‘Tot nut van anderen werkzaam zijn.’ Liefdadigheid naar Vermogen (1871-1941)
Christianne Smit is hoofddocent en onderzoeker Politieke Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht
Op de eerste dag van het jaar 1871 richtten vier idealistische Amsterdammers een nieuw genootschap op. De oprichters waren piepjong: Louis Blankenberg (secretaris) was met zijn achttien jaren nog niet eens meerderjarig, terwijl zijn zestienjarige broer Willem (voorzitter) en dertienjarige zus Jet (lid) en hun zeventienjarige vriend Pieter Verhoeve Kars (kassier) zelfs nog jonger waren. Met behulp van ruim veertig donerende familieleden en vrienden streefden ze met hun genootschap Liefdadigheid naar Vermogen (LNV) een hoogdravend doel na: ‘Het hulpverleenen aan behoeftigen, door een of meer der leden daartoe aangewezen, en tot nut van anderen werkzaam zijn.’ Daaraan werd toegevoegd dat het genootschap dat doel trachtte te bereiken ‘door het voldoen aan aanvragen in de couranten en aan particuliere aanzoeken voor aan hem bekende armen en behoeftigen’.
Werkwijze
Die hulpverlening kreeg vorm door de bevordering van onderwijs en werkverschaffing, door preventieve ingrepen waardoor ‘totale armoede’ kon worden voorkomen, maar ook door ondersteuning van werkelijk ‘onvermogenden’. Tevens werden instellingen gesteund ‘ter bevordering van het geluk en de vermindering van de lasten van de ondervermogenden’ en werden renteloze voorschotten verstrekt. In het eerste jaar van zijn bestaan, 1871, zou het genootschap de helft van de bijna honderd gulden aan inkomsten uitkeren aan weduwen en wezen in het door tyfus geteisterde Egmond aan Zee, maar ook aan een fonds voor de opvoeding van de halfverweesde kinderen van de familie Gorter, waaronder de latere dichter-socialist Herman.
Opvallend kenmerk van het liefdadigheidsgenootschap was de sterke onderlinge verbondenheid van de leden en donateurs: zij waren allen afkomstig uit de kringen rondom het gezin Blankenberg, onderwijzersfamilie en later ook werkzaam in het opkomende verzekeringswezen. Een ander opmerkelijk aspect was de actieve betrokkenheid bij de armen die ondersteund werden: het klakkeloos geven van geld en goederen, zonder iets af te weten van de omstandigheden van het gezin dat werd bedeeld, was uit den boze. LNV wilde alleen inspringen wanneer hun giften, voorschotten of inspanningen zouden bijdragen aan een structurele verbetering van de situatie. De leden wilden daartoe zelf onderzoek doen en de verbeteringen begeleiden door middel van huisbezoeken. Alleen dan, zo was de gedachte, had liefdadigheid zin.
Met vallen en opstaan
Deze actieve en betrokken opstelling paste in de stroming van sociale initiatieven die in het laatste kwart van de 19de eeuw steeds sterker werd. De traditionele manier van bedelen door kerk of particulieren, waarbij wel nood werd gelenigd maar minder aandacht was voor structurele verbeteringen, werd te weinig constructief geacht. Bij de ‘moderne’ liefdadigheid lag de nadruk op de verheffing die mogelijk werd door de gift of hulp: de bedeelden werden daarna nadrukkelijk begeleid in hun weg naar een betere toekomst door middel van opvoeding, onderwijs en ontwikkelingsmogelijkheden. Dat die verschuiving niet vanzelf ging, is te lezen in de studie van Van der Linde en Limperg. Het rijk geïllustreerde boek laat goed zien hoe geëngageerde individuen dit met vallen en opstaan probeerden vorm te geven.
De animo voor deze nieuwe vorm van hulp en bedeling bleek in de beginjaren echter niet erg groot, en wellicht was dat ook de redding voor een genootschap dat zo kleinschalig en enigszins naïef begon. De betrokkenen hadden hooguit vijf gezinnen onder hun hoede, zodat ze daadwerkelijk in contact met hen konden komen en de persoonlijke betrokkenheid vol konden houden, terwijl tevens de ‘self-help’ van de armen kon worden gestimuleerd. In de verslagen van de huisbezoeken valt te lezen dat dit initiatief met moeite en teleurstellingen gepaard ging: de regel dat de gezinnen die geholpen werden nergens anders hulp mochten vragen en dat zij de adviezen van de huisbezoekers moesten opvolgen, bleek niet altijd opgevolgd te worden. Met pieken en dalen bleef het genootschap bestaan, waarbij het de eerste decennia van zijn bestaan moest wedijveren met de bestaande ‘ouderwetse’ bedeling van kerk en andere liefdadigheidsinstellingen, terwijl na de Eerste Wereldoorlog gemeentelijke hulp en steun LNV in de wielen reed.
Context
De studie van Van der Linde en Limperg geeft een uitgebreid overzicht van vooral de begintijd. Hierdoor ligt het accent op de initiatiefnemers van Liefdadigheid naar Vermogen. Details worden daarbij bepaald niet geschuwd: bij lezing rijst het vermoeden dat ieder archiefstuk is beschreven en elk zijpad is gevolgd. De zeer uitgebreide beschrijving van de betrokken personen en handelingen van het genootschap geeft weliswaar een bijzonder grondig beeld van de instelling, maar maakt het geheel ook weinig licht verteerbaar om te lezen. Tezamen met het feit dat de uitputtende beschrijving nauwelijks in de tijd wordt geplaatst of van een ruimere context wordt voorzien, waardoor focus of gelaagdheid ontbreekt, maakt dat het kloeke en volledige werk vooral interessant is voor diegenen die alles van dit genootschap willen weten. Deze studie vormt een belangrijke bijdrage wanneer ze wordt gelezen in combinatie met kennis over gelijkaardige of gelijktijdige initiatieven en in een breder maatschappelijk kader: dan vormt het een rijk en waardevol naslagwerk waarop verder onderzoek kan worden gebaseerd.
Maarten van der Linde en Ties Limperg, Liefdadigheid naar Vermogen. Door en voor Amsterdamse burgers 1871-1941, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2019, 456 pp, geïllustreerd, ISBN: 9789087048075. Prijs: € 35,-
Hilde Sennema, freelance schrijver en bedrijfshistoricus, verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en columnist bij Het Financieele Dagblad
Toen ik onderzoek begon te doen naar de verbanden tussen het Rotterdamse bedrijfsleven en de wederopbouw, was het boek Particuliere Plannen van Len de Klerk mijn bijbel. Ik zocht naar een manier, of misschien zelfs rechtvaardiging, om te schrijven over waarom havendirecteuren en industriëlen zich bezighielden met architectuur, gemeenschapsvorming en stedenbouw. De Klerk gaf me in zijn boek taal en toestemming om me met drijfveren te gaan bezighouden.
Ook deze dubbelbiografie over vader en zoon Plate gaat over drijfveren: om winst te maken, om te vernieuwen, en om te investeren in stedelijke en sociale plannen. Het leven van Frederic (1802-1883) en Antoine (1845-1927) Plate beslaat grote veranderingen als de komst van de stoomvaart, het voltrekken van de industriële revolutie in Nederland en de groei van Rotterdam tot wereldhaven. Tevens zijn deze levens een illustratie van veranderende standpunten jegens ondernemerschap, koopmansideologie en overheidsingrijpen. De Plates waren niet alleen getuigen van, maar ook belangrijke actoren in deze grote structurele veranderingen.
Internationale context
De Klerk besteedt ruim aandacht aan die
structurele ontwikkelingen, en duidt ze op erudiete wijze. Hij bekijkt de rol
van de Plates in de context van een markt die rap internationaler werd. Dat
betekende dat het Rotterdamse zakenleven, dat lange tijd prat ging op
zelfstandigheid, zich steeds vaker moest verhouden tot protectionisme en
staatsingrijpen. Niet alleen in andere landen (VS, België) en steden
(Amsterdam), maar ook in Rotterdam zelf, bijvoorbeeld bij de aanleg van de
Nieuwe Waterweg. Hiermee relativeert De Klerk de mythe dat Rotterdam altijd
zijn eigen broek kon ophouden.
Vader en zoon Plate hadden weinig op met die
staatshulp. Antoine ontpopte zich zelfs tot een ‘apostel van de vrijhandel’. De
Klerk wijdt een hoofdstuk aan zijn ideologische en politieke pogingen om
staatsinterventie en belastingen zoveel mogelijk buiten de Rotterdamse handel
te houden. De NASM (voorganger van de Holland-Amerika Lijn) wist onder Plate –
met pijn en moeite, maar zonder staatssteun – uit te groeien tot een van de
belangrijkste reders van Europa. Het zal mede hierom zijn dat Plate zo fel van leer
trok als andere bedrijven – zoals de Amsterdamse Zuid-Afrika Lijn in 1904 – wél
staatssteun kregen.
Rotterdamse zakenelite
Interessant zijn de beschrijvingen over het conservatisme van de Rotterdamse zakenelite in de 18de en 19de eeuw, waardoor zowel de stoomvaart als de komst van de Nieuwe Waterweg met argusogen werden bekeken. De Klerk laat zien dat dit conservatisme al na een generatie omgeslagen kon zijn bij de oude families (bijvoorbeeld Mees, Dutilh, De Monchy) en toont met de geschiedenis van de Plates aan dat nieuwkomers relatief snel konden opklimmen naar hogere echelons.
De Plates, van vaderskant Duits, van
moederskant Waals, pasten zich vlot aan. Er waren huwelijken met telgen uit
andere belangrijke families (strikt uit liefde, natuurlijk), maar De Klerk beschrijft
hoe juist op het snijvlak van formeel en informeel, tussen familieband en
zakenrelatie, de belangrijkste continuïteiten lagen. In de laatste hoofdstukken
wordt duidelijk hoezeer de familie is vergroeid met de Rotterdamse elite: kleinzoon
Guus werd directeur van de Rotterdamse woningdienst, neef K.P. van der Mandele
voorzitter van de Kamer van Koophandel, en neef W.A. Engelbrecht bekleedde
verschillende belangrijke bestuursfuncties in de stad.
De Klerk besteedt veel aandacht aan dat
semi-formele domein, bijvoorbeeld door uitgebreid in te gaan op de rol van de
Kamer van Koophandel. Dat is nodig om de context te begrijpen, maar het is in
zulke gevallen dat de vorm van biografie als geschiedschrijving soms stroef en gedateerd
aandoet. Kaders over instituten, collega’s en concurrenten komen de
leesbaarheid niet altijd ten goede: de dichtheid van informatie maakt het een
boek waarop je moet studeren, niet een dat je er even bij pakt op een
zondagmiddag.
Verantwoord burgerschap?
Pas in de conclusie probeert De Klerk de
drijfveren van de Plates expliciet te duiden. De manier waarop hij dat doet,
ligt in het verlengde van zijn interpretaties in eerder werk: hij legt hun
invloed uit als civic responsibility,
verantwoord burgerschap. Dat is een breed en een wat gedateerd begrip dat in de
geschiedschrijving vooral gebruikt werd om de weldoende industriële elite mee
te beschrijven. Dit terwijl het onderzoek naar maatschappelijk verantwoord
ondernemen en value-based ondernemerschap
niet heeft stilgestaan sinds de publicatie van Particuliere Plannen.
Het is jammer dat dit boek niet doorstoot naar
de analyse van het grijze gebied tussen altruïsme en puur eigenbelang, helemaal
waar het gaat om de filantropie. De huidige samenleving – waarin ‘venture
philanthropists’ als de Stichtingen Verre Bergen en Droom en Daad zich nog
steeds beroepen op het verantwoorde burgerschap in de nalatenschap van de
Holland Amerika Lijn – vraagt om een nieuwe taal en een nieuw begrip van
private inmenging in het publieke domein. Juist historici kunnen hierbij helpen
door de ideologieën en narratieven van vrije markt, staatsinmenging en
filantropie te ontleden en te analyseren.
Met deze dubbelbiografie is aan de
geschiedschrijving van de traditie van ondernemende weldoeners een belangrijk
hoofdstuk toegevoegd. Ik hoop dat De Klerk, met zijn kennis van de geschiedenis
van het publiek-private domein, in een volgende publicatie een stap verder zet
en dit fascinerende schemergebied beter weet te duiden.
Len de Klerk, Frédéric en Antoine Plate, 1802-1927. Rotterdamse kooplieden, reders en bestuurders, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2019; 368 pp, geïllustreerd, ISBN: 9789087048129. Prijs: € 35,-
A.H.M. Kerkhoff, Per imperatief plakkaat. Overheid en pestbestrijding in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2020; geïllustreerd, 298 pp, ISBN: 9789087048105. Prijs: € 35,-
Daan van Leeuwen, lerarenopleider en historicus.
Het zal weinig voorkomen dat een historisch-wetenschappelijk boek over de 17de en 18de eeuw zo actueel en relevant is als het boek van emeritus hoogleraar A.H.M. Kerkhoff. Begin 2020 verscheen zijn medisch-historische verhandeling Per imperatief plakkaat over de nationale pestbestrijding in de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Kerkhoff bestudeerde de wetten en preventieve maatregelen van de Staten-Generaal in deze eeuwen om verschillende pestpandemieën het hoofd te bieden. Deze casussen vormen een aantal interessante aanknopingspunten voor een analogie met de coronapandemie van dit jaar. Vanaf de late middeleeuwen tot aan de Bataafse Republiek verspreidden verschillende pestplagen zich namelijk via de internationale handelsnetwerken uit het Verre Oosten – via Italië kwam ze vaak Europa binnen – en bereikten ook de Republiek. Hoe gingen de Staten-Generaal in een economisch-dynamische periode om met deze besmettelijke infectieziekte? Aan de hand van verslagen van de Statenvergaderingen, admiraliteiten en op basis van moderne literatuur schetst Kerkhoff de omgang met de pest en de invoering van plakkaten om de ziekte tegen te gaan.
Net als met corona hing de verspreiding van de pest samen met de mobiliteit van de pelgrim, handelaar of reiziger. Hoe dynamischer de samenleving en hoe levendiger de handelsmarkt, hoe meer kansen de besmettelijke infectieziekte kreeg om zich te verspreiden. De Italiaanse stadbesturen hadden al aan het einde van de middeleeuwen begrepen dat de verspreiding van de pest tegen gegaan kon worden door het instellen van quarantainegebieden, het bouwen van pesthuizen om de zieken in te isoleren, het opwerpen van cordons en blokkades en het instellen van invaarverboden voor schepen uit besmette gebieden. Het woord quarantaine stamt immers van het Italiaanse woord quaranta (veertig) dat stond voor het aantal dagen dat schepen uit verdachte gebieden in isolatie moesten blijven voordat ze de havens van de Italiaanse steden mochten binnenvaren. In de Republiek zou men pas twee eeuwen later – in haar eigen Gouden Eeuw – werkende maatregelen invoeren om de pest te weren uit haar havens, steden en van het platteland.
Net als met corona hing de verspreiding van de pest samen met de mobiliteit van de pelgrim, handelaar of reiziger. Hoe dynamischer de samenleving en hoe levendiger de handelsmarkt, hoe meer kansen de besmettelijke infectieziekte kreeg om zich te verspreiden.
De bijzondere combinatie
van factoren in de Nederlandse Republiek in de 16de en 17de eeuw zorgde ervoor
dat er heel lang gewacht werd met het nemen van gecentraliseerde maatregelen. De
economische ontwikkelingen in de relatief autonome steden zorgden ervoor dat er
niet direct ingrijpende veranderingen werden voorgesteld door het centrale
orgaan van de Republiek. Regenten waren meer beducht voor de economische schade
van de preventieve maatregelen voor verkoopcijfers van hun koopwaar dan voor de
dreiging van de pest zelf, beschrijft Kerkhoff. De havens bleven open voor vrij
verkeer van handelsschepen uit verre oorden. Dit terwijl in omringende landen
in de 17de eeuw het centraal-ingestelde mercantilisme juist zorgde voor het
behoud van de eigen markt en een beperking van de import.
Er is ook een verband te zien met de calvinistische inborst van Nederlanders. Het protestantse gedachtegoed had invloed op de perceptie van de pest, die als straf van God werd gezien en daarom niet geweerd mocht worden. Daarbij vonden regenten het onchristelijk om zieken op te sluiten in pesthuizen. De goede voorbeelden van de katholieke Italiaanse steden werden dan ook vanwege godsdienstige redenen – en in nasleep van de Nederlandse Opstand – weggewuifd. Pas in 1665 kwam er een kentering in de aard van maatregelen die de Staten-Generaal nam om de vele pestplagen tegen te gaan.
Er is ook een verband te zien met de calvinistische inborst van Nederlanders. Het protestantse gedachtegoed had invloed op de perceptie van de pest, die als straf van God werd gezien en daarom niet geweerd mocht worden
Terwijl in de warme zomermaanden van 1664 de pest vele slachtoffers maakte in Zeeuwse en Hollandse steden werd op aandringen van een aantal regenten de plaag weer op de agenda van de Staten-Generaal gezet. Het Dagelijkse Bestuur veranderde van koers en stelde ditmaal een medische commissie in die de overheid moest adviseren over de pestbestrijding. Het kwam met een bijzondere verklaring: de pest werd enkel door contacten met de buitenwereld verspreid. De Staten-Generaal nam vervolgens een aantal drastische maatregelen waardoor de handel – zeker met getroffen gebieden – aan banden werd gelegd. Ziektebestrijding kreeg voorrang op economisch gewin. Het pakket van maatregelen ontwikkelde zich in de daaropvolgende jaren tot de contouren van het Italiaanse model waarin een ‘harde’ pestbestrijding werd onderschreven. Het aantal pestgolven nam hierdoor af in de Republiek.
Het is al met al een prettig leesbare verhandeling waarin de algemene geschiedenis van de 17de en 18de eeuw aan de specifieke ontwikkeling van de pestmaatregelen wordt gekoppeld.
Kerkhoff doet met Per imperatief plakkaat erudiet verslag van
de ontwikkeling van de pestbestrijding in de vroegmoderne Republiek. Af en toe
doet de auteur wel wat veel aannames, maar dat is door de schaarste van
bronmateriaal wel te verklaren. Het is al met al een prettig leesbare
verhandeling waarin de algemene geschiedenis van de 17de en 18de eeuw aan de specifieke
ontwikkeling van de pestmaatregelen wordt gekoppeld. Hierdoor is het een sterke
casus in een goed leesbare historische context geworden. Een casus die
bovendien onverwachts actueel is.
Loek Zoon (red.), Broek en Waterland. Regionale samenwerking en conflicten, 1281-1811 (Uitgeverij Verloren: Hilversum 2019), p. 224, €26, ISBN: 9789087048099
Maurits W. Ertsen, Waterhuishouding, Technische Universiteit Delft
Tussen 1282 en 1811 had Broek in Waterland heel wat te stellen met
andere dorpen in de regio Waterland, en met Amsterdam. Er werd stevig ruzie
gemaakt, maar eigenlijk net zo stevig samengewerkt. De ruzies en vriendschappen
worden ons verteld in deze bundel in een vijftal thematische hoofdstukken.
Joost Cox geeft een bestuurlijk perspectief tot 1600, het vroegere deel van de
periode die het boek bestrijkt. Fenna Brouwer laat voor de 17de en 18de eeuw
zien hoe de Waterlandse dorpen regelmatig onenigheid hadden met de baljuw, de
vertegenwoordiger van de graaf van Holland. Corrie Boschma-Aarnoudse gaat
gedetailleerd in op de verschillende economische activiteiten in de periode
1400-1800. Diederik Aten kiest de kortste periode van alle auteurs in zijn
hoofdstuk over de droogmaking van de drie Waterlandse meren tussen 1623 en
1650. Tenslotte laat Jaap Haag een periodisering helemaal los als hij voor twee
momenten (1572-1774 en 1672-1673) laat zien hoe Waterland in oorlogssituaties
betrokken werd.
Deze opsomming van de hoofdstukken laat zien dat het boek onder redactie van Loek Zoon minder chronologisch is dan de flaptekst suggereert. We zouden beginnen in 1282 ‘als graaf Floris V de heerlijkheid Waterland in handen krijgt’ en eindigen in 1811 ‘met het bezoek van keizer Napoleon aan het pittoreske Broek’. Deze jaartallen zijn inderdaad de uiterste twee waaraan betekenisvol wordt gerefereerd, maar dat maakt nog niet dat de verschillende hoofdstukken enige mate van chronologie op de thema’s voor de volledige periode geven – laat staan dat de hoofdstukken samen een chronologie presenteren. Ik vind het ontbreken van een chronologie niet problematisch. De manieren waarop Broek in Waterland en de omliggende dorpen en steden samenwerkten en/of (tegelijkertijd) ruzieden op politiek, economisch, waterstaatkundig en militair gebied zijn boeiend en overtuigend beschreven. Juist omdat er veelal ad hoc bondgenootschappen werden gesloten – hoewel er ook een langerjarig samenwerkingsverband in de vorm van de Unie van Waterland was tussen de zes Waterlandse hoofddorpen – is een thematische aanpak eigenlijk zeer geschikt. De details in een hoofdstuk, zoals over de baljuw, laten prachtig zien hoe iedere keer de lokale onderhandelingen weer moesten worden gevoerd, terwijl we (achteraf) toch ook patronen kunnen ontdekken. Het is de rijkdom aan details en tegelijkertijd de verbindingen die we als lezer tussen de hoofdstukken kunnen leggen die dit boek zo plezierig maken.
Ik vind het ontbreken van een chronologie niet problematisch. (…) Juist omdat er veelal ad hoc bondgenootschappen werden gesloten – hoewel er ook een langerjarig samenwerkingsverband in de vorm van de Unie van Waterland was tussen de zes Waterlandse hoofddorpen – is een thematische aanpak eigenlijk zeer geschikt.
Een wat algemenere beschouwing in de vorm van een synthese aan het begin of eind ontbreekt – hoewel Loek Zoon in de inleiding wel terecht wijst op de continue discussies tussen de Waterlanders en respectievelijk Amsterdam en de baljuw. Het is inderdaad buitengewoon fascinerend om te lezen hoe Broek in Waterland en de collega-dorpen continue bezig zijn met het realiseren van invloed en het behalen van doelen door onderhandelingen. In dat onderhandelen komt keer op keer naar voren dat er een heleboel ‘dingen’ (of meer algemeen ‘materie’) gebruikt moeten worden. Het willen hebben van economische invloed is leuk, maar dan moet je wel de schepen en de mensen hebben om economische invloed steeds weer waar te maken. Het houden van een bespreking is prima en gewenst, maar dan moet je wel kunnen reizen. Macht blijkt te moeten worden gerealiseerd via niet-menselijke historische actoren, zoals geld, hout, of aarde. Materie onderhandelt mee in het maken van geschiedenis.
Dat Waterland was een kluwen van onderhandelingen, bestuurders en hun rollen, water en ander spul, en een breed scala aan activiteiten, zoals we in dit fraaie boek kunnen lezen.
Voor de regio Waterland speelt water (uiteraard) een grote rol, ook in
de hoofdstukken die water niet als hoofdthema hebben. Water is transporteur,
militair, bedreiger en nog wel wat meer. De waterinfrastructuur van de regio is
een belangrijke drager van de macht die dorpen kunnen ontwikkelen en moeten
blijven bevestigen. In verschillende hoofdstukken komt naar voren dat veel van
de bestuurders op de een of andere manier aan water gekoppeld kunnen worden. Niet
iedere bestuurlijke rol had direct iets met water te maken, maar bestuurlijke
functies en rollen in Broek in Waterland waren makkelijk te stapelen. Iemand
die in een dorps- of stadsbestuur zat, had een behoorlijke kans om in het
waterschapsbestuur terecht te komen. De verandering van de verwevenheid tussen
bestuursfuncties is ook een mooi overkoepelend thema, al was het alleen maar om
het vanzelfsprekende beeld van een zelfstandig waterschap met weinig
bestuurlijke overlap te problematiseren. Dat beeld mag redelijk kloppen voor
het heden, maar is zeker niet passend voor het vroegere Waterland. Dat
Waterland was een kluwen van onderhandelingen, bestuurders en hun rollen, water
en ander spul, en een breed scala aan activiteiten, zoals we in dit fraaie boek
kunnen lezen.
Raymond Fagel en Joke Spaans, m.m.v. João Miguel Simões, Nonnen verdreven door Geuzen. Cathalina del Spiritu Sancto’s verhaal over de vlucht van Nederlandse clarissen naar Lissabon, Uitgeverij Verloren: Hilversum, 2019; geïllustreerd, pp. 182, ISBN: 978 90 8704 801 3. Prijs €25,-
Henk
Looijesteijn, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
Bij Alkmaar begon de Victorie, zo leerde men vroeger op school, want daar sloegen dappere Hollanders in het najaar van 1573 voor het eerst de gevreesde Spanjaarden van zich af. De nederlaag was echter niet alleen slecht nieuws voor de Spanjaarden, maar ook voor de vele konings- en kerkgetrouwe Hollanders. Onder hen waren nonnen van de clarissenorde, die even buiten Alkmaar een klooster hadden. Hun mannelijke tegenhangers, de vijf franciscanen die in een klooster binnen de muren woonden, kregen de martelaarskroon opgezet toen de Geuzen in juni 1572 Alkmaar innamen. De clarissen konden echter vluchten, eerst naar Haarlem, vervolgens naar Amsterdam, en van daar naar Antwerpen en Mechelen, voortdurend ingehaald door de oorlog en bedreigd door ruwe soldaten en geloofsijverige calvinisten die hen wilden bewegen hun kloosterleven achter zich te laten. Uiteindelijk trokken de vrouwen – en passant aangevuld met andere nonnen uit andere clarissenkloosters verwoest door de Geuzen – naar Alcântara, een wijk van de Portugese hoofdstad Lissabon. Daar kregen ze in 1586 een nieuw klooster van koning Filips, waar ze voortaan ongestoord hun kloosterleven konden voortzetten. Het klooster van de ‘flamengas’ werd een begrip, gesteund door zowel de Nederlandse gemeenschap in Lissabon als het koningshuis. Deze Hollandse nonnen zagen de wederopstanding als kloostergemeenschap, na hun moeizame jaren van vlucht, als een ander soort victorie.
Raymond Fagel en Joke Spaans hebben een vertaling van deze zeldzame getuigenis van de ‘verliezers’ van de Opstand het licht doen zien, aangevuld met drie essays over de Nederlandse clarissen in die tijd, de Iberische context, en het kloostergebouw, waar laat 18de-eeuwse tegeltableaus de herinnering aan de vlucht van de ‘flamengas’ levend houden.
Hun abdis – zelf de onwettige dochter van de Spaanse gouverneur van Hoogstraten – publiceerde in 1627 een boekje over de belevenissen van de verdreven clarissen. Niet alleen hun eigen verhaal heeft daarin een plaats, ook de bloedgetuigen onder de Nederlandse franciscanen die in 1572 werden omgebracht – onder hen de Martelaren van Alkmaar en Gorcum – vonden in deze kroniek een plek. Hun martelaarsdood was in de ogen van de clarissen ook een vorm van victorie. Standvastigheid werd beloond – in het hiernamaals, of in hun geval in een nieuw veilig klooster, beschermd en begunstigd door de ‘Katholieke Koningen’ van Spanje.
Raymond Fagel en Joke Spaans hebben een vertaling van deze zeldzame getuigenis van de ‘verliezers’ van de Opstand het licht doen zien, aangevuld met drie essays over de Nederlandse clarissen in die tijd, de Iberische context, en het kloostergebouw, waar laat 18de-eeuwse tegeltableaus de herinnering aan de vlucht van de ‘flamengas’ levend houden. Het is een boeiend relaas, een unieke getuigenis vanuit het perspectief van vrouwelijke religieuzen, vol bijzondere verhalen, zoals een Spaanse officier die naar Willem van Oranje was overgelopen, een overijverige Antwerpse calviniste die de nonnen poogde te bewegen tot uittreden, en terzijdes over geestelijken die eerder al uit Scandinavië en Engeland hadden moeten vluchten. Nonnen verdreven door Geuzen is een mooie en belangwekkende uitgave geworden, een blik op het vaak veronachtzaamde dramatische einde van de rijke Hollandse kloostergeschiedenis, met als fraaie bonus onder meer foto’s van de bijzondere tegeltableaus in Alcântara.
Wel had ik graag wat meer annotatie gezien op bepaalde plaatsen. Niet dat het aan annotatie ontbreekt, integendeel, maar dat maakt de omissies des te opvallender. Zo worden in het vluchtverslag de namen van een aantal Martelaren van Gorcum genoemd (blz. 33), maar zonder nadere verwijzing (of een plekje in de index). De namen zijn niet alleen afwijkend (Lyonarto Vechelio voor Leonardus van Veghel; Nicolas Popelio voor Nicolaas van Poppel) maar zullen in deze ontkerkelijkte tijden tamelijk exotisch overkomen op de gemiddelde lezer. Persoonlijk zou ik hebben verwezen naar het uitstekende Gehangen heiligen. De martelaren van Gorcum (Heeswijk 2017), onder redactie van Henrik Roelvink, waarin ze allemaal aan de orde komen. Voor ordegeneraal Francisco Gonzaga (blz. 57, wel genoemd in de index) moest ik Wikipedia erop naslaan. Een lijst van alle geraadpleegde literatuur ontbreekt ook, waardoor je aangewezen bent op het doorvlooien van de voetnoten als je op zoek bent naar een volledige titelbeschrijving.
Nonnen verdreven door Geuzen is een mooie en belangwekkende uitgave geworden, een blik op het vaak veronachtzaamde dramatische einde van de rijke Hollandse kloostergeschiedenis, met als fraaie bonus onder meer foto’s van de bijzondere tegeltableaus in Alcântara.
Dit zijn echter betrekkelijk kleine en overkomelijke punten:
Nonnen verdreven door Geuzen ontsluit
niet alleen een tamelijk onbekend stuk ‘Hollandse geschiedenis’ maar wekt ook
nieuwsgierigheid naar de vaak veronachtzaamde katholieke diaspora die eveneens
onderdeel is van het verhaal van het ontstaan van de Republiek. Bovendien laat
het werk zien dat er in de ogen van de tijdgenoten meerdere vormen van victorie
waren. Voor de een begon die victorie misschien bij Alkmaar, maar voor de ander
bij Alcântara.
R. van Maanen en M. Mooijaart, Straatnamen in Leiden. Een verhaal van zeven eeuwen, Leiden: Primavera Pers, 2019; pp. 240, geïllustreerd, ISBN 978-90-5997-304-6. Prijs: € 19,50
Koen Marijt, eigenaar van Koen van Toen en redacteur Holland. Historisch Tijdschrift
Ter
gelegenheid van het 65-jarige bestaan van de Leidse straatnaamcommissie,
schreven Rudi van Maanen en Marijke Mooijaart Straatnamen in Leiden. Een verhaal van zeven eeuwen (2019). Door de
samenwerking tussen historicus Van Maanen (oud-archivaris bij de Gemeente
Leiden) en taalkundige Mooijaart (onderzoeker Instituut voor Nederlandse
Lexicologie) is de publicatie geen historisch overzicht of doorsnee opsomming van
de Leidse straatnamen.
Het is zowel een historisch als taalkundig onderzoek, waarbij de straatnaamgeving uitgebreid wordt beschreven. Van middeleeuwen tot nu, en van het eerste idee voor een straatnaam tot het daadwerkelijke bestuursbesluit. Met de huidige tendens in Nederland, waarbij standbeelden van vaderlandse figuren zoals Michiel de Ruijter, straatnamen van Indiëgangers zoals Jan Pieterszoon Coen en de verhouding mannen- ten opzichte van vrouwennamen voor straten ter discussie staan, is juist die besluitvorming voor nieuwe straatnamen ronduit interessant te noemen.
Natuurlijk
komt in Straatnamen in Leiden de
geschiedenis van de stad uitgebreid naar voren. Zo zijn diverse straten, wegen
en hofjes vernoemd naar personen die in de Leidse geschiedenis veel betekend
hebben. Maar wie denkt dat het boek alleen vanwege de Leidse geschiedenis interessant
is, heeft het mis. Zo worden door Van Maanen en Mooijaart de oorsprong van
diverse straatnaamachtervoegsels, die in heel Nederland te vinden zijn (zoals
straat, pad, plein, hof, gracht, steeg, poort, gang, markt, laan, weg, enz.) beschreven.
Hierdoor is het ook buiten Leiden zeer bruikbaar.
Een van de oudste achtervoegsels is de term ‘weg’. Het komt in de oudste bronnen van het Nederlands voor en is van Germaanse oorsprong. Mooijaart en Van Maanen geven aan dat ‘weg’ in de eerste plaats een abstract begrip was: een manier om van de ene plek naar de andere te komen. Hier kon een vaste route uit ontstaan die in het terrein herkenbaar werd. Een echte weg dus, het begrip zoals wij dat tegenwoordig ook kennen.
Maar wie denkt dat het boek alleen vanwege de Leidse geschiedenis interessant is, heeft het mis. Zo worden door Van Maanen en Mooijaart de oorsprong van diverse straatnaamachtervoegsels, die in heel Nederland te vinden zijn (zoals straat, pad, plein, hof, gracht, steeg, poort, gang, markt, laan, weg, enz.) beschreven. Hierdoor is het ook buiten Leiden zeer bruikbaar.
Daarnaast
geeft het onderzoek een interessante inkijk in de besluitvorming van het kiezen
en benoemen van een straatnaam in Leiden, én daarbuiten. Ook de toetsing van
geschikte namen, zeker als het gaat om historische benoemingen, is boeiend. Zo
werd in 1985 door de straatnaamcommissie van Leiden besloten om genomineerden
eerst voor te leggen aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD,
tegenwoordig NIOD) om het oorlogsverleden te toetsen. De kritische afweging of
de naam van een persoon geschikt is voor een straat is dus niet van vandaag of
gisteren. Dat is logisch: je wilt geen straat vernoemen naar een persoon
waaruit blijkt dat hij gedurende de oorlog misdaden zou hebben gepleegd.
Het hoofdstuk over straatnaamkunde is mijn inziens zowel een sterk punt als een klein minpuntje van de publicatie. De sterke kant is het feit dat in het hoofdstuk de algemene straatnamen en straatnaamtypen naar voren komen. Het laat algemene patronen zien in de Nederlandse straatnaamgeving en geldt dus niet alleen voor de Leidse straatnaamgeving. Zoals reeds genoemd, kan een ieder die interesse heeft in zijn dorp of stad, dit hoofdstuk gebruiken om verklaringen te zoeken voor benamingen van straten en wegen. Aan de andere kant worden er veel voorbeelden genoemd en opsommingen gemaakt, en dat maakt de leesbaarheid van dit hoofdstuk minder. Zo worden alle negentien straatnaamachtervoegsels op kundige wijze beschreven, maar dat maakt de tekst ietwat droog.
Het hoofdstuk over straatnaamkunde is mijn inziens zowel een sterk punt als een klein minpuntje van de publicatie.
Het vervolg van de publicatie bestaat uit een chronologische beschrijving van de straatnaamgeving in Leiden. Hierin beginnen de auteurs bij de middeleeuwen, waarbij de eerste namen van straten en grachten hun naam ontlenen aan topografische plekken. Vormgegeven door prachtige illustraties (kaarten en plattegronden, archiefstukken, foto’s en moderne straatnaambordjes), schrijven de auteurs door tot aan nu.
Jaartallen
die duidelijk naar voren komen zijn die van de annexaties of moderne
gebiedsuitbreidingen van de stad. Bij de drie grote uitbreidingen van 1896,
1920 en 1966 worden niet alleen bestaande straatnamen toegevoegd aan het
bestand van Leidse straatnamen, maar worden ook nieuwe wijken met nieuwe
straten aangelegd. En die straten hebben een naam nodig die door Van Maanen en
Mooijaart in een historisch perspectief worden gezet.
De publicatie van Van Maanen en Mooijaart belicht diverse onderwerpen die bij het vernoemen van straten om de hoek komen kijken, maar waar veel mensen geen weet van hebben. Onderwerpen als historie, taalkundige achtergrond en ook een stukje gemeentelijke besluitvorming. Kortom: de moeite waard om te lezen én toe te voegen aan de boekencollectie.
Carolina Lenarduzzi, Katholiek in de Republiek. De belevingswereld van een religieuze minderheid, Uitgeverij Vantilt: Nijmegen, 2019; geïllustreerd, pp. 476, ISBN: 9789460044762. Prijs: €28,50
Marianne Eekhout, conservator Stadsgeschiedenis van Dordrechts Museum
Met Katholiek in de Republiek levert
historica en juriste Carolina Lenarduzzi een belangrijke bijdrage aan de
historiografie over de grootste ‘minderheid’ in de Republiek, de katholieken. Ze
bestudeert ‘wat het in de praktijk van alledag betekende om katholiek te zijn
in de gereformeerde Republiek’ en presenteert haar publiek hoe een
achtergestelde groep zich manifesteerde, welke middelen zij daarvoor gebruikte
en in hoeverre zij het systeem durfde te tarten.
De
afgelopen jaren is de wetenschappelijke aandacht voor katholieken als groep
flink gegroeid. Hoewel ze numeriek in de meerderheid waren, sloten
gereformeerden katholieken in de Republiek stelselmatig buiten. Ze mochten
onder andere hun geloof niet langer in het openbaar belijden en ze mochten geen
politiek bedrijven. Vanuit ons huidige perspectief, met steeds meer aandacht
voor inclusie en diversiteit, is deze groep bijzonder interessant. Want wat
doet een katholiek in de Republiek wanneer het gaat om zijn of haar geloof en
positie in de samenleving?
Lenarduzzi’s conclusies sluiten aan op de bestaande literatuur, maar gaan ook een stap verder. Haar gedegen aanpak, uitgebreide onderzoek naar de hele Republiek en haar prettige schrijfstijl leveren een prachtig overzichtswerk op. Ze deelt haar boek op in drie delen en zeven hoofdstukken. Alle hoofdstukken hebben op zichzelf staande thematieken, waaronder herinneringscultuur, materiële cultuur en bekering. De drie delen bieden de lezer een duidelijke structuur. Het eerste deel ‘van mainstream naar marginale cultuur’ geeft een beeld van de grenzen in de katholieke speelruimte nadat de gereformeerden aan de macht zijn gekomen. Wat gebeurt er als je je moet terugtrekken in de marge? En hoe ga je in tijden van chaos en oorlog om met je eigen katholieke identiteit en je Nederlandse identiteit? In dit deel van het boek, en vooral in hoofdstuk 2, is Lenarduzzi op haar sterkst. Het volgen van de families Buyck en Van Veen en het analyseren van hun behoeften, afwegingen en posities in de maatschappij zorgen ervoor dat de 17de-eeuwse katholiek even heel dichtbij komt. De details wekken de personen tot leven; de lezer ziet hun individuele keuzes binnen een gecompliceerde leefomgeving.
Lenarduzzi’s conclusies sluiten aan op de bestaande literatuur, maar gaan ook een stap verder. Haar gedegen aanpak, uitgebreide onderzoek naar de hele Republiek en haar prettige schrijfstijl leveren een prachtig overzichtswerk op.
De analyses
in hoofdstuk 1 en 3 geven deze verhalen de benodigde context. In hoofdstuk 1
komt de praktijk van het katholieke geloofsleven naar voren. Allerlei dilemma’s
maken duidelijk dat katholieken continu keuzes moesten maken. Wat doe je als
volgens de religie je huwelijk gesloten moest worden door een priester, maar
dat volgens de overheid illegaal was? Moest je je bekeren tot het gereformeerde
geloof om politiek te kunnen blijven bedrijven zoals je (voor)ouders?
Lenarduzzi laat zien dat katholieken zich echter geen ‘rechteloze, passieve
burgers voelden’. Als ze mogelijkheden zagen dan lieten ze die niet onbenut.
Het tweede deel, genaamd ‘de katholieke gedragscode’, laat zien hoe katholieken hun eigen identiteit versterkten met behulp van materiële cultuur (hoofdstuk 4) en religieuze muziek (hoofdstuk 5). Het integreren van materiële bronnen zoals schilderijen, kleding en heiligenbeelden en immateriële bronnen zoals muziek is een grote aanwinst voor historisch onderzoek. In Lenarduzzi’s boek zien we de winst die deze benadering opbrengt volop terug. Objecten roepen meer emotie op bij mensen dan documenten. Zo verstopten katholieken relieken, pasten ze hun kleding aan, liepen ze stiekem processieroutes en luisterden ze naar verboden muziek(instrumenten). Dit creëerde gemeenschapsgevoel en gaf hoop voor de toekomst.
Het integreren van materiële bronnen zoals schilderijen, kleding en heiligenbeelden en immateriële bronnen zoals muziek is een grote aanwinst voor historisch onderzoek. In Lenarduzzi’s boek zien we de winst die deze benadering opbrengt volop terug.
Het derde
en laatste deel, ‘dynamiek’, is het minst concreet. Hoewel diverse voorbeelden
de tekst verlevendigen, staat dit deel over de Generaliteitslanden (hoofdstuk
6) en bekeerlingen (hoofdstuk 7) minder in het teken van individuele keuzes en
overwegingen. Wel levert deze keuze nieuwe inzichten op. Lenarduzzi concludeert
bijvoorbeeld dat katholieken in de Generaliteitslanden het soms beter hadden
dan hun lotgenoten boven de rivieren. Onder de rivieren beleden zij hun geloof
openlijker en gebruikten soms agressie om hun stem te laten horen. In de
Generaliteitslanden was daarom geen sprake van een ‘subcultuur’ zoals in de
noordelijke gewesten, maar eerder van een ‘tegencultuur’.
Waar Lenarduzzi wellicht een kans laat liggen, en waar ze haar publiek weinig over informeert, is de verhouding tussen katholieken en gereformeerden. Hoe gingen zij met elkaar om? Waar ontmoetten zij elkaar? Waren hun werelden gescheiden? Dit boek suggereert impliciet dat katholieken gescheiden leefden van hun gereformeerde dorps- en stadsgenoten, door te wijzen op de bestaande katholieke netwerken. Maar ook hier lagen de theorie en de praktijk ver uit elkaar. Lenarduzzi is zich daarvan wel bewust en benoemt af en toe dat katholieken de oorlog net zo goed steunden als gereformeerden.
Waar Lenarduzzi wellicht een kans laat liggen, en waar ze haar publiek weinig over informeert, is de verhouding tussen katholieken en gereformeerden. Hoe gingen zij met elkaar om? Waar ontmoetten zij elkaar? Waren hun werelden gescheiden?
De
verhouding tussen beide groepen zou echter, met behulp van de kennis uit
Lenarduzzi’s boek, opnieuw moeten worden onderzocht. Want pas dan kun je de vraag
stellen die vandaag de dag actueel is: hoe geïntegreerd was de 17de-eeuwse
Republiek? Dat maakt Katholiek in de
Republiek overigens niet minder indrukwekkend en belanghebbend. Dit boek is
een absolute aanrader voor mensen die geïnteresseerd zijn in geschiedenis en
die meer willen weten over gewone mensen in de Republiek (binnen en buiten
Holland).
E.H.P. Cordfunke, Een graafschap achter de duinen.Het ontstaan en de vorming van het graafschap Holland (850-1100)Zutphen: Uitgeverij Walburg Pers, 2018, 144 pp, ISBN: 9789462493407. Prijs: € 24,95,- ; Kees Nieuwenhuijsen,Strijd om West-Frisia. De ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland: 900-1100 Utrecht, Uitgeverij Omniboek, 2016, 288 pp, ISBN: 9789401907569. Prijs: 20,99; Henk ‘t Jong, De dageraad van Holland. De geschiedenis van het graafschap 1100-1300Utrecht: Uitgeverij Omniboek, 2018, 400 pp, ISBN: 9789020534863. Prijs: € 25,-
Henk
Looijesteijn, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
E.H.P. Cordfunke, Een graafschap achter de duinen.Het ontstaan en de vorming van het graafschap Holland (850-1100)(Zutphen 2018)
In een meer
nationalistisch ingesteld tijdvak moesten schoolkinderen in Nederland leren dat
er aan de vele Willems uit het Huis van Oranje de Dirken, Florissen, Willems en
Jannen van het graafschap Holland vooraf gingen. Holland was immers het
kerngewest van het moderne Nederland. De graven moesten uit het hoofd worden
geleerd, en gelukkig kon je er makkelijk ezelsbruggetjes van maken – ‘Dikkie
Dikkie Arnoud, Dikkie Dikkie Floor, Dikkie Floor, Dikkie Floor’ enzovoort –
maar ondanks al dat namengestamp is de geschiedschrijving over de Hollandse
graven toch tamelijk bescheiden. Het beste overzicht van de opeenvolgende
graven van Holland is nog vrij recent, van 1995, met een bijgewerkte uitgave in
2016: Graven van Holland. Middeleeuwse vorsten in woord en beeld
(880-1580) van Dick de Boer en Erik Cordfunke. Beide uitgaven bieden een kleurrijk
geïllustreerd overzicht met beknopte biografieën per graaf. De echtgenotes van
de graven uit het Hollandse Huis zijn in 1987 op een rij gezet door Erik
Cordfunke: Gravinnen van Holland.
Huwelijk en huwelijkspolitiek van de graven uit het Hollandse Huis (Zutphen
1987). Hun opvolgsters uit de huizen Avesnes en Wittelsbach worden daarin
buiten beschouwing gelaten.
Aan individuele graven is zelden een boek gewijd: graaf Willem II, die
het tot Roomskoning schopte, was het onderwerp van verschillende monografieën,
maar de laatste daarvan dateren nog uit de 19de eeuw en zijn geschreven door
Duitse historici die vooral in zijn koningschap waren geïnteresseerd. Zijn zoon
Floris V is de enige graaf die bij een breder publiek bekend is, en waar in de
20ste eeuw verschillende studies aan zijn gewijd, het laatst in 1996, toen ter
gelegenheid van de herdenking van zijn 700ste sterfjaar een fraai naslagwerk
over zijn leven werd uitgebracht, bezorgd door onder andere De Boer en
Cordfunke: Wi Florens. De Hollandse graaf
Floris V in de samenleving van de 13de eeuw (Zutphen 1996). Na Floris is de
wat tragische figuur van Jacoba van Beieren wellicht nog het bekendst, en over
haar heeft Antheun Janse Een pion voor
een dame (Amsterdam 2010) geschreven. Andere Hollandse graven wachten
echter nog steeds op een monografie: met name over de Henegouwse en Beierse
graven, maar ook over de ondernemende graaf Willem I, zou makkelijk een
afzonderlijk boek geschreven kunnen worden.
De laatste jaren zijn er echter een aantal boeken verschenen die in het bijzonder de ontstaans- en wordingsgeschiedenis van het jonge graafschap Holland behandelen – of liever, Holland voordat het Holland werd, want tot het begin van de 12de eeuw heeft men het eerder over graven in Friesland, zoals het gehele kustgebied tussen Zwin en Weser wordt aangeduid. Munthistoricus Dirk Jan Henstra (1927-2016) publiceerde een overzicht van alle graven in dit gebied, waarbij uiteraard ook de West-Friese graven aan de orde kwamen: Friese graafschappen tussen Zwin en Wezer. Een overzicht van de grafelijkheid in middeleeuws Frisia (ca. 700-1200) (Assen 2012). In zekere zin borduurt Kees Nieuwenhuijsen in zijn in 2016 verschenen Strijd om West-Frisia daar op voort. Zijn boek gaat over de tijd waarin de oudste graven van het later als Hollandse Huis aangeduide geslacht hun macht vestigden in wat nu Holland is. Henk ’t Jong zet het verhaal van Holland en het Hollandse Huis voort in een in 2018 uitgebracht vervolgboek, De dageraad van Holland; en Erik Cordfunke heeft in hetzelfde jaar op het boek van Nieuwenhuijsen gereageerd met een eigen versie van de vroegste geschiedenis van het graafschap Holland, Een graafschap in de duinen.
De geschiedschrijving van het graafschap Holland zit duidelijk in de lift, met maar liefst drie boeken. Dat zijn er overigens niet te veel, want al is over de individuele oudste graven vóór de 13de eeuw soms maar heel weinig bekend, uit deze drie boeken blijkt dat er niet alleen veel te vertellen valt over deze vroege tijd, maar ook dat die geschiedenis nog veel vragen doet rijzen, waar toekomstige historici van het graafschap Holland zich over kunnen buigen. Daar kom ik nog op terug.
De geschiedschrijving van het graafschap Holland zit duidelijk in de lift, met maar liefst drie boeken.
Kees Nieuwenhuijsen,Strijd om West-Frisia. De ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland: 900-1100 (Utrecht 2016)
De boeken van Nieuwenhuijsen en ‘t Jong zijn door dezelfde uitgever uitgebracht, Omniboek, en zijn goed verzorgd, rijkelijk voorzien van afbeeldingen, kaartjes en stambomen, met een prettig leesbare letter. De hoofdstukken zijn in de regel betrekkelijk kort en worden onderbroken door kaders waarin bepaalde zaken worden uitgelicht – al is zo’n kader een enkele keer zo groot dat je je afvraagt of het niet beter gewoon onderdeel van de hoofdtekst was geweest. Jammer is wel dat er in beide boeken een bladwijzer naar de individuele afbeeldingen, kaarten en stambomen ontbreekt, zodat men het hele boek moet doorbladeren als men iets wil terugzoeken. Nieuwenhuijsen behandelt zijn stof in zekere zin thematisch, bij ’t Jong is de stof vooral geconcentreerd rond de opeenvolgende graven. De graven van de 12de en 13de eeuw komen namelijk helderder uit de beschikbare bronnen naar voren dan hun voorvaderen in de 10de en 11de eeuw. Nieuwenhuijsen besteedt onder andere een hoofdstuk aan de ontginning van de veengronden die ten grondslag lag aan de oostwaartse expansie van de Hollandse graven, die het mede daarom steeds aan de stok hadden met de Utrechtse bisschoppen; ’t Jong besteedt naast de graven in het bijzonder aandacht aan het ontstaan van de steden.
Cordfunkes
boek is van een andere uitgever, eveneens goed verzorgd met afbeeldingen,
kaartjes en korte genealogische schema’s, en behandelt een tijdvak van drie
eeuwen, van halverwege de 9de tot halverwege de 12de eeuw. De redactie had wel
wat beter gekund: soms zijn er letters uit woorden weggevallen, een andere keer
te veel, duidelijk verschrijvingen die een tweede lezer eruit had kunnen halen.
Ook hier moet men trouwens het boek doorbladeren voor kaartjes en de
genealogische schema’s. Cordfunke legt, zoals valt te verwachten, weer andere
accenten dan Nieuwenhuijsen – zo gaat hij bijvoorbeeld dieper in op de
betekenis van de abdij Egmond voor de vroege graven.
De boeken
van Nieuwenhuijsen en ’t Jong zijn omvangrijker dan het boek van Cordfunke en zijn
diepgaander. Samen vormen zij een mooi overzicht van wat
er nu bekend is over de graven van Holland en de wording van hun graafschap in
die cruciale vier eeuwen die het gewest Holland vormden. Het is duidelijk dat
er desalniettemin keuzes moesten worden gemaakt: zo zijn de hoofdstukken over
Willem II en Floris V in De dageraad van
Holland wat kort in vergelijking met wat er over deze graven bekend is,
maar dan zou het boek vermoedelijk een keer zo dik worden, en ’t Jong heeft terecht
gestreefd naar evenwicht in het behandelen van de graven. Wellicht speelde dat
ook voor Nieuwenhuijsen, die bijvoorbeeld weer weinig ingaat op de
huwelijkspolitiek van de 11de- en 12de-eeuwse graven, die opmerkelijk vaak met
Saksische gravendochters trouwden, zoals Cordfunke al vaststelde in zijn Gravinnen van Holland.
Henk ‘t Jong, De dageraad van Holland. De geschiedenis van het graafschap 1100-1300 (Utrecht 2018).
De drie
boeken zijn allen bedoeld als synthetiserend overzicht, waarbij met name de
vele nieuwe archeologische inzichten over de vroege geschiedenis van het gebied
dat het graafschap Holland ging vormen een plaats krijgen. Nieuwenhuijsen en ’t
Jong zijn beiden afkomstig uit de levendige re-enactment
wereld die veel praktische kennis heeft opgeleverd over het leven van de
middeleeuwers. ’t Jong gaat zo ver dat hij geen afbeeldingen later dan de
besproken periode opneemt, hetgeen goed werkt omdat de beeldvorming vaak wordt
bepaald door wat gebruikelijk was in de 14de en 15de eeuw. Zijn beslissing om
geen bronnen te gebruiken die niet eigentijds zijn, is wellicht een al te
strikte toepassing, omdat het onder meer de 14de-eeuwse Utrechtse
geschiedschrijving van Johannes de Beke uitsluit. De Beke mag dan niet altijd
even betrouwbaar zijn, hij wordt wel degelijk gebruikt door andere historici,
zoals bleek uit de vergelijking tussen wat ’t Jong schrijft over Willem II en
wat De Boer en Cordfunke over de roomskoning schrijven.
’t Jong legt dat verschil overigens niet uit, en daarmee is meteen gewezen op de nadelen van een synthetiserende aanpak – iets wat geldt voor alle drie de boeken. Lang niet altijd wordt uitgelegd waarom de auteur een bepaald standpunt inneemt. Van discussie met andere historici is weinig sprake, en dat is jammer omdat het de lezer zo niet altijd duidelijk is waarin deze schrijvers nu afwijken van eerdere historici. Cordfunke doet dat nog het meest – en wekt ook de indruk dat zijn boek is geschreven in antwoord op dat van Nieuwenhuijsen – maar met name bij meer prikkelende stellingen blijft de historicus onder de lezers met vragen zitten.
Zo verklaart
Nieuwenhuijsen dat Dirk III zijn grafelijke waardigheid deelde met zijn broer
Sicco of Siegfried, die dan in het noordelijke deel van het vaderlijk
graafschap het gezag zou hebben uitgeoefend. Ook het broederpaar Dirk IV en
Floris I zouden samen hebben geregeerd. Die terugkerende broederheerschappij is
een boude en prikkelende stelling die ik niet eerder was tegengekomen, maar die
echter niet wordt onderbouwd en nadere uitwerking had verdiend. ’t Jong
suggereert zoiets voor Dirk VI en diens broer Floris de Zwarte, en het is
opmerkelijk dat de latere Willem I blijkbaar verwachtte dat zijn broer Dirk VII
hem een belangrijkere rol gaf dan hij aanvankelijk kreeg, hetgeen tot
moeilijkheden leidde, en uiteindelijk een grafelijke rol in Friesland. Het
lijkt er dus op alsof Nieuwenhuijsen hier iets te pakken heeft dat aan eerdere
historici is ontgaan. Cordfunke reageert in zijn boek op Nieuwenhuijsens voorstelling
en komt met sterke argumenten waarom het bijvoorbeeld onwaarschijnlijk is dat
Sicco de grafelijke waardigheid bezat. Hij verwerpt ook een broederheerschappij
voor Dirk IV en Floris I.
De drie boeken zijn allen bedoeld als synthetiserend overzicht, waarbij met name de vele nieuwe archeologische inzichten over de vroege geschiedenis van het gebied dat het graafschap Holland ging vormen een plaats krijgen.
Waar
Cordfunke op andere punten afwijkt van Nieuwenhuijsen wordt dat echter niet altijd
onderbouwd. Ook ’t Jong laat soms na om zijn mening te beargumenteren, zo stelt
hij dat wat een Duitse historicus schreef over het latere leven van gravin Ada
hem niet kan overtuigen, maar zonder nadere uitleg. Zo zijn er in alle drie de
boeken wel zaken die vragen doen rijzen: waarom zocht Floris III bijvoorbeeld
een bruid in Engeland? Wie was Ansfried en waar regeerde hij? Waarom stichtte
Godfried met de Bult Delft? Wie was Swithard? Om dan nog maar te zwijgen van de
mogelijkheid van broederheerschappij: iets wat wellicht nader in context kan
worden geplaatst als men de Hollandse graven zou vergelijken met hoogadellijke
families elders.
Welbeschouwd
zijn het de voor deze Hollandse graven zo magere bronnen die tot dergelijke afwijkende
interpretaties van het Hollandse gravenverleden leiden. Elke bron die er is
moet drie keer omgedraaid worden en is zelfs dan nog voor meerdere uitleg
vatbaar, waardoor het soms niet eenvoudig is een helder beeld te krijgen van
het Hollandse gravenverleden. Zo stelt ’t Jong dat de graven pas een ruiterzegel
gebruikten als ze tot ridder waren geslagen, maar Jan I is nooit tot ridder
geslagen en gebruikte toch een ruiterzegel. Dat doet de vraag rijzen of
dergelijke uitzonderingen op de regel vaker voorkwamen, en hoe sterk die regel
dan was. Wat trouwens in alle drie de boeken ontbreekt, is een vergelijking
tussen de Hollandse graven en hun standgenoten elders. Wellicht zou dat helpen
om de gaten van de bronnen enigszins in te vullen. Welke rol speelde
bijvoorbeeld het erfrecht? Uit later tijd is bekend dat het wel eens werd
gemanipuleerd om een bepaalde erfopvolging mogelijk te maken. Gebeurde dat
vaker? Opvallend is dat vrouwen blijkbaar niet zonder meer waren uitgesloten
van de opvolging, maar dat aan de andere kant elke regerende gravin te maken
kreeg met mannelijke uitdagers. Geen van deze vrouwen – Ada noch Margaretha,
noch Jacoba – kon zich trouwens op de lange duur handhaven. Een andere vraag is
waarom sommige gravenmoeders wel regentes konden zijn voor hun zoon, terwijl
anderen nooit een politieke rol van betekenis speelden tijdens de
minderjarigheid van hun zoon.
Kortom, er blijven vragen te over en er valt nog genoeg te ontraadselen van de geheimen van de middeleeuwse Hollandse gravengeschiedenis. Dat neemt niet weg dat met name de doorwrochte werken van Nieuwenhuijsen en ’t Jong aanwinsten zijn voor de Hollandse geschiedschrijving, en uitgangspunt kunnen zijn voor een nadere bestudering van de graven van Holland. Zoals gezien is er voldoende aanleiding voor meer debat over het Hollandse gravenverleden. Cordfunke’s Graafschap achter de duinen is aanzienlijk beknopter en lijkt vooral te zijn geschreven als reactie op het boek van Nieuwenhuijsen, maar is niettemin nuttig als aanvulling.
at neemt niet weg dat met name de doorwrochte werken van Nieuwenhuijsen en ’t Jong aanwinsten zijn voor de Hollandse geschiedschrijving, en uitgangspunt kunnen zijn voor een nadere bestudering van de graven van Holland.
Wat wellicht nu de meeste prioriteit zou hebben voor de Hollandse grafelijke geschiedschrijving is een vervolgboek over de graven in de 14de en 15de eeuw. Maar zoals gezegd zullen eveneens tot nu toe uitgebleven vergelijkende studies van groot nut kunnen zijn voor een beter begrip van de mannen en vrouwen die uiteindelijk de grondslagen van het gewest Holland legden. Zo bekend als hun namen met name de ouderen onder ons nog in de oren klinken, het laatste woord over de Hollandse graven is nog lang niet gezegd.
Bart van der Steen, In Leiden moet het anders. Geschiedenis van een SP-afdeling 1970-1982, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2019, 178 pp., geïllustreerd, isbn: 9789087047931. Prijs: €19,-.
Fons
Meijer, Radboud Universiteit Nijmegen
Bijna 20 jaar geleden liet schrijver en journalist Kees Slager in Het geheim van Oss. Een geschiedenis van de SP zien dat de Socialistische Partij (SP) in de Noord-Brabantse industriestad snel een stevige voet aan de grond wist te krijgen. Maar, zoals historicus Bob Reinalda in zijn bespreking van Slagers boek in BMGN al benoemde: ‘de rest van Nederland is Oss niet’. De Leidse historicus Bart van der Steen heeft met In Leiden moet het anders. Geschiedenis van een SP-afdeling, 1970-1982 duidelijk gemaakt dat de succesvolle geschiedenis van de Osse SP niet in alle opzichten representatief is voor andere steden. Aan de hand van een particulier archief van twee Leidse SP-leden, krantenartikelen en interviews met betrokkenen gaat Van der Steen na hoe de afdeling in de Zuid-Hollandse stad zich in de jaren zeventig ontwikkelde.
Zoals Van der Steen in de inleiding terecht opmerkt, was de situatie in Leiden heel anders dan in Oss. Waar in Oss de oppermachtige Katholieke Volkspartij (KVP) een ideale tegenstander was, moest de Leidse SP vooral de concurrentie aangaan met andere linkse partijen en organisaties. En waar de vele fabrieken in Oss een goede voedingsbodem bleken voor grootschalige fabrieksactie, was de rol van de industrie in Leiden in de jaren zeventig al grotendeels uitgespeeld. Door een combinatie van deze factoren slaagde de SP-Leiden er pas twaalf jaar na de oprichting in om haar eerste gemeenteraadszetel te veroveren.
Aan de hand van een particulier archief van twee Leidse SP-leden, krantenartikelen en interviews met betrokkenen gaat Van der Steen na hoe de afdeling in de Zuid-Hollandse stad zich in de jaren zeventig ontwikkelde.
Aan de inzet heeft het niet gelegen. Uit het eerste hoofdstuk blijkt dat de SP – tot 1972 Kommunistiese Eenheidsbeweging Nederland (KEN) geheten – er in Leiden vroeg bij was. De KEN was een in 1970 opgerichte maoïstische kaderpartij, die geloofde dat de revolutie niet in de theorie, maar enkel in de praktijk bewerkstelligd kon worden. Indachtig deze filosofie werd van alle leden verwacht dat zij de wijken in zouden trekken en met de partijkrant zouden colporteren. De Leidse afdeling van de KEN werd datzelfde jaar nog opgericht door een groep radicale jongeren en studenten, die zich in de jaren zestig al had ingezet voor universiteitsdemocratisering en zich nu in dienst wilde stellen van de arbeidersklasse.
In de volgende hoofdstukken beschrijft Van der Steen de verschillende thema’s waar de Leidse SP zich op richtte. Hier wordt duidelijk dat de wijze waarop de SP-Leiden zich in die jaren manifesteerde niet fundamenteel verschilde van de wijze waarop dit in Oss gebeurde. Ook de SP-Leiden organiseerde acties tegen huurverhogingen, tegen milieuvervuiling en voor internationale solidariteit. Eveneens kenmerkend voor zowel Leiden als Oss was de wijze waarop de SP hierbij gebruikmaakte van mantelorganisaties, ook wel ‘massaorganisaties’, als de Bond voor Huurders en Woningzoekenden (BHW) en het Milieu Actiecentrum Nederland (MAN). Deze mantelorganisaties hadden als taak op specifieke thema’s acties te organiseren, om zo nog dichter bij het volk te kunnen staan. Het semionafhankelijke karakter van deze organisaties was voor SP-Leiden tegelijkertijd één van de zwaktes: Van der Steen laat zien dat het succes van een mantelorganisatie niet per se tot versterking van de partij leidde. Dit was evenwel niet alleen voor SP-Leiden een probleem, want in 1977 werden alle massaorganisaties afgeschaft en vervangen door een algemenere, duidelijker aan de partij verbonden SP Hulp- en Informatiedienst.
Een andere complicerende factor was dat de SP in Leiden lang gezien werd als een te radicale partij. Dit was niet onterecht, want in de eerste jaren had de partij sektarische trekken en was bijna alles gericht op vereenzelviging met de arbeider. Leden moesten hun haren knippen, hun kledingstijl aanpassen en eventuele studies afbreken om in de fabriek te gaan werken. Een amusante anekdote die Van der Steen in dit verband opdist, heeft betrekking op Henri Boddé. Toen hij zich in 1971 meldde bij de partij, werd hij door zijn medeleden consequent ‘Harry’ genoemd, omdat zijn echte naam te elitair was. Van der Steen maakt inzichtelijk dat de partij zich echter al vrij snel gematigder op ging stellen. Haar aandacht ging minder uit naar buurtacties en meer naar het oplossen van concrete problemen. Mede vanuit deze overgang kan de eerste gemeenteraadszetel in 1982 verklaard worden, zo betoogt Van der Steen.
Hoewel de eerste zetel in sommige opzichten misschien een logisch eindpunt is, had Van der Steen meer reliëf en body aan het boek kunnen geven door juist de periode na 1982 ook bij zijn onderzoek te betrekken. Dit neemt niet weg dat de auteur er in is geslaagd een interessant, goed leesbaar en bij vlagen vermakelijk boek te schrijven over een enthousiaste club mensen die vanuit Leiden de wereld wilde veranderen.
Na de gemeenteraadsverkiezingen van 1982 houdt Van der Steen er echter vrij plotseling en zonder duidelijk motivatie mee op en dat is jammer. Bij de SP is er namelijk altijd een bijna fundamentele spanning geweest tussen formele representatie en buitenparlementaire actie en deze had mooi onderzocht kunnen worden voor de jaren die volgden op de eerste Leidse SP-zetel. Hoe gingen de eerste gemeenteraadsleden met deze spanning om? Hoewel de eerste zetel in sommige opzichten misschien een logisch eindpunt is, had Van der Steen meer reliëf en body aan het boek kunnen geven door juist de periode na 1982 ook bij zijn onderzoek te betrekken. Dit neemt niet weg dat de auteur er in is geslaagd een interessant, goed leesbaar en bij vlagen vermakelijk boek te schrijven over een enthousiaste club mensen die vanuit Leiden de wereld wilde veranderen.
Fred van Lieburg, Synodestad. Dordrecht 1618–1619, Amsterdam: Uitgeverij Prometheus, 2019, 368 pp., geïllustreerd, ISBN: 9789044638318. Prijs €24,99
Jos de Weerd, Vrije Universiteit Amsterdam
Fred van Lieburg is een ambachtsman en zijn nieuwste boek een aanwinst. Synodestad gaat over Hollands oudste stad: Dordrecht; in 1618 en 1619 het toneel van één van de meest memorabele godsdienstbesprekingen ooit gehouden. Het boek beantwoordt feilloos aan het doel dat de hoogleraar religiegeschiedenis aan de Vrije Universiteit zich stelde: het vertellen van een nieuw verhaal over de synode van Dordrecht als lokaal evenement, onderdeel van een nationale staatsgreep in de context van een internationale godsdienststrijd. Een nieuw verhaal is het zeker. Doeltreffend wordt de ballast van geijkte beeldvorming afgeworpen, zowel in historische als in eigentijdse zin.
Van Lieburg gebruikt drie middelen om bestaande beelden over de synode te bestrijden. Om te beginnen is er de geduchte hoeveelheid bronnenmateriaal. Niet alleen de acta van de kerkvergadering zelf, maar vooral ook geschriften van betrokken theologen, brieven van deelnemers aan het thuisfront, verslagen van ooggetuigen, en annalen van politieke vergaderingen als de Staten-Generaal vormen de bouwstenen waarmee Van Lieburg zijn verhaal opbouwt. Ingegeven door zijn kennis van de stad Dordrecht wordt een methode zichtbaar waarbij een lokale situatie het venster vormt waardoor de lezer kijkt naar de bredere politieke, sociaal-culturele en religieuze context van de vroege 17de eeuw. Daarbij komt dat de schrijver zijn bronnen zo weet in te zetten dat men wel erg dicht op de huid van mannen als Bogerman en Gomarus kan komen. Dan blijkt dat de iconische ‘Dordste vaderen’ nogal eens onhandig en heetgebakerd konden optreden en uiteindelijk verwerden tot theologische speelballen van meedogenloze politici. De insteek die Van Lieburg hanteert geeft de vermakelijke vertelling een serieuze ondertoon mee.
Het boek beantwoordt feilloos aan het doel dat de hoogleraar religiegeschiedenis aan de Vrije Universiteit zich stelde: het vertellen van een nieuw verhaal over de synode van Dordrecht als lokaal evenement, onderdeel van een nationale staatsgreep in de context van een internationale godsdienststrijd.
Het
tweede instrument dat Van Lieburg inzet is de aandacht voor de verstrengeling
van politiek en religie. Het boek begint er al mee, als hij uit de doeken doet
waarom de nationale synode in Dordrecht werd gehouden. In de Staten-Generaal maakte
men een groslijst van mogelijke vergadersteden. Uiteindelijk viel de keus niet
op Utrecht of Den Haag, maar op het neutraal gewaande Dordrecht. De stad onderhield
warme banden met het kamp van Maurits, maar de stadhouder was niet gerust op
een goede afloop voor de contraremonstranten. Gevoed door wantrouwen bracht hij
zijn Dordtse vertrouwelingen in stelling. Hen werd opgedragen de verkiezing van
gelijkgestemde schepenen te bewerkstelligen en elk ‘kwaadwillend geluid’ de kop
in te drukken. Politieke strategie, kerkelijke opvattingen en theologische
scherpslijperij lopen als een vervlochten rode draad door het verhaal. En juist
politiek deed ertoe. Het schilderij dat Pouwels Weyts de Jonge in 1621 maakte
van de synode, en dat de fraaie omslag van Synodestad
siert, toont aan de zolderbalken van de Doelenzaal een dubbel schellekoord met
daaraan handvatten voor de politieke en kerkelijke voorzitter. Beide partijen
trokken letterlijk aan de touwtjes, zoals Van Lieburg laat zien. Daarmee
corrigeert hij het dominante beeld van de synode als louter theologisch
evenement.
Als laatste is er het historische verhaal waar een verklarende werking vanuit gaat. Daarmee is Synodestad meer dan een goede vertelling. Het beantwoordt aan het hoofddoel van de historische wetenschap. Een voorbeeld daarvan is de veelal vaag omschreven kwestie van het vermeende verraad van Episcopius. Na weken wachten hield deze remonstrantse voorman ten overstaan van zijn kerkelijke tegenstanders een eerste toespraak en uitte daarin zware beschuldigingen tegen de synode. Toen voorzitter Bogerman na afloop de tekst opeiste, ontkende Episcopius er uitgeschreven exemplaar in bezit te hebben. Na toenemende druk overhandigde hij ineens toch een net opgemaakte versie, en dus niet de kladversie die gedurende het relaas door hem in handen was gehouden. Over het ‘hoe’ en ‘waarom’ van deze opzienbarende actie is veel gediscussieerd, maar weinig zekerheid verkregen. Toch slaagt Van Lieburg erin een plausibele verklaring aan te reiken. Door simpelweg te redeneren vanuit de historische actoren zelf komt hij tot de conclusie dat zich na de rede van Episcopius een misverstand voordeed, maar dat uiteindelijk het beeld van gewiekste remonstranten niet meer was weg te nemen. Op deze manier weet Van Lieburg de veroordeling van de kerkelijke onruststokers op een andere manier begrijpelijk te maken.
De spanning die dat met zich meebrengt, is op een knappe manier aan het papier toevertrouwd, zonder dat de wetenschappelijk methode uit het oog wordt verloren. Synodestad is boeiend, maar evengoed fundamenteel.
Toch kleeft
er ook een nadeel aan het boek. De hang naar volledigheid is acceptabel, maar de
grote hoeveelheid namen en feiten ontneemt soms het zicht op de verhaallijn. Desondanks
zit de lezer regelmatig met het zweet in de handen. Mensen van vlees en bloed
domineren de historische reconstructie. De spanning die dat met zich meebrengt,
is op een knappe manier aan het papier toevertrouwd, zonder dat de
wetenschappelijk methode uit het oog wordt verloren. Synodestad is boeiend, maar evengoed fundamenteel.