Carolina Lenarduzzi, Katholiek in de Republiek. De belevingswereld van een religieuze minderheid, Uitgeverij Vantilt: Nijmegen, 2019; geïllustreerd, pp. 476, ISBN: 9789460044762. Prijs: €28,50
Marianne Eekhout, conservator Stadsgeschiedenis van Dordrechts Museum
Met Katholiek in de Republiek levert
historica en juriste Carolina Lenarduzzi een belangrijke bijdrage aan de
historiografie over de grootste ‘minderheid’ in de Republiek, de katholieken. Ze
bestudeert ‘wat het in de praktijk van alledag betekende om katholiek te zijn
in de gereformeerde Republiek’ en presenteert haar publiek hoe een
achtergestelde groep zich manifesteerde, welke middelen zij daarvoor gebruikte
en in hoeverre zij het systeem durfde te tarten.
De
afgelopen jaren is de wetenschappelijke aandacht voor katholieken als groep
flink gegroeid. Hoewel ze numeriek in de meerderheid waren, sloten
gereformeerden katholieken in de Republiek stelselmatig buiten. Ze mochten
onder andere hun geloof niet langer in het openbaar belijden en ze mochten geen
politiek bedrijven. Vanuit ons huidige perspectief, met steeds meer aandacht
voor inclusie en diversiteit, is deze groep bijzonder interessant. Want wat
doet een katholiek in de Republiek wanneer het gaat om zijn of haar geloof en
positie in de samenleving?
Lenarduzzi’s conclusies sluiten aan op de bestaande literatuur, maar gaan ook een stap verder. Haar gedegen aanpak, uitgebreide onderzoek naar de hele Republiek en haar prettige schrijfstijl leveren een prachtig overzichtswerk op. Ze deelt haar boek op in drie delen en zeven hoofdstukken. Alle hoofdstukken hebben op zichzelf staande thematieken, waaronder herinneringscultuur, materiële cultuur en bekering. De drie delen bieden de lezer een duidelijke structuur. Het eerste deel ‘van mainstream naar marginale cultuur’ geeft een beeld van de grenzen in de katholieke speelruimte nadat de gereformeerden aan de macht zijn gekomen. Wat gebeurt er als je je moet terugtrekken in de marge? En hoe ga je in tijden van chaos en oorlog om met je eigen katholieke identiteit en je Nederlandse identiteit? In dit deel van het boek, en vooral in hoofdstuk 2, is Lenarduzzi op haar sterkst. Het volgen van de families Buyck en Van Veen en het analyseren van hun behoeften, afwegingen en posities in de maatschappij zorgen ervoor dat de 17de-eeuwse katholiek even heel dichtbij komt. De details wekken de personen tot leven; de lezer ziet hun individuele keuzes binnen een gecompliceerde leefomgeving.
Lenarduzzi’s conclusies sluiten aan op de bestaande literatuur, maar gaan ook een stap verder. Haar gedegen aanpak, uitgebreide onderzoek naar de hele Republiek en haar prettige schrijfstijl leveren een prachtig overzichtswerk op.
De analyses
in hoofdstuk 1 en 3 geven deze verhalen de benodigde context. In hoofdstuk 1
komt de praktijk van het katholieke geloofsleven naar voren. Allerlei dilemma’s
maken duidelijk dat katholieken continu keuzes moesten maken. Wat doe je als
volgens de religie je huwelijk gesloten moest worden door een priester, maar
dat volgens de overheid illegaal was? Moest je je bekeren tot het gereformeerde
geloof om politiek te kunnen blijven bedrijven zoals je (voor)ouders?
Lenarduzzi laat zien dat katholieken zich echter geen ‘rechteloze, passieve
burgers voelden’. Als ze mogelijkheden zagen dan lieten ze die niet onbenut.
Het tweede deel, genaamd ‘de katholieke gedragscode’, laat zien hoe katholieken hun eigen identiteit versterkten met behulp van materiële cultuur (hoofdstuk 4) en religieuze muziek (hoofdstuk 5). Het integreren van materiële bronnen zoals schilderijen, kleding en heiligenbeelden en immateriële bronnen zoals muziek is een grote aanwinst voor historisch onderzoek. In Lenarduzzi’s boek zien we de winst die deze benadering opbrengt volop terug. Objecten roepen meer emotie op bij mensen dan documenten. Zo verstopten katholieken relieken, pasten ze hun kleding aan, liepen ze stiekem processieroutes en luisterden ze naar verboden muziek(instrumenten). Dit creëerde gemeenschapsgevoel en gaf hoop voor de toekomst.
Het integreren van materiële bronnen zoals schilderijen, kleding en heiligenbeelden en immateriële bronnen zoals muziek is een grote aanwinst voor historisch onderzoek. In Lenarduzzi’s boek zien we de winst die deze benadering opbrengt volop terug.
Het derde
en laatste deel, ‘dynamiek’, is het minst concreet. Hoewel diverse voorbeelden
de tekst verlevendigen, staat dit deel over de Generaliteitslanden (hoofdstuk
6) en bekeerlingen (hoofdstuk 7) minder in het teken van individuele keuzes en
overwegingen. Wel levert deze keuze nieuwe inzichten op. Lenarduzzi concludeert
bijvoorbeeld dat katholieken in de Generaliteitslanden het soms beter hadden
dan hun lotgenoten boven de rivieren. Onder de rivieren beleden zij hun geloof
openlijker en gebruikten soms agressie om hun stem te laten horen. In de
Generaliteitslanden was daarom geen sprake van een ‘subcultuur’ zoals in de
noordelijke gewesten, maar eerder van een ‘tegencultuur’.
Waar Lenarduzzi wellicht een kans laat liggen, en waar ze haar publiek weinig over informeert, is de verhouding tussen katholieken en gereformeerden. Hoe gingen zij met elkaar om? Waar ontmoetten zij elkaar? Waren hun werelden gescheiden? Dit boek suggereert impliciet dat katholieken gescheiden leefden van hun gereformeerde dorps- en stadsgenoten, door te wijzen op de bestaande katholieke netwerken. Maar ook hier lagen de theorie en de praktijk ver uit elkaar. Lenarduzzi is zich daarvan wel bewust en benoemt af en toe dat katholieken de oorlog net zo goed steunden als gereformeerden.
Waar Lenarduzzi wellicht een kans laat liggen, en waar ze haar publiek weinig over informeert, is de verhouding tussen katholieken en gereformeerden. Hoe gingen zij met elkaar om? Waar ontmoetten zij elkaar? Waren hun werelden gescheiden?
De
verhouding tussen beide groepen zou echter, met behulp van de kennis uit
Lenarduzzi’s boek, opnieuw moeten worden onderzocht. Want pas dan kun je de vraag
stellen die vandaag de dag actueel is: hoe geïntegreerd was de 17de-eeuwse
Republiek? Dat maakt Katholiek in de
Republiek overigens niet minder indrukwekkend en belanghebbend. Dit boek is
een absolute aanrader voor mensen die geïnteresseerd zijn in geschiedenis en
die meer willen weten over gewone mensen in de Republiek (binnen en buiten
Holland).
E.H.P. Cordfunke, Een graafschap achter de duinen.Het ontstaan en de vorming van het graafschap Holland (850-1100)Zutphen: Uitgeverij Walburg Pers, 2018, 144 pp, ISBN: 9789462493407. Prijs: € 24,95,- ; Kees Nieuwenhuijsen,Strijd om West-Frisia. De ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland: 900-1100 Utrecht, Uitgeverij Omniboek, 2016, 288 pp, ISBN: 9789401907569. Prijs: 20,99; Henk ‘t Jong, De dageraad van Holland. De geschiedenis van het graafschap 1100-1300Utrecht: Uitgeverij Omniboek, 2018, 400 pp, ISBN: 9789020534863. Prijs: € 25,-
Henk
Looijesteijn, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis
E.H.P. Cordfunke, Een graafschap achter de duinen.Het ontstaan en de vorming van het graafschap Holland (850-1100)(Zutphen 2018)
In een meer
nationalistisch ingesteld tijdvak moesten schoolkinderen in Nederland leren dat
er aan de vele Willems uit het Huis van Oranje de Dirken, Florissen, Willems en
Jannen van het graafschap Holland vooraf gingen. Holland was immers het
kerngewest van het moderne Nederland. De graven moesten uit het hoofd worden
geleerd, en gelukkig kon je er makkelijk ezelsbruggetjes van maken – ‘Dikkie
Dikkie Arnoud, Dikkie Dikkie Floor, Dikkie Floor, Dikkie Floor’ enzovoort –
maar ondanks al dat namengestamp is de geschiedschrijving over de Hollandse
graven toch tamelijk bescheiden. Het beste overzicht van de opeenvolgende
graven van Holland is nog vrij recent, van 1995, met een bijgewerkte uitgave in
2016: Graven van Holland. Middeleeuwse vorsten in woord en beeld
(880-1580) van Dick de Boer en Erik Cordfunke. Beide uitgaven bieden een kleurrijk
geïllustreerd overzicht met beknopte biografieën per graaf. De echtgenotes van
de graven uit het Hollandse Huis zijn in 1987 op een rij gezet door Erik
Cordfunke: Gravinnen van Holland.
Huwelijk en huwelijkspolitiek van de graven uit het Hollandse Huis (Zutphen
1987). Hun opvolgsters uit de huizen Avesnes en Wittelsbach worden daarin
buiten beschouwing gelaten.
Aan individuele graven is zelden een boek gewijd: graaf Willem II, die
het tot Roomskoning schopte, was het onderwerp van verschillende monografieën,
maar de laatste daarvan dateren nog uit de 19de eeuw en zijn geschreven door
Duitse historici die vooral in zijn koningschap waren geïnteresseerd. Zijn zoon
Floris V is de enige graaf die bij een breder publiek bekend is, en waar in de
20ste eeuw verschillende studies aan zijn gewijd, het laatst in 1996, toen ter
gelegenheid van de herdenking van zijn 700ste sterfjaar een fraai naslagwerk
over zijn leven werd uitgebracht, bezorgd door onder andere De Boer en
Cordfunke: Wi Florens. De Hollandse graaf
Floris V in de samenleving van de 13de eeuw (Zutphen 1996). Na Floris is de
wat tragische figuur van Jacoba van Beieren wellicht nog het bekendst, en over
haar heeft Antheun Janse Een pion voor
een dame (Amsterdam 2010) geschreven. Andere Hollandse graven wachten
echter nog steeds op een monografie: met name over de Henegouwse en Beierse
graven, maar ook over de ondernemende graaf Willem I, zou makkelijk een
afzonderlijk boek geschreven kunnen worden.
De laatste jaren zijn er echter een aantal boeken verschenen die in het bijzonder de ontstaans- en wordingsgeschiedenis van het jonge graafschap Holland behandelen – of liever, Holland voordat het Holland werd, want tot het begin van de 12de eeuw heeft men het eerder over graven in Friesland, zoals het gehele kustgebied tussen Zwin en Weser wordt aangeduid. Munthistoricus Dirk Jan Henstra (1927-2016) publiceerde een overzicht van alle graven in dit gebied, waarbij uiteraard ook de West-Friese graven aan de orde kwamen: Friese graafschappen tussen Zwin en Wezer. Een overzicht van de grafelijkheid in middeleeuws Frisia (ca. 700-1200) (Assen 2012). In zekere zin borduurt Kees Nieuwenhuijsen in zijn in 2016 verschenen Strijd om West-Frisia daar op voort. Zijn boek gaat over de tijd waarin de oudste graven van het later als Hollandse Huis aangeduide geslacht hun macht vestigden in wat nu Holland is. Henk ’t Jong zet het verhaal van Holland en het Hollandse Huis voort in een in 2018 uitgebracht vervolgboek, De dageraad van Holland; en Erik Cordfunke heeft in hetzelfde jaar op het boek van Nieuwenhuijsen gereageerd met een eigen versie van de vroegste geschiedenis van het graafschap Holland, Een graafschap in de duinen.
De geschiedschrijving van het graafschap Holland zit duidelijk in de lift, met maar liefst drie boeken. Dat zijn er overigens niet te veel, want al is over de individuele oudste graven vóór de 13de eeuw soms maar heel weinig bekend, uit deze drie boeken blijkt dat er niet alleen veel te vertellen valt over deze vroege tijd, maar ook dat die geschiedenis nog veel vragen doet rijzen, waar toekomstige historici van het graafschap Holland zich over kunnen buigen. Daar kom ik nog op terug.
De geschiedschrijving van het graafschap Holland zit duidelijk in de lift, met maar liefst drie boeken.
Kees Nieuwenhuijsen,Strijd om West-Frisia. De ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland: 900-1100 (Utrecht 2016)
De boeken van Nieuwenhuijsen en ‘t Jong zijn door dezelfde uitgever uitgebracht, Omniboek, en zijn goed verzorgd, rijkelijk voorzien van afbeeldingen, kaartjes en stambomen, met een prettig leesbare letter. De hoofdstukken zijn in de regel betrekkelijk kort en worden onderbroken door kaders waarin bepaalde zaken worden uitgelicht – al is zo’n kader een enkele keer zo groot dat je je afvraagt of het niet beter gewoon onderdeel van de hoofdtekst was geweest. Jammer is wel dat er in beide boeken een bladwijzer naar de individuele afbeeldingen, kaarten en stambomen ontbreekt, zodat men het hele boek moet doorbladeren als men iets wil terugzoeken. Nieuwenhuijsen behandelt zijn stof in zekere zin thematisch, bij ’t Jong is de stof vooral geconcentreerd rond de opeenvolgende graven. De graven van de 12de en 13de eeuw komen namelijk helderder uit de beschikbare bronnen naar voren dan hun voorvaderen in de 10de en 11de eeuw. Nieuwenhuijsen besteedt onder andere een hoofdstuk aan de ontginning van de veengronden die ten grondslag lag aan de oostwaartse expansie van de Hollandse graven, die het mede daarom steeds aan de stok hadden met de Utrechtse bisschoppen; ’t Jong besteedt naast de graven in het bijzonder aandacht aan het ontstaan van de steden.
Cordfunkes
boek is van een andere uitgever, eveneens goed verzorgd met afbeeldingen,
kaartjes en korte genealogische schema’s, en behandelt een tijdvak van drie
eeuwen, van halverwege de 9de tot halverwege de 12de eeuw. De redactie had wel
wat beter gekund: soms zijn er letters uit woorden weggevallen, een andere keer
te veel, duidelijk verschrijvingen die een tweede lezer eruit had kunnen halen.
Ook hier moet men trouwens het boek doorbladeren voor kaartjes en de
genealogische schema’s. Cordfunke legt, zoals valt te verwachten, weer andere
accenten dan Nieuwenhuijsen – zo gaat hij bijvoorbeeld dieper in op de
betekenis van de abdij Egmond voor de vroege graven.
De boeken
van Nieuwenhuijsen en ’t Jong zijn omvangrijker dan het boek van Cordfunke en zijn
diepgaander. Samen vormen zij een mooi overzicht van wat
er nu bekend is over de graven van Holland en de wording van hun graafschap in
die cruciale vier eeuwen die het gewest Holland vormden. Het is duidelijk dat
er desalniettemin keuzes moesten worden gemaakt: zo zijn de hoofdstukken over
Willem II en Floris V in De dageraad van
Holland wat kort in vergelijking met wat er over deze graven bekend is,
maar dan zou het boek vermoedelijk een keer zo dik worden, en ’t Jong heeft terecht
gestreefd naar evenwicht in het behandelen van de graven. Wellicht speelde dat
ook voor Nieuwenhuijsen, die bijvoorbeeld weer weinig ingaat op de
huwelijkspolitiek van de 11de- en 12de-eeuwse graven, die opmerkelijk vaak met
Saksische gravendochters trouwden, zoals Cordfunke al vaststelde in zijn Gravinnen van Holland.
Henk ‘t Jong, De dageraad van Holland. De geschiedenis van het graafschap 1100-1300 (Utrecht 2018).
De drie
boeken zijn allen bedoeld als synthetiserend overzicht, waarbij met name de
vele nieuwe archeologische inzichten over de vroege geschiedenis van het gebied
dat het graafschap Holland ging vormen een plaats krijgen. Nieuwenhuijsen en ’t
Jong zijn beiden afkomstig uit de levendige re-enactment
wereld die veel praktische kennis heeft opgeleverd over het leven van de
middeleeuwers. ’t Jong gaat zo ver dat hij geen afbeeldingen later dan de
besproken periode opneemt, hetgeen goed werkt omdat de beeldvorming vaak wordt
bepaald door wat gebruikelijk was in de 14de en 15de eeuw. Zijn beslissing om
geen bronnen te gebruiken die niet eigentijds zijn, is wellicht een al te
strikte toepassing, omdat het onder meer de 14de-eeuwse Utrechtse
geschiedschrijving van Johannes de Beke uitsluit. De Beke mag dan niet altijd
even betrouwbaar zijn, hij wordt wel degelijk gebruikt door andere historici,
zoals bleek uit de vergelijking tussen wat ’t Jong schrijft over Willem II en
wat De Boer en Cordfunke over de roomskoning schrijven.
’t Jong legt dat verschil overigens niet uit, en daarmee is meteen gewezen op de nadelen van een synthetiserende aanpak – iets wat geldt voor alle drie de boeken. Lang niet altijd wordt uitgelegd waarom de auteur een bepaald standpunt inneemt. Van discussie met andere historici is weinig sprake, en dat is jammer omdat het de lezer zo niet altijd duidelijk is waarin deze schrijvers nu afwijken van eerdere historici. Cordfunke doet dat nog het meest – en wekt ook de indruk dat zijn boek is geschreven in antwoord op dat van Nieuwenhuijsen – maar met name bij meer prikkelende stellingen blijft de historicus onder de lezers met vragen zitten.
Zo verklaart
Nieuwenhuijsen dat Dirk III zijn grafelijke waardigheid deelde met zijn broer
Sicco of Siegfried, die dan in het noordelijke deel van het vaderlijk
graafschap het gezag zou hebben uitgeoefend. Ook het broederpaar Dirk IV en
Floris I zouden samen hebben geregeerd. Die terugkerende broederheerschappij is
een boude en prikkelende stelling die ik niet eerder was tegengekomen, maar die
echter niet wordt onderbouwd en nadere uitwerking had verdiend. ’t Jong
suggereert zoiets voor Dirk VI en diens broer Floris de Zwarte, en het is
opmerkelijk dat de latere Willem I blijkbaar verwachtte dat zijn broer Dirk VII
hem een belangrijkere rol gaf dan hij aanvankelijk kreeg, hetgeen tot
moeilijkheden leidde, en uiteindelijk een grafelijke rol in Friesland. Het
lijkt er dus op alsof Nieuwenhuijsen hier iets te pakken heeft dat aan eerdere
historici is ontgaan. Cordfunke reageert in zijn boek op Nieuwenhuijsens voorstelling
en komt met sterke argumenten waarom het bijvoorbeeld onwaarschijnlijk is dat
Sicco de grafelijke waardigheid bezat. Hij verwerpt ook een broederheerschappij
voor Dirk IV en Floris I.
De drie boeken zijn allen bedoeld als synthetiserend overzicht, waarbij met name de vele nieuwe archeologische inzichten over de vroege geschiedenis van het gebied dat het graafschap Holland ging vormen een plaats krijgen.
Waar
Cordfunke op andere punten afwijkt van Nieuwenhuijsen wordt dat echter niet altijd
onderbouwd. Ook ’t Jong laat soms na om zijn mening te beargumenteren, zo stelt
hij dat wat een Duitse historicus schreef over het latere leven van gravin Ada
hem niet kan overtuigen, maar zonder nadere uitleg. Zo zijn er in alle drie de
boeken wel zaken die vragen doen rijzen: waarom zocht Floris III bijvoorbeeld
een bruid in Engeland? Wie was Ansfried en waar regeerde hij? Waarom stichtte
Godfried met de Bult Delft? Wie was Swithard? Om dan nog maar te zwijgen van de
mogelijkheid van broederheerschappij: iets wat wellicht nader in context kan
worden geplaatst als men de Hollandse graven zou vergelijken met hoogadellijke
families elders.
Welbeschouwd
zijn het de voor deze Hollandse graven zo magere bronnen die tot dergelijke afwijkende
interpretaties van het Hollandse gravenverleden leiden. Elke bron die er is
moet drie keer omgedraaid worden en is zelfs dan nog voor meerdere uitleg
vatbaar, waardoor het soms niet eenvoudig is een helder beeld te krijgen van
het Hollandse gravenverleden. Zo stelt ’t Jong dat de graven pas een ruiterzegel
gebruikten als ze tot ridder waren geslagen, maar Jan I is nooit tot ridder
geslagen en gebruikte toch een ruiterzegel. Dat doet de vraag rijzen of
dergelijke uitzonderingen op de regel vaker voorkwamen, en hoe sterk die regel
dan was. Wat trouwens in alle drie de boeken ontbreekt, is een vergelijking
tussen de Hollandse graven en hun standgenoten elders. Wellicht zou dat helpen
om de gaten van de bronnen enigszins in te vullen. Welke rol speelde
bijvoorbeeld het erfrecht? Uit later tijd is bekend dat het wel eens werd
gemanipuleerd om een bepaalde erfopvolging mogelijk te maken. Gebeurde dat
vaker? Opvallend is dat vrouwen blijkbaar niet zonder meer waren uitgesloten
van de opvolging, maar dat aan de andere kant elke regerende gravin te maken
kreeg met mannelijke uitdagers. Geen van deze vrouwen – Ada noch Margaretha,
noch Jacoba – kon zich trouwens op de lange duur handhaven. Een andere vraag is
waarom sommige gravenmoeders wel regentes konden zijn voor hun zoon, terwijl
anderen nooit een politieke rol van betekenis speelden tijdens de
minderjarigheid van hun zoon.
Kortom, er blijven vragen te over en er valt nog genoeg te ontraadselen van de geheimen van de middeleeuwse Hollandse gravengeschiedenis. Dat neemt niet weg dat met name de doorwrochte werken van Nieuwenhuijsen en ’t Jong aanwinsten zijn voor de Hollandse geschiedschrijving, en uitgangspunt kunnen zijn voor een nadere bestudering van de graven van Holland. Zoals gezien is er voldoende aanleiding voor meer debat over het Hollandse gravenverleden. Cordfunke’s Graafschap achter de duinen is aanzienlijk beknopter en lijkt vooral te zijn geschreven als reactie op het boek van Nieuwenhuijsen, maar is niettemin nuttig als aanvulling.
at neemt niet weg dat met name de doorwrochte werken van Nieuwenhuijsen en ’t Jong aanwinsten zijn voor de Hollandse geschiedschrijving, en uitgangspunt kunnen zijn voor een nadere bestudering van de graven van Holland.
Wat wellicht nu de meeste prioriteit zou hebben voor de Hollandse grafelijke geschiedschrijving is een vervolgboek over de graven in de 14de en 15de eeuw. Maar zoals gezegd zullen eveneens tot nu toe uitgebleven vergelijkende studies van groot nut kunnen zijn voor een beter begrip van de mannen en vrouwen die uiteindelijk de grondslagen van het gewest Holland legden. Zo bekend als hun namen met name de ouderen onder ons nog in de oren klinken, het laatste woord over de Hollandse graven is nog lang niet gezegd.
Bart van der Steen, In Leiden moet het anders. Geschiedenis van een SP-afdeling 1970-1982, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2019, 178 pp., geïllustreerd, isbn: 9789087047931. Prijs: €19,-.
Fons
Meijer, Radboud Universiteit Nijmegen
Bijna 20 jaar geleden liet schrijver en journalist Kees Slager in Het geheim van Oss. Een geschiedenis van de SP zien dat de Socialistische Partij (SP) in de Noord-Brabantse industriestad snel een stevige voet aan de grond wist te krijgen. Maar, zoals historicus Bob Reinalda in zijn bespreking van Slagers boek in BMGN al benoemde: ‘de rest van Nederland is Oss niet’. De Leidse historicus Bart van der Steen heeft met In Leiden moet het anders. Geschiedenis van een SP-afdeling, 1970-1982 duidelijk gemaakt dat de succesvolle geschiedenis van de Osse SP niet in alle opzichten representatief is voor andere steden. Aan de hand van een particulier archief van twee Leidse SP-leden, krantenartikelen en interviews met betrokkenen gaat Van der Steen na hoe de afdeling in de Zuid-Hollandse stad zich in de jaren zeventig ontwikkelde.
Zoals Van der Steen in de inleiding terecht opmerkt, was de situatie in Leiden heel anders dan in Oss. Waar in Oss de oppermachtige Katholieke Volkspartij (KVP) een ideale tegenstander was, moest de Leidse SP vooral de concurrentie aangaan met andere linkse partijen en organisaties. En waar de vele fabrieken in Oss een goede voedingsbodem bleken voor grootschalige fabrieksactie, was de rol van de industrie in Leiden in de jaren zeventig al grotendeels uitgespeeld. Door een combinatie van deze factoren slaagde de SP-Leiden er pas twaalf jaar na de oprichting in om haar eerste gemeenteraadszetel te veroveren.
Aan de hand van een particulier archief van twee Leidse SP-leden, krantenartikelen en interviews met betrokkenen gaat Van der Steen na hoe de afdeling in de Zuid-Hollandse stad zich in de jaren zeventig ontwikkelde.
Aan de inzet heeft het niet gelegen. Uit het eerste hoofdstuk blijkt dat de SP – tot 1972 Kommunistiese Eenheidsbeweging Nederland (KEN) geheten – er in Leiden vroeg bij was. De KEN was een in 1970 opgerichte maoïstische kaderpartij, die geloofde dat de revolutie niet in de theorie, maar enkel in de praktijk bewerkstelligd kon worden. Indachtig deze filosofie werd van alle leden verwacht dat zij de wijken in zouden trekken en met de partijkrant zouden colporteren. De Leidse afdeling van de KEN werd datzelfde jaar nog opgericht door een groep radicale jongeren en studenten, die zich in de jaren zestig al had ingezet voor universiteitsdemocratisering en zich nu in dienst wilde stellen van de arbeidersklasse.
In de volgende hoofdstukken beschrijft Van der Steen de verschillende thema’s waar de Leidse SP zich op richtte. Hier wordt duidelijk dat de wijze waarop de SP-Leiden zich in die jaren manifesteerde niet fundamenteel verschilde van de wijze waarop dit in Oss gebeurde. Ook de SP-Leiden organiseerde acties tegen huurverhogingen, tegen milieuvervuiling en voor internationale solidariteit. Eveneens kenmerkend voor zowel Leiden als Oss was de wijze waarop de SP hierbij gebruikmaakte van mantelorganisaties, ook wel ‘massaorganisaties’, als de Bond voor Huurders en Woningzoekenden (BHW) en het Milieu Actiecentrum Nederland (MAN). Deze mantelorganisaties hadden als taak op specifieke thema’s acties te organiseren, om zo nog dichter bij het volk te kunnen staan. Het semionafhankelijke karakter van deze organisaties was voor SP-Leiden tegelijkertijd één van de zwaktes: Van der Steen laat zien dat het succes van een mantelorganisatie niet per se tot versterking van de partij leidde. Dit was evenwel niet alleen voor SP-Leiden een probleem, want in 1977 werden alle massaorganisaties afgeschaft en vervangen door een algemenere, duidelijker aan de partij verbonden SP Hulp- en Informatiedienst.
Een andere complicerende factor was dat de SP in Leiden lang gezien werd als een te radicale partij. Dit was niet onterecht, want in de eerste jaren had de partij sektarische trekken en was bijna alles gericht op vereenzelviging met de arbeider. Leden moesten hun haren knippen, hun kledingstijl aanpassen en eventuele studies afbreken om in de fabriek te gaan werken. Een amusante anekdote die Van der Steen in dit verband opdist, heeft betrekking op Henri Boddé. Toen hij zich in 1971 meldde bij de partij, werd hij door zijn medeleden consequent ‘Harry’ genoemd, omdat zijn echte naam te elitair was. Van der Steen maakt inzichtelijk dat de partij zich echter al vrij snel gematigder op ging stellen. Haar aandacht ging minder uit naar buurtacties en meer naar het oplossen van concrete problemen. Mede vanuit deze overgang kan de eerste gemeenteraadszetel in 1982 verklaard worden, zo betoogt Van der Steen.
Hoewel de eerste zetel in sommige opzichten misschien een logisch eindpunt is, had Van der Steen meer reliëf en body aan het boek kunnen geven door juist de periode na 1982 ook bij zijn onderzoek te betrekken. Dit neemt niet weg dat de auteur er in is geslaagd een interessant, goed leesbaar en bij vlagen vermakelijk boek te schrijven over een enthousiaste club mensen die vanuit Leiden de wereld wilde veranderen.
Na de gemeenteraadsverkiezingen van 1982 houdt Van der Steen er echter vrij plotseling en zonder duidelijk motivatie mee op en dat is jammer. Bij de SP is er namelijk altijd een bijna fundamentele spanning geweest tussen formele representatie en buitenparlementaire actie en deze had mooi onderzocht kunnen worden voor de jaren die volgden op de eerste Leidse SP-zetel. Hoe gingen de eerste gemeenteraadsleden met deze spanning om? Hoewel de eerste zetel in sommige opzichten misschien een logisch eindpunt is, had Van der Steen meer reliëf en body aan het boek kunnen geven door juist de periode na 1982 ook bij zijn onderzoek te betrekken. Dit neemt niet weg dat de auteur er in is geslaagd een interessant, goed leesbaar en bij vlagen vermakelijk boek te schrijven over een enthousiaste club mensen die vanuit Leiden de wereld wilde veranderen.
Fred van Lieburg, Synodestad. Dordrecht 1618–1619, Amsterdam: Uitgeverij Prometheus, 2019, 368 pp., geïllustreerd, ISBN: 9789044638318. Prijs €24,99
Jos de Weerd, Vrije Universiteit Amsterdam
Fred van Lieburg is een ambachtsman en zijn nieuwste boek een aanwinst. Synodestad gaat over Hollands oudste stad: Dordrecht; in 1618 en 1619 het toneel van één van de meest memorabele godsdienstbesprekingen ooit gehouden. Het boek beantwoordt feilloos aan het doel dat de hoogleraar religiegeschiedenis aan de Vrije Universiteit zich stelde: het vertellen van een nieuw verhaal over de synode van Dordrecht als lokaal evenement, onderdeel van een nationale staatsgreep in de context van een internationale godsdienststrijd. Een nieuw verhaal is het zeker. Doeltreffend wordt de ballast van geijkte beeldvorming afgeworpen, zowel in historische als in eigentijdse zin.
Van Lieburg gebruikt drie middelen om bestaande beelden over de synode te bestrijden. Om te beginnen is er de geduchte hoeveelheid bronnenmateriaal. Niet alleen de acta van de kerkvergadering zelf, maar vooral ook geschriften van betrokken theologen, brieven van deelnemers aan het thuisfront, verslagen van ooggetuigen, en annalen van politieke vergaderingen als de Staten-Generaal vormen de bouwstenen waarmee Van Lieburg zijn verhaal opbouwt. Ingegeven door zijn kennis van de stad Dordrecht wordt een methode zichtbaar waarbij een lokale situatie het venster vormt waardoor de lezer kijkt naar de bredere politieke, sociaal-culturele en religieuze context van de vroege 17de eeuw. Daarbij komt dat de schrijver zijn bronnen zo weet in te zetten dat men wel erg dicht op de huid van mannen als Bogerman en Gomarus kan komen. Dan blijkt dat de iconische ‘Dordste vaderen’ nogal eens onhandig en heetgebakerd konden optreden en uiteindelijk verwerden tot theologische speelballen van meedogenloze politici. De insteek die Van Lieburg hanteert geeft de vermakelijke vertelling een serieuze ondertoon mee.
Het boek beantwoordt feilloos aan het doel dat de hoogleraar religiegeschiedenis aan de Vrije Universiteit zich stelde: het vertellen van een nieuw verhaal over de synode van Dordrecht als lokaal evenement, onderdeel van een nationale staatsgreep in de context van een internationale godsdienststrijd.
Het
tweede instrument dat Van Lieburg inzet is de aandacht voor de verstrengeling
van politiek en religie. Het boek begint er al mee, als hij uit de doeken doet
waarom de nationale synode in Dordrecht werd gehouden. In de Staten-Generaal maakte
men een groslijst van mogelijke vergadersteden. Uiteindelijk viel de keus niet
op Utrecht of Den Haag, maar op het neutraal gewaande Dordrecht. De stad onderhield
warme banden met het kamp van Maurits, maar de stadhouder was niet gerust op
een goede afloop voor de contraremonstranten. Gevoed door wantrouwen bracht hij
zijn Dordtse vertrouwelingen in stelling. Hen werd opgedragen de verkiezing van
gelijkgestemde schepenen te bewerkstelligen en elk ‘kwaadwillend geluid’ de kop
in te drukken. Politieke strategie, kerkelijke opvattingen en theologische
scherpslijperij lopen als een vervlochten rode draad door het verhaal. En juist
politiek deed ertoe. Het schilderij dat Pouwels Weyts de Jonge in 1621 maakte
van de synode, en dat de fraaie omslag van Synodestad
siert, toont aan de zolderbalken van de Doelenzaal een dubbel schellekoord met
daaraan handvatten voor de politieke en kerkelijke voorzitter. Beide partijen
trokken letterlijk aan de touwtjes, zoals Van Lieburg laat zien. Daarmee
corrigeert hij het dominante beeld van de synode als louter theologisch
evenement.
Als laatste is er het historische verhaal waar een verklarende werking vanuit gaat. Daarmee is Synodestad meer dan een goede vertelling. Het beantwoordt aan het hoofddoel van de historische wetenschap. Een voorbeeld daarvan is de veelal vaag omschreven kwestie van het vermeende verraad van Episcopius. Na weken wachten hield deze remonstrantse voorman ten overstaan van zijn kerkelijke tegenstanders een eerste toespraak en uitte daarin zware beschuldigingen tegen de synode. Toen voorzitter Bogerman na afloop de tekst opeiste, ontkende Episcopius er uitgeschreven exemplaar in bezit te hebben. Na toenemende druk overhandigde hij ineens toch een net opgemaakte versie, en dus niet de kladversie die gedurende het relaas door hem in handen was gehouden. Over het ‘hoe’ en ‘waarom’ van deze opzienbarende actie is veel gediscussieerd, maar weinig zekerheid verkregen. Toch slaagt Van Lieburg erin een plausibele verklaring aan te reiken. Door simpelweg te redeneren vanuit de historische actoren zelf komt hij tot de conclusie dat zich na de rede van Episcopius een misverstand voordeed, maar dat uiteindelijk het beeld van gewiekste remonstranten niet meer was weg te nemen. Op deze manier weet Van Lieburg de veroordeling van de kerkelijke onruststokers op een andere manier begrijpelijk te maken.
De spanning die dat met zich meebrengt, is op een knappe manier aan het papier toevertrouwd, zonder dat de wetenschappelijk methode uit het oog wordt verloren. Synodestad is boeiend, maar evengoed fundamenteel.
Toch kleeft
er ook een nadeel aan het boek. De hang naar volledigheid is acceptabel, maar de
grote hoeveelheid namen en feiten ontneemt soms het zicht op de verhaallijn. Desondanks
zit de lezer regelmatig met het zweet in de handen. Mensen van vlees en bloed
domineren de historische reconstructie. De spanning die dat met zich meebrengt,
is op een knappe manier aan het papier toevertrouwd, zonder dat de
wetenschappelijk methode uit het oog wordt verloren. Synodestad is boeiend, maar evengoed fundamenteel.
Ingrid de Zwarte, De Hongerwinter, Amsterdam: Uitgeverij Prometheus, 2019, 448 pp., geïllustreerd, ISBN:9789035144927. Prijs: € 24,99
Marleen van den Berg, Universiteit van Amsterdam en NIOD
‘De hongerwinter’ is een begrip in Nederland. Velen zullen deze term direct associëren met de winter van ’44-’45, het eten van bloembollen en de zogenaamde hongertochten. Dit was in ieder geval mijn associatie bij ‘de hongerwinter’, voordat ik het boek De Hongerwinter las. De link met een ander bekend begrip, ‘hongersnood’, had ik niet gelegd. ‘Hongersnood’ lijkt niet te passen bij een ‘modern’, westers land. En dat is nu juist een centrale vraag in De Hongerwinter: hoe kwam een modern land als Nederland in een hongersnood terecht en hoe wist het de crisis uiteindelijk weer te boven te komen?
Historicus Ingrid de
Zwarte specialiseerde zich in de geschiedenis van oorlog, conflict, voedsel en
hongersnoden. In 2018 voltooide ze haar proefschrift The Hunger Winter.
Fighting Famine in the Occupied Netherlands, 1944-1945. De Hongerwinter is
de publieksversie van haar proefschrift. Op dit moment houdt ze zich bezig met
een onderzoek naar de manieren waarop honger is gebruikt als een
politiek-militair middel in gewapende conflicten vanaf de Eerste Wereldoorlog
tot heden.
In De Hongerwinter ontkracht De Zwarte het populaire en academische narratief waarin deze periode bestempeld wordt als een collectief lijden onder een extreem repressieve en hardvochtige Duitse bezettingsmacht. Op basis van archiefonderzoek in binnen- en buitenland, ooggetuigenverslagen en interviews met overlevenden maakt zij op overtuigende wijze duidelijk dat, in plaats van een ieder-voor-zich mentaliteit, de mensen in stedelijk West-Nederland zich verenigden om samen de strijd met de honger aan te gaan. Door treffende citaten uit ooggetuigenverslagen en interviews weet De Zwarte bovendien het grote verhaal over de hongerwinter een gezicht te geven en voor de lezer dichtbij te brengen.
Door treffende citaten uit ooggetuigenverslagen en interviews weet De Zwarte bovendien het grote verhaal over de hongerwinter een gezicht te geven en voor de lezer dichtbij te brengen.
Hoewel deze studie zich toespitst op de hongersnood die West-Nederland tijdens de winter van 1944-1945 in zijn greep hield, bestudeert De Zwarte deze niet als een geïsoleerd verschijnsel. Ze plaatst de hongerwinter in de context van de nazi-bezetting en betoogt dat voedsel een cruciaal element in de nazi-besluitvorming was. Ze wijst hierbij onder andere op de doelmatige uithongering van joden en Sovjetkrijgsgevangenen, de honger in België en Frankrijk door uitbuiting en lage rantsoenen en de hongersnood in bezet Griekenland. De hongersnood die Nederland in de winter van ’44-’45 trof was kortom geen op zichzelf staande gebeurtenis.
Daarnaast wil De Zwarte af van de eenzijdige verklaring voor de hongersnood, waarbij de schuld ofwel bij de Duitse bezetter ofwel bij de Nederlandse regering wordt gelegd. Hongersnood ontstaat volgens De Zwarte door een samenspel van factoren. In het geval van Nederland vanwege de totale oorlogvoering die Duitsland nastreefde en de inzet van honger als militair wapen, maar ook door de gevolgen van de spoorwegstaking die door de Nederlandse regering in Londen afgekondigd werd. Deze maatregel werd, hoewel de militaire effecten nihil en de gevolgen voor de voedselvoorziening desastreus waren, niet opgeschort. Dat juist West-Nederland en met name de grote steden in West-Nederland getroffen werden, had voornamelijk te maken met de geografische ligging. Door de spoorwegstaking en de extreme vorst waren de aanvoerlijnen van de voedselproducerende gebieden naar het Westen afgesneden. Bovendien besloot de Duitse bezetter als ‘straf’ voor de spoorwegstaking transporten vanuit het Noorden en Oosten naar het Westen (tijdelijk) te verbieden. In het Westen zelf was op het platteland uiteraard makkelijker aan voedsel te komen dan in de dichtbevolkte steden.
Hongersnood ontstaat volgens De Zwarte door een samenspel van factoren. In het geval van Nederland vanwege de totale oorlogvoering die Duitsland nastreefde en de inzet van honger als militair wapen, maar ook door de gevolgen van de spoorwegstaking die door de Nederlandse regering in Londen afgekondigd werd.
Het vaststellen van de gebeurtenissen en beslissingen die tot de hongersnood hebben geleid is volgens De Zwarte echter niet voldoende om de hongerwinter in bezet Nederland te begrijpen. Hiervoor moet ook worden vastgesteld welke politieke en sociale inspanningen de effecten van de hongersnood juist wisten in te perken. Door het bestuderen van nieuwe en verschillende soorten bronnen heeft De Zwarte deze inspanningen in kaart gebracht. Op basis van archieven uit het buitenland beschrijft ze de onderhandelingen en strategieën op het hoogste bestuursniveau, terwijl regionale archieven in Nederland beter zicht geven op de lokale gemeenschapsinspanningen om de honger het hoofd te bieden. Terwijl veel historici er vanuit gingen dat de hongersnood tot sociale desintegratie leidde en compassie niet verder reikte dan de buitenmuren van het gezinshuis, toont De Zwarte aan dat er op verschillende plaatsen lokale initiatieven op gang kwamen om het beschikbare voedsel te verdelen. Hierbij ging de zorg voornamelijk uit naar de kinderen, die immers de toekomst van de samenleving vormden. Het waren juist deze lokale initiatieven die de meest dreigende en ernstige gevolgen van de hongersnood wisten te beperken.
Terwijl veel historici er vanuit gingen dat de hongersnood tot sociale desintegratie leidde en compassie niet verder reikte dan de buitenmuren van het gezinshuis, toont De Zwarte aan dat er op verschillende plaatsen lokale initiatieven op gang kwamen om het beschikbare voedsel te verdelen.
De Zwarte is er met De Hongerwinter in geslaagd om op boeiende wijze de gelaagdheid van deze overbekende episode uit de Nederlandse geschiedenis te schetsen en een vernieuwend perspectief te bieden op het ontstaan en de bestrijding van deze hongersnood. De soms complexe materie weet ze met haar heldere schrijfstijl goed over te brengen. Beelden, grafieken en citaten vormen bovendien een goede illustratie van de effecten van de hongerwinter op mens en maatschappij.
Andrew Pettegree en Arthur der Weduwen, De boekhandel van de wereld. Drukker, boekverkopers en lezers in de Gouden Eeuw(vertaald door Frits van der Waa); Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2019, 624 pp, geïllustreerd, ISBN: 9789045034997. Prijs: €39,99
Trude Dijkstra, Meertens
Instituut KNAW
Boekhandel van de wereld vertelt het succesverhaal van het boekbedrijf – het drukken, uitgeven, distribueren en verhandelen van drukwerk – in de Republiek der Verenigde Nederlanden in de 17deeeuw. De auteurs – beiden verbonden aan de universiteit van St. Andrews – presenteren in vier hoofdstukken de opkomst, hoogtij en (in mindere mate) ondergang van het Nederlandse boekbedrijf in de Gouden Eeuw. Speciale aandacht gaat uit naar het (cultuur)economische belang van deze industrie; boeken behoorden tot de belangrijkste exportproducten van de Republiek, en ook binnenlands werd drukwerk gretig afgenomen. Daarnaast brengen Pettegree en Der Weduwen het belangrijke en vernieuwende inzicht naar voren dat de overgrote meerderheid van vroegmodern drukwerk de tand des tijds niet heeft doorstaan, en dus ook niet meegenomen kan worden in tegenwoordig (boek)historisch onderzoek. Zij stellen in De boekhandel van de wereld dat door het blootleggen van tot nu toe circa 300 miljoen exemplaren ongedocumenteerd drukwerk, de ‘verloren gegane wereld van nieuwspublicaties, bestuurlijk drukwerk en populaire bestsellers een omslag teweeg [brengt] in ons beeld van wat het Nederlandse publiek in de tijd van Rembrandt graag las’.
Daarnaast brengen Pettegree en Der Weduwen het belangrijke en vernieuwende inzicht naar voren dat de overgrote meerderheid van vroegmodern drukwerk de tand des tijds niet heeft doorstaan, en dus ook niet meegenomen kan worden in tegenwoordig (boek)historisch onderzoek.
Hoewel Nederland in 2019 niet meer de ‘boekhandel van de wereld’ genoemd kan worden, vertoont de huidige situatie van onze boekenmarkt nog zeker overeenkomsten met die van 400 jaar geleden. Deboekhandel van de wereld laat zien dat uitgevers en drukkers in de 17de-eeuwse Republiek 300 miljoen boeken produceerden en verkochten, wat het boekenbedrijf een ‘veelvormige en alomvattende bedrijfstak’ maakte. Ter vergelijking: kunstschilders – het boegbeeld van het klassieke succesverhaal van de Gouden Eeuw – produceerden tezamen drie miljoen schilderijen. Tegenwoordig kopen Nederlanders nog altijd meer boeken dan lezers uit andere Europese landen: volgens de Leesmonitor van de Stichting Lezen bijna 41 miljoen exemplaren in 2018.
Vergelijkbaar is ook de positie van de auteur, die er financieel niet op vooruit is gegaan in de afgelopen vier eeuwen. Tegenwoordig kan slechts een enkele auteur rondkomen van het schrijven en niet meer dan 0,7 procent van de Nederlandse auteurs houdt een minimuminkomen over aan de verkoop van boeken alleen (NRC, 17 december 2018). Dit was in de 17de eeuw weinig anders. Volgens De boekhandelvan de wereld had zelfs de schrijver van dé bestseller van de Gouden Eeuw – Willem IJsbrantsz Bontekoe’s Iournael (1646) – geen aandeel in de opbrengst van de ten minste 30 edities die er van zijn reisverhaal verschenen. Die winst was voorbehouden aan de uitgever. De eventuele parallel met de huidige situatie van wetenschappelijke uitgeverijen schuif ik hier terzijde (The Guardian, 4 maart 2019), maar zowel in de 17de eeuw als vandaag de dag heeft de uitgever een vele malen grotere rol in de totstandkoming van boeken, kranten, tijdschriften en pamfletten dan over het algemeen verwacht wordt. Uitgevers, drukkers en boekverkopers stonden ook aan de wieg van grote veranderingen in het drukkerswezen. Waar de 21ste eeuw in het teken staat van de digitale revolutie – hoewel de verkoop van e-books nog steeds achterblijft op eerdere prognoses – kende de 17de eeuw een omwenteling in het gehele medialandschap dankzij de introductie van kranten, tijdschriften en pamfletten. Deze typen drukwerk zijn doorgaans onderbelicht, met name door de schaarste van beschikbaar onderzoeksmateriaal. Pettegree en Der Weduwen schijnen een welverdiend licht op deze ontwikkelingen
Waar de 21ste eeuw in het teken staat van de digitale revolutie […] kende de 17de eeuw een omwenteling in het gehele medialandschap dankzij de introductie van kranten, tijdschriften en pamfletten.
De boekhandel van de wereld heeft een chronologisch verloop, is rijkelijk doorspekt met historische achtergrondinformatie én voorzien van een ruime hoeveelheid illustraties in zowel kleur als in zwart-wit. Dit maakt het boek niet alleen zeer prettig leesbaar, maar ook interessant voor een breed publiek. Pettegree en Der Weduwen leveren daarmee een luisterrijke en hoogst noodzakelijke bijdrage aan de Europese cultuurgeschiedenis in het algemeen en de geschiedenis van het Nederlandse drukkerswezen in het bijzonder, waarbij zowel historici als geïnteresseerde leken hun hart kunnen ophalen. Dit laatste is misschien wel het meest prijzenswaardig aan De boekhandel van de wereld. Het werk bewandelt de gulden middenweg tussen een wetenschappelijk en populair genre. Het breed toegankelijke boek is gestoeld op wetenschappelijke inzichten, wat zichtbaar is voor de kenner maar onzichtbaar – en dus niet belemmerend – voor de leek. Een dergelijke benadering wordt vaker gehanteerd door academici, maar slechts zelden zo succesvol.
Pettegree en Der Weduwen leveren daarmee een luisterrijke en hoogst noodzakelijke bijdrage aan de Europese cultuurgeschiedenis in het algemeen en de geschiedenis van het Nederlandse drukkerswezen in het bijzonder, waarbij zowel historici als geïnteresseerde leken hun hart kunnen ophalen.
Pettegree en Der Weduwen noemen het een ‘eigenaardige paradox van [hun] onderzoek dat juist boeken waaraan de eigenaars indertijd het meest verknocht waren de tand des tijds het slechtst hebben doorstaan’. Daarom hoop ik dat over 400 jaar slechts één exemplaar van De boekhandel van de wereld per ongeluk bewaard is gebleven in een privécollectie, en dan ook nog alleen een vierde druk. Ik geloof alleen niet dat dat mijn exemplaar zal zijn.
Willem Otterspeer, Het Horzelnest. De Leidse universiteit in oorlogstijd; Amsterdam: Uitgeverij Prometheus, 2019, 400 pp, ISBN: 9789044638561. Prijs: € 35,-
Jeroen Kemperman, NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies
Bijna driekwart eeuw na het einde van de Tweede Wereldoorlog ligt er met Het Horzelnest eindelijk een gedegen studie naar de Leidse universiteit in de periode 1940-1945. De laatste twee decennia is een aantal goede boeken over de bezettingsgeschiedenissen van de instellingen voor hoger onderwijs in Amsterdam, Delft, Groningen en Utrecht verschenen, maar een vergelijkbare publicatie over Leiden – de oudste universiteit van het land – ontbrak nog. In 1978 verscheen weliswaar De Leidse universiteit 1928-1946; Vernieuwing en verzet van de jurist P.J. Idenburg, die zelf als secretaris van curatoren een aanzienlijke rol in de door hem beschreven gebeurtenissen had gespeeld, maar door de kroniekachtige opzet voldeed dat werk niet helemaal. De bestaande lacune is nu door de vlotte pen van Willem Otterspeer opgevuld.
Bijna driekwart eeuw na het einde van de Tweede Wereldoorlog ligt er met Het Horzelnest eindelijk een gedegen studie naar de Leidse universiteit in de periode 1940-1945.
Volgens Otterspeer zelf is zijn boek anders dan andere boeken over Nederlandse
universiteiten in oorlogstijd. Waar universiteitshistorici als P.J. Knegtmans
(over de UvA) en Klaas van Berkel (over de RUG) voor een bredere tijdspanne en
een zakelijk-neutrale benadering kozen, wordt in Het Horzelnest primair de periode 1940-1945 behandeld en een
ethische stellingname niet geschuwd. In Otterspeers relaas is wel degelijk een
rol weggelegd voor helden en schurken. Hij doet dat echter met mate (‘Leiden
had maar een paar helden’) en op subtiele wijze, zodat het ‘ouderwetse’ goed-foutperspectief
er zeker niet te dik bovenop ligt. Bovendien nuanceert hij het (vooral in de
sleutelstad levende) idee dat Leiden zich tijdens de bezetting van alle
Nederlandse universiteiten het meest correct had gedragen door ook steeds de
ambiguïteit, de twijfel en de onenigheid onder de professoren te laten zien.
Auteurs die de geschiedenis van een specifieke universiteit behandelen,
hebben de neiging de verschillen tussen de diverse instellingen van hoger
onderwijs te benadrukken. Ook Otterspeer begint zijn boek met de vaststelling
dat Leiden een ‘andere’ universiteit was. De geschiedenis van de Leidse
universiteit in oorlogstijd vertoont inderdaad een aantal bijzondere elementen.
Het meest in het oog springen de beroemd geworden rede die professor R.P. Cleveringa
op 26 november 1940 hield als protest tegen de verwijdering van zijn Joodse
collega-professor E.M. Meijers, de daarop volgende studentenstaking en
gedwongen sluiting van de universiteit, en de massale ontslagname van
academische docenten in mei 1942 als reactie op een poging de juridische
faculteit te nazificeren. Cleveringa bracht lange tijd in gevangenschap door.
Een andere held van het boek, professor Ben Telders, stierf in april 1945 in
kamp Bergen-Belsen. ‘Aan geen enkele andere universiteit dan de Leidse werden
zo veel professoren gevangengezet en naar kampen afgevoerd’, concludeert Otterspeer.
Anderzijds maakt het boek duidelijk dat het professorenverzet niet
algemeen en vanzelfsprekend was. Het was een relatief beperkte groep activisten,
georganiseerd in de ‘Kleine Krans’, die steeds het voortouw nam en de
twijfelende en voorzichtige collega’s mee moest zien te krijgen. Dat kostte de
nodige moeite. Er waren, net als aan de andere universiteiten, genoeg Leidse
docenten die het liefst ongestoord bleven doorwerken in hun bibliotheken,
klinieken en laboratoria. Dergelijke geleerden waren, in de treffende woorden
van Otterspeer, ‘zo ondergedompeld in hun studie en vooral in de waardevrijheid
van de kennis dat ze de rest van de vrijheid uit het oog verloren.’ De leden
van de Kleine Krans hadden volgens hem goed begrepen dat een universiteit niet
alleen een wetenschappelijke instelling behoort te zijn, maar tevens een morele
gemeenschap.
Otterspeer waagt zich helaas niet aan een grondige vergelijking met de ontwikkelingen in andere universiteitssteden. Behalve dat er verschillen waren tussen de diverse universiteitssteden, waren er ontegenzeggelijk ook overeenkomsten.
De sluiting van de universiteit, die na een lange periode van
onzekerheid in het najaar van 1941 definitief werd en als gevolg waarvan de
meeste studenten naar andere instellingen overstapten, noemt Otterspeer een
grote zegen: ‘Juist als lege huls kon de universiteit zich beraden over haar
ideale vorm.’ Door die sluiting is de geschiedenis van de Leidse universiteit
in oorlogstijd vooral een geschiedenis van professoren geworden. Het
perspectief van de studenten komt veel minder aan bod in Het Horzelnest, met uitzondering van de broers Jan en Huib Drion, de
uitgevers van het belangrijke clandestiene blad ‘De Geus onder studenten’. Dit
blad had een reikwijdte en een achterban die veel verder ging dan het Leidse. Dat
de focus vooral op de docenten ligt stoort niet, maar stroomlijnt het betoog
juist.
Otterspeer waagt zich helaas niet aan een grondige
vergelijking met de ontwikkelingen in andere universiteitssteden. Behalve dat
er verschillen waren tussen de diverse universiteitssteden, waren er
ontegenzeggelijk ook overeenkomsten. In november 1940 is ook in Delft door
studenten gestaakt en hielden ook professoren in Utrecht, Amsterdam en
Wageningen protestcolleges. Het wachten is nu op een studie die de diverse
universiteits- en hogeschoolgeschiedenissen samensmeedt tot een integrale
geschiedenis van het Nederlandse hoger onderwijs tijdens de Duitse bezetting. Het Horzelnest vormt alvast een
onontbeerlijke bouwsteen voor zo’n synthese.
Ik geef het maar meteen eerlijk toe: Hirsch & Cie Amsterdam biedt de lezer een prettig leesbaar en gedegen onderzoek naar het chique Amsterdamse modepaleis dat in 1882 haar deuren opende aan het Leidseplein, maar stiekem vind ik aan dit boek de plaatjes het allerleukst. Hirsch & Cie bood tussen 1882 en 1976 haar klanten een rijk assortiment aan haute couture, hoogwaardige confectiekleding en (mode-)accessoires. Om de geschiedenis van dit familiebedrijf in kaart te brengen, heeft Femke Knoop kranten, archieven en museale collecties afgespeurd op zoek naar informatie. Daarbij heeft zij duidelijk ook oog voor beeld als historische bron. Bladerend langs de foto’s van het sierlijke interieur visualiseer ik als vanzelf hoe ik rond 1900 door dit ‘moderne’ warenhuis zou hebben rondgelopen. Dat jasje van blauwe zijde met oudroze rozen op pagina 160, hoe zou me dat hebben gestaan? En wat te denken van al die rijkversierde japonnen? Of zou het alleen bij dromen zijn gebleven, en had ik mij op een regenachtige maandag tussen 9.00 en 10.00 uur gemeld bij de zijingang als reactie op de personeelsadvertentie voor ‘bekwame naaisters’?
Ik geef het maar meteen eerlijk toe: Hirsch & Cie Amsterdam biedt de lezer een prettig leesbaar en gedegen onderzoek naar het chique Amsterdamse modepaleis dat in 1882 haar deuren opende aan het Leidseplein, maar stiekem vind ik aan dit boek de plaatjes het allerleukst.
Hirsch & Cie
Amsterdam is
natuurlijk veel meer dan een plaatjesboek. De fraaie vormgeving gaat gepaard
met een sterke inhoud. Doel van het boek, zo schrijft Knoop in de inleiding, is
de geschiedenis van modehuis Hirsch te presenteren ‘als knooppunt van
ontwikkelingen van de moderne samenleving’. Het bedrijf werd opgericht door
twee van oorsprong Duitse-joodse ondernemers, Sylvain Kahn en Sally Berg.
Beiden waren in dienst bij Hirsch & Cie Brussel (1869-1962); Kahn wist zich
in de loop van de tijd op te werken tot chef van de stoffenafdeling en Berg
leidde de afdeling Couture. Bij een werkbezoek aan Amsterdam in 1882
constateerde Kahn dat er in de Nederlandse hoofdstad vooral Duitse confectie
werd verkocht. Wie zich in haute couture wilde kleden, moest naar Brussel of
Parijs of was aangewezen op particuliere naaisters. In Amsterdam leken dus
mogelijkheden voor een nieuwe onderneming te bestaan. Leo Hirsch, oprichter van
het Brusselse modepaleis, financierde de onderneming en nog datzelfde jaar was
Hirsch & Cie Amsterdam een feit.
Het boek is onderverdeeld in zes thematische hoofdstukken. Er is aandacht voor Hirsch & Cie als familiebedrijf, de architectuur van het monumentale Hirsch-gebouw, het assortiment en de reclame die het warenhuis maakte, en het klantenbestand. Hirsch & Cie Amsterdam biedt een bedrijfsgeschiedenis in de brede zin van het woord. In het tweede hoofdstuk staat daarom het personeel van Hirsch centraal, en hier brengt Knoop de werkvloer echt tot leven. Aanvankelijk werd het personeel vooral geworven binnen Amsterdam en omgeving. Over de werkomstandigheden is iets bekend uit arbeidsenquêtes en enkele interviews. Onder het personeel bestond een duidelijke hiërarchie: de verkoopsters waren hoger in rang dan de naaisters, de coupeurs stonden weer boven de mantelwerksters, enzovoorts. ‘Wij naaisters bleven boven,’ citeert Knoop ene mevrouw E. ‘Alleen de coupeuse mocht mee naar beneden om spelden te steken, en dan […] hoorden we wat er veranderd moest worden.’ (p.60) De ateliers waren inpandig, maar strikt gescheiden van de winkel: de te passen kledingstukken werden via een gordijn aan de coupeuse of winkelbediende gegeven. Wat zich achter de schermen afspeelde, mocht de klant nooit te zien krijgen. Op haar blog portretteert Knoop enkele voormalige medewerkers van Hirsch, een project dat onder de hashtag #GezichtenvanHirsch op sociale media wordt voortgezet.
(…) maar de lezer krijgt wel een compleet en zorgvuldig geconstrueerd beeld van het reilen en zeilen van deze hoofdstedelijke onderneming. Met Hirsch & Cie Amsterdam biedt Knoop dan ook een belangrijke bouwsteen voor de geschiedenis van het winkelleven in Amsterdam en Nederland.
Amsterdam ontwikkelde zich eind 19de eeuw tot een moderne metropool. Hirsch & Cie past dan ook in een bredere trend van grootstedelijk leven, iets waar Knoop – ondanks de belofte in de inleiding –pas in haar verantwoording uitgebreider bij stilstaat. De opkomst van een heuse winkelcultuur en uitbreiding van warenhuizen als de Bijenkorf, Gerzon, V&D en Sinkel vonden in dezelfde periode plaats. Hirsch & Cie vertegenwoordigde daarbinnen het topsegment; veranderende consumptiepatronen waren dan ook een belangrijke factor in de sluiting van de zaak eind jaren zeventig van de 20ste eeuw. Deze context is belangrijk om te begrijpen waarom de geschiedschrijving over dit soort winkels zo relevant is: het verhaal van Hirsch & Cie is namelijk niet alleen de geschiedenis van een bedrijf maar werpt ook licht op stedelijke modernisering, veranderende consumptiecultuur en nieuwe sociale verhoudingen. Die grotere thema’s blijven in de hoofdstukken enigszins op de achtergrond, maar de lezer krijgt wel een compleet en zorgvuldig geconstrueerd beeld van het reilen en zeilen van deze hoofdstedelijke onderneming. Met Hirsch & Cie Amsterdam biedt Knoop dan ook een belangrijke bouwsteen voor de geschiedenis van het winkelleven in Amsterdam en Nederland.
In 1382 verwierf Gorinchem stadsrecht. Maar eigenlijk vindt de redactie van Tien eeuwen Gorinchem een dergelijk rechtshistorisch document niet meer van doorslaggevende betekenis in de moderne stadsgeschiedenis. Al vóór het officiële stadsrecht werd verleend, was Gorinchem een stedelijke nederzetting. Met dit vuistdikke boek heeft de redactie een statement willen maken, aldus recensent Paul van der Laar. Lees hier de volledige recensie.
Felix Cerutti, Roel Mulder, Bert Stamkot en Aron de Vries (red.), Tien eeuwen Gorinchem. Geschiedenis van een Hollandse stad; Utrecht: Stichting Matrijs, 2018; ill., 656 pp., ISBN: 9789053455289, €59,95
Paul van de Laar, Erasmus
Universiteit Rotterdam
In 1382 verwierf Gorinchem stadsrecht.
Maar eigenlijk vindt de redactie van Tien
eeuwen Gorinchem een dergelijk rechtshistorisch document niet meer van
doorslaggevende betekenis in de moderne stadsgeschiedenis. Al vóór het
officiële stadsrecht werd verleend, was Gorinchem een stedelijke nederzetting.
Met dit vuistdikke boek heeft de redactie een statement willen maken. Het is fraai
uitgegeven, rijk geïllustreerd, van prachtige kaarten voorzien en telt 655
pagina’s – wie het wil lezen zal aan tafel moeten zitten, want echt makkelijk
hanteerbaar is het niet. Dat
is niet mis voor een stad met ongeveer 36.000 inwoners, ongeveer de omvang van
het Rotterdamse Hoogvliet.
Het was echter de hoogste tijd voor een overzichtswerk, waarin al het enthousiaste spitwerk bij elkaar werd gebracht. Zoals de meeste “moderne” stadsgeschiedenissen is dit een verzameld werk: ik telde 25 auteurs. Met elkaar een club enthousiaste schrijvers die de passie voor Gorinchem delen. Zelf ben ik geen voorstander van dit soort geredigeerde werken. Liever een boek dat door één of twee auteurs is geschreven, met een duidelijke rode draad of visie op een stad. Nu is het vooral een – contextuele – encyclopedie van Gorinchem geworden. De auteurs spreken namelijk mijn inziens te makkelijk van een synthese. Het boek is opgedeeld in zeven tijdvakken en met uitzondering van de beginperiode – de pre-stedelijke samenleving – wordt elk hoofdstuk aan de hand van vier thema’s bestudeerd. Het zijn voor de hand liggende thema’s: bestuur en politiek, stadsontwikkeling, economie en een bonte verzamelcategorie van sociale, kerkelijke en culturele aspecten. En die moeten allemaal aan bod komen.
Nu is het vooral een – contextuele – encyclopedie van Gorinchem geworden. De auteurs spreken namelijk mijn inziens te makkelijk van een synthese.
Afbakening is bij elke stadsgeschiedenis een probleem, dus ook die van Gorinchem. Voor wat betreft de definiëring van een stad heeft de redactie gekozen voor een definitie die zo uit een handboek komt. Dat vind ik jammer. Want daardoor is het voor niet-Gorinchemers lastig om te achterhalen: wat is het nu voor een stad? Vóór 1300 werd Gorinchem gezien als havenstad. De stad zou dan te vergelijken zijn met steden als Schoonhoven en Amsterdam, waarbij natuurlijk wel direct het voorbehoud moet worden gemaakt dat Gorinchem zich niet tot internationale zeehavenstad ontwikkelde. Maar ook had een keuze gemaakt kunnen worden om Gorinchem te typeren als vestingstad, want zo afficheert de stad zich namelijk nog altijd als toeristische trekpleister.
En deze erfgoedbelangstelling voedt de interesse voor de eigen geschiedenis. Daarom komt het goed uit dat al die enthousiaste Gorinchemers nu hun eigen stadsgeschiedenis hebben.
De leukste hoofdstukken vond ik vooral die de periode 1400-1600 als onderwerp hebben en waarin de betekenis van Gorinchem het lokale overstijgt. Zoals de Arkelse oorlogen toen de heren van Arkel het opnamen tegen de graven van Holland. In juni 1402 trok een leger van 6.000 man tegen Gorinchem op. De geschiedschrijvers wijzen er niet zonder trots op dat de stad de belegering goed wist te doorstaan. Maar uiteindelijk viel ook Gorinchem in handen van de graaf van Holland. Gorinchem heeft deze overgang wel als een teleurstelling ervaren, want toen kwam ook een einde aan de ambitie van de stad om meer te zijn dan een kleine Hollandse stad. Hoewel de stad als deel van Holland ook wel weer profiteerde van de economische opleving en dat is met name zichtbaar in de vijftiende-eeuwse blikvanger, de Blauwe Toren (gebouwd vanaf 1461 als stadskasteel van Karel de Stoute). En bij het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog stond de stad er zelfs goed voor. Gorinchem is vooral bekend geworden vanwege de moord op de katholieke geestelijken in opdracht van geuzenleider Lumey in 1572. Ook Gorinchem profiteerde van de Hollandse bloeiperiode wat zichtbaar werd aan de tweede grote stadsuitbreiding die rond 1600 werd gerealiseerd. Gorinchem telde toen ongeveer 5.500 inwoners en was in grootte de dertiende stad van Holland. De derde stadsuitbreiding vond pas begin twintigste eeuw plaats. In die twee eeuwen is op lokaal niveau wel het een en ander gebeurd. Maar tussen 1600 en 1800 onderscheidt Gorinchem zich niet echt van de andere steden in regio. Het kabbelt dan voort, als klein rivierstadje dat na de Bataafs-Franse Tijd slechts 6.000 inwoners telde. In 1900 verdubbelde het inwoneraantal mede dankzij de industriële ontwikkeling. Pas in 1919 kreeg het zijn eerste uitbreidingsplan, veel later dan de grotere Hollandse steden. In 1940 telde de stad 14.500 inwoners. Halverwege de jaren zestig was ook Gorinchem bevangen door grootstedelijke obsessies en rekende erop dat het een stad van 100.000 inwoners zou worden. Dat zou niet gebeuren en daar mogen ze achteraf blij om zijn, want de tegenbeweging die “small is beautiful” als leidraad nam, heeft er mede toe geleid dat Gorinchem een kleine aantrekkelijke stad is gebleven. Dat werpt zijn vruchten af. De stad adverteert nu zelfs met Mooi Gorinchem. De vestingwallen gaan misschien wel deel uitmaken van het werelderfgoed, als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. En deze erfgoedbelangstelling voedt de interesse voor de eigen geschiedenis. Daarom komt het goed uit dat al die enthousiaste Gorinchemers nu hun eigen stadsgeschiedenis hebben.