendien is een transcriptie van de Levens op cd-rom toegevoegd aan dit boek

Joke Spaans heeft een aantal interessante thema’s uit de levens uitgediept en toegelicht. Het is een weldadig helder geschreven boek geworden. Bovendien is een transcriptie van de Levens op cd-rom toegevoegd aan dit boek. Drie keer 400 pagina’s doorzoekbare vakkundig getranscribeerde tekst van ruim 200 levens van maagden en daarnaast nog uitvaartpreken, getuigenissen en religieuze spreuken, voorzien van inhoudsopgaven, namenlijsten en een index. Met dat monnikenwerk heeft ze een brede groep van geïnteresseerden in de vroegmoderne geschiedenis een enorme dienst bewezen. En zo is Spaans op haar beurt een nastrevenswaardig voorbeeld voor ons.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

 Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Erika Kuijpers, 3 november 2013.

J.P. Sigmond, Zeemacht in Holland en Zeeland in de zestiende eeuw Verloren, Hilversum, 2013, 431 p., geïll., ISBN 9789087043490, prijs € 38,-

door Ron Brand, conservator Maritiem Museum Rotterdam

De zeventiende eeuw is zonder twijfel de meest interessante periode uit de Nederlandse maritieme geschiedenis; althans zo doen de vele boeken, die zijn verschenen en nog steeds verschijnen over zeehelden, zeeslagen, koloniale en handelsgeschiedenis, en nog vele andere onderwerpen, ons geloven. Over zeventiende-eeuwse scheepvaartonderwerpen verschijnen nog steeds heel veel boeken, steeds meer volgens mij, maar dat er voorafgaand aan die Gouden Eeuw een periode van opkomst en na afloop daarvan ook een periode van verval schuilt, wordt veel minder belicht. Het aantal boeken over de maritieme historie van de zestiende en achttiende eeuw is in ieder geval aanmerkelijk minder.

Het is de vraag of dat terecht is. Ik denk van niet, want juist in de zestiende eeuw werden verschillende kiemen gelegd die in de zeventiende eeuw tot bloei kwamen. De eerste Nederlandse handelsreizen over de wereldzeeën werden aan het eind van de zestiende eeuw uitgerust en ook de organisatie van de admiraliteiten dateert uit die periode. En de achttiende eeuw wordt dan wel algemeen als een periode van achteruitgang gekenmerkt, maar op maritiem gebied gebeurde er nog steeds heel veel. De VOC bereikte haar hoogtepunt in de eerste helft van de achttiende eeuw en een Nederlands eskader wist in 1781 tijdens de Slag bij de Doggersbank ondanks veel opgelopen schade toch maar mooi stand te houden tegen een even groot Engels smaldeel.

De kern van Sigmonds boek over de Hollandse en Zeeuwse zeemacht bestaat uit de tekst van twee scheepsjournalen uit 1544 en 1602, beide integraal in het boek opgenomen

J.P. (Peter) Sigmond heeft ingespeeld op de wat scheepvaartboeken betreft onderbelichte periode van de zestiende eeuw met een zeer lijvige publicatie over het ontstaan en de ontwikkeling van de zeemacht van Holland en Zeeland tussen de middeleeuwen en de zeventiende eeuw. In deze periode werd de zeemacht niet zozeer vanuit de centrale regering georganiseerd, maar vanuit de gewesten en havensteden. Dat sluit aan bij Sigmonds kennis op het gebied van de ontwikkeling van de Nederlandse zeehavens tussen 1500 en 1800, waarop hij in 1998 in Leiden promoveerde. Sigmond werkte als uitgever, directeur van de Rijksarchiefschool in Den Haag, directeur van het Legermuseum en hoofd van de afdeling Nederlandse Geschiedenis, later directeur Collecties van het Rijksmuseum in Amsterdam. Tussen 1998 en 2001 bekleedde hij de bijzondere leerstoel vanwege het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap in de Nederlandse cultuurgeschiedenis. Van zijn hand verschenen veel artikelen en boeken op het gebied van de maritieme en militaire geschiedenis, archivistiek en museologie.

De kern van Sigmonds boek over de Hollandse en Zeeuwse zeemacht bestaat uit de tekst van twee scheepsjournalen. Het eerste is het journaal uit 1544 van een Habsburgs vlooteskader dat vanuit Veere overstak naar Dover om samen met een Engels eskader de Engelse koning Hendrik VIII naar Calais te begeleiden. Het tweede journaal dateert uit 1602 en doet verslag van een Hollands eskader dat, wederom in samenwerking met een Engels eskader, uitzeilde om de Spaanse en Portugese kust te blokkeren en een verwachte vloot Spaanse galeien te onderscheppen. Beide journalen zijn integraal in het boek opgenomen. Sigmond publiceerde al eerder over deze journalen, maar heeft daartussen nu een verbinding gelegd aan de hand van veel verschillend beeldmateriaal. Dat is nog steeds niet erg gebruikelijk bij historici. Vaak beschouwen zij afbeeldingen op schilderijen en prenten als onbetrouwbare bronnen, omdat kunstenaars hiermee de werkelijkheid naar hun hand zetten. Sigmond geeft daarom aan dit ook geldt voor geschreven bronnen. Als museumman én archiefman is hij bij uitstek degene om die verschillende bronnen in het juiste perspectief te plaatsen en met elkaar te vergelijken.

De eerste Nederlandse handelsreizen over de wereldzeeën werden aan het eind van de zestiende eeuw uitgerust en ook de organisatie van de admiraliteiten dateert uit die periode – juist in de zestiende eeuw werden verschillende kiemen gelegd die in de zeventiende eeuw tot bloei kwamen

De titel van het boek suggereert dat er een eeuw maritieme geschiedenis wordt geboden, maar de kern van het boek beslaat eigenlijk vooral de tweede helft van de zestiende eeuw, ruim een halve eeuw. Het boek bestaat uit drie delen: de Bourgondisch-Habsburgse zeemacht 1500-1560, een vloot op de binnenwateren 1572-1585 en de Staatse vloot op de Noordzee en de Atlantische Oceaan 1585-1609. Transformatie in die periode vormt de rode draad van het verhaal. Daarbinnen behandelt Sigmond kwesties als de importantie van het water, de veranderingen in de maritieme infrastructuur, de verwevenheid van ondernemers en bestuurders met de zeemacht, de functie van de vloot en de organisatie daarvan, samenwerking en conflicten. Dit alles komt in het rijkelijk geïllustreerde boek uitgebreid aan bod.

Sigmond biedt veel nieuw historisch materiaal, maar hij sluit met zijn boek ook aan bij het werk van andere auteurs, zoals Louis Sicking en J.C.A. de Meij, ook al leunt hij hier soms sterk op. Sickings proefschrift over de Bourgondisch-Habsburgse marine wordt regelmatig aangehaald

Tot slot heb ik enkele kleine kritiekpunten. De bladspiegel van het boek is zodanig dat de regels tekst in de rug lopen. Die vormgeving leest onprettig, zeker bij een omvangrijk boek als dit. Omdat de marges breed genoeg zijn, was dit niet nodig. Het is ook jammer dat het boek met een gewicht van ruim anderhalve kilogram geen harde omslag heeft gekregen, waardoor het nu gemakkelijk onderuit zakt. Dit alles doet echter niets af aan de inhoud, maar met een stevige band was het met recht een ‘zeemachtig’ boek geworden.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Ron Brand, 2 november 2013.

Wim Weve, Huizen in Delft in de 16de en 17de eeuw WBooks, Zwolle, 2013, 264 p., ISBN 9789066303386, prijs € 24,95

door Ingrid van der Vlis, Historisch Onderzoeksbureau Tijdelijk

Het is de angst van iedere erfgoedinstelling: wat te doen als onze grootste expert onder de tram loopt? Afdeling monumentenzorg van de gemeente Delft voorzag zo’n verlies toen bouwhistoricus Wim Weve na 25 jaar met pensioen ging. Gelukkig minder dramatisch dan de tram, maar wel met eenzelfde resultaat: de door hem vergaarde kennis zou kunnen wegvloeien. Om dit scenario te voorkomen, kreeg Weve de laatste jaren voor zijn pensionering tijd en ruimte om zijn verhaal op te schrijven. Dat resulteerde in een rijk gedocumenteerd en rijk geïllustreerd boek over de voornamelijk zestiende- en zeventiende-eeuwse woningen van Delft.

Delft bezit uitzonderlijk veel zestiende-eeuwse gevels in de binnenstad. Dat is vreemd genoeg het gevolg van de grote stadsbrand die in 1536 driekwart van de woningvoorraad in de as legde. Naar verluidt moesten ruim 2300 huizen herbouwd worden. Delen van de constructie en sommige gevels bleven bestaan, maar het merendeel werd nieuw opgetrokken, in een tijdvak waarin de bouwstijl van overwegend gotisch naar renaissancistisch veranderde. Degelijke stenen woningen die in de daaropvolgende ‘gouden’ eeuw, toen veel andere steden een bouwhausse kenden, niet vernieuwd hoefden te worden. Ook nadien kende Delft relatief weinig nieuwbouw. De uitdijende steden Den Haag en Rotterdam kaapten potentiële – rijke – bewoners weg. Dat had als voordeel dat Delft goed geconserveerd bleef. De stad hoefde zich nauwelijks aan te passen aan groeiende verkeersstromen of andere grootstedelijke ontwikkelingen. De ruimte in de binnenstad was geruime tijd voldoende om de bevolkingsgroei op te vangen. Enkele grachten werden gedempt, maar niet in dezelfde mate als in andere steden. Tot slot bleef het centrum van Delft gespaard bij de bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Een rijk gedocumenteerd en rijk geïllustreerd boek over de voornamelijk zestiende- en zeventiende-eeuwse woningen van Delft

Hoewel het stadsbeeld voornamelijk zestiende- en zeventiende-eeuws is, kent Delft ook oudere bebouwing. De auteur neemt de lezer mee op een speurtocht naar die oudste sporen in de stad. Soms wordt de ouderdom van een pand immers alleen zichtbaar bij afbraak en behoedzame ontmanteling van een pand. Een dichtgemetselde deur, de constructie van het dak of een middeleeuws gewelf onder een woonhuis. Nog wel zichtbaar is het van voor de stadsbrand daterende woonhuis van de indertijd puissant rijke Delftenaar Jan de Huyter: Oude Delft 167, tegenwoordig het Gemeenlandshuis van Delfland. De rijkversierde natuurstenen gevel en de opbouw van het pand krijgen terecht de nodige aandacht in het boek. Dat neemt niet weg dat juist de verhalen, foto’s en tekeningen van andere panden voor de verrassingen zorgen. Zeventiende-eeuws metselwerk dat bij de zijmuur van een gerestaureerd klein pandje tevoorschijn komt en specifieke kraagbogen die een zestiende-eeuwse herkomst verraden zorgen ervoor dat de lezer al snel met andere ogen door de stad loopt.

Die beschouwer krijgt wel de waarschuwing altijd alert te blijven. Niet alles is wat het lijkt. Een oude gevel kan een modern kantoorpand herbergen, maar ook het omgekeerde komt voor. Delftenaren die in de zeventiende eeuw meer ruimte nodig hadden of met de nieuwste mode mee wilden gaan, pasten hun panden aan. Zo kan een op het oog zeventiende- of achttiende-eeuwse gevel een ouder pand maskeren. Het voor de VOC gebouwde Oost-Indisch Huis bij voorbeeld heeft een gevelsteen met het jaartal 1631. Indrukwekkende ouderdom, maar de gotische buitenkant verraadt dat het complex waarschijnlijk ouder is. Bij nader onderzoek blijken het inderdaad drie bij elkaar gevoegde woonhuizen van zeker honderd jaar eerder te zijn; slechts de verbouwing was in 1631 afgerond.

Niet alles is wat het lijkt: het voor de VOC gebouwde Oost-Indisch Huis bij voorbeeld heeft een gevelsteen met het jaartal 1631. Indrukwekkende ouderdom, maar de gotische buitenkant verraadt dat het complex waarschijnlijk ouder is.

De goede conservering van het zestiende- en zeventiende-eeuwse gebouwde erfgoed betreft overigens merendeels de riante woonhuizen, bedrijfspanden en winkels aan de rijke grachten. Zeventiende-eeuwse arbeiderswoningen verdwenen bijna allemaal in de loop der tijd. Sommige al in de achttiende en negentiende eeuw om plaats te maken voor net iets betere woningen. Het gros verdween in de jaren ’60 ten tijde van de grote stadssanering. De grootstedelijke problematiek bereikte toen toch ook Delft.

Huizen in Delft bedient diverse doelgroepen. De collega’s van monumentenzorg kunnen er voorlopig hun hart aan ophalen, evenals bouwhistorici van binnen en buiten de stad. Lokaal en historisch geïnteresseerden die zich niet laten afschrikken door enig bouwhistorisch jargon als een korbeelstel met peerkraalsleutelstuk of een spantjuk kunnen er ook zeker genoeg moois in ontdekken. Het is nu alleen nog wachten op een lichtgewicht samenvatting opdat de lezer met het boekwerk in de hand ook zelf als huizendetective door de stad kan lopen.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Ingrid van der Vlis, 29 oktober 2013.

Jan Willem de Wijn, Aalsmeerders bij de VOC. Avonturen in Afrika en Azië deel 9 in de Aalsmeerse Historische Reeks, Stichting Oud Aalsmeer, 2010, 72 p., geïll., ISBN 9789080053175, €27,50

door drs. Saskia Klooster, maritiem historicus

Tussen 1596 en 1795 zonden de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) en haar zogenoemde voorcompagnieën ruim 4700 schepen naar de Oost. In dezelfde periode kwamen vanuit Azië zo’n 3400 schepen terug naar Europa. Van de bijna één miljoen zeelieden, soldaten, handelaren, ambachtslieden, predikanten en bestuurders die naar Azië vertrokken, keerde meer dan de helft nooit meer huiswaarts. De ‘Loflijke Compagnie’, die daarom wel is gekarakteriseerd als ‘een vleeswolf’, deed jaarlijks een groot beroep op het beschikbare arbeidspotentieel en droeg op deze manier bij aan de voortdurende toestroom van buitenlandse arbeidsmigranten. Hoewel hun aandeel gaandeweg de 17de en 18de eeuw daalde, namen ook flink veel Nederlandse mannen dienst bij de VOC. Jan Willem de Wijn, voorzitter van de Stichting Oud Aalsmeer, heeft door verschillende bronnen bij elkaar te voegen, kunnen constateren dat minimaal 205 van hen afkomstig waren uit Aalsmeer, Kudelstaart en Kalslagen.

Een aantal historici heeft onderzoek gedaan naar de geografische herkomst van de personeelsleden van de VOC en het belang van de Compagnie als werkgever voor bepaalde plattelandsregio’s. Jan Willem de Wijns onderzoek, dat hij verrichtte in het kader van zijn studie geschiedenis aan de Vrije Universiteit, sluit hierbij aan. Hij constateert dat van de beroepsbevolking van de door hem bestudeerde dorpen steeds een tot vijf procent diende bij de VOC. Dit is vergelijkbaar met het percentage dat Piet Boon bijvoorbeeld heeft gevonden voor het West-Friese platteland. De Wijn verklaart de dienstneming van Aalsmeerders, Kudelstaarters en Kalslagers bij de VOC door te wijzen op de maritieme beroepen die zij op en aan de Haarlemmermeer uitoefenden en binnen de aan de maritieme sector gerelateerde ambachten. Daarnaast stelt hij dat de afname van landbouwgrond als gevolg van vervening en afslag een rol speelde bij de keuze voor een tropisch avontuur. Opmerkelijk genoeg monsterde een derde van de betrokkenen aan in duo’s, vooral samen met familieleden. Daarnaast waren meer dorpelingen betrokken bij de voorbereiding van de reis en de financiering van de hiervoor vereiste zeemanskist. Dit is voor De Wijn reden te concluderen dat ‘vrijwel alle inwoners op de hoogte waren van het werken van plaatsgenoten bij de Compagnie. Berichten van vertrek en terugkeer en zeker overlijden zullen als een lopend vuurtje door de kerkgemeenschappen en dus ook door de lokale gemeenschap zijn gegaan.’

De Wijn, die in zijn boek zeer omslachtig uit de doeken doet hoe zijn ontdekkingstocht door de archieven en over het internet precies is verlopen, heeft het verhaal van de Aalsmeerders, Kudelstaarters en Kalslagers bij de Compagnie ingebed in een algemeen, op de vakliteratuur gebaseerd, overzicht van de geschiedenis van de VOC en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Dit overzicht is aan de magere kant en bevat helaas enkele kleine schoonheidsfoutjes. Bijzonder aardig zijn wel de portretten en de belevenissen van individuele Aalsmeerders, Kudelstaarters en Kalslagers, die De Wijn op de linkerpagina’s anekdotisch heeft weergegeven. Samen met de prachtige illustraties maakt dit  Aalsmeerders bij de VOC tot een aantrekkelijk boekje. Minder fraai lopende zinnen en lappen zeventiende-eeuws Nederlands doen hier en daar afbreuk aan het leesgemak, zeker voor het beoogde lezerspubliek. De Wijns gedetailleerde informatie over de relatie tussen de Compagnie en de Hollandse plattelandsgemeenschappen zorgt er wel voor dat het boek zeker ook relevant is voor andere lezers dan alleen de lokale historisch-geïnteresseerden.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-2).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Saskia Klooster, 3 oktober 2013.