Herman Kaptein, Nijverheid op Windkracht. Energietransities in Nederland, 1500-1900, Hilversum: Verloren, 2017, geïllustreerd, 512 pp., ISBN 9789087046835, Prijs: €39,-

Door Jan Luiten van Zanden, Universiteit Utrecht

Energietransitie is een actueel onderwerp. We staan aan de vooravond van de overgang naar een nieuwe energie-economie, waarin het duurzaam opwekken en gebruiken van wind- en zonne-energie een centrale rol speelt. Dit roept bij historici de vraag op hoe dergelijke energietransities in het verleden verlopen zijn. Tegen deze achtergrond handelt het nieuwe boek van Herman Kaptein over de opkomst, bloei en ondergang van een grotendeels op windkracht draaiende industrie over een belangwekkend thema. Al vanaf het begin van de 15de eeuw werd windkracht gebruikt in het waterbeheer. Deze techniek werd al veel langer ingezet voor het malen van granen, maar pas aan het eind van de 16de eeuw verspreidt de windmolen zich over een breed scala van industrieën. Tussen de eerste decennia van de 17de eeuw en het midden van de 19de eeuw, speelt windkracht een grote rol in de Nederlandse – en vooral de Hollandse – industrie. Maar in de loop van de 19de eeuw wordt de windmolen  geleidelijk aan overvleugeld door de stoommachine. Kortom, deze twee energietransities lenen zich voor een historische analyse.

Het boek van Kaptein is vooral vernieuwend waar het gaat om de eerste transitie – de opkomst van de windmolen in een breed front van industriële activiteiten vanaf ongeveer 1600.

Het boek van Kaptein is vooral vernieuwend waar het gaat om de eerste transitie – de opkomst van de windmolen in een breed front van industriële activiteiten vanaf ongeveer 1600. Fraai is de manier waarop wordt aangetoond dat molenbouwers uit Alkmaar daar in eerste instantie een grote rol in hebben gespeeld, voordat de windmolen verder uitwaaierde en zich vooral in de Zaanstreek verder ontwikkelde. Niet zonder reden wordt Alkmaar de bakermat van de (verdere) industriële toepassing van windkracht genoemd, al waren de pioniers daar, zoals altijd, ook sterk afhankelijk van voorbeelden van elders, o.a. Vlaanderen. Maar de sleutel tot het Alkmaarse (en later het Zaanse) succes was de grote groep innovatieve timmerlieden annex molenmakers, die de nieuwe mogelijkheden van de windkracht zag en in de praktijk wist te brengen. Interessant is ook dat enkelen onder hen goede contacten hadden met wetenschappers, waaronder zelfs grote namen als Huygens en Descartes. De pioniersarbeid van deze molenmakers, eerst vooral in Alkmaar, later in geheel Holland actief, is een goed voorbeeld  van de  ‘collective invention’ waar Davids eerder over geschreven heeft.

Het afsluitende hoofdstuk bevat veel nieuwe informatie over aantallen windmolens, maar, en dat is een beetje de gemiste kans van dit boek, geen echte reflectie op het fenomeen energietransitie (terwijl daar ook in theoretisch opzicht de laatste tijd veel om te doen is) en de lessen die op dit punt uit de twee bestudeerde transities te trekken zijn.

Het verhaal over de overgang naar stoomkracht in de loop van de 19de eeuw is minder vernieuwend. Kaptein kiest om dit te illustreren wel interessante voorbeelden, maar de hoofdstukken over Schiedamse moutmolenaars, Leidse lakenfabrikanten, Zaanse papierfabrikanten en Groningse oliemolens levert een veel meer diffuus beeld op van deze tweede transitie. Misschien breekt het de auteur op dat hier al veel meer over gepubliceerd is – zoals in het bekende overzichtswerk over de geschiedenis van de techniek in de 19de eeuw. Er worden veel persoonlijke details verteld over de betrokken ondernemers en hun families; details die lang niet altijd relevant lijken te zijn. Conclusies als die getrokken worden over een van de pioniers van de stoomkracht, die als ‘creatieve waaghals’  te weinig rekening hield met ongunstige omstandigheden, dragen ook niet veel bij aan een beter begrip. Het afsluitende hoofdstuk bevat veel nieuwe informatie over aantallen windmolens, maar, en dat is een beetje de gemiste kans van dit boek, geen echte reflectie op het fenomeen energietransitie (terwijl daar ook in theoretisch opzicht de laatste tijd veel om te doen is) en de lessen die op dit punt uit de twee bestudeerde transities te trekken zijn. Veel vragen blijven vooralsnog onbeantwoord. Wat dreef nu deze twee transities? Waarom was Nederland in de ene pionier en in de andere een relatieve achterblijver? En welke rol speelde in de 19de eeuw de staat, en rond 1600 de stad en de gewestelijke overheid?

Al met al is het een mooi boek over twee belangrijke energietransities geworden – alle lof voor het onderliggende historische onderzoek. Maar ook een beetje een gemiste kans om niet in te spelen op het maatschappelijk debat hierover.

Alphons Siebelt, ‘Het is een raadsel waarvan de bevolking heeft geleefd.’ De Leidse Voedselvoorziening in de Hongerwinter, Leiden: Primavera Pers, 2018; ill., 144 pp., ISBN 9789059972636; prijs €17,50.

Door Ingrid de Zwarte, Universiteit van Oxford

‘Het is een raadsel waarvan de bevolking, voor zover deze zich langs clandestiene weg geen levensmiddelen kon verschaffen, toen heeft geleefd.’ Jan van Stralen, drijvende kracht achter het illegale Leidse blad Kroniek van de Week, kon in een terugblik maar niet begrijpen hoe de lokale bevolking tijdens de oorlog het hoofd boven water had gehouden. Na de herfst van 1944 waren de rantsoenen gedaald tot minder dan 750 kcal per persoon per dag en stopte de gas- en elektralevering aan particulieren. Pas in juli 1945 kon de noodtoestand worden opgeheven. Met deze magere overheidsrantsoenen had de Leidse bevolking de crisismaanden onmogelijk kunnen overleven. Waar kwam het voedsel dan vandaan? Alphons Siebelt streeft met zijn boek naar een oplossing van ‘het raadsel van Van Stralen’.

Lokale studies over de Hongerwinter zijn zeldzaam en Siebelt heeft voor zijn boek dan ook een indrukwekkend aantal Leidse bronnen onderzocht. De auteur richt zich niet enkel op gangbare thema’s als hongertochten en geallieerde voedseldroppings, maar legt vooral ook de nadruk op het belang van particulier initiatief. Siebelt laat overtuigend zien hoe de bevolking zorg- en hulpverleningstaken van de overheid overnam. Naast bekende organisaties als het Interkerkelijk Bureau voor de Noodvoedselvoorziening (IKB), dat nationaal opereerde, ontstonden ook typische Leidse initiatieven. Zo richtten Leidenaren uit belangrijke ambtelijke en maatschappelijke posities de Verzorgingsraad voor Leiden op. Met grote inzet wist de Verzorgingsraad 5.000 ton aan levensmiddelen te verdelen onder de hongerende bevolking. Dankzij betrokkenheid van de Leidse illegaliteit hielp de organisatie tevens clandestien onderduikers de hongerperiode door te komen.

Lokale studies over de Hongerwinter zijn zeldzaam en Siebelt heeft voor zijn boek dan ook een indrukwekkend aantal Leidse bronnen onderzocht. De auteur richt zich niet enkel op gangbare thema’s als hongertochten en geallieerde voedseldroppings, maar legt vooral ook de nadruk op het belang van particulier initiatief.

Naast de Verzorgingsraad ontstonden vanuit de kerken en het maatschappelijk middenveld tal van andere hulpcomités, die zich voornamelijk richtten op de meest kwetsbaren in de samenleving. Rond Kerstmis 1944 ontstond bijvoorbeeld onder leiding van schoolhoofd J.C. van Schaik het Comité voor Extra Schoolkindervoeding, dat tegen kleine vergoeding schoolmaaltijden verzorgde. Het Medisch Opvoedkundig Bureau identificeerde via medische screening de ergste ondervoedingsgevallen. Wekelijks keurden zij zo’n zestig Leidse kinderen, waarvan maar liefst zestig procent in de zwaarste twee categorieën viel. Belangrijke aantekening is dat iedereen – inclusief de bezettingsautoriteiten – wist dat bij aanvoer van levensmiddelen illegale praktijken plaatsvonden. Siebelts vergelijking met het hedendaagse wietgedoogbeleid werkt hier verhelderend. Nog belangrijker is dat, volgens de auteur, Leidse kinderen dankzij deze acties de Hongerwinter beter zouden zijn doorgekomen dan leeftijdsgenoten in andere steden.

Toch kon het particulier initiatief maar op beperkte schaal hulp bieden. Siebelt demonstreert hoe het merendeel van de Leidenaren vooral op zichzelf en naasten was aangewezen. Volkstuintjes, zwarte handel en hongertochten moesten de magere rantsoenen aanvullen. Een relevant punt dat Siebelt meermaals aanhaalt is dat sociale positie en klasse een belangrijke rol speelden tijdens de crisisperiode. “De ‘betere stand’ had misschien wel meer geld, maar de ‘minder man’ was handiger,” aldus Siebelt. Ook merkt hij terecht op dat de voedselcrisis niet direct was afgelopen na de bevrijding in mei 1945; volgens Siebelt zou de Hongerwinter dus eigenlijk “zeker zeven maanden [heeft] geduurd.”

De kracht van deze studie ligt in de dieptebestudering van het bronmateriaal. Het enthousiasme van de auteur inzake zijn bronnen betekent echter ook dat hij zich soms wat lijkt te verliezen in de details. Zo krijgt de lezer naast inzicht in de werkzaamheden van de Leidse gaarkeukens ook de achtergronden van conservenfabriek Vianda en VITA voorgeschoteld, en mondt een interessant relaas over klassenverschillen tijdens de Hongerwinter uit in de lotgevallen van de familie Nortier, diens Joodse onderduikster en haar vermeende affaire met professor Nico Donkersloot.

Hoewel de auteur terecht opmerkt dat vergelijkbare detailstudies ontbreken, had een analyse van zijn bronnen in relatie tot bestaande literatuur over de Hongerwinter meer betekenis of andere duiding kunnen geven aan zijn bevindingen. Zo lijkt hij te suggereren dat de Nederlandse voedselambtenaren voortdurend ad hoc handelden, terwijl de meeste noodplannen en decentralisatiemaatregelen (onder andere betreffende de gaarkeukens) al ruim voor de geallieerde invasie waren voorbereid. Ook lagen de hongertochten tijdens de vorstperiode tussen eind december 1944 en eind januari 1945 geenszins stil. Juist toen waterwegen weer toegankelijk waren, legden autoriteiten de hongertochten aan banden, met de sluiting van de IJsselbruggen op 1 maart 1945 als meest drastische maatregel.

Hoewel de auteur terecht opmerkt dat vergelijkbare detailstudies ontbreken, had een analyse van zijn bronnen in relatie tot bestaande literatuur over de Hongerwinter meer betekenis of andere duiding kunnen geven aan zijn bevindingen.

Ondersteund door prachtig beeldmateriaal toont Siebelt desondanks op indringende wijze het lijden, maar ook de veerkracht van de Leidse bevolking tijdens de Hongerwinter. Niet de overheidsrantsoenen, maar de inzet van de eigen bevolking en het particuliere initiatief zijn onmisbaar geweest om de hongerperiode door te komen. Hiermee heeft Siebelt het raadsel van Van Stralen bevredigend beantwoord. Wellicht de meest prikkelende conclusie uit het boek is de suggestie dat de formele en informele voedselvoorziening in Leiden beter georganiseerd was dan in andere steden in West-Nederland, waardoor de oversterfte in Leiden ook lager is gebleven. Aanvullend en vergelijkend onderzoek zal nodig zijn om deze spannende hypothese te staven. De studie van Siebelt geeft hiertoe een belangrijke en lezenswaardige aanzet.

E.H.P. Cordfunke, Begraven verleden. Hoven en kastelen in Kennemerland [850-1350], Zutphen: WalburgPers, 2018; ill., 144 pp., ISBN 9789462492714, prijs €24,95.

door Jaap Ligthart, Universiteit Leiden

Centraal in dit boek staat de vorm waarin en de wijze waarop de plattelandssamenleving in Kennemerland zich in de periode 850-1350 ontwikkelde . Het onderzoek van de lange periode, vijfhonderd jaar, maakt het mogelijk om veranderingen die zeer traag en met verschillende snelheden plaatsvonden toch waar te nemen. Uit de door Cordfunke bestudeerde periode zijn betrekkelijk weinig geschreven bronnen overgeleverd, maar zijn wel relatief veel archeologische gegevens bekend. De auteur stelt dat sinds het verschijnen van een studie naar hoven door Johan Philip de Monté ver Loren in 1942 vooral los historisch en archeologisch onderzoek is verricht naar hoven. Dit boek vergelijkt juist de uitkomsten uit deze twee onderzoeksvelden.

Dit resulteert in een beschrijving van de  opkomst van de hoven, het einde van de hoforganisatie en de vervanging ervan door de ambachten waarover edelen de scepter gingen zwaaien. De analyse van de plattelandssamenleving moet hier dus vooral worden begrepen als het juridische en bestuurlijke kader van (het platteland van) Kennemerland. Hierbij bestonden binnen Kennemerland bovendien grote verschillen tussen de grafelijke hoven en hoven die in bezit waren van de abdij van Egmond. Die laatsten bleven immers veel langer bestaan als bestuurlijke eenheid.

Het boek geeft een kort overzicht van de diverse hoven en kastelen die in Kennemerland te vinden waren, en presenteert casestudies naar de wijze waarop Hofland, Beverwijk en Alkmaar hun status als hof verloren en werden omgevormd tot ambachten en heerlijkheden.

Het boek geeft een kort overzicht van de diverse hoven en kastelen die in Kennemerland te vinden waren, en presenteert casestudies naar de wijze waarop Hofland, Beverwijk en Alkmaar hun status als hof verloren en werden omgevormd tot ambachten en heerlijkheden. Door de lange onderzoeksperiode weet de auteur inzichtelijk te maken hoe op bepaalde locaties de hofindeling werd opgeheven, het grondbezit en het bijhorende administratieve centrum werden verkocht of overgedragen aan ‘edelen’ en hoe die hier vervolgens kastelen bouwden. Naast de door Cordfunke geschreven hoofdstukken bevat het boek een bijdrage van de hand van J. Roefstra. Deze tweede auteur gaat in zijn bijdrage over kasteel Oud Haarlem zeer diep in op de geschiedenis van de archeologische opgravingen ter plaatse, wat om twee redenen voor de gemiddelde lezer wat ver voert. Ten eerste heeft de hoofdauteur het kasteel al behandeld in een eerder hoofdstuk, ten tweede gaat de bijdrage van Roefstra vooral in op de archeologische opgravingen als historische gebeurtenissen, terwijl voor de lezer vooral de resultaten van die opgravingen van belang zijn.

Problematischer is de gebrekkige bronverwijzing in de tekst en van de afbeeldingen. Het weglaten van bronverwijzingen in de tekst, leidt er ten eerste toe dat onduidelijk is welke (nieuwe) claims aan de auteur kunnen worden toegeschreven, en welke een herhaling zijn van wat andere auteurs al hebben aangetoond. Daarnaast wordt op verschillende plaatsen verwezen naar bronnen, waar de auteur wel de datering van een oorkonde geeft, maar niet de vindplaats. Aangezien de oorkonden bijvoorbeeld worden gebruikt om het einde van hoforganisaties of kastelen in de tijd te plaatsen, is een verwijzing hier gewenst.

Problematischer is de gebrekkige bronverwijzing in de tekst en van de afbeeldingen.

Bij de afbeeldingen ontbreekt een gestructureerde verantwoording. Een deel van de afbeeldingen is aan het einde van het boek verantwoord, een deel in de hoofdtekst en achterin, maar een groot deel helemaal niet. De niet verantwoorde afbeeldingen blijken deels afkomstig uit publicaties die de auteur wel in zijn literatuurlijst opvoert. De op deze wijze (her)gebruikte afbeeldingen zijn niet altijd van een goede context of beschrijving voorzien, die in de oorspronkelijke publicatie (mogelijk) wel aanwezig is. Bijvoorbeeld: op de plattegrond van Beverwijk zijn delen van de plattegrond genummerd en delen gekleurd (3 kleuren/percelen en 3 nummers), maar is niet elke kleur verklaard en staan twee cijfers op één kleurvlak/perceel. Hierdoor is onduidelijk wat er nu precies te zien is. De lezer moet dit zelf oplossen door twee pagina’s verder de 3D-reconstructie van dezelfde locatie te raadplegen. Deze problemen leiden af van het lezen en verzwakken bovendien het betoog.

Al met al vormt dit boek een mooie synthese van archeologische en historische kennis, waarbij helaas onduidelijk is waar het werk van de auteur begint en dat van eerdere archeologen en historici ophoudt.

 

Virginia Hoel, Faith, Fatherland and the Norwegian Seamen. The work of the Norwegian Seamen’s Mission in Antwerp and the Dutch Ports (1864-1920); Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2016; geïllustreerd, 476 pp., ISBN 978 90 9804 564 7, prijs € 39,50.

door Johan van de Worp, Universiteit Leiden

Het leven van een zeeman was buitengewoon hard. De negentiende eeuw vormde op die werkelijkheid nauwelijks een uitzondering. Wat wel typerend was voor deze eeuw, is de toenemende publieke belangstelling voor de zeeman. Nog voordat in verschillende Europese landen allerlei vakverenigingen voor zeelieden in het leven geroepen werden, bestonden er sinds de tweede helft van de negentiende eeuw vele particulier-filantropische verenigingen – veelal religieus geïnspireerd – die de zeeman probeerden te beschermen tegen tal van morele gevaren, zijn leven te veraangenamen of hem in aanraking te brengen met het Evangelie. In haar proefschrift heeft Virginia Hoel de werkzaamheden van de Noorse Zeemansmissie bestudeerd, die vanaf 1864 her en der door Europa (en ook daarbuiten) pastoraal werk verrichte, leeszalen inrichtte en zelfs kerken stichtte. Zo ook in Antwerpen en de Hollandse havensteden Amsterdam en Rotterdam. Aan de hand van een groot aantal Noorse bronnen – voornamelijk brieven en verslagen van de in België en Nederland verblijvende geestelijke verzorgers – probeert Hoel niet alleen duidelijk te maken hoe deze missie georganiseerd was, maar ook na te gaan welke rol dit missiewerk in het leven van de Noorse zeelieden speelde.

In haar proefschrift heeft Virginia Hoel de werkzaamheden van de Noorse Zeemansmissie bestudeerd, die vanaf 1864 her en der door Europa (en ook daarbuiten) pastoraal werk verrichte, leeszalen inrichtte en zelfs kerken stichtte.

Wie meer wil weten over het leven van zeelieden in de Hollandse havensteden hoeft niet direct dit boek ter hand te nemen, want hij krijgt slechts zijdelings een indruk. De focus in dit boek ligt eerst en vooral op de organisatie van de Noorse Zeemansmissie. In deze vereniging vielen geestelijke, sociale, economische en culturele belangenbehartiging grotendeels samen. In eerste instantie wenste de Noorse Zeemansmissie vooral te voorzien in de geestelijke behoeften van het Scandinavische scheepsvolk dat in het buitenland vertoefde. Tot 1905, het jaar waarin Noorwegen zich losmaakte van de unie met Zweden, behoorden overigens ook Zweedse en Deense schepelingen tot haar doelgroep. Nadien was haar werk expliciet gericht op Noorse zeelieden. Daarnaast had het missiewerk van meet af aan een sociaaleconomische en culturele component. Door het organiseren van diverse activiteiten, zoals lezingen en muziekavonden, hoopte men schepelingen te beschermen tegen slaap- en huurbazen, en typische zeemanszonden als drankzucht en hoererij. De organisatie bood de zeelieden kort samengevat een veilig ‘thuis’ waar men letterlijk de gevaren ‘ontvluchtte’. Het missiewerk was bovendien een middel waardoor zeelieden op grote afstand verbonden bleven met het moederland en de moederkerk. Indirect droeg het missiewerk bij aan ‘opvoeding’ tot Noorse staatsburgers. Dat gebeurde bijvoorbeeld in de leeszalen, waar Noorse lectuur voor handen was. Verbondenheid kwam daarnaast tot uitdrukking door het vieren van christelijke feestdagen op typisch Noorse wijze, bijvoorbeeld de viering van kerst. Het missiewerk liep grotendeels parallel aan het ontstaan van de Noorse natiestaat gedurende de negentiende eeuw, het thema dat als een rode draad door het boek loopt.

Het boek bestaat uit twaalf hoofdstukken. In een inleidend hoofdstuk maakt de lezer kennis met de wordingsgeschiedenis van de Noorse staat, de breuk met Zweden, het veranderende religieuze landschap van Noorwegen en de barre omstandigheden waarin de zeeman zijn werk verrichtte. Het ontstaan van de Noorse Zeemansmissie moet namelijk tegen deze achtergrond bezien worden. Vervolgens valt het boek uiteen in twee afzonderlijke casestudies, elk bestaande uit vijf min of meer thematisch opgezette hoofdstukken. De eerste casestudy betreft de organisatie en de activiteiten van het missiewerk in Antwerpen, in het tweede deel komt vervolgens het werk in de Nederlandse missiestations Amsterdam en Rotterdam aan de orde. Tot slot worden in het laatste hoofdstuk het thuisfront of de achterban van deze in het buitenland opererende organisatie geschetst. Die tweedeling in het boek is zeker verdedigbaar, maar roept tegelijkertijd ook de nodige vragen op. Hebben we hier daadwerkelijk te maken met vergelijkende geschiedenis of toch niet? En waarom heeft de auteur twee casestudies bestudeerd zonder ze expliciet met elkaar te vergeleken? De auteur heeft verzuimd een methodologische toelichting te geven en dat is onbevredigend. Enige verantwoording van deze keuze zou toch wel op zijn plaats zijn geweest. Zo blijft helaas onduidelijk welk doel beide casestudies dienen. De overeenkomsten en verschillen worden in ieder geval niet in een concluderend raamwerk besproken.

Ondanks deze kritiek staat het belang van deze studie buiten kijf. Studies waarin de maritieme geschiedenis vanuit een cultureel perspectief bestudeerd worden, zijn nog altijd relatief schaars.

Eén van de redenen waarom de vergelijking niet uit de verf komt, is vermoedelijk de (te) breed opgezette vraagstelling. De hoofdvraag is bijvoorbeeld onderverdeeld in maar liefst negen deelvragen. Feitelijk biedt het proefschrift daarmee meer een beschrijving dan een daadwerkelijke analyse van een historisch ‘probleem’. Ondanks deze kritiek staat het belang van deze studie buiten kijf. Studies waarin de maritieme geschiedenis vanuit een cultureel perspectief bestudeerd worden, zijn nog altijd relatief schaars. Daarnaast bevindt haar studie zich op het snijpunt van verschillende historische disciplines, waardoor zij nieuwe inzichten toevoegt aan verschillende historische debatten, bijvoorbeeld ten aanzien van het debat over nationalisme. Alleen om die twee redenen vormt het proefschrift van Hoel een belangrijke aanwinst. De door haar bestudeerde cases bieden de mogelijkheid om in de toekomst daadwerkelijk (internationaal) vergelijkend historisch onderzoek te verrichten.

 

Arie Dwarswaard, Van vader op zoon. Veldhuyzen van Zanten Kokon: Zaandam 2017 ill., 120 pp., ISBN 978-90-818655-4-8, prijs € 32,50

door Henk Looijesteijn, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

Wie Holland zegt, zegt bloembollen. Althans in het buitenland: of je nu in Amerika, China, Duitsland of Italië bent, de mededeling dat mijn vader bollenkweker was staat altijd garant voor dezelfde gefascineerde reacties. Opmerkelijk genoeg heeft de professionele bloembollenteelt, die sinds de 19de eeuw Nederland heeft doen uitgroeien tot de wereldwijde stapelmarkt van de sierteelt, pas sinds de millenniumwisseling  meer historische aandacht gekregen. Zo schreven Marcel Bulte en Wim Post Bloeiende bedrijvigheid. 400 jaar bloembollenbedrijven in Zuid-Kennemerland (Haarlem 2002) en Maarten Timmer publiceerde het monumentale Bloembollen in Holland 1860-1919. De ontwikkeling van de bloembollensector met een doorkijk naar de 21ste eeuw (Houten 2009).

De auteurs van deze werken staan vaak in de traditie van Ernst Heinrich Krelage (1869-1956), de Haarlemse bollenkweker en rasbestuurder met grote historische belangstelling die onder andere de eerste substantiële geschiedenis van de Tulpenmanie schreef. Net zoals hij zijn ze vaak op de een of andere wijze verbonden aan het bollenvak of als historici ‘zij-instromers’ die na of naast een maatschappelijke loopbaan belangstelling opvatten voor historisch onderzoek. En net zoals hij schrijven ze geen gelegenheidswerkjes, maar ligt gedegen onderzoek ten grondslag aan hun boeken. Dat geldt bijvoorbeeld voor Maarten Timmer, die inmiddels ook een tweedelige biografie van Krelage heeft verzorgd, en het geldt ook voor Arie Dwarswaard, al decennialang werkzaam bij het vakblad Greenity (voorheen: BloembollenVisie). Samen schreven ze de geschiedenis van de internationale bloembollententoonstelling bij uitstek, Keukenhof: van Keukenduin tot Lentetuin. De wordingsgeschiedenis van internationale bloemententoonstelling Keukenhof  (Leiden 2011). Het wereldje van historische onderzoekers van de bloembollenteelt is klein, dat moge duidelijk zijn, maar de laatste jaren wel productief.

En gelukkig maar, want historisch besef was lange tijd ver te zoeken in de bloembollensector. Het erfgoed van dit oudste bloembollenteeltgebied tussen Haarlem en Leiden staat erg onder druk van oprukkende verstedelijking en schaalvergroting in de bollenteelt, die zo langzamerhand het karakter van het gebied sterk verandert. Het is al lang niet meer zo dat de cyclus van de bolbloem het leven in de Bollenstreek bepaalt, en het is al heel lang niet meer zo dat als tulpen uit Holland verkochte bloembollen daadwerkelijk van Hollandse, of zelfs maar van Nederlandse, bodem zijn. Ooit was de Bollenstreek een lappendeken van als familiebedrijven gerunde bollenkwekerijen, en verdiende bijna iedereen in de dorpen daar zijn brood in de bollenteelt. Tegenwoordig is de werkgelegenheid in de bollenteelt sterk gekrompen en is het gebied enorm verstedelijkt en volgebouwd, met aan elkaar gegroeide dorpen bewoond door ‘import’ uit de steden die een rustiger en groener woonomgeving zoeken. De betrekkelijk kleinschalige familiebedrijven zijn in hoog tempo verdwenen en met hen de karakteristieke bollenschuren.

Het wereldje van historische onderzoekers van de bloembollenteelt is klein, dat moge duidelijk zijn, maar de laatste jaren wel productief.

Ingrijpende veranderingen voeden vaak wel een groeiend historisch besef, en de bloembollensector is daar geen uitzondering op, al staat met name het archivalisch erfgoed nog altijd sterk onder druk. Maar al te vaak betekent het einde van een bollenkwekerij ook een enkele reis oud papier voor het bedrijfsarchief – als dat al goed was bijgehouden. Kees Hoog schrijft bijvoorbeeld in het voorwoord tot zijn De bollen zijn weer best. De geschiedenis van het Haarlemse familiebedrijf Koninklijke Bloembollen- en Zaadhandel van Tubergen B.V. (Leersum 2013) dat het bedrijfsarchief in de loop der jaren door ‘achteloosheid’ grotendeels verloren is gegaan, en gevreesd moet worden dat de Koninklijke Van Tubergen niet het enige bedrijf is dat het archief op een gegeven ogenblik aan de afvalcontainer of de vlammen heeft toevertrouwd. Om nog maar te zwijgen van de omstandigheden waaronder archieven werden bewaard in de vaak hete en stoffige bedrijfsgebouwen.

Gelukkig zijn er uitzonderingen, en daar heeft Arie Dwarswaard van kunnen profiteren. Van 1822 tot 2000 zijn vijf generaties van de Hillegomse familie Veldhuyzen van Zanten actief geweest op de kwekerij Veelzorg, eerst als tuinders van de destijds in Amsterdam en Haarlem zeer gewilde Hillegomse groenten en fruit, later als bloembollenkwekers, en dan met name de hyacintenteelt. Het bedrijfsarchief mocht al die tijd betrekkelijk ongestoord aanzwellen op de zolder van het kantoor, nauwgezet bewaard en aangevuld met op schrift gestelde herinneringen door de historisch geïnteresseerde laatste twee generaties. In opdracht van de familie heeft Dwarswaard nu een familie- en bedrijfsgeschiedenis geschreven, vanaf de stamvader Rutgerd (1785-1872), een lid van het wijdvertakte bollenkwekersgeslacht Van Zanten. Bij de doop kreeg hij niet alleen de voornaam maar ook de familienaam van zijn stiefgrootvader en gebruikte dat slim door de familienaam wat in status op te krikken door voortaan als Veldhuyzen van Zanten door het leven te gaan. Niet alleen de kwekerij Veelzorg, ook het nog altijd bestaande familiebedrijf Royal Van Zanten – de met koninklijk wapenschild gesierde schuurgevel is duidelijk te zien vanuit de trein Haarlem-Leiden – werd gedreven door zijn vele afstammelingen, wier geschiedenis werd bepaald door de ontwikkeling van de bloembollenteelt.

Was het epicentrum van de bloembollenteelt rond 1800 nog de zandgronden bij Haarlem, een stijgende vraag en verbeterende omstandigheden voor de bollenteelt, zoals een betere afwatering van de Bollenstreek, zorgde er in de tweede helft van de 19de eeuw voor dat Hillegom, met op de tweede plaats Lisse, groeide uit tot het grootste bloembollenteeltgebied ter wereld. De Veldhuyzen van Zantens wisten zoals veel andere plaatselijke kwekers in hoog tempo in te spelen op die ontwikkelingen. Dwarswaard beschrijft hoe tweede generatie Gerrit (1836-1912) al vanaf 1884 exporteert naar Amerika, hetgeen het familiebedrijf volhoudt tot 1977. Ook wordt er al vroeg geëxporteerd naar bijvoorbeeld Engeland, Frankrijk en Duitsland, en zelfs naar Rusland, een groeimarkt tot de revoluties van 1917 roet in het eten gooien. Vooral Gerrits zonen, de derde generatie, profiteren van de zogenaamde gouden jaren van de bloembollenteelt, de eerste drie decennia van de 20ste eeuw. Het zijn heren, actief in kerk- en gemeenteraad, in het bezit van auto’s, fraaie villa’s en met de mogelijkheid om met hun gezin op vakantie te gaan. En de zoons krijgen een betere opleiding: vierde generatie Jan (1900-1985) mag naar de pas opgerichte Middelbare Tuinbouwschool in Lisse, waar de aanstaande bollenkwekers worden voorbereid op een loopbaan als kweker én handelsreiziger. Russisch staat er op het programma, totdat de ingestorte vraag in dat land de belangstelling doet verdampen. De vijfde generatie, Arent (1931-2014) mag zelfs naar de universiteit, economie studeren, al maakt hij dat niet af, want de bollen gaan voor.

Terecht noemt Dwarswaard zijn geschiedenis Van vader op zoon, want het is een aartsvaderlijk milieu, waar de vaders het bedrijf leiden en hun zoons op de opvolging voorbereiden, en hun echtgenotes het huishouden runnen. Hij schetst een beeld van toegewijde gereformeerden, steunpilaren van de plaatselijke, deels met hun geldelijke bijdragen gefinancierde, gereformeerde kerk, vaders van grote gezinnen wier doel het is om hun zoons een eigen bedrijf na te laten nadat de jongemannen eerst hun waarde hebben bewezen tijdens langdurige handelsreizen. Het leven draait om de bollen en de kerk, al vergeet men niet te genieten van de welvaart.

Terecht noemt Dwarswaard zijn geschiedenis Van vader op zoon, want het is een aartsvaderlijk milieu, waar de vaders het bedrijf leiden en hun zoons op de opvolging voorbereiden…

Al zegt Dwarswaard het niet met zoveel woorden, dit patroon geldt ook voor de katholieke bollenkwekers – veruit in de meerderheid in dit roomse gebied – met dat verschil dat katholieken vaak een zoon en één of meerdere dochters voor de geestelijke stand bestemden. Veel van wat hij beschrijft, is maar al te herkenbaar in het bloembollenkwekersmilieu van het roomse Breezand, waar mijn vier overgrootvaders met hun gezinnen vanuit de Bollenstreek neerstreken.

Wat Dwarswaard ook niet uitdrukkelijk benoemt, al is dat duidelijk tussen de regels te lezen, is het patriarchale en conservatieve karakter van de bloembollenwereld, een standsbewuste en verzuilde wereld van ons kent ons, waarbinnen kerk, bedrijf en gezin de belangrijkste pijlers van het bestaan zijn, ongeacht de precieze kerkelijke achtergrond. De rol van vrouwen in het familiebedrijf is beperkt, het personeel zegt ‘mijnheer’, zelfs als ze verwant zijn aan de kwekers en zelfs al zijn ze decennialang in dienst. Tot ver in de jaren tachtig bleef dit traditionele maatschappelijk patroon in de bollenwereld in stand, en nog altijd is de vrouwelijke inbreng in de bloembollenwereld niet groot – al heeft Royal Van Zanten sinds de zomer van 2017 een vrouw als algemeen directeur.

Dwarswaard is zich bewust van de beperkingen van zijn boek, inherent aan de opdracht: in zijn voorwoord schrijft hij dat hij aan het personeel maar beperkt aandacht kon besteden, al biedt het bedrijfsarchief daartoe genoeg aanknopingspunten. Het beoogde lezerspubliek is bovendien duidelijk ingevoerd in de bollenteelt, want hoe bijvoorbeeld de hyacintenteelt in zijn werk ging wordt wel aangestipt maar niet uitgelegd. Over het algemeen had de voortschrijdende modernisering, globalisering en schaalvergroting van de bloembollenteelt meer aandacht mogen krijgen, en ook de gevolgen van de sociale stijging van de bloembollenkwekersfamilies, die ertoe leidde dat een betere en hogere opleiding mogelijk werd voor hun kinderen, en daarmee ook een heel ander palet aan carrièremogelijkheden. Die brain drain heeft zeker ook effect gehad: een gebrek aan opvolgers betekende voor veel familiebedrijven het einde, net zoals dat het geval was bij de Veldhuyzen van Zantens.

Maar misschien zou een dergelijke aanpak ook veel meer casestudies vereisen, zodat het algemene boven het particuliere zou kunnen uitstijgen. De kritiek is niet zozeer kritiek op dit boek als wel op een vooralsnog achterblijvende geschiedschrijving, en neemt niet weg dat dit zeer fraai uitgevoerde en met veel materiaal uit het bedrijfs- en familiearchief geïllustreerde, vlot lezende boek een helder en overzichtelijk beeld schetst van de ontwikkeling van de Hollandse bloembollenteelt, aan de hand van de geschiedenis van één bedrijf.

De verdeling in hoofdstukken steeds gewijd aan één generatie pakt zeer gelukkig uit, want geeft richting aan een geschiedenis die uit de aard der zaak complex is, met alle zonen die al dan niet samen een bedrijf hadden en allemaal vergelijkbare bedrijfsnamen voerden. Detailstudies over één bedrijf en familie zijn bovendien vooralsnog zeer schaars – het eerder genoemde werk van Hoog over de Koninklijke Van Tubergen is tot dusver de enige andere. Het zou aanbeveling verdienen meer casestudies te hebben van bedrijven die over meerdere generaties lopen, of over meerdere generaties van een bollenkwekersfamilie. Die zouden meer inzicht kunnen bieden in bijvoorbeeld de ontwikkeling van sociale mobiliteit in de afgelopen eeuwen.

Hopelijk dient dit boek als aansporing aan anderen om ook hun geschiedenis te laten vastleggen, of in elk geval hun bedrijfsarchief te herkennen als materiaal dat het waard is om voor het nageslacht bewaard te blijven.

Voor veel lezers uit de bloembollenwereld zal de geschiedenis van de Veldhuyzen van Zantens bovendien zeer herkenbaar zijn. Hopelijk dient dit boek als aansporing aan anderen om ook hun geschiedenis te laten vastleggen, of in elk geval hun bedrijfsarchief te herkennen als materiaal dat het waard is om voor het nageslacht bewaard te blijven. Ook Royal Van Zanten heeft een archief, zo blijkt uit Dwarswaards boek, maar de webpagina gewijd aan de bedrijfsgeschiedenis is wel heel kort en weinig informatief. Dat kan beter, zou je zeggen, zeker met zo’n archief en de toch ook niet kinderachtige omzet van een modern bloembollenbedrijf. Het zou trouwens aanbevelenswaardig zijn dat de archieven werkzaam in de Bollenstreek en andere bloembollenteeltgebieden zich rekenschap geven aan wat er misschien nog op oude schuurzolders ligt te verstoffen, en wat daarmee mogelijk is. Arie Dwarswaard heeft alvast het goede en navolgenswaardige voorbeeld gegeven.

Pieter van Wissing, In louche gezelschap. Leven en werk van de broodschrijver Philippus Verbrugge, 1750-1806 Verloren: Hilversum 2018  ill., 272 pp., ISBN 9789087046699, prijs € 29

door Lauren Lauret, Universiteit Leiden

Heerlijk, een biografie over een figuur aan wie Hollands glorie eens voorbijging. Literatuurhistoricus Pieter van Wissing brengt ons het turbulente leven en twijfelachtige werk van een achttiende-eeuwer die in alle facetten van zijn leven uit de toon viel. Het is het levensverhaal van een ex-predikant die huwde met een prostituee, een bajesklant, chanteur, een patriotsgezinde pamflettist die zijn scherpe pennenvruchten verkocht aan het Oranjekamp rond stadhouder Willem V. Philip Verbrugge onderhield nauwe banden met zowel politieke kopstukken als lieden op de onderste trede van de sociale ladder.

De levensjaren van Verbrugge bestrijken de roerige periode in de Nederlandse geschiedenis tussen 1750 en 1806. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden maakte in 1795 plaats voor de Bataafse Republiek. Terwijl de patriotten en Bataven de weg vrijmaakten voor de moderne Nederlandse rechtsstaat, keerde Verbrugge zich tegen de revolutie die de grondvesten van de staat onomkeerbaar veranderde. Tijdgenoten veroordeelden Verbrugge stelselmatig, en latere historische studies leken die opinie zonder uitzondering te beamen. Van Wissing vertrouwde dit unanieme oordeel over de dubieuze Verbrugge niet en ging op onderzoek uit.

Van Wissing vertrouwde dit unanieme oordeel over de dubieuze Verbrugge niet en ging op onderzoek uit.

De halsstarrige predikant Verbrugge maakte zich in korte tijd onmogelijk bij het dorps- en kerkbestuur van Koedijk. Strijd over pastorale zorg en de kritische pamfletten die hij schreef over de voogd van stadhouder Willem V vielen niet in goede aarde. Verbrugge voerde verbeten en arrogant een juridische strijd voor het kerkelijk en wereldlijk gerecht. Op het dieptepunt van de Koedijkse crisis trad de pen van Verbrugge in het diepste geheim in dienst van Oranje die tegenwicht wilde bieden aan het patriotse, publicitaire spervuur. Noodgedwongen verruilde de opportunistische Verbrugge de kansel voor een loopbaan als broodschrijver en redacteur van Oranjegezinde weekbladen.

Elke rol die Verbrugge speelde (Leidse student, predikant, journalist, gedaagde, bajesklant en Oranjeklant) voorziet Van Wissing van een gedegen historische context. Van Wissing zet zijn expertise op het gebied van de 18de-eeuwse pers en politiek in om de levensloop van Verbrugge te duiden. Hierdoor slaagt hij erin om een tot op heden onderbelichte kant te tonen van de complexe religieuze, politieke en sociale ontwikkelingen in deze periode. Hoe hield Verbrugge zich staande als iemand die zijn tijdgeest tartte?

Van Wissing gunt zichzelf veel vrijheid om het leven van Philip Verbrugge door middel van diepgravend archiefonderzoek te reconstrueren en levendig aan zijn lezer te presenteren. De antiheld en zijn tijdgenoten komen uitvoerig aan het woord door lange citaten uit brieven, rechtbankdossiers, rekesten en pamfletten. In combinatie met Van Wissings metafoorrijke taalgebruik en 58 illustraties kijkt de lezer mee over de schouder van Verbrugge die bijvoorbeeld zijn rechters ‘vanuit de heup’ beschiet met munitie geleverd door Jesaja. (p.129) De thematiek, de schrijfstijl, uitgebreide aandacht voor de bronnen en de geboden context verlevendigen en verhelderen deze geschiedenis. Het maakt dit boek op het eerste gezicht aantrekkelijk voor een breder publiek.

Van Wissing gunt zichzelf veel vrijheid om het leven van Philip Verbrugge door middel van diepgravend archiefonderzoek te reconstrueren en levendig aan zijn lezer te presenteren.

Anderzijds geeft het boek als geheel soms een gefragmenteerde indruk. De integraal overgenomen bronteksten en de vragen die deze oproepen bij Van Wissing zijn zeker interessant, al vergen ze een lezer die bereid is om als het ware mee te werken aan het onderzoek. De lezer is daarbij niet gebaat bij de redactionele slordigheden. (broodschrijver of veelschrijver? p. 69 – 137 – 143) De context levert Van Wissing daarnaast aan via diverse wegen. De uitleg over de verhouding tussen kerk en staat (p.34), de 18e-eeuwse procesgang (p.128 & 155) en het jaar 1798 (p.204) staan in aparte kaderteksten. Na vijf hoofdstukken volgt een intermezzo ter introductie van Oranjekopstukken Thomas Isac de Larrey en Jacob Carel Reigersman. De gezagscrisis van de jaren 1780 staat in de reguliere hoofdtekst, net als de korte inleiding op het fenomeen broodschrijvers in de 18de eeuw. (p.67-69) De wisselende kanalen zijn wellicht symptomatisch voor de veelvormigheid van het leven en werk van Philip Verbrugge, maar ze dragen niet bij aan de eenheid van het verhaal. Ze hadden goed gepast in een langere inleiding, die nu slechts anderhalve pagina beslaat.

Verbrugge was de vleesgeworden tegenstrijdigheid, zoveel is aan het eind van het boek wel duidelijk. Zijn christenplicht veronderstelde gehoorzaamheid aan God en overheden, terwijl hij permanent in strijd verkeerde met wereldlijke gezagdragers en heersende fatsoensnormen. In de ogen van Van Wissing bleef Verbrugge zijn hele leven predikant en politiek was hij consequenter dan tijdgenoten dachten. Het is ondanks deze bevindingen van Van Wissing niet helemaal duidelijk wat hij nu precies over zijn antiheld wil betogen. Voerde Verbrugge een rationeel gedreven strijd tegen de nieuwe politiek van zijn tijd, of moeten we Verbrugge beschouwen vanuit godsdienstig perspectief? Als wegbereider van bijvoorbeeld Isaac da Costa, de voorman van het protestantse Réveil die in 1831 het drievoudig snoer God, Nederland en Oranje opwierp? Verbrugge kreeg van deze 19de-eeuwse drieslag in elk geval wel ‘een zwieper’ mee.

 

Els Kloek en Maarten Hell, Keetje Hodshon (1768-1829). Een rijke dame in revolutietijd Vantilt; Nijmegen 2017, ill., 176 p., ISBN 9789460043161, prijs € 18,50

door Carolien Boender, Universiteit Leiden

Dankzij het boek Keetje Hodshon (1768-1829) van Els Kloek en Maarten Hell ben ik gefascineerd geraakt door het raadselachtige leven van Keetje Hodshon en het ontbreken van bronnen daarover. In het dagboek van Nina d’Aubigny kwam ik ene Kaatje tegen, waarmee Nina regelmatig ging theedrinken. Omdat Kaatje (of ‘Caatje’) rond 1790 met een gouvernante in Haarlem woonde en in de twintig was, hoopte ik dat Nina zich verschreven had en het om Keetje Hodshon ging. Helaas, Nina bleek thee te drinken bij Kaatje Vollenhoven. Els Kloek en Maarten Hell zijn voor hun biografie waarschijnlijk op een vergelijkbare manier op zoek geweest naar snippertjes informatie over het leven van Keetje. Dat bleek niet eenvoudig, maar het is hen desondanks gelukt om een goed gedocumenteerde, toegankelijke en inspirerende biografie te schrijven.

Keetje heeft vrijwel geen zelfgeschreven bronnen achtergelaten, zodat Kloek en Hell niet beschikten over egodocumenten, zoals briefwisselingen of memoires. De auteurs konden daardoor alleen werken met contextuele informatie over de tijd waarin Keetje leefde, met getuigenissen van tijdgenoten en met circumstantial evidence (p. 12). Er blijkt ook op die manier veel boeiends over haar te vertellen.

Keetje, of eigenlijk Cornelia Catharina Hodshon, groeide op in een puissant rijke, doperse familie in Haarlem

Keetje, of eigenlijk Cornelia Catharina Hodshon, groeide op in een puissant rijke, doperse familie in Haarlem. Ze verloor al vroeg haar ouders. Zodra ze volwassen was en beschikte over haar erfenis, liet ze een groot huis bouwen aan het Spaarne in Haarlem. (In dit gebouw zetelt tegenwoordig de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, die bovendien de opdracht gaf om dit boek te schrijven.) Daarnaast raakte Keetje betrokken bij de patriottenbeweging en steunde ze de latere Bataafse regering, net als haar twee voogden en andere mensen uit haar directe netwerk. Ze bleef ongehuwd, terwijl ze vanwege haar rijkdom en netwerk waarschijnlijk een interessante huwelijkspartner was. De reden daarvoor is onbekend, maar de auteurs lossen dat op door een hoofdstuk te besteden aan de achttiende-eeuwse huwelijksmarkt en ideeën over het huwelijk in spectatoriale tijdschriften. In het laatste hoofdstuk bespreken de auteurs vooral het door de economische malaise slinkende kapitaal van Keetje en haar nalatenschap.

Het gebrek aan autobiografische bronnen levert een voordeel op: Kloek en Hell moeten zich behelpen met gegevens die anders de biografie waarschijnlijk niet gehaald hadden. Deze informatie brengt Keetjes dagelijks leven misschien nog wel dichterbij dan een egodocument had kunnen doen

Precies zulk soort hoofdstukken maken dit boek interessant. Het gebrek aan autobiografische bronnen levert namelijk een voordeel op: Kloek en Hell moeten zich behelpen met gegevens die anders de biografie waarschijnlijk niet gehaald hadden. Deze informatie brengt Keetjes dagelijks leven misschien nog wel dichterbij dan een egodocument had kunnen doen. Kloek en Hell beschrijven bijvoorbeeld haar geboortehuis aan de hand van een boedelinventaris en wijden korte biografietjes aan belangrijke personen in haar leven. Daarnaast reconstrueren ze Keetjes betrokkenheid bij de patriottenbeweging en Bataafse Revolutie aan de hand van haar giften. Zo schonk ze twee kanonnen aan het Haarlemse vrijkorps (p. 35) en onder andere een boot aan de Bataafse vloot (p. 70-75). Het boek is daardoor een venster op het leven van een rijke, politiek geëngageerde, doopsgezinde jongedame aan het einde van de achttiende eeuw geworden, en dat maakt het alleen maar interessant.

Zoals de titel al suggereerde, ligt de nadruk van de biografie op de patriotse en Bataafs-Franse jaren. Het is niet duidelijk waarom Kloek en Hell ervoor hebben gekozen om de laatste decennia van Keetjes leven minder te belichten. Voor de patriotten- en Bataafs-Franse tijd analyseren ze bijvoorbeeld haar politieke betrokkenheid via haar netwerk. Zo vragen de auteurs zich af of Keetje rond de meiboom heeft gedanst. Veel van haar vrienden spelen echter ook na de regimewisseling van 1813 op politiek en cultureel terrein een rol in het openbare leven van Haarlem. David Hoeufft was bijvoorbeeld burgemeester tot 1836 en Jan van Walré was lid van de feestcommissie voor de grootscheepse Costerherdenking in 1823. Uit het gedigitaliseerde gedenkschrift van de Costerherdenking door Vincent Loosjes blijkt bovendien dat C.C. Hodshon te Haarlem zich inschreef voor twee exemplaren van het gedenkschrift (waarvan één op perkament). Dat alles roept de vraag op of Keetje, als oud-patriot, net zo’n ommezwaai heeft gemaakt als haar vrienden en hoe betrokken ze later in de negentiende eeuw was bij de stedelijke gemeenschap van Haarlem. Al zou het niet verbazen als we hier op één van de vele onoplosbare mysteries uit het leven van Keetje zijn gestuit.

Jeroen van Zoolingen, Het verleden van de velden. Archeologie van de Duin- en Bollenstreek Noordwijkerhout: Triquetra B.V. 2017, ill. 151 p., ISBN 978-90-903-0201-0, prijs € 19,95.

door Piet de Baar

Het op 3 april 2017 in de stijlvolle Witte Kerk van Noordwijkerhout gepresenteerde overzicht van de voornaamste opgravingen en vondsten uit de streek ten noorden en westen van Leiden ziet er zeer kleurrijk uit, zoals het in de Bollenstreek past. Wat in dit boek vooral opvalt zijn de vele en uitstekende illustraties, zonder dat het een prentenboek wordt.

Wanneer je wieg in de Bollenstreek gestaan heeft en je als klein jochie al hevig geïnteresseerd was in alles wat er uit de grond kwam (behalve bollen), is het natuurlijk duidelijk dat wanneer archeologie je studie en beroep wordt de belangstelling voor je streek van herkomst alleen maar enorm toeneemt. Dat heeft ertoe geleid dat de auteur alle min of meer bekende opgravingen en vondsten nagezocht en bestudeerd heeft. Dat leverde een dusdanige veelheid op, dat er geselecteerd moest worden. Alleen de bekendste vondsten bleven over, al zijn er nog heel wat nieuwe zaken bij voor de lezers die al met de materie bekend zijn. Om van goed bewaarde geheimen te spreken, zoals de inleider Evert van Ginkel doet, gaat evenwel erg ver.

Het verleden van de velden is een handzaam totaaloverzicht van de archeologie in de Bollenstreek

Na een inleiding over de streek, bestaande uit de huidige gemeenten Hillegom, Lisse, Teylingen, Noordwijkerhout, Noordwijk en Katwijk, en de vorming van het landschap door vooral de Rijn, wordt in de hoofdstukken ingegaan op de invloed van de mens op het landschap: door het graven van veen (turfwinning), klei (voor de steenbakkerijen) en zand (zanderijen voor ophogingen elders). Het op grote schaal weggraven van de oude (en soms zelfs nieuwe) duinen om daarmee bollengrond te winnen, bracht eveneens veel onverwachte vondsten met zich mee, en dat gaat door zelfs met het huidige omspuiten van bollenland.

Het boek is verdeeld in een aantal perioden: Nieuwe Steentijd (5300/4900-2000 v. Chr.), Bronstijd (2000-800 v. Chr.), IJzertijd (800-19 v. Chr.), Romeinse tijd (19 v. Chr. – 450 na Chr.), Vroege Middeleeuwen, Late Middeleeuwen (1000-1500) en Nieuwe tijd (nadien). Die onderverdeling is evenwichtig en eindigt met een Archeologie anno nu, met een korte vooruitblik naar de toekomst. Zelfs de (conflict)archeologie van de Tweede Wereldoorlog is aanwezig met een korte bijdrage over vooral de nog aanwezige bunkers, onontplofte munitie en sporen van lanceerinrichtingen van de vliegende V1-bom.

Dit overzicht van de voornaamste opgravingen en vondsten uit de streek ten noorden en westen van Leiden ziet er zeer kleurrijk uit, zoals het in de Bollenstreek past

Ieder hoofdstuk begint met een kaart van het landschap in die periode met daarop nummertjes waar de behandelde opgravingen of toevallige vondsten gedaan zijn en de naam waaronder de locatie bekend staat. Op de vondsten kan eigenlijk niet diep ingegaan worden; dat zijn er gewoonweg te veel. De omvang van het boek stond ook niet toe om al die opgravingen en vondsten tot in kleinste details te behandelen; dan was het een bijbel geworden. Nu is het een leuk overzicht met net genoeg diepgang, dat uitnodigt tot verder lezen (er is uiteraard een lijstje van voornaamste boeken, hoewel niet uitgebreid). Ook de schrijfstijl is vlot en niet zwaar-wetenschappelijk; grove missers zijn niet te vinden. Een enkele keer wordt er een naam genoemd die buitenstaanders net even te weinig zal zeggen, maar wie dat hindert, kan tegenwoordig via internet snel meer vinden.

Bij veel nog bestaande monumenten, vooral kerken en kastelen, zijn al ooit opgravingen verricht en ook daar wordt het nodige over geschreven, al blijft het beperkt en zijn de mooie foto’s van de huidige monumenten eigenlijk een beetje misplaatst, maar dat wordt gaarne vergeven. Oude foto’s van opgravingen aan het begin van de vorige eeuw en zelfs de naoorlogse jaren zijn niet dik gezaaid en voor een leek vaak weinigzeggend. Dat wordt gecompenseerd door goede plattegronden en enkele aardige kaderteksten.

Dit boek is dus een handzaam totaaloverzicht van de archeologie in deze streek, zoals de titel belooft. Voor de dikke turven over specialistische zaken zal men dan ook elders moeten zoeken, maar dat is voer voor fijnproevers. Maar zelfs de kritische lezers zullen dit boek met tevredenheid lezen.

Vooral Bollenstrekers zullen geen spijt krijgen van hun aanschaf van Het verleden van de velden.

Manon van der Heijden, Women and Crime in Early Modern Holland Leiden, Brill. 2016, xii, 181 p., ISBN 9789004314115, prijs €105,-.

door C.A. Romein, Fontys Lerarenopleiding Tilburg, opleiding geschiedenis

In de 21ste eeuw wordt er bij criminaliteit in de eerste plaats gedacht aan mannen, omdat het aandeel vrouwelijke criminelen minder dan een vijfde bedraagt. In dit eerste boek van de nieuw Brill-serie Crime & City in History stelt Manon van der Heijden de vraag hoe het in de vroegmoderne tijd gesteld was met het aandeel van vrouwen in de criminaliteit. Van der Heijden kijkt niet alleen naar hoeveel vrouwen betrokken waren bij criminaliteit in Holland, zij kijkt ook naar welke misdaden gepleegd werden en welke argumentatie volgde bij een (eventuele) veroordeling.

Women and Crime in Early Modern Holland vormt een mix van Van der Heijdens eigen onderzoek naar Rotterdam en Delft en een lezing van eerder onderzoek (bijv. Lotte v.d. Pol en Els Kloek) naar Amsterdam, Leiden, Haarlem, Gouda en Dordrecht. Hierdoor wordt het vergelijkende onderzoek van Van der Heijden in een breed perspectief geplaatst. Dat is belangrijk omdat er vanuit mag worden gegaan dat de Hollandse steden autonoom waren en hun eigen wet- en regelgeving, alsook rechtspraak organiseerden. Door deze verschillende Hollandse steden met elkaar te vergelijken, is het mogelijk om meer algemene uitspraken te doen. Het boek bestaat uit acht hoofdstukken, waarin voornamelijk de verschillende misdaden waarvoor vrouwen veroordeeld werden, besproken worden: o.a. kindermoord, kleine diefstallen en seksuele ongeremdheid.

In dit eerste boek van de nieuw Brill-serie Crime & City in History stelt Manon van der Heijden de vraag hoe het in de vroegmoderne tijd gesteld was met het aandeel van vrouwen in de criminaliteit in Holland

Op het gebied van criminaliteit is het begrip juridische pluriformiteit jarenlang gebruikt, om aandacht te schenken aan de veelzijdigheid van regelgeving. Met de meer recente onderzoeken van o.a. Thomas Duve (MPIeR, Frankfürt a/Main) en Klaus Günther (Goethe Universiteit, Frankfürt a/Main) is het begrip multinormativiteit in zwang gekomen om nog meer de nadruk te leggen op alles dat ertoe bijdraagt om orde te handhaven: niet alleen de formele wetgeving, maar ook het informele sociale netwerk. Dit boek kan worden gezien als een brug tussen deze verschillende onderzoeksgebieden, omdat Van der Heijden niet alleen de formele rechtspraak onderzoekt, maar ook kijkt naar situaties die nooit tot in de rechtbank gevoerd werden: situaties waarin het sociale netwerk werd ingezet om te resocialiseren.

Het gepresenteerde onderzoek laat zien dat in de periode 1550-1800 het aandeel van vrouwen in de criminaliteit kon oplopen tot vijftig procent. Dit wordt mede verklaard door de hoge mate van verstedelijking en de moeilijkheden die het stedelijke leven met zich mee bracht. Veel vrouwen stonden er alleen voor, vanwege de afwezigheid van gezinsleven (ongehuwden) of juist omdat haar partner zich in dienst van een compagnie op zee bevond (zgn. onbestorven weduwen). Bovendien was er in het gewest Holland sprake van een vrouwenoverschot dat door voornoemde factoren extra werd versterkt. In deze studie wordt aangetoond dat vrouwen regelmatig betrokken waren bij rellen tegen de overheid, kleine diefstallen uit nood geboren en sociale onrusten. Situaties waarin vrouwen aanzienlijk vaker bestraft werden dan mannen waren zwangerschap na overspel of ongehuwd zwangerschap, hierbij rees voornamelijk de vraag wie in het levensonderhoud van het kind moest gaan voorzien. Kindermoord – vaak als gevolg van ongewenste, buitenechtelijke zwangerschap – vormde een misdaad die enkel vrouwelijke, ongehuwde daders kende. De vraag of het ombrengen van het jonge kind opzettelijk of uit paniek werd gedaan, speelde een belangrijke rol in de mate van bestraffing. Zo kreeg Lijsbeth Jooste van Noordeloos (Rotterdam, 1720) de doodstraf – verwurging – vanwege het opzettelijk dumpen van haar net geboren kindje in de rivier.

Dit boek kent een Nederlandse versie onder de titel Misdadige vrouwen. Deze vertaling is erop gericht het onderzoek naar stadsgeschiedenis en de rol van vrouwen in steden voor een groter en internationaal publiek toegankelijk te maken.

Het zijn dit soort sprekende voorbeelden die ervoor zorgen dat het boek aantrekkelijk is. Het is soepel geschreven en leest hierdoor prettig. Het is voor een groot publiek toegankelijk en het noemen van namen van onderzoeken en wetenschappers wordt alleen op die momenten gedaan dat het functioneel is. Dankzij het uitgebreide voetnotenapparaat kunnen geïnteresseerden verder lezen. Wat het boek niet heeft is een landkaart waarop de onderzochte steden staan gemarkeerd, iets wat voor het internationale publiek een welkome toevoeging zou vormen.

Dit boek kent een Nederlandse versie onder de titel Misdadige vrouwen. Deze vertaling is erop gericht het onderzoek naar stadsgeschiedenis en de rol van vrouwen in steden voor een groter en internationaal publiek toegankelijk te maken. Dit eerste deel van de serie Crime & City in History dient dan ook als een uitnodiging te worden gezien. Daar dit boek zich nu uitsluitend richt op het gewest Holland zou het zeer tot de aanbeveling strekken wanneer het geschetste beeld met andere gewesten zou worden vergeleken. Een internationale vergelijking – met de Habsburgse Nederlanden, de Duitse onderzoeken maar ook daarbuiten, zou tevens een waardevolle aanvulling vormen. Daarnaast dienen criminele mannen in de serie Crime & City in History niet uit het oog verloren te worden, juist omdat hun aandeel in de criminaliteit als vanzelfsprekend wordt gezien.

Verwijzing: Historisch Tijdschrift Holland, C.A. Romein, 4 september 2017.

Theo Pronk (samensteller), Moeder der Hollandse steden. Historiezucht in Dordrecht rond 1900 Vereniging Oud-Dordrecht, Dordrecht, 2017, 224 p., ill., ISBN 9789082518504 prijs €15,95

door Anne Petterson, Universiteit Leiden

Tot 1 oktober 2017 is in het Dordrechts Museum de tentoonstelling ‘Spiegel voor het heden’ te zien. De naam van de tentoonstelling verwijst naar een beroemde uitspraak van Simon van Gijn (1836-1922), verwoed verzamelaar en eerste voorzitter van de Vereniging Oud-Dordrecht, bij de opening van het Museum Oud-Dordrecht in 1894:

Vergeten wij niet dat het verleden is een spiegel voor het heden en wie zijn eigen tijd, het heden goed wil begrijpen, dient geen algehele vreemdeling te wezen in de toestanden van het verleden, waaruit die van het verleden, waaruit die van het heden haar oorsprong namen. (o.a. geciteerd op p.9)

Het museum, toen gevestigd op de zolders van de Groothoofdspoort, toonde een overzicht van het rijke Dordtse verleden. Precies 125 jaar na de oprichting van de Vereniging Oud-Dordrecht is in de zalen van huidige Dordrechts Museum (dat overigens zijn 175-jarig jubileum viert) een groot deel van de oorspronkelijke collectie weer te zien.

Het verenigingsjubileum is ook de aanleiding voor de uitgave van de bundel Moeder der Hollandse steden. Deze uitgave is samengesteld door Theo Pronk, onder redactie van Kees Sigmond, Jan de Heus, Jan van Tour en Kees van der Waal. Het boek bestaat uit tien bijdragen, geschreven door negen auteurs met uiteenlopende achtergronden. In de inleiding plaatst Pronk, als historicus verbonden aan het Dordrechts Museum en de Erasmus Universiteit Rotterdam, het ontstaan van de lokale historische vereniging in de context van de negentiende-eeuwse ‘historiezucht’. Rond 1900 leefde de belangstelling voor het vaderlandse verleden sterk op. De lokale context bleek daarbij een belangrijke voedingsbodem: stedelijke trots en een groeiend nationalisme gingen hand in hand. Dordrecht had daarbij een belangrijk voordeel: al sinds de zestiende eeuw presenteerde de stad zichzelf als ‘eerste stad’ van Holland en geboorteplaats van de Republiek.

Wat volgt zijn drie thematische delen: over Simon van Gijn en zijn verzameldrift (‘Van Oudheden’), over de Dordtse monumenten en monumentenzorg (‘Van Monumenten’), en over de uitbeelding van Dordrecht in de schilderkunst (‘Van Schilderijen’). Wyke Sybesma, conservator kunstnijverheid van het Dordrechts Museum, reconstrueert in haar bijdrage de verzameling van Van Gijn. De collectie bestond uit (voornamelijk) prenten en een aantal objecten rond thema’s uit de vaderlandse geschiedenis (Tachtigjarige Oorlog, Oranje) en vormde de basis voor het latere museum. Niels van Driel, gemeentearchivaris van Gooise Meren en Huizen, doet een geslaagde poging om de ‘cultureel nationalist’ Van Gijn als persoon in kaart te brengen, al blijkt dit door het schaarse bronnenmateriaal geen eenvoudige klus. De bijdrage van Marciano de Bruin, oud-stagiair bij de vereniging, beschrijft de ontstaansgeschiedenis van de vereniging; de collectie scheepsmodellen van het museum – symbool voor het rijke scheepvaartverleden van Dordrecht – wordt uitgelicht door Sjoerd de Meer, conservator cartografie bij het Maritiem Museum Rotterdam.

In het tweede deel van de bundel ligt de nadruk op de opkomst van de monumentenzorg eind negentiende eeuw. Paul Overvoorde beschrijft de niet aflatende inspanningen tot behoud van het Dordtse erfgoed door de jonge gemeentearchivaris J.C. Overvoorde (1865-1930), over wie later dit jaar een biografie van zijn hand zal verschijnen. De bijdrage van Christine Weijs, bouwhistoricus bij de gemeente Dordrecht, neemt de lezer mee naar het ‘stadje’ Oud-Dordt op de Nationale Tentoonstelling van Nijverheid en Kunst in 1897. De vele afbeeldingen bij dit artikel geven een goed beeld van de nostalgisch ogende, maar zeer zorgvuldig gereconstrueerde replica’s (in hout, doek, en papier-maché!). Deel 3 van de bundel is gewijd aan de beeldvorming rondom Dordrecht in de negentiende-eeuwse schilderkunst. Theo Pronk en kunsthistorica Saskia de Bodt (Universiteit Utrecht / Universiteit van Amsterdam) laten in twee afzonderlijke bijdragen zien hoe Dordrecht in binnen- en buitenland werd gezien als ‘Hollands’ icoon.

Hoewel (de geschiedenis van) de vereniging het uitgangspunt van de bundel is, leidt dit niet tot navelstaarderij. De Dordtse casus wordt in vrijwel alle bijdragen verbonden met vergelijkbare ontwikkelingen in andere Nederlandse steden. De slotbijdrage van Kees Sigmond laat bovendien zien dat de rol van historische verenigingen als Vereeniging Oud-Dordrecht ook in de eenentwintigste eeuw nog niet is uitgespeeld. De negentiende-eeuwse doelstellingen van de vereniging – bescherming van het stadsgezicht; verzamelen van historische gegevens over de stad; en het opwekken van belangstelling voor het lokale verleden bij een groter publiek – blijven actueel. De fraai uitgegeven publicatie Moeder der Hollandse steden draagt aan deze ambities een belangrijk steentje bij.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Anne Petterson, 4 september 2017.