Loek en Bas | De Hutspodcast (duur: 4 afleveringen, tussen de 30 en 45 minuten)

Gesignaleerd door Koen Marijt

Het is maar eens per jaar… dus neem er nog een paar!

Altijd al meer te weten willen komen over de mooiste stad van Nederland en daarvoor ‘alleen maar’ naar een podcast luisteren? Het is mogelijk met de vierdelige Hutspodcast over Leiden, haar inwoners en belevenissen. De woordspeling behoeft voor de echte Leidenaar weinig uitleg, maar zal voor de gemiddelde Amsterdammer misschien nog wel moeten worden uitgelegd. Elk jaar op 3 oktober viert Leiden het Ontzet van de Spaanse Belegering van 1574. Na het wegtrekken van de Spanjaarden vond (zo wil de legende) een klein Leids jongetje in het Spaanse legerkamp een pruttelende ketel met daarin hutspot avant la lettre. Een maaltijd die nog ieder jaar traditioneel op 3 oktober gegeten wordt.

In aflevering 1 wordt naast het ontstaan van de Drie Oktoberfeesten ook het gebruik van ecoglazen tijdens de feesten besproken. Het vele plastic dat na 3 oktober overbleef in de Leidse straten en grachten was enkele Leidenaars een doorn in het oog. Auke-Florian Hiemstra, ook bekend door zijn deelname aan de Slimste Mens én prachtige haardos, zorgde als een van de initiatiefnemers ervoor dat de wegwerpplasticbierbekers in 2019 werden vervangen door duurzame ecoglazen. Een unicum in Nederland. Wie weet volgen andere steden dit mooie voorbeeld.

In een totaal van vier afleveringen worden in de Hutspodcast uiteenlopende onderwerpen binnen de stad behandeld. Natuurlijk komt de geschiedenis naar voren, maar ook de coronapandemie wordt niet ongemoeid gelaten. In de laatste aflevering wordt de stilstand van het Leidsche leven besproken. Onder andere het rijke cultuur- en horecaleven kwam plotsklap plat te liggen. De pandemie had in 2020 ook grote consequenties voor de Drie Oktoberfeesten. De grote feesten en bijeenkomsten gingen niet door, maar in plaats daarvan zorgden diverse instanties ervoor dat 3 oktober digitaal wel een beetje doorgang kon vinden. Bij lange na niet zo’n beleving als bij de live feesten, maar zo kon deze belangrijke gebeurtenis voor Leiden toch gevierd worden. Want zoals de Leidse muziekformatie Rubberen Robbie het in de jaren ’70 en ’80 al vertolkte: ‘Het is maar eens per jaar… dus neem er nog een paar!’

De Hutspodcast is hier te beluisteren: De Hutspodcast | Podcast on Spotify

Memorabilia van de Tachtigjarige Oorlog

Henk van Nierop – emeritus hoogleraar Nieuwe Geschiedenis

De bronzen ketel die in het Leidse Museum De Lakenhal bewaard wordt, is niet zomaar een kookpot. Het is dé ketel gevuld met hutspot die na het opbreken van het Spaanse beleg in de Lammenschans werd aangetroffen. Daarmee was dit eenvoudige stuk keukengerei een symbool geworden van het beleg, het ontzet, de hongersnood en het dappere verzet van de Leidenaren. Voorzien van een gedicht gegraveerd in zijn bronzen buik werd de ketel eeuwenlang in enkele Leidse regentenfamilies bewaard, voor het in de 19de eeuw in de 3-oktobercollectie van het museum belandde.

Marianne Eekhout, conservator geschiedenis in het Dordrechts Museum, gebruikt het begrip ‘memorabilia’ voor materiële voorwerpen die aan iets gedenkwaardigs in het verleden herinneren. Die voorwerpen spelen niet alleen een passieve rol door de beschouwer aan bepaalde gebeurtenissen te herinneren, maar zetten hem of haar ook actief aan tot een bepaalde emotie of gedachte. De Leidse hutspotketel noodt niet tot overpeinzingen over keukengerei, maar herinnert aan hongersnood, strijd en de met hulp van de goddelijke voorzienigheid behaalde overwinning. Hij is de drager van verhalen, een medium dat de herinnering aan de oorlog levend houdt.

Dit boek is een bewerking en uitbreiding van het proefschrift dat de auteur schreef in het kader van het door prof. Judith Pollmann geleide onderzoeksproject Tales of the Revolt over de ‘herinneringscultuur’ van de Opstand en de Tachtigjarige Oorlog. Eekhout laat zien hoe vanaf het begin van het conflict voorwerpen werden gered, bewaard, gekoesterd en tentoongesteld teneinde bepaalde herinneringen levend te houden. Dat kon een (al dan niet beschadigd) heiligenbeeld zijn, of een kanonskogel die een stadsbewoner die zich in zijn baan bevond op schijnbaar miraculeuze wijze gemist had.

Later in het conflict ging men er toe over speciale memorabilia te (laten) vervaardigen, die de herinnering aan een bepaalde gebeurtenis levendig moesten houden. Deze voorwerpen konden vele vormen aannemen: gevelstenen, gedenkpenningen, draagtekens, schilderijen, prenten, beelden, zilveren en gouden drinkschalen, aardewerk. Ook gedichten, toneelstukken en historiewerken werden geschreven om de herinnering aan de oorlog te onderhouden, maar deze vallen niet onder de materiële cultuur die in dit boek behandeld wordt.

Uiteraard onderzoekt de schrijver niet uitputtend alle memorabilia van de Tachtigjarige Oorlog die nog bestaan of ooit bestaan hebben. Eerst passeren voorwerpen de revue die tijdens oorlogshandelingen ontstonden en door particulieren als aandenken werden bewaard. Vervolgens neemt Eekhout de memorabilia onder de loep die in opdracht werden vervaardigd, achtereenvolgens door particulieren, stadsbesturen en de Staten-Generaal en de stadhouder (het gewestelijke niveau ontbreekt). Ten slotte is een hoofdstuk gewijd aan de materiële herinneringscultuur in de eeuw na de Vrede van Munster.

Eekhout schetst een helder en overtuigend beeld van de rol die voorwerpen in de herinneringscultuur konden spelen. Dergelijke ‘souvenirs’ zijn nooit neutraal. Ze zijn altijd verbonden met een bepaalde interpretatie van de gebeurtenissen waarin ze zijn ontstaan. Een heiligenbeeld verwees voor een aanhanger van de kerkhervorming op de onmacht en volstrekte nutteloosheid van afgodsbeelden. Voor een gelovige katholiek die zo’n beeld van de vernielzucht van de beeldenstormers had weten te redden, duidde het op miraculeuze goddelijke interventie. Het afgehouwen hoofd van Balthazar Gerards werd in Keulen als een belangrijk relikwie vereerd. Betekenis is niet inherent aan het object, maar wordt er door gebruikers, eigenaars en waarnemers aan toegeschreven.

Memorabilia zijn volgens het Woordenboek der Nederlandse taal (WNT) ‘gedenkwaardigheden’ of de schriftelijke neerslag daarvan. Het WNT kent ‘gedenkwaardigheid’ alleen als afleiding van gedenkwaardig: ‘waardig om gedacht te worden of in duurzame herinnering te blijven’. Strikt genomen zijn memorabilia dus niet de voorwerpen die aan een gebeurtenis herinneren, maar de heugenswaardige gebeurtenissen zelf. Opmerkelijk is dat memorabilia alleen in meervoudsvorm bestaat: een ‘memorabilium’ bestaat niet. De ondertitel van dit boek is daarom preciezer: de rol van voorwerpen in de oorlogsherinnering. Strikt genomen zijn de voorwerpen die Eekhout onderzoekt aandenkens of souvenirs.

Memorabilia van de Tachtigjarige Oorlog is een helder verslag van een gedegen onderzoek naar de rol van voorwerpen in de herinneringscultuur, dat zich trouwens niet beperkt tot de grenzen van het oude gewest Holland. Behalve aan de overige Nederlandse gewesten, besteedt het onderzoek terecht aandacht aan Vlaanderen en Brabant, waar vergelijkbare belegeringen en veldslagen aanleiding gaven tot een herinneringscultuur die diametraal tegenovergesteld was aan die van het noorden. Het boek is ruim geïllustreerd, maar de afbeeldingen zijn soms zo klein dat ze slecht te lezen zijn. Dat is een onvermijdelijk bezwaar van alle boeken die niet het formaat van een tentoonstellingscatalogus hebben.

Marianne Eekhout, Memorabilia van de Tachtigjarige Oorlog. De rol van voorwerpen in de oorlogsherinnering, 1566-1750, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2020, 126 pp., ISBN: 9789087048372. Prijs: € 15,-.

Jonge Historici | Serie GeschiedenIS Podcast (duur: 4 afleveringen, tussen de 15 en 20 minuten)

Gesignaleerd door Adriaan Duiveman

Je hebt een voldoende voor je masterscriptie en je diploma hoeft alleen nog maar geprint te worden. Marit Berends verwoordt het gevoel van dat moment: ‘De wereld ligt aan je voeten. Op naar je droombaan. Of toch niet?’ De Jonge Historicus van het Jaar 2019 bedacht de podcast GeschiedenIS over jonge historici op de arbeidsmarkt. In vier interviews komen historici aan het woord die op verschillende werkplekken terecht zijn gekomen, van politieke lobby tot archief, van gemeentehuis tot evenementenorganisatie. Hoewel hun routes verschillen, is er een aantal gedeelde ervaringen. Eén daarvan: het is taai voor de historicus op de arbeidsmarkt.

De interviews, gevoerd door journaliste Martine van der Veer, zijn interessant en de montage is strak. Tussen de interviewfragmenten door verbindt Van der Veer de individuele ervaringen aan een algemeen verhaal door enquêtes en statistieken aan te halen. Die cijfers stemmen niet vrolijk. Zo staat geschiedenis in het lijstje met studies met de laagste baankans op de vierde plaats.

De verhalen van de geïnterviewden illustreren de moeizame situatie. Fondsenwerver Rens werd keer op keer afgewezen voor banen, en beleidsmedewerker Fleur en public affairs-adviseur Ewout waren ook maanden bezig met solliciteren. Toch zijn ze allemaal erg gelukkig in hun huidige functie, hoeveel moeite het ook kostte om die te bemachtigen. De geïnterviewden adviseren huidige studenten om een bestuursjaar in te plannen, commissies te doen en stage te lopen. Met alleen je studie kom je er niet.

De adviezen in de podcast zijn niet ongehoord of uniek. Maar clichés zijn soms clichés omdat ze gewoon waar zijn. Wat wel verfrissend is aan de podcast, is de eerlijkheid. Dit is geen blijmoedig promotiepraatje van je opleiding. De fuck ups, zoals Rens het verwoordt, komen ook aan bod. Bij vlagen is GeschiedenIS dan ook een deprimerende luisterervaring.

Verschillende geïnterviewden komen met dezelfde tip: pin je vooral niet vast op één droomcarrière. De vier historici zijn half gepland en half toevallig in hun huidige banen gerold. Een loopbaan is, zo blijkt, niet van te voren uit te stippelen. Maar als je openstaat voor verschillende kansen, dan ligt de wereld toch nog een beetje aan je voeten. Er is hoop.

De podcastserie van Jonge Historici is hier te beluisteren: GeschiedenIS Archives – Jonge Historici (jhsg.nl)

Dordrecht, Hollands oudste stad

Peter A. Henderikx, emeritus-hoogleraar Nederzettingsgeschiedenis van de Nederlanden in de middeleeuwen, Universiteit van Amsterdam

In 1220, dit jaar precies 800 jaar geleden, vaardigde graaf Willem I van Holland de oudste van de twee bewaard gebleven stadsrechtoorkonden van Dordrecht uit. Voor Henk ’t Jong vormde dat de aanleiding om een boek te schrijven over het ontstaan en de vroegste geschiedenis van zijn stad. Daartoe voelde hij zich extra gestimuleerd door de discussie van zeven jaar geleden, toen Geertruidenberg, dat oorspronkelijk tot Holland behoorde, het jubileum van haar stadsrecht uit 1213 vierde en bij die gelegenheid heftig fulmineerde tegen de Dordtse gewoonte om Dordrecht te afficheren als de oudste stad van het graafschap Holland. Aan die kwestie besteedt ‘t Jong in zijn boek diepgaand aandacht en hetzelfde geldt voor de geschiedenis van de ruimtelijke ontwikkeling van de stad. Ook de relatie tussen de stad en de graaf van Holland en de ontwikkeling van de stedelijke economie komen aan de orde, maar bij die onderwerpen baseert de auteur zich grotendeels op bestaande literatuur.

Waar het gaat om de vraag wanneer Dordrecht een stad werd, maakt ’t Jong duidelijk dat niet alleen de datum van de oudst bekende stadsrechtverlening, maar ook de aanwezigheid aldaar rond 1200 van een koopliedengilde en laken(detail)handel iets zegt over de ouderdom van het stedelijk karakter van de stad. Bovendien geven de stadsrechtoorkonden van 1220 en 1252 zelf aanleiding om het begin van de stad in juridische en bestuurlijke zin ruim voor 1220 te plaatsen. Henk ’t Jong riep hiervoor de hulp in van de mediëvist Eef Dijkhof (Huygens ING). Deze schreef voor het boek een uitgebreide kadertekst, waarin hij, vooruitlopend op een toekomstige publicatie van zijn hand, aannemelijk maakt dat de stadskeur van 1220 zo goed als zeker teruggaat op een stadskeur van circa 1204, die op haar beurt voor een deel teruggaat op stedelijk recht dat al in het laatste kwart van de 12de eeuw in de stad van kracht was.

Bij de behandeling van de ruimtelijke ontwikkeling van de stad baseert ’t Jong zich op de resultaten van het archeologisch onderzoek dat in Dordrecht vanaf 1968 op grote schaal is uitgevoerd. Alle rapporten dienaangaande zijn door de auteur bestudeerd, zodat het boek een mooi overzicht geeft van de groei van de stad, vanaf het ontstaan van bewoning aan weerszijden van het oorspronkelijke veenwater de Voorstraatshaven – de ruggengraat van de stad – tot en met de aanleg en de bebouwing van zijstraten en van zijstraten van zijstraten. Ook de aard van de bebouwing krijgt aandacht, zoals de geleidelijke verstening van de oorspronkelijk houten huizen, evenals de sociale verschillen, weerspiegeld in het onderscheid tussen de grote huizen van de aanzienlijke burgers langs de Voorstraatshaven en de bescheidener woningen langs de zijstraten. Dankzij nuttige detailkaartjes en een  heldere overzichtskaart van de stad waarop alle straatnamen staan aangegeven, is de tekst op het punt van de ruimtelijke ontwikkeling goed te volgen, ook voor lezers die niet in Dordrecht bekend zijn.  

Waar het de behandeling van de ruimtelijke ontwikkeling betreft, heb ik twee punten van kritiek. Ten eerste zet ik een groot vraagteken bij de aanname van de auteur dat Dordrecht aanvankelijk ‘een van de vele gemeenschappen (was) die als lintbebouwing op de oevers van de rivieren in het nieuw ontgonnen veengebied werden gesticht’. Mijns inziens gaat dat niet op. Typerend voor de ontginningsnederzettingen was de opstrekkende verkaveling die zich verder, soms veel verder dan een kilometer landinwaarts uitstrekte. Aldus voor de Sint-Elisabethsvloed van 1421 direct ten oosten van Dordrecht het ambacht Merwede, dat zo goed als zeker opstrekkend was verkaveld vanaf de rivier de Merwede zuidwaarts, met ten zuiden daarvan Erkentrudenkerke/Tolloysen, ontgonnen vanaf de Dubbel in noordelijke richting. Daarentegen strekte het stadsgebied van Dordrecht zich vanaf de Voorstraatshaven slechts hooguit 400 meter zuidoostwaarts uit, namelijk tot aan de westgrens van de ambachten Merwede en Tolloysen. Dat het hier al een oude situatie betrof, blijkt uit het feit dat de parochie van de kerk van Dordrecht, die al eind 11de eeuw bestond, nooit meer dan alleen het stadsgebied heeft omvat. Het maakt aannemelijk dat Dordrecht van meet af aan een ander karakter had dan de aangrenzende ontginningsambachten, ook al was er in het oude Dordrecht wel een agrarische component aanwezig.

Een tweede kanttekening betreft de stadsversterking. ’t Jong vraagt zich af of de brede sloot die in de middeleeuwen aanwezig was ter hoogte van het tracé Hil-Lenghenstraat-Museumstraat-Schoolstraat-Veststraat kan zijn gegraven als stadsgracht toen in 1271 en 1284 graaf Floris V toestemming had gegeven de stad te versterken. De auteur is daar terecht niet helemaal zeker van, maar vreemd is dan wel dat hij als alternatief niet de meest voor de hand liggende mogelijkheid noemt, namelijk dat in genoemde jaren de middeleeuwse stadsgracht is gegraven die op de 16de-eeuwse kaart van Jacob van Deventer staat en ook nu nog aanwezig is. Waarom die gracht niet uit het laatste kwart van de 13de eeuw zou kunnen dateren maar, zoals ’t Jong oppert, mogelijk pas is gegraven na de Sint-Elisabethsvloed van 1421, is mij volstrekt onduidelijk.

Afgezien van deze kanttekeningen, is ’t Jong er naar mijn mening goed in geslaagd om, hetgeen zijn bedoeling was, de vroegste geschiedenis van Dordrecht op een verantwoorde en leesbare manier toegankelijk te maken voor een brede groep geïnteresseerde lezers.

Henk ’t Jong, De oudste stad van Holland. Opkomst en verval van Dordrecht  1000-1421. Uitgeverij Omniboek, Utrecht, 2020, 240 p., ISBN: 9789401916882, ISBK e-book: 9789401916899. Prijs: € 20,-

Zeevarenden achter de tralies

Romy Beck, redacteur Holland. Historisch Tijdschrift

Hij liet de witte vlag hijsen, het internationaal gehanteerde signaal voor overgave. Vanuit twee of drie Engelse schepen zijn daarop sloepen naar de Sint Laurens uitgezet. Tuynemans en zijn officieren gaven zich formeel over aan de commandant van de Engelse ‘skeleton crew’ die nu bezit nam van zijn schip. Tuynemans leverde zijn scheepspapieren in en gaf zich over aan de genade en de zorg van de overwinnaar. Zijn bemanningsleden werden ontwapend en geboeid, en vervolgens door bewakers benedendeks gebracht om daar te worden vastgeketend.

Dit citaat van pagina 20 uit Zeevarenden achter de tralies vertelt het verhaal van Bastiaan Tuynemans en zijn officieren en bemanningsleden. Zij behoorden tot de grote groep zeevarenden die tijdens de Engels-Nederlandse Oorlogen gevangen werden genomen door de Engelsen. Wat gebeurde er eigenlijk met deze krijgsgevangenen? Hoe zag hun leven in gevangenschap er precies uit? En maakten ze kans om vrijgelaten of vrijgekocht te worden?

Deze en andere vragen komen aan de orde in een monografie van de hand van Gijs Rommelse, verschenen in de Zeven Provinciën Reeks. In deze studie richt hij zich op de onbekende of veelal zelfs vergeten personen van de Engelse zeeoorlogen (1652-1674). Een interessante periode uit de maritieme geschiedenis, want nooit eerder waren twee landen met enorme vloten langdurig met elkaar in conflict geweest en werd ook de oorlogsvoering op zee steeds meer het domein van overheden.

Dat laatste gold ook voor krijgsgevangenen. Zij vielen vanaf halverwege de 17de eeuw onder verantwoordelijkheid van de staat. Volgens de morele conventies van ‘ius in bello’ werden onderdanen van tegenstanders niet gedood of mishandeld. Dit waren meteen ook alle bestaande richtlijnen, want over de verdere omgang bestonden geen afspraken. Waar de spaarzame literatuur over krijgsgevangenschap in de vroegmoderne tijd voornamelijk gaat over deze politieke en juridische dimensies, poogt Rommelse meer licht te werpen op de sociale dimensie van oorlogsvoering. Hij bespreekt de levens van de vele (anonieme) zeelieden die voor maanden of zelfs jaren in uiterst moeilijke situaties verkeerden. Rommelse schreef al eerder over ‘Engelse krijgsgevangenen in de Republiek in de zeventiende eeuw’, maar binnen dit nieuwe werk presenteert hij een vergelijking tussen de situaties in Engeland en de Nederlanden.

Het boek volgt gedeeltelijk de chronologie van de Eerste (1652-1654), Tweede (1665-1667) en Derde Engelse-Nederlandse Oorlog (1672-1674), maar kent door de gekozen nadruk op de levens van krijgsgevangenen toch vooral een thematische aanpak. Het eerste hoofdstuk opent met De juridische, politieke en militaire kaders van de grote zeeoorlogen. Aan de hand van een kort historiografisch overzicht toont Rommelse hoe de toenemende overheidsbemoeienis in de 17de eeuw ervoor zorgde dat krijgsgevangenen binnen de verantwoordelijkheid van de staat vielen, en zij hiermee een andere status verwierven dan voorheen. Daarbij omschrijft hij het verloop van de oorlogen, aangevuld met anekdotes en voorbeelden uit deze periode. De combinatie van het chronologische overzicht en de thematische elementen maakt dit eerste deel van het boek interessant. Zo maak je op pagina 20 kennis met de bovengenoemde Tuynemans en zijn bemanning, en bespreekt Rommelse de overmeestering van het schip Sint Laurens. Het enige dat jammer is, is dat je als lezer de benodigde context van bijvoorbeeld de Engelse staat en de Nederlandse gevangenen pas in de opvolgende hoofdstukken krijgt. 

In het tweede en derde hoofdstuk De staat en de krijgsgevangenen en Gevangenen, familieleden en ambassadeurs vergelijkt Rommelse, op basis van prenten, pamfletten, administratieve en diplomatieke bronnen, de omgang met krijgsgevangenschap in Engeland en de Nederlandse Republiek. Hij concludeert dat door verschillende oorzaken – voornamelijk de hoeveelheden gevangenen en de bijbehorende financiële middelen die nodig waren om hen een bestaansminimum te garanderen – de Nederlandse staat beter slaagde in de zorg voor de Engelse gevangenen dan andersom.

Deze resultaten zijn een mooie aanvulling op de reeds bestaande kennis over krijgsgevangenschap in de vroegmoderne tijd, maar tonen ook de nodige nieuwe perspectieven. Ondanks het ontbreken van egodocumenten en hiermee de ‘stemmen van gevangenen’, weet Rommelse inzicht te geven in het dagelijks bestaan en de overlevingsstrategieën van zeelieden in gevangenschap. Met kleine snippers informatie laat hij zien hoe krijgsgevangen hun lot moesten afwachten in cellencomplexen, poogden te ontsnappen, deel uitmaakten van uitwisselingen, in dienst traden van de vijand, te werk werden gesteld of stierven in gevangenschap. De vele kleurenafbeeldingen, schilderijen, prenten, pamfletten, archiefstukken en foto’s van archeologische opgravingen, bieden visuele ondersteuning bij het lezen en benadrukken bovendien zijn veelzijdige gebruik van bronnen.   

Gijs Rommelse, Zeevarenden achter de tralies. De krijgsgevangenen van de grote zeeoorlogen, 1652-1674, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2020, 104 pp, ISBN: 9789087048365. Prijs: €15,-   

De wortels van de Europese democratie

Joost Snaterse, Radboud Universiteit

Waar ligt de oorsprong van de burgerlijke politieke participatie in Europa? En hoe kijkt een mediëvist aan tegen de hedendaagse ‘crisis van de democratie’? De opkomst van populisten, de Brexit, en de terugkeer van antidemocratische partijen in de Europese Unie (EU) knagen aan het vertrouwen in de Europese democratie en haar instituties. Dit soort actuele én historische vragen komen ruimschoots aan bod in het nieuwste boek van Wim Blockmans, tot 2010 hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Leiden. Het onderwerp – politieke participatie van burgers in middeleeuws en vroegmodern Europa – is aansprekend en biedt veel stof tot nadenken over de ontwikkelingen van acht eeuwen politieke representatie. Met zijn omvangrijke studie beoogt de auteur geen uitputtend overzichtswerk te presenteren, maar sleutelontwikkelingen te duiden die continuïteiten en verschillen blootleggen in de geschiedenis van Europese politieke participatie. Voor mediëvisten en vroegmodernisten – van Holland, maar ook daarbuiten – biedt het werk genoeg inspiratie voor verder onderzoek, bijvoorbeeld naar de dagelijkse praktijk van politieke participatie. In tegenstelling tot het vorig jaar – eveneens bij Prometheus – verschenen Stadsburgers. Stedelijk burgerschap voor de Franse Revolutie van Maarten Prak, kijkt Blockmans niet naar politieke participatie in steden, maar vooral naar vormen van medezeggenschap op regionaal of nationaal (territoriaal) niveau.

Comparatieve geschiedschrijving

Medezeggenschap is synthetiserend van aard en de auteur baseert zich op een indrukwekkende hoeveelheid specialistische studies. Blockmans navigeert moeiteloos tussen voorbeelden uit alle delen van Europa. Hierbij verliest hij echter nooit zijn centrale doel uit het oog: het bieden van een vergelijkend overzicht van het ontstaan, het voortbestaan, het verdwijnen, of het ontbreken van politieke participatie van de 12de tot de 18de eeuw. Dit is geenszins een rechtlijnige geschiedenis. Door geografische, religieuze, of economische verschillen konden zich nieuwe vormen van politieke participatie ontwikkelen, maar net zo goed op een later moment worden tegengehouden, zo laat de auteur zien. Hoewel de uiteenlopende landen of taalgebieden vaak eigen termen gebruiken, vallen de representatieve instellingen die Blockmans onderzoekt uiteen in drie categorieën, verwijzend naar het hof, het overleg (‘parlement’), of een bepaalde stand. In alle gevallen gold dat participatie verworven moest worden op de gevestigde macht. En alleen in die gemeenschappen waar verschillende groepen tegenstrijdige belangen nastreefden, maar tegelijkertijd elkaar én de vorst in evenwicht hielden, wisten burgers en vrije boeren institutionele macht te verwerven.

Medezeggenschap in Holland

Blockmans biedt de lezer dus een breed panorama aan inzichten over politieke participatie uit heel Europa. Welke positie nam Holland in dit Europese landschap in? De Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden behoren tot de hoofdrolspelers in het boek, waardoor het lastig is om hier ten volle recht te doen aan de manier waarop Holland zich tot het grotere verband verhield. Het is echter tekenend dat Blockmans de 17de- en 18de-eeuwse Republiek – samen met het Verenigd Koninkrijk – in het achtste hoofdstuk tot de ‘kampioenen’ van de politieke medezeggenschap bestempeld. In veel andere delen van Europa werden vergaderingen van politieke vertegenwoordigers, die in de eeuwen daarvoor ontstaan waren, door gecentraliseerde bureaucratieën en achterblijvende urbanisatie op afstand gehouden of zelfs afgeschaft. Het moge duidelijk zijn dat Holland een koppositie innam in de Verenigde Provinciën, waar bijna 60 procent van de stadsbewoners woonden en een meerderheid van de belastingen werd geïnd.

Ondanks het overwicht van Holland – als economisch handelscentrum en demografisch middelpunt – kon het bestaan zonder de andere zes gewesten. In tegenstelling tot de laatmiddeleeuwse Italiaanse stadstaten, was het niet in het belang van Amsterdam als grootmacht binnen Holland, of van Holland binnen de Republiek, om (met kracht) de andere stemgerechtigde gebieden te onderwerpen. Het egalitarisme en het respect voor privileges was, volgens Blockmans, in ieders belang en de basis van de kracht van de Republiek. Hoewel deze onderlinge verbondenheid en geografische nabijheid in eerste instantie positief uitwerkte, bleven de Verenigde Provinciën in de loop van de 18de eeuw achter bij de grotere, gecentraliseerde staten van Europa.

Politieke participatie vandaag?

In de twee laatste hoofdstukken maakt Blockmans een expliciete sprong naar het heden, omdat het thema politieke participatie ‘de kern raakt van de huidige samenlevingen in de hele wereld’. Hoewel een dergelijke uitspraak waarschijnlijk voor meer onderwerpen geldt, onderstreept het eens te meer het belang dat de auteur hecht aan historisch onderzoek voor hedendaagse politieke of beleidsmatige discussies. Ik vraag me echter af of het boek een zo duidelijke koppeling met het heden nodig heeft. Is de huidige ‘crisis van de democratie’ wel zo somber als Blockmans schetst? De eerste acht hoofdstukken bieden op zichzelf een overtuigend overzicht van de voorgeschiedenis van de moderne westerse democratie. Voor lezers die het huidige debat over de democratie volgen, kan de historische studie juist de nodige relativering brengen voor het huidige maatschappelijke debat. Discussies over – en problemen met – politieke participatie hebben altijd bestaan, zo valt te leren van Blockmans.

Wim Blockmans, Medezeggenschap. Politieke participatie in Europa vóór 1800, Amsterdam: Prometheus, 2020, 473 pp, ISBN: 9044635212. Prijs: € 44,99

Een verzetsman in hart en nieren

Koen Marijt, redacteur van Holland. Historisch Tijdschrift

De spin in het web, de alleskunner of de duizendpoot. Slechts enkele omschrijvingen waarmee Cees de Jong beschreven kan worden. Hij was de spil waar de illegaliteit om draaide. Het verhaal van De Jong wordt beschreven door auteurs Charles Coster van Voorhout en Hans Hoffmann. De oud-journalisten deden jarenlang uitgebreid onderzoek naar de geschiedenis van het verzet in Bloemendaal en omgeving. Dit resulteerde in een omvangrijke publicatie over deze verzetsman in hart en nieren.

In 29 korte hoofdstukken beschrijven de auteurs diverse verzetsactiviteiten vanaf de Meidagen in 1940 tot aan de Bevrijding. Elk hoofdstuk heeft zijn eigen onderwerp en de verhalen zijn kort. Hierdoor leest het boek prima weg. In elk hoofdstuk komt Cees de Jong op de een of de andere manier aan bod. Soms treedt hij als verzetsman op de voorgrond op, soms blijft hij op de achtergrond. Desalniettemin blijkt dat De Jong de kern uitmaakte van het verzet. De auteurs zijn geen historici pur sang . Zo ontbreekt een uitgebreid notenapparaat. Dat is erg jammer, omdat sommige beweringen door de nieuwsgierige lezer niet gecontroleerd kunnen worden. Een voorbeeld is de verklaring waarmee men moest laten zien geen Jood te zijn: ‘Dit stuk papier, in de volksmond al snel bekend als de ‘ariërverklaring’, leidde overal tot hevige discussie. ’Klopt dat wel? Als het in heel Nederland tot grote discussie had geleid, waarom werden de verklaringen dan en masse getekend? Het zijn vragen die tijdens het lezen opkomen en waarbij je als lezer graag zou willen weten welke bronnen gebruikt zijn. Achterin is wel een lijst met bronnen opgenomen, maar dit biedt niet voldoende houvast om diverse beweringen daadwerkelijk te controleren.

Daarnaast schrijven de auteurs af en toe wat subjectief. In hoofdstuk 14 wordt, bijvoorbeeld, de uittocht van Duitsers en NSB’ers op Dolle Dinsdag als volgt beschreven: ‘Voor de Duitsers in Bloemendaal was het nieuws uit Londen aanleiding om verscheidene gebouwen te ontruimen en met een grote colonne tanks en legervoertuigen de wijk te nemen. De volgende dag, dinsdag 5 september, verlieten de ratten het zinkende schip.’ Als journalist kom je hier wellicht mee weg, maar een historicus zou meer afstand moeten bewaren.

Wat wel te waarderen is in dit op het eerste oog stukje regionale geschiedenis, is dat de focus niet alleen op Bloemendaal ligt. Er worden ook verzetsactiviteiten buiten de gemeentegrenzen, onder meer in Haarlem en Amsterdam, beschreven. Zo wordt de moordaanslag op Fake Krist uitgebreid beschreven. Krist was een Nederlandse politieagent, werkte intensief samen met de Duitse bezetter en spoorde Joden, onderduikers en verzetslieden op. Op 25 oktober 1944 werd hij door verzetslieden uit Haarlemmermeer doodgeschoten. Door deze stap buiten de gemeentegrenzen is het boek niet alleen voor de inwoners uit Bloemendaal, maar voor alle Noord-Hollanders een interessante publicatie.

De vormgeving van het boek is redelijk op orde. De cover, met daarop de Hollandse driekleur, valt goed op. Illustraties bij de tekst ondersteunen het verhaal, maar het is jammer dat alle foto’s in het boek zwart-wit zijn. Natuurlijk zijn er niet veel kleurenfoto’s uit de bezettingstijd, maar ook hedendaagse foto’s, zoals van het Kennemer Lyceum dat in 1944 op de nominatie stond om gesloopt te worden, zijn zwart-wit. Hierdoor is het her en der wat eentonig. De vormgevers hebben dit gebrek vermoedelijk op willen lossen door de kaderteksten van kleur te voorzien. Dit is goed gelukt. Daarnaast zijn er diverse quotes opgenomen op de pagina’s waar afbeeldingen ontbreken. Voorzien van een groene achtergrond voegen deze ietwat saaie quotes niet veel toe aan het verhaal. Het boek werd dit jaar in het kader van 75 jaar bevrijding uitgegeven. Helaas heeft een van de auteurs dat niet meer mee kunnen maken. Charles Coster overleed in 2016. De publicatie heeft geen winstoogmerk en wordt tegen kostprijs aangeboden. Dit maakt de aanschaf voor een ieder die interesse heeft in de Tweede Wereldoorlog en het Nederlandse verzet aantrekkelijk. En voor wie geen zin heeft om te lezen zal er ook een luisterboek verschijnen, ingesproken door niemand minder dan de bekende Nederlandse acteur en neef van Cees de Jong, Gijs Scholten van Aschat. Hij zal vast ontzettend trots zijn op zijn oom Cees, de verzetsman waar we eigenlijk niet meer om heen kunnen.

Charles Coster van Voorhout (†) en Hans Hoffmann, Verzet in Bloemendaal. Cees de Jong en zijn vrienden in de oorlog, Uitgever: Jan C. de Jong, 2020, 286 pp, ISBN: 9789090328300. Prijs: € 5,37

Gouds papieren monument

Bart Wallet, Assistant Professor in Politieke en Religieuze Geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam

Eerst werden joden slechts als Nederlanders herinnerd, toen als gemeenschap en tegenwoordig als individuen. Zo laat zich in het kort de ontwikkeling van de herinneringscultuur rond de tijdens de Tweede Wereldoorlog vermoordde joden schetsen. Het is onmiskenbaar dat vanaf omstreeks de eeuwwisseling de aandacht niet meer zozeer naar joden als groep met gedeelde ervaringen uitgaat, maar naar de heel persoonlijke lotgevallen van elk van hen sinds 1940. Dat uit zich duidelijk in de dynamiek van de monumenten: gedenkplaatsen voor de joodse gemeenschap als geheel waren dominant in de periode 1970-2000, thans zijn het vooral Stolpersteine die geplaatst worden. Dit van oorsprong Duitse initiatief van Europese proporties, beoogt om omgekomen joden te herdenken door middel van een struikelsteen in het trottoir voor het laatste in vrijheid gekozen woonadres.

Goudse struikelstenen

Ook in het Zuid-Hollandse Gouda liggen inmiddels niet minder dan 258 struikelstenen. Drijvende kracht achter de lokale organisatie is de jazz-zangeres Soesja Citroen, die hiervoor recent het ereburgerschap van haar woonplaats verkreeg. Zij besloot om de struikelstenen, waarop slechts naam, geboortejaar, deportatie en plaats en datum van moord vermeld staan, toe te lichten in een boek van eigen hand. Per adres wordt het verhaal verteld van de bewoners, hun familiare en professionele achtergrond en hun lotgevallen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De overlevende familieleden worden daarbij ook vermeld. De informatie wordt aangeboden op staatsnaam, alfabetisch geordend. Wat verwarrend is dat de bijgeleverde genummerde plattegrond met 64 locaties een andere volgorde hanteert – vermoedelijk in volgorde van plaatsing van de struikelstenen.

Het boek is een hybride publicatie. Het biedt enkele bladzijden per locatie, die afhankelijk van het beschikbare materiaal zoveel mogelijk vertellen over de vermoordde Goudse joden. Ook drie gedichten van de hand van lokale dichters die bij de onthullingsplechtigheden worden voorgedragen, zijn toegevoegd. Daarnaast wordt in een ander deel van het boek allerlei meer algemene informatie gegeven over de oorlog, joodse geschiedenis en het Stolpersteine-project. Tot slot bespreekt Citroen haar herinneringen aan Hans Citroen, haar Haags-joodse grootvader die Auschwitz overleefde. Deze drie onderdelen worden bijeengehouden door het persoonlijk engagement van de auteur. In al die stukken is zij zelf aanwezig als kleindochter, organisator en onderzoeker. Het is duidelijk dat zij haar hele ziel en zaligheid hierin heeft gelegd en met een respect afdwingende volharding het Goudse struikelstenenproject trekt.

Herinneringsdocument

Deze insteek maakt dat het boek in dubbele zin een herinneringsdocument is. Ten eerste omdat het voor de vermoordde Goudse joden op deze manier een papieren monument opricht; ten tweede omdat het boek als expressie van de Jewish memory van de auteur begrepen moet worden. In zijn invloedrijke boek Zakhor heeft de Amerikaanse historicus Yosef Hayim Yerushalmi onderscheid gemaakt tussen Jewish history en Jewish memory. Waar de eerste staat voor een moderne, wetenschappelijke historische benadering, die uitgaat van afstand tussen verleden en heden, wil Jewish memory juist heden en verleden op elkaar betrekken. De joodse traditie is, vanuit dit perspectief bezien, doortrokken van deze herinneringsmodus. Zo is ook Hier woonden een uitdrukking van de verwevenheid van heden en verleden, van de betekenis die de Sjoa heeft voor de identiteit van overlevenden en hun nazaten. Maar ook van de potentie daarvan voor een bredere stedelijke samenleving als de Goudse.

De herinneringsinsteek wordt overigens ook goed zichtbaar in de locatiebeschrijvingen. De informatie over de vermoorde joden komt uit een veelheid van bronnen (die helaas niet geannoteerd wordt): politiearchieven, Joodse-Raadkaarten, familiedocumenten, maar vooral ook veel oral history. Voormalige schoolkameraadjes en buurtkinderen vertellen hun herinneringen aan de joodse Gouwenaren. In die zin had dit boek ook kunnen heten: Gouda herinnert. Vanuit dat perspectief bezien, levert Citroen veel materiaal aan voor de studie van hoe de herinnering aan de vermoordde joden voortleeft.

Citroen benoemt het niet, maar het lijkt duidelijk dat dit pas het eerste boek is van wat een tweeluik moet gaan worden. Hier worden de portretten gepresenteerd behorend bij de 258 thans geplaatste struikelstenen. In totaal zijn echter 388 joodse Gouwenaren vermoord en het streven is hen allen met een struiksteen te eren. Dan kan een vervolg op dit boek niet uitblijven. Met Hier woonden heeft Citroen de stad Gouda alles in handen gegeven om de gehoorzaam uitgeleverde, soms ruw verraadde en vervolgens uitgemoorde joodse gemeenschap te blijven herdenken. Als uiting van piëteit naar de vermoordden, maar ook als opdracht voor het heden.

Soesja Citroen, Hier woonden. Stolpersteine Gouda, Gouda: uitgave in eigen beheer, 2020, 304 pp, ISBN 978-90-9033039-6. Prijs: €32,50

‘Tot nut van anderen werkzaam zijn.’ Liefdadigheid naar Vermogen (1871-1941)

Christianne Smit is hoofddocent en onderzoeker Politieke Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht 

Op de eerste dag van het jaar 1871 richtten vier idealistische Amsterdammers een nieuw genootschap op. De oprichters waren piepjong: Louis Blankenberg (secretaris) was met zijn achttien jaren nog niet eens meerderjarig, terwijl zijn zestienjarige broer Willem (voorzitter) en dertienjarige zus Jet (lid) en hun zeventienjarige vriend Pieter Verhoeve Kars (kassier) zelfs nog jonger waren. Met behulp van ruim veertig donerende familieleden en vrienden streefden ze met hun genootschap Liefdadigheid naar Vermogen (LNV) een hoogdravend doel na: ‘Het hulpverleenen aan behoeftigen, door een of meer der leden daartoe aangewezen, en tot nut van anderen werkzaam zijn.’ Daaraan werd toegevoegd dat het genootschap dat doel trachtte te bereiken ‘door het voldoen aan aanvragen in de couranten en aan particuliere aanzoeken voor aan hem bekende armen en behoeftigen’.

Werkwijze

Die hulpverlening kreeg vorm door de bevordering van onderwijs en werkverschaffing, door preventieve ingrepen waardoor ‘totale armoede’ kon worden voorkomen, maar ook door ondersteuning van werkelijk ‘onvermogenden’. Tevens werden instellingen gesteund ‘ter bevordering van het geluk en de vermindering van de lasten van de ondervermogenden’ en werden renteloze voorschotten verstrekt. In het eerste jaar van zijn bestaan, 1871, zou het genootschap de helft van de bijna honderd gulden aan inkomsten uitkeren aan weduwen en wezen in het door tyfus geteisterde Egmond aan Zee, maar ook aan een fonds voor de opvoeding van de halfverweesde kinderen van de familie Gorter, waaronder de latere dichter-socialist Herman.

Opvallend kenmerk van het liefdadigheidsgenootschap was de sterke onderlinge verbondenheid van de leden en donateurs: zij waren allen afkomstig uit de kringen rondom het gezin Blankenberg, onderwijzersfamilie en later ook werkzaam in het opkomende verzekeringswezen. Een ander opmerkelijk aspect was de actieve betrokkenheid bij de armen die ondersteund werden: het klakkeloos geven van geld en goederen, zonder iets af te weten van de omstandigheden van het gezin dat werd bedeeld, was uit den boze. LNV wilde alleen inspringen wanneer hun giften, voorschotten of inspanningen zouden bijdragen aan een structurele verbetering van de situatie. De leden wilden daartoe zelf onderzoek doen en de verbeteringen begeleiden door middel van huisbezoeken. Alleen dan, zo was de gedachte, had liefdadigheid zin.

Met vallen en opstaan

Deze actieve en betrokken opstelling paste in de stroming van sociale initiatieven die in het laatste kwart van de 19de eeuw steeds sterker werd. De traditionele manier van bedelen door kerk of particulieren, waarbij wel nood werd gelenigd maar minder aandacht was voor structurele verbeteringen, werd te weinig constructief geacht. Bij de ‘moderne’ liefdadigheid lag de nadruk op de verheffing die mogelijk werd door de gift of hulp: de bedeelden werden daarna nadrukkelijk begeleid in hun weg naar een betere toekomst door middel van opvoeding, onderwijs en ontwikkelingsmogelijkheden. Dat die verschuiving niet vanzelf ging, is te lezen in de studie van Van der Linde en Limperg. Het rijk geïllustreerde boek laat goed zien hoe geëngageerde individuen dit met vallen en opstaan probeerden vorm te geven.

De animo voor deze nieuwe vorm van hulp en bedeling bleek in de beginjaren echter niet erg groot, en wellicht was dat ook de redding voor een genootschap dat zo kleinschalig en enigszins naïef begon. De betrokkenen hadden hooguit vijf gezinnen onder hun hoede, zodat ze daadwerkelijk in contact met hen konden komen en de persoonlijke betrokkenheid vol konden houden, terwijl tevens de ‘self-help’ van de armen kon worden gestimuleerd. In de verslagen van de huisbezoeken valt te lezen dat dit initiatief met moeite en teleurstellingen gepaard ging: de regel dat de gezinnen die geholpen werden nergens anders hulp mochten vragen en dat zij de adviezen van de huisbezoekers moesten opvolgen, bleek niet altijd opgevolgd te worden. Met pieken en dalen bleef het genootschap bestaan, waarbij het de eerste decennia van zijn bestaan moest wedijveren met de bestaande ‘ouderwetse’ bedeling van kerk en andere liefdadigheidsinstellingen, terwijl na de Eerste Wereldoorlog gemeentelijke hulp en steun LNV in de wielen reed.

Context

De studie van Van der Linde en Limperg geeft een uitgebreid overzicht van vooral de begintijd. Hierdoor ligt het accent op de initiatiefnemers van Liefdadigheid naar Vermogen. Details worden daarbij bepaald niet geschuwd: bij lezing rijst het vermoeden dat ieder archiefstuk is beschreven en elk zijpad is gevolgd. De zeer uitgebreide beschrijving van de betrokken personen en handelingen van het genootschap geeft weliswaar een bijzonder grondig beeld van de instelling, maar maakt het geheel ook weinig licht verteerbaar om te lezen. Tezamen met het feit dat de uitputtende beschrijving nauwelijks in de tijd wordt geplaatst of van een ruimere context wordt voorzien, waardoor focus of gelaagdheid ontbreekt, maakt dat het kloeke en volledige werk vooral interessant is voor diegenen die alles van dit genootschap willen weten. Deze studie vormt een belangrijke bijdrage wanneer ze wordt gelezen in combinatie met kennis over gelijkaardige of gelijktijdige initiatieven en in een breder maatschappelijk kader: dan vormt het een rijk en waardevol naslagwerk waarop verder onderzoek kan worden gebaseerd.

Maarten van der Linde en Ties Limperg, Liefdadigheid naar Vermogen. Door en voor Amsterdamse burgers 1871-1941, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2019, 456 pp, geïllustreerd, ISBN: 9789087048075. Prijs: € 35,-

Ondernemende weldoeners in perspectief

Hilde Sennema, freelance schrijver en bedrijfshistoricus, verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en columnist bij Het Financieele Dagblad

Toen ik onderzoek begon te doen naar de verbanden tussen het Rotterdamse bedrijfsleven en de wederopbouw, was het boek Particuliere Plannen van Len de Klerk mijn bijbel. Ik zocht naar een manier, of misschien zelfs rechtvaardiging, om te schrijven over waarom havendirecteuren en industriëlen zich bezighielden met architectuur, gemeenschapsvorming en stedenbouw. De Klerk gaf me in zijn boek taal en toestemming om me met drijfveren te gaan bezighouden.

Ook deze dubbelbiografie over vader en zoon Plate gaat over drijfveren: om winst te maken, om te vernieuwen, en om te investeren in stedelijke en sociale plannen. Het leven van Frederic (1802-1883) en Antoine (1845-1927) Plate beslaat grote veranderingen als de komst van de stoomvaart, het voltrekken van de industriële revolutie in Nederland en de groei van Rotterdam tot wereldhaven. Tevens zijn deze levens een illustratie van veranderende standpunten jegens ondernemerschap, koopmansideologie en overheidsingrijpen. De Plates waren niet alleen getuigen van, maar ook belangrijke actoren in deze grote structurele veranderingen.

Internationale context

De Klerk besteedt ruim aandacht aan die structurele ontwikkelingen, en duidt ze op erudiete wijze. Hij bekijkt de rol van de Plates in de context van een markt die rap internationaler werd. Dat betekende dat het Rotterdamse zakenleven, dat lange tijd prat ging op zelfstandigheid, zich steeds vaker moest verhouden tot protectionisme en staatsingrijpen. Niet alleen in andere landen (VS, België) en steden (Amsterdam), maar ook in Rotterdam zelf, bijvoorbeeld bij de aanleg van de Nieuwe Waterweg. Hiermee relativeert De Klerk de mythe dat Rotterdam altijd zijn eigen broek kon ophouden.

Vader en zoon Plate hadden weinig op met die staatshulp. Antoine ontpopte zich zelfs tot een ‘apostel van de vrijhandel’. De Klerk wijdt een hoofdstuk aan zijn ideologische en politieke pogingen om staatsinterventie en belastingen zoveel mogelijk buiten de Rotterdamse handel te houden. De NASM (voorganger van de Holland-Amerika Lijn) wist onder Plate – met pijn en moeite, maar zonder staatssteun – uit te groeien tot een van de belangrijkste reders van Europa. Het zal mede hierom zijn dat Plate zo fel van leer trok als andere bedrijven – zoals de Amsterdamse Zuid-Afrika Lijn in 1904 – wél staatssteun kregen.

Rotterdamse zakenelite

Interessant zijn de beschrijvingen over het conservatisme van de Rotterdamse zakenelite in de 18de en 19de eeuw, waardoor zowel de stoomvaart als de komst van de Nieuwe Waterweg met argusogen werden bekeken. De Klerk laat zien dat dit conservatisme al na een generatie omgeslagen kon zijn bij de oude families (bijvoorbeeld Mees, Dutilh, De Monchy) en toont met de geschiedenis van de Plates aan dat nieuwkomers relatief snel konden opklimmen naar hogere echelons.

De Plates, van vaderskant Duits, van moederskant Waals, pasten zich vlot aan. Er waren huwelijken met telgen uit andere belangrijke families (strikt uit liefde, natuurlijk), maar De Klerk beschrijft hoe juist op het snijvlak van formeel en informeel, tussen familieband en zakenrelatie, de belangrijkste continuïteiten lagen. In de laatste hoofdstukken wordt duidelijk hoezeer de familie is vergroeid met de Rotterdamse elite: kleinzoon Guus werd directeur van de Rotterdamse woningdienst, neef K.P. van der Mandele voorzitter van de Kamer van Koophandel, en neef W.A. Engelbrecht bekleedde verschillende belangrijke bestuursfuncties in de stad.

De Klerk besteedt veel aandacht aan dat semi-formele domein, bijvoorbeeld door uitgebreid in te gaan op de rol van de Kamer van Koophandel. Dat is nodig om de context te begrijpen, maar het is in zulke gevallen dat de vorm van biografie als geschiedschrijving soms stroef en gedateerd aandoet. Kaders over instituten, collega’s en concurrenten komen de leesbaarheid niet altijd ten goede: de dichtheid van informatie maakt het een boek waarop je moet studeren, niet een dat je er even bij pakt op een zondagmiddag.

Verantwoord burgerschap?

Pas in de conclusie probeert De Klerk de drijfveren van de Plates expliciet te duiden. De manier waarop hij dat doet, ligt in het verlengde van zijn interpretaties in eerder werk: hij legt hun invloed uit als civic responsibility, verantwoord burgerschap. Dat is een breed en een wat gedateerd begrip dat in de geschiedschrijving vooral gebruikt werd om de weldoende industriële elite mee te beschrijven. Dit terwijl het onderzoek naar maatschappelijk verantwoord ondernemen en value-based ­ondernemerschap niet heeft stilgestaan sinds de publicatie van Particuliere Plannen.

Het is jammer dat dit boek niet doorstoot naar de analyse van het grijze gebied tussen altruïsme en puur eigenbelang, helemaal waar het gaat om de filantropie. De huidige samenleving – waarin ‘venture philanthropists’ als de Stichtingen Verre Bergen en Droom en Daad zich nog steeds beroepen op het verantwoorde burgerschap in de nalatenschap van de Holland Amerika Lijn – vraagt om een nieuwe taal en een nieuw begrip van private inmenging in het publieke domein. Juist historici kunnen hierbij helpen door de ideologieën en narratieven van vrije markt, staatsinmenging en filantropie te ontleden en te analyseren.

Met deze dubbelbiografie is aan de geschiedschrijving van de traditie van ondernemende weldoeners een belangrijk hoofdstuk toegevoegd. Ik hoop dat De Klerk, met zijn kennis van de geschiedenis van het publiek-private domein, in een volgende publicatie een stap verder zet en dit fascinerende schemergebied beter weet te duiden.

Len de Klerk, Frédéric en Antoine Plate, 1802-1927. Rotterdamse kooplieden, reders en bestuurders, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2019; 368 pp, geïllustreerd, ISBN: 9789087048129. Prijs: € 35,-