Ingrid de Zwarte, De Hongerwinter, Amsterdam: Uitgeverij Prometheus, 2019, 448 pp., geïllustreerd, ISBN:9789035144927. Prijs: € 24,99

Marleen van den Berg, Universiteit van Amsterdam en NIOD

‘De hongerwinter’ is een begrip in Nederland. Velen zullen deze term direct associëren met de winter van ’44-’45, het eten van bloembollen en de zogenaamde hongertochten. Dit was in ieder geval mijn associatie bij ‘de hongerwinter’, voordat ik het boek De Hongerwinter las. De link met een ander bekend begrip, ‘hongersnood’, had ik niet gelegd. ‘Hongersnood’ lijkt niet te passen bij een ‘modern’, westers land. En dat is nu juist een centrale vraag in De Hongerwinter: hoe kwam een modern land als Nederland in een hongersnood terecht en hoe wist het de crisis uiteindelijk weer te boven te komen?

Historicus Ingrid de Zwarte specialiseerde zich in de geschiedenis van oorlog, conflict, voedsel en hongersnoden. In 2018 voltooide ze haar proefschrift The Hunger Winter. Fighting Famine in the Occupied Netherlands, 1944-1945. De Hongerwinter is de publieksversie van haar proefschrift. Op dit moment houdt ze zich bezig met een onderzoek naar de manieren waarop honger is gebruikt als een politiek-militair middel in gewapende conflicten vanaf de Eerste Wereldoorlog tot heden.

In De Hongerwinter ontkracht De Zwarte het populaire en academische narratief waarin deze periode bestempeld wordt als een collectief lijden onder een extreem repressieve en hardvochtige Duitse bezettingsmacht. Op basis van archiefonderzoek in binnen- en buitenland, ooggetuigenverslagen en interviews met overlevenden maakt zij op overtuigende wijze duidelijk dat, in plaats van een ieder-voor-zich mentaliteit, de mensen in stedelijk West-Nederland zich verenigden om samen de strijd met de honger aan te gaan. Door treffende citaten uit ooggetuigenverslagen en interviews weet De Zwarte bovendien het grote verhaal over de hongerwinter een gezicht te geven en voor de lezer dichtbij te brengen. 

Door treffende citaten uit ooggetuigenverslagen en interviews weet De Zwarte bovendien het grote verhaal over de hongerwinter een gezicht te geven en voor de lezer dichtbij te brengen.

Hoewel deze studie zich toespitst op de hongersnood die West-Nederland tijdens de winter van 1944-1945 in zijn greep hield, bestudeert De Zwarte deze niet als een geïsoleerd verschijnsel. Ze plaatst de hongerwinter in de context van de nazi-bezetting en betoogt dat voedsel een cruciaal element in de nazi-besluitvorming was. Ze wijst hierbij onder andere op de doelmatige uithongering van joden en Sovjetkrijgsgevangenen, de honger in België en Frankrijk door uitbuiting en lage rantsoenen en de hongersnood in bezet Griekenland. De hongersnood die Nederland in de winter van ’44-’45 trof was kortom geen op zichzelf staande gebeurtenis.

Daarnaast wil De Zwarte af van de eenzijdige verklaring voor de hongersnood, waarbij de schuld ofwel bij de Duitse bezetter ofwel bij de Nederlandse regering wordt gelegd. Hongersnood ontstaat volgens De Zwarte door een samenspel van factoren. In het geval van Nederland vanwege de totale oorlogvoering die Duitsland nastreefde en de inzet van honger als militair wapen, maar ook door de gevolgen van de spoorwegstaking die door de Nederlandse regering in Londen afgekondigd werd. Deze maatregel werd, hoewel de militaire effecten nihil en de gevolgen voor de voedselvoorziening desastreus waren, niet opgeschort. Dat juist West-Nederland en met name de grote steden in West-Nederland getroffen werden, had voornamelijk te maken met de geografische ligging. Door de spoorwegstaking en de extreme vorst waren de aanvoerlijnen van de voedselproducerende gebieden naar het Westen afgesneden. Bovendien besloot de Duitse bezetter als ‘straf’ voor de spoorwegstaking transporten vanuit het Noorden en Oosten naar het Westen (tijdelijk) te verbieden. In het Westen zelf was op het platteland uiteraard makkelijker aan voedsel te komen dan in de dichtbevolkte steden.

Hongersnood ontstaat volgens De Zwarte door een samenspel van factoren. In het geval van Nederland vanwege de totale oorlogvoering die Duitsland nastreefde en de inzet van honger als militair wapen, maar ook door de gevolgen van de spoorwegstaking die door de Nederlandse regering in Londen afgekondigd werd.

Het vaststellen van de gebeurtenissen en beslissingen die tot de hongersnood hebben geleid is volgens De Zwarte echter niet voldoende om de hongerwinter in bezet Nederland te begrijpen. Hiervoor moet ook worden vastgesteld welke politieke en sociale inspanningen de effecten van de hongersnood juist wisten in te perken. Door het bestuderen van nieuwe en verschillende soorten bronnen heeft De Zwarte deze inspanningen in kaart gebracht. Op basis van archieven uit het buitenland beschrijft ze de onderhandelingen en strategieën op het hoogste bestuursniveau, terwijl regionale archieven in Nederland beter zicht geven op de lokale gemeenschapsinspanningen om de honger het hoofd te bieden. Terwijl veel historici er vanuit gingen dat de hongersnood tot sociale desintegratie leidde en compassie niet verder reikte dan de buitenmuren van het gezinshuis, toont De Zwarte aan dat er op verschillende plaatsen lokale initiatieven op gang kwamen om het beschikbare voedsel te verdelen. Hierbij ging de zorg voornamelijk uit naar de kinderen, die immers de toekomst van de samenleving vormden. Het waren juist deze lokale initiatieven die de meest dreigende en ernstige gevolgen van de hongersnood wisten te beperken.

Terwijl veel historici er vanuit gingen dat de hongersnood tot sociale desintegratie leidde en compassie niet verder reikte dan de buitenmuren van het gezinshuis, toont De Zwarte aan dat er op verschillende plaatsen lokale initiatieven op gang kwamen om het beschikbare voedsel te verdelen.

De Zwarte is er met De Hongerwinter in geslaagd om op boeiende wijze de gelaagdheid van deze overbekende episode uit de Nederlandse geschiedenis te schetsen en een vernieuwend perspectief te bieden op het ontstaan en de bestrijding van deze hongersnood. De soms complexe materie weet ze met haar heldere schrijfstijl goed over te brengen. Beelden, grafieken en citaten vormen bovendien een goede illustratie van de effecten van de hongerwinter op mens en maatschappij.

Andrew Pettegree en Arthur der Weduwen, De boekhandel van de wereld. Drukker, boekverkopers en lezers in de Gouden Eeuw (vertaald door Frits van der Waa); Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2019, 624 pp, geïllustreerd, ISBN: 9789045034997. Prijs: €39,99

Trude Dijkstra, Meertens Instituut KNAW

Boekhandel van de wereld vertelt het succesverhaal van het boekbedrijf – het drukken, uitgeven, distribueren en verhandelen van drukwerk – in de Republiek der Verenigde Nederlanden in de 17deeeuw. De auteurs – beiden verbonden aan de universiteit van St. Andrews – presenteren in vier hoofdstukken de opkomst, hoogtij en (in mindere mate) ondergang van het Nederlandse boekbedrijf in de Gouden Eeuw. Speciale aandacht gaat uit naar het (cultuur)economische belang van deze industrie; boeken behoorden tot de belangrijkste exportproducten van de Republiek, en ook binnenlands werd drukwerk gretig afgenomen. Daarnaast brengen Pettegree en Der Weduwen het belangrijke en vernieuwende inzicht naar voren dat de overgrote meerderheid van vroegmodern drukwerk de tand des tijds niet heeft doorstaan, en dus ook niet meegenomen kan worden in tegenwoordig (boek)historisch onderzoek. Zij stellen in De boekhandel van de wereld dat door het blootleggen van tot nu toe circa 300 miljoen exemplaren ongedocumenteerd drukwerk, de ‘verloren gegane wereld van nieuwspublicaties, bestuurlijk drukwerk en populaire bestsellers een omslag teweeg [brengt] in ons beeld van wat het Nederlandse publiek in de tijd van Rembrandt graag las’.

Daarnaast brengen Pettegree en Der Weduwen het belangrijke en vernieuwende inzicht naar voren dat de overgrote meerderheid van vroegmodern drukwerk de tand des tijds niet heeft doorstaan, en dus ook niet meegenomen kan worden in tegenwoordig (boek)historisch onderzoek.

Hoewel Nederland in 2019 niet meer de ‘boekhandel van de wereld’ genoemd kan worden, vertoont de huidige situatie van onze boekenmarkt nog zeker overeenkomsten met die van 400 jaar geleden. De boekhandel van de wereld laat zien dat uitgevers en drukkers in de 17de-eeuwse Republiek 300 miljoen boeken produceerden en verkochten, wat het boekenbedrijf een ‘veelvormige en alomvattende bedrijfstak’ maakte. Ter vergelijking: kunstschilders – het boegbeeld van het klassieke succesverhaal van de Gouden Eeuw – produceerden tezamen drie miljoen schilderijen. Tegenwoordig kopen Nederlanders nog altijd meer boeken dan lezers uit andere Europese landen: volgens de Leesmonitor van de Stichting Lezen bijna 41 miljoen exemplaren in 2018.

Vergelijkbaar is ook de positie van de auteur, die er financieel niet op vooruit is gegaan in de afgelopen vier eeuwen. Tegenwoordig kan slechts een enkele auteur rondkomen van het schrijven en niet meer dan 0,7 procent van de Nederlandse auteurs houdt een minimuminkomen over aan de verkoop van boeken alleen (NRC, 17 december 2018). Dit was in de 17de eeuw weinig anders. Volgens De boekhandel van de wereld had zelfs de schrijver van dé bestseller van de Gouden Eeuw – Willem IJsbrantsz Bontekoe’s Iournael (1646) – geen aandeel in de opbrengst van de ten minste 30 edities die er van zijn reisverhaal verschenen. Die winst was voorbehouden aan de uitgever. De eventuele parallel met de huidige situatie van wetenschappelijke uitgeverijen schuif ik hier terzijde (The Guardian, 4 maart 2019), maar zowel in de 17de eeuw als vandaag de dag heeft de uitgever een vele malen grotere rol in de totstandkoming van boeken, kranten, tijdschriften en pamfletten dan over het algemeen verwacht wordt. Uitgevers, drukkers en boekverkopers stonden ook aan de wieg van grote veranderingen in het drukkerswezen. Waar de 21ste eeuw in het teken staat van de digitale revolutie – hoewel de verkoop van e-books nog steeds achterblijft op eerdere prognoses – kende de 17de eeuw een omwenteling in het gehele medialandschap dankzij de introductie van kranten, tijdschriften en pamfletten. Deze typen drukwerk zijn doorgaans onderbelicht, met name door de schaarste van beschikbaar onderzoeksmateriaal. Pettegree en Der Weduwen schijnen een welverdiend licht op deze ontwikkelingen

Waar de 21ste eeuw in het teken staat van de digitale revolutie […] kende de 17de eeuw een omwenteling in het gehele medialandschap dankzij de introductie van kranten, tijdschriften en pamfletten.

De boekhandel van de wereld heeft een chronologisch verloop, is rijkelijk doorspekt met historische achtergrondinformatie én voorzien van een ruime hoeveelheid illustraties in zowel kleur als in zwart-wit. Dit maakt het boek niet alleen zeer prettig leesbaar, maar ook interessant voor een breed publiek. Pettegree en Der Weduwen leveren daarmee een luisterrijke en hoogst noodzakelijke bijdrage aan de Europese cultuurgeschiedenis in het algemeen en de geschiedenis van het Nederlandse drukkerswezen in het bijzonder, waarbij zowel historici als geïnteresseerde leken hun hart kunnen ophalen. Dit laatste is misschien wel het meest prijzenswaardig aan De boekhandel van de wereld. Het werk bewandelt de  gulden middenweg tussen een wetenschappelijk en populair genre. Het breed toegankelijke boek is gestoeld op wetenschappelijke inzichten, wat zichtbaar is voor de kenner maar onzichtbaar – en dus niet belemmerend – voor de leek. Een dergelijke benadering wordt vaker gehanteerd door academici, maar slechts zelden zo succesvol.

Pettegree en Der Weduwen leveren daarmee een luisterrijke en hoogst noodzakelijke bijdrage aan de Europese cultuurgeschiedenis in het algemeen en de geschiedenis van het Nederlandse drukkerswezen in het bijzonder, waarbij zowel historici als geïnteresseerde leken hun hart kunnen ophalen.

Pettegree en Der Weduwen noemen het een ‘eigenaardige paradox van [hun] onderzoek dat juist boeken waaraan de eigenaars indertijd het meest verknocht waren de tand des tijds het slechtst hebben doorstaan’. Daarom hoop ik dat over 400 jaar slechts één exemplaar van De boekhandel van de wereld per ongeluk bewaard is gebleven in een privécollectie, en dan ook nog alleen een vierde druk. Ik geloof alleen niet dat dat mijn exemplaar zal zijn.

Willem Otterspeer, Het Horzelnest. De Leidse universiteit in oorlogstijd; Amsterdam: Uitgeverij Prometheus, 2019, 400 pp, ISBN: 9789044638561. Prijs: € 35,-

Jeroen Kemperman, NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies

Bijna driekwart eeuw na het einde van de Tweede Wereldoorlog ligt er met Het Horzelnest eindelijk een gedegen studie naar de Leidse universiteit in de periode 1940-1945. De laatste twee decennia is een aantal goede boeken over de bezettingsgeschiedenissen van de instellingen voor hoger onderwijs in Amsterdam, Delft, Groningen en Utrecht verschenen, maar een vergelijkbare publicatie over Leiden – de oudste universiteit van het land – ontbrak nog. In 1978 verscheen weliswaar De Leidse universiteit 1928-1946; Vernieuwing en verzet van de jurist P.J. Idenburg, die zelf als secretaris van curatoren een aanzienlijke rol in de door hem beschreven gebeurtenissen had gespeeld, maar door de kroniekachtige opzet voldeed dat werk niet helemaal. De bestaande lacune is nu door de vlotte pen van Willem Otterspeer opgevuld.

Bijna driekwart eeuw na het einde van de Tweede Wereldoorlog ligt er met Het Horzelnest eindelijk een gedegen studie naar de Leidse universiteit in de periode 1940-1945.

Volgens Otterspeer zelf is zijn boek anders dan andere boeken over Nederlandse universiteiten in oorlogstijd. Waar universiteitshistorici als P.J. Knegtmans (over de UvA) en Klaas van Berkel (over de RUG) voor een bredere tijdspanne en een zakelijk-neutrale benadering kozen, wordt in Het Horzelnest primair de periode 1940-1945 behandeld en een ethische stellingname niet geschuwd. In Otterspeers relaas is wel degelijk een rol weggelegd voor helden en schurken. Hij doet dat echter met mate (‘Leiden had maar een paar helden’) en op subtiele wijze, zodat het ‘ouderwetse’ goed-foutperspectief er zeker niet te dik bovenop ligt. Bovendien nuanceert hij het (vooral in de sleutelstad levende) idee dat Leiden zich tijdens de bezetting van alle Nederlandse universiteiten het meest correct had gedragen door ook steeds de ambiguïteit, de twijfel en de onenigheid onder de professoren te laten zien.

Auteurs die de geschiedenis van een specifieke universiteit behandelen, hebben de neiging de verschillen tussen de diverse instellingen van hoger onderwijs te benadrukken. Ook Otterspeer begint zijn boek met de vaststelling dat Leiden een ‘andere’ universiteit was. De geschiedenis van de Leidse universiteit in oorlogstijd vertoont inderdaad een aantal bijzondere elementen. Het meest in het oog springen de beroemd geworden rede die professor R.P. Cleveringa op 26 november 1940 hield als protest tegen de verwijdering van zijn Joodse collega-professor E.M. Meijers, de daarop volgende studentenstaking en gedwongen sluiting van de universiteit, en de massale ontslagname van academische docenten in mei 1942 als reactie op een poging de juridische faculteit te nazificeren. Cleveringa bracht lange tijd in gevangenschap door. Een andere held van het boek, professor Ben Telders, stierf in april 1945 in kamp Bergen-Belsen. ‘Aan geen enkele andere universiteit dan de Leidse werden zo veel professoren gevangengezet en naar kampen afgevoerd’, concludeert Otterspeer.

Anderzijds maakt het boek duidelijk dat het professorenverzet niet algemeen en vanzelfsprekend was. Het was een relatief beperkte groep activisten, georganiseerd in de ‘Kleine Krans’, die steeds het voortouw nam en de twijfelende en voorzichtige collega’s mee moest zien te krijgen. Dat kostte de nodige moeite. Er waren, net als aan de andere universiteiten, genoeg Leidse docenten die het liefst ongestoord bleven doorwerken in hun bibliotheken, klinieken en laboratoria. Dergelijke geleerden waren, in de treffende woorden van Otterspeer, ‘zo ondergedompeld in hun studie en vooral in de waardevrijheid van de kennis dat ze de rest van de vrijheid uit het oog verloren.’ De leden van de Kleine Krans hadden volgens hem goed begrepen dat een universiteit niet alleen een wetenschappelijke instelling behoort te zijn, maar tevens een morele gemeenschap.

Otterspeer waagt zich helaas niet aan een grondige vergelijking met de ontwikkelingen in andere universiteitssteden. Behalve dat er verschillen waren tussen de diverse universiteitssteden, waren er ontegenzeggelijk ook overeenkomsten.

De sluiting van de universiteit, die na een lange periode van onzekerheid in het najaar van 1941 definitief werd en als gevolg waarvan de meeste studenten naar andere instellingen overstapten, noemt Otterspeer een grote zegen: ‘Juist als lege huls kon de universiteit zich beraden over haar ideale vorm.’ Door die sluiting is de geschiedenis van de Leidse universiteit in oorlogstijd vooral een geschiedenis van professoren geworden. Het perspectief van de studenten komt veel minder aan bod in Het Horzelnest, met uitzondering van de broers Jan en Huib Drion, de uitgevers van het belangrijke clandestiene blad ‘De Geus onder studenten’. Dit blad had een reikwijdte en een achterban die veel verder ging dan het Leidse. Dat de focus vooral op de docenten ligt stoort niet, maar stroomlijnt het betoog juist. Otterspeer waagt zich helaas niet aan een grondige vergelijking met de ontwikkelingen in andere universiteitssteden. Behalve dat er verschillen waren tussen de diverse universiteitssteden, waren er ontegenzeggelijk ook overeenkomsten. In november 1940 is ook in Delft door studenten gestaakt en hielden ook professoren in Utrecht, Amsterdam en Wageningen protestcolleges. Het wachten is nu op een studie die de diverse universiteits- en hogeschoolgeschiedenissen samensmeedt tot een integrale geschiedenis van het Nederlandse hoger onderwijs tijdens de Duitse bezetting. Het Horzelnest vormt alvast een onontbeerlijke bouwsteen voor zo’n synthese.


Femke Knoop, Hirsch & Cie Amsterdam (1882-1976). Haute couture op het Leidseplein; Hilversum: Verloren, 2018; 344 pp., ill., ISBN: 9789087047283, €25,-

Anne Petterson, Universiteit Leiden

Ik geef het maar meteen eerlijk toe: Hirsch & Cie Amsterdam biedt de lezer een prettig leesbaar en gedegen onderzoek naar het chique Amsterdamse modepaleis dat in 1882 haar deuren opende aan het Leidseplein, maar stiekem vind ik aan dit boek de plaatjes het allerleukst. Hirsch & Cie bood tussen 1882 en 1976 haar klanten een rijk assortiment aan haute couture, hoogwaardige confectiekleding en (mode-)accessoires. Om de geschiedenis van dit familiebedrijf in kaart te brengen, heeft Femke Knoop kranten, archieven en museale collecties afgespeurd op zoek naar informatie. Daarbij heeft zij duidelijk ook oog voor beeld als historische bron. Bladerend langs de foto’s van het sierlijke interieur visualiseer ik als vanzelf hoe ik rond 1900 door dit ‘moderne’ warenhuis zou hebben rondgelopen. Dat jasje van blauwe zijde met oudroze rozen op pagina 160, hoe zou me dat hebben gestaan? En wat te denken van al die rijkversierde japonnen? Of zou het alleen bij dromen zijn gebleven, en had ik mij op een regenachtige maandag tussen 9.00 en 10.00 uur gemeld bij de zijingang als reactie op de personeelsadvertentie voor ‘bekwame naaisters’?

Ik geef het maar meteen eerlijk toe: Hirsch & Cie Amsterdam biedt de lezer een prettig leesbaar en gedegen onderzoek naar het chique Amsterdamse modepaleis dat in 1882 haar deuren opende aan het Leidseplein, maar stiekem vind ik aan dit boek de plaatjes het allerleukst.

Hirsch & Cie Amsterdam is natuurlijk veel meer dan een plaatjesboek. De fraaie vormgeving gaat gepaard met een sterke inhoud. Doel van het boek, zo schrijft Knoop in de inleiding, is de geschiedenis van modehuis Hirsch te presenteren ‘als knooppunt van ontwikkelingen van de moderne samenleving’. Het bedrijf werd opgericht door twee van oorsprong Duitse-joodse ondernemers, Sylvain Kahn en Sally Berg. Beiden waren in dienst bij Hirsch & Cie Brussel (1869-1962); Kahn wist zich in de loop van de tijd op te werken tot chef van de stoffenafdeling en Berg leidde de afdeling Couture. Bij een werkbezoek aan Amsterdam in 1882 constateerde Kahn dat er in de Nederlandse hoofdstad vooral Duitse confectie werd verkocht. Wie zich in haute couture wilde kleden, moest naar Brussel of Parijs of was aangewezen op particuliere naaisters. In Amsterdam leken dus mogelijkheden voor een nieuwe onderneming te bestaan. Leo Hirsch, oprichter van het Brusselse modepaleis, financierde de onderneming en nog datzelfde jaar was Hirsch & Cie Amsterdam een feit.

Het boek is onderverdeeld in zes thematische hoofdstukken. Er is aandacht voor Hirsch & Cie als familiebedrijf, de architectuur van het monumentale Hirsch-gebouw, het assortiment en de reclame die het warenhuis maakte, en het klantenbestand. Hirsch & Cie Amsterdam biedt een bedrijfsgeschiedenis in de brede zin van het woord. In het tweede hoofdstuk staat daarom het personeel van Hirsch centraal, en hier brengt Knoop de werkvloer echt tot leven. Aanvankelijk werd het personeel vooral geworven binnen Amsterdam en omgeving. Over de werkomstandigheden is iets bekend uit arbeidsenquêtes en enkele interviews. Onder het personeel bestond een duidelijke hiërarchie: de verkoopsters waren hoger in rang dan de naaisters, de coupeurs stonden weer boven de mantelwerksters, enzovoorts. ‘Wij naaisters bleven boven,’ citeert Knoop ene mevrouw E. ‘Alleen de coupeuse mocht mee naar beneden om spelden te steken, en dan […] hoorden we wat er veranderd moest worden.’ (p.60) De ateliers waren inpandig, maar strikt gescheiden van de winkel: de te passen kledingstukken werden via een gordijn aan de coupeuse of winkelbediende gegeven. Wat zich achter de schermen afspeelde, mocht de klant nooit te zien krijgen. Op haar blog portretteert Knoop enkele voormalige medewerkers van Hirsch, een project dat onder de hashtag #GezichtenvanHirsch op sociale media wordt voortgezet.

(…) maar de lezer krijgt wel een compleet en zorgvuldig geconstrueerd beeld van het reilen en zeilen van deze hoofdstedelijke onderneming. Met Hirsch & Cie Amsterdam biedt Knoop dan ook een belangrijke bouwsteen voor de geschiedenis van het winkelleven in Amsterdam en Nederland.

Amsterdam ontwikkelde zich eind 19de eeuw tot een moderne metropool. Hirsch & Cie past dan ook in een bredere trend van grootstedelijk leven, iets waar Knoop – ondanks de belofte in de inleiding –pas in haar verantwoording uitgebreider bij stilstaat. De opkomst van een heuse winkelcultuur en uitbreiding van warenhuizen als de Bijenkorf, Gerzon, V&D en Sinkel vonden in dezelfde periode plaats. Hirsch & Cie vertegenwoordigde daarbinnen het topsegment; veranderende consumptiepatronen waren dan ook een belangrijke factor in de sluiting van de zaak eind jaren zeventig van de 20ste eeuw. Deze context is belangrijk om te begrijpen waarom de geschiedschrijving over dit soort winkels zo relevant is: het verhaal van Hirsch & Cie is namelijk niet alleen de geschiedenis van een bedrijf maar werpt ook licht op stedelijke modernisering, veranderende consumptiecultuur en nieuwe sociale verhoudingen. Die grotere thema’s blijven in de hoofdstukken enigszins op de achtergrond, maar de lezer krijgt wel een compleet en zorgvuldig geconstrueerd beeld van het reilen en zeilen van deze hoofdstedelijke onderneming. Met Hirsch & Cie Amsterdam biedt Knoop dan ook een belangrijke bouwsteen voor de geschiedenis van het winkelleven in Amsterdam en Nederland.

In 1382 verwierf Gorinchem stadsrecht. Maar eigenlijk vindt de redactie van Tien eeuwen Gorinchem een dergelijk rechtshistorisch document niet meer van doorslaggevende betekenis in de moderne stadsgeschiedenis. Al vóór het officiële stadsrecht werd verleend, was Gorinchem een stedelijke nederzetting. Met dit vuistdikke boek heeft de redactie een statement willen maken, aldus recensent Paul van der Laar. Lees hier de volledige recensie.

Felix Cerutti, Roel Mulder, Bert Stamkot en Aron de Vries (red.), Tien eeuwen Gorinchem. Geschiedenis van een Hollandse stad; Utrecht: Stichting Matrijs, 2018; ill., 656 pp., ISBN: 9789053455289, €59,95

Paul van de Laar, Erasmus Universiteit Rotterdam

In 1382 verwierf Gorinchem stadsrecht. Maar eigenlijk vindt de redactie van Tien eeuwen Gorinchem een dergelijk rechtshistorisch document niet meer van doorslaggevende betekenis in de moderne stadsgeschiedenis. Al vóór het officiële stadsrecht werd verleend, was Gorinchem een stedelijke nederzetting. Met dit vuistdikke boek heeft de redactie een statement willen maken. Het is fraai uitgegeven, rijk geïllustreerd, van prachtige kaarten voorzien en telt 655 pagina’s – wie het wil lezen zal aan tafel moeten zitten, want echt makkelijk hanteerbaar is het niet. Dat is niet mis voor een stad met ongeveer 36.000 inwoners, ongeveer de omvang van het Rotterdamse Hoogvliet.

Het was echter de hoogste tijd voor een overzichtswerk, waarin al het enthousiaste spitwerk bij elkaar werd gebracht. Zoals de meeste “moderne” stadsgeschiedenissen is dit een verzameld werk: ik telde 25 auteurs. Met elkaar een club enthousiaste schrijvers die de passie voor Gorinchem delen. Zelf ben ik geen voorstander van dit soort geredigeerde werken. Liever een boek dat door één of twee auteurs is geschreven, met een duidelijke rode draad of visie op een stad. Nu is het vooral een – contextuele – encyclopedie van Gorinchem geworden. De auteurs spreken namelijk mijn inziens te makkelijk van een synthese. Het boek is opgedeeld in zeven tijdvakken en met uitzondering van de beginperiode – de pre-stedelijke samenleving – wordt elk hoofdstuk aan de hand van vier thema’s bestudeerd. Het zijn voor de hand liggende thema’s: bestuur en politiek, stadsontwikkeling, economie en een  bonte verzamelcategorie van sociale, kerkelijke en culturele aspecten. En die moeten allemaal aan bod komen.

Nu is het vooral een – contextuele – encyclopedie van Gorinchem geworden. De auteurs spreken namelijk mijn inziens te makkelijk van een synthese.

Afbakening is bij elke stadsgeschiedenis een probleem, dus ook die van Gorinchem. Voor wat betreft de definiëring van een stad heeft de redactie gekozen voor een definitie die zo uit een handboek komt. Dat vind ik jammer. Want daardoor is het voor niet-Gorinchemers lastig om te achterhalen: wat is het nu voor een stad? Vóór 1300 werd Gorinchem gezien als havenstad. De stad zou dan te vergelijken zijn met steden als Schoonhoven en Amsterdam, waarbij natuurlijk wel direct het voorbehoud moet worden gemaakt dat Gorinchem zich niet tot internationale zeehavenstad ontwikkelde. Maar ook had een keuze gemaakt kunnen worden om Gorinchem te typeren als vestingstad, want zo afficheert de stad zich namelijk nog altijd als toeristische trekpleister.

En deze erfgoedbelangstelling voedt de interesse voor de eigen geschiedenis. Daarom komt het goed uit dat al die enthousiaste Gorinchemers nu hun eigen stadsgeschiedenis hebben.

De leukste hoofdstukken vond ik vooral die de periode 1400-1600 als onderwerp hebben en waarin de betekenis van Gorinchem het lokale overstijgt. Zoals de Arkelse oorlogen toen de heren van Arkel het opnamen tegen de graven van Holland. In juni 1402 trok een leger van 6.000 man tegen Gorinchem op. De geschiedschrijvers wijzen er niet zonder trots op dat de stad de belegering goed wist te doorstaan. Maar uiteindelijk viel ook Gorinchem in handen van de graaf van Holland. Gorinchem heeft deze overgang wel als een teleurstelling ervaren, want toen kwam ook een einde aan de ambitie van de stad om meer te zijn dan een kleine Hollandse stad. Hoewel de stad als deel van Holland ook wel weer profiteerde  van de economische opleving en dat is met name zichtbaar in de vijftiende-eeuwse blikvanger, de Blauwe Toren (gebouwd vanaf 1461 als stadskasteel van Karel de Stoute).  En bij het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog stond de stad er zelfs goed voor.  Gorinchem is vooral bekend geworden vanwege de moord op de katholieke geestelijken in opdracht van geuzenleider Lumey in 1572.  Ook Gorinchem profiteerde van de Hollandse bloeiperiode wat zichtbaar werd aan de tweede grote stadsuitbreiding die rond 1600 werd gerealiseerd. Gorinchem telde toen ongeveer 5.500 inwoners en was in grootte de dertiende stad van Holland. De derde stadsuitbreiding vond pas begin twintigste eeuw plaats. In die twee eeuwen is op lokaal niveau wel het een en ander gebeurd. Maar tussen 1600 en 1800 onderscheidt Gorinchem zich niet echt van de andere steden in regio. Het kabbelt dan voort, als klein rivierstadje dat na de Bataafs-Franse Tijd slechts 6.000 inwoners telde. In 1900 verdubbelde het inwoneraantal mede dankzij de industriële ontwikkeling. Pas in 1919 kreeg het zijn eerste uitbreidingsplan, veel later dan de grotere Hollandse steden. In 1940 telde de stad 14.500 inwoners. Halverwege de jaren zestig was ook Gorinchem bevangen door grootstedelijke obsessies en rekende erop dat het een stad van 100.000 inwoners zou worden. Dat zou niet gebeuren en daar mogen ze achteraf blij om zijn, want de tegenbeweging die “small is beautiful” als leidraad nam, heeft er mede toe geleid dat Gorinchem een kleine aantrekkelijke stad is gebleven. Dat werpt zijn vruchten af. De stad adverteert nu zelfs met Mooi Gorinchem. De vestingwallen gaan misschien wel deel uitmaken van het werelderfgoed, als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. En deze erfgoedbelangstelling voedt de interesse voor de eigen geschiedenis. Daarom komt het goed uit dat al die enthousiaste Gorinchemers nu hun eigen stadsgeschiedenis hebben.

Ad van der Zee, De Wendische Oorlog: Holland, Amsterdam en de Hanze in de vijftiende eeuw. Middeleeuwse studies en bronnen 169; Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2018; ill., 255 pp., ISBN 9789087047139, €25,-

Jaco Zuijderduijn, Lund University

De Wendische Oorlog: had u daar weleens van gehoord? Een hoogoplopend handelsconflict in 1438-1441 tussen Amsterdam en het graafschap Holland aan de ene kant, en de zes Hanzesteden Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund aan de andere – gezamenlijk bekend als de Wendische steden. Een kaperoorlog waarbij vooral het buitmaken van de handelswaar van de tegenstander werd gezien als hét middel om de tegenpartij tot concessies te dwingen.

Ad van der Zee heeft een informatief, prettig leesbaar en mooi vormgegeven boek geschreven over deze episode in de Hollandse geschiedenis. Natuurlijk wordt daarin de Wendische Oorlog besproken, maar ook de politieke situatie in Noordwest en Noord Europa, de scheepsbouw en de organisatie van de internationale handel – en de rol die de Hanze daarin speelde – en de manier waarop conflicten werden beslecht. Dat laatste is de kern van het boek: in 1438 kwam het tot een kaperoorlog, omdat Amsterdam en de Wendische steden er niet in slaagden een al jaren sluimerend conflict af te wikkelen, over de vergoeding van schade die kooplieden hadden geleden tijdens een eerdere handelsoorlog. In 1438 verwierven de twistende partijen daarom vrijbrieven om de schepen en handelswaar van de tegenstander te kapen en te confisqueren. Economische sancties dus, die van grote invloed waren op de handelaars die actief waren op de Noord- en Oostzee.

Het is Van der Zee’s grote verdienste dat hij een gecompliceerd politiek en economisch conflict op een begrijpelijke en geanimeerde manier weet samen te vatten. Wijs worden uit middeleeuwse oorkonden en rekeningen is vaak al lastig, maar deze presenteren zodat een breder publiek ook kennis kan nemen van laatmiddeleeuwse toestanden is vaak nog veel moeilijker. De Wendische Oorlog is – ondanks het weerbarstige bronnenmateriaal – een zeer leesbaar boek. Van der Zee studeerde in de jaren negentig af op dit onderwerp en liet de scriptie jarenlang op de plank liggen, met de ambitie er ooit nog eens iets mee te doen. En er eenmaal weer mee bezig, ondernam hij een ontdekkingstocht langs de Hanzesteden en hun geschiedenis. Anekdotes uit handelssteden van weleer duiken regelmatig op: over middeleeuwse financiële transacties en een Amsterdamse kaper die maar niet veroordeeld kon worden. Daarnaast zijn er uitweidingen over city-marketing door steden die hun Hanze-verleden herontdekt hebben. Dat maakt het boek aantrekkelijk voor de geïnteresseerde leek, maar neemt de lezer af en toe ook mee op zijpaden die wellicht niet strikt noodzakelijk zijn en soms enigszins afleiden.

Het is Van der Zee’s grote verdienste dat hij een gecompliceerd politiek en economisch conflict op een begrijpelijke en geanimeerde manier weet samen te vatten.

Moet u zich zorgen maken als u nog nooit van de Wendische Oorlog hebt gehoord? ‘Ja’ zouden historici van een eerdere generatie zeggen: het handelsconflict tussen Amsterdam – in 1438 een stadje van ongeveer 3.500 inwoners – en de veel grotere Wendische steden was cruciaal voor de latere ontwikkeling van de nederzetting aan de Amstel en het gewest Holland. Van der Zee schuift deze literatuur terzijde, al is het niet altijd duidelijk waarom, want heel veel komt de lezer niet te weten over wat er zoal schort aan de visie van bijvoorbeeld H.J. Smit of F. Ketner, die toch lijvige boeken over de Amsterdamse handel in de vijftiende eeuw schreven. Welke bijdrage Van der Zee aan die bestaande literatuur levert, is niet heel duidelijk, behalve dat hij waakt voor een teleologische benadering en de kaperoorlog niet in het licht van de 17de-eeuwse Gouden Eeuw wil zien (p. 37). Maar in het samenvattende negentiende hoofdstuk worden er toch lijnen getrokken tussen de Wendische Oorlog en de latere Amsterdamse en Hollandse successen: het conflict droeg bij aan bestuurlijke vernieuwing, de opkomst van een maritieme identiteit, en was ‘in hoge mate bepalend […] voor de maritieme en economische ontwikkeling van Holland en de steden langs de Oostzee’ (p. 237). Was de Wendische Oorlog dan toch een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling die Amsterdam, Holland en de Wendische steden doormaakten? Of was het slechts een incident dat kan worden gebruikt om een kaperoorlog te reconstrueren en inzicht te verwerven in de laatmiddeleeuwse politiek en economie? Van der Zee hakt deze knoop eigenlijk te laat door en daardoor is het voor de lezer soms lastig om de politieke verwikkelingen en economische problemen die worden besproken een plaats te geven.

Voor wie wil begrijpen hoe men – against all odds – er in de late middeleeuwen toch in slaagde om handel te drijven, biedt Van der Zee’s boek een prima inleiding.

Mooi is het vooral om te lezen hoe precair de middeleeuwse handel was, hoezeer kooplieden in den vreemde afhankelijk waren van een politieke machtsbalans tussen de vele mogendheden, en op welke wijze zij deze probeerden te beïnvloeden. En om te zien wat er gebeurde als het misging en Hollandse schepen werden geconfronteerd met veel grotere vijandelijke vaartuigen van de Wendische steden, of wanneer de Hollanders de volledige Pruisische zoutvloot kaapten – tegen de zin van de landsheer, die helemaal niet zat te wachten op een politiek conflict met de grootmeester van de Duitse Orde, die in Pruisen de scepter zwaaide. Voor wie wil begrijpen hoe men – against all odds – er in de late middeleeuwen toch in slaagde om handel te drijven, biedt Van der Zee’s boek een prima inleiding.

Barbara Kooij, Spaanse ooggetuigen over het beleg van Haarlem (1572-1573); Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2018; ill., 334 pp., ISBN 9789087047467; € 29,-

Gijs Rommelse

‘Ik heb U niet eerder geschreven omdat ik zat te wachten op het moment dat we deze verdomde stad eindelijk op de knieën hebben. En dat is nu gebeurd.’ Met deze woorden informeerde kapitein Estaban de Illán secretaris Juan de Albornoz dat Haarlem op 8 juli 1573, na een beleg van ruim zeven maanden, eindelijk had gecapituleerd. De belegering was de hertog van Alva en het Spaanse leger zwaar gevallen. Honderden Spaanse, Italiaanse, Waalse en Duitse militairen waren gesneuveld door toedoen van ‘de verraders, ketters en rebellen’, terwijl talloze anderen lichaamsdelen hadden verloren of anderszins verminkt waren geraakt. Bovendien hadden de belegeraars danig moeten afzien tijdens de strenge winter van 1572-1573; regen, sneeuw en koude zorgden voor veel ziektegevallen en ook de voedselaanvoer liet het regelmatig afweten. Het kwam de wanhopige belegeraars soms voor dat de Haarlemmers, die bevoorraad werden over het Haarlemmermeer, beter te eten hadden dan zijzelf. Pas na de Slag op het Haarlemmermeer van 26 mei waren de Spanjaarden er in geslaagd de Spaarnestad volledig af te snijden van alle bevoorrading. De bevelhebbend officier, don Fadrique de Toledo, nam vervolgens graag de loftuitingen voor de overwinning in ontvangst. Maar diens vader, de ijzeren hertog van Alva, wist dat er een Pyrrhusoverwinning behaald was. Een week na de capitulatie meldde hij koning Filips II dat hij ‘vanwege een zeer groot geldgebrek […] in zulke benaderde omstandigheden’ verkeerde, dat hij vreesde dat ‘er onder het krijgsvolk mensen zijn die brutaal genoeg zijn om mij te vragen het geld te betalen dat ik hen schuldig ben. Ze staan nu op het punt in opstand te komen, en dat zal zoveel problemen geven dat alleen de gedachte daaraan mij zo bezorgd maakt dat ik ’s nachts geen oog meer dicht doe’.

Het boek van Barbara Kooij biedt een fascinerend inzicht in hoe Filips II, Alva, don Fadrique, hun secretarissen en het officierskorps de oorlog in Holland bezagen.

Het verhaal van het Beleg van Haarlem is natuurlijk niet nieuw; er is tamelijk veel geschreven over deze episode uit de Opstand en de naam Kenau Simonsdochter Hasselaar is alom bekend. En uiteraard weten we al lange tijd dat de strijd meedogenloos en bloederig was. Het verhaal over de executie van de verdedigers middels onthoofding of verdrinking in het Spaarne is al vaak verteld, vaak met gebruikmaking van de gruwelijke kopergravure van Frans Hogenberg.

Moord te Haarlem door de Spanjaarden. Ets door Frans Hogenberg, 1573-1575. Collectie Rijksmuseum, Amsterdam.

Maar het verhaal wordt doorgaans uitsluitend vanuit Nederlands perspectief verteld en hoofdzakelijk op basis van Nederlandse bronnen. Het boek van Barbara Kooij biedt een fascinerend inzicht in hoe Filips II, Alva, don Fadrique, hun secretarissen en het officierskorps de oorlog in Holland bezagen. Zo lezen we over de grote morele verontwaardiging die men voelde voor de Hollandse ‘verraders’ en ‘rebellen’. Dit politieke verwijt klonk in ieder geval sterker door in de in het boek opgenomen brieven dan het religieuze verwijt dat men de calvinisten maakte. Prins Willem van Oranje was in Spaanse ogen de grote schuldige, degene die uiteindelijk de Hollandse bevolking tot hun schandelijk verraad had aangezet. Tijdens het beleg reflecteerde men met enige regelmaat over de straf die de Haarlemmers zouden moeten ondergaan na de capitulatie. Voor sommigen was het klip en klaar dat zij hetzelfde noodlot zouden moeten ondergaan als de bewoners van Zutphen en Naarden. Daarom is het des te opvallender dat Alva uiteindelijk besloot de Haarlemmers toe te staan de plundering voor 250.000 gulden af te kopen en de burgers van de stad te laten sparen. Volgens kolonel Gaspar de Robles was de belegering al genoeg straf geweest: ‘Ik verwijs hierbij dan ook naar het uitstekende verslag van de hertog, waaruit naar voren komt dat God Haarlem dezelfde straf heeft willen opleggen als Jeruzalem. Wij weten immers dat in Haarlem kinderen de tepels van hun moeders afbeten, en dat mannen hun vrouwen hebben gedood om hen de hongerdood te besparen.’

De inleiding mag dan zijn beperkingen hebben, voor de lezer biedt Kooijs boek een fascinerend inzicht in het Spaanse perspectief op het Beleg van Haarlem.

Kooij heeft 138 teksten, vrijwel allemaal afkomstig uit reeds bestaande bronnenpublicaties, verzameld en vanuit het Spaans of Frans vertaald. Het gaat om brieven en oorlogsverslagen, en een enkel gedicht. De teksten worden verduidelijkt met nauwkeurige voetnoten. Een inleidende tekst biedt de lezer een overzicht van de oorzaken van de Nederlandse Opstand, de Spaanse militaire inzet bij Haarlem, een karakterisering van de strijd, en van de epistolaire context van het corpus. Het valt op dat de inhoud van de teksten in slechts twee pagina’s wordt besproken. Kooij legt uitgebreid uit hoe de bureaucratische correspondentie van Filips II werkte en welke rol secretarissen daarin speelden, maar de thematische analyse is wel erg summier. Wat dat betreft biedt het boek overigens wel prachtig materiaal voor historici die geïnteresseerd zijn in vroegmoderne militaire cultuur, de ongeschreven conventies ten aanzien van oorlogsrecht en de ideologische constructie van vijandbeelden. De inleiding mag dan zijn beperkingen hebben, voor de lezer biedt Kooijs boek een fascinerend inzicht in het Spaanse perspectief op het Beleg van Haarlem.

 

 

Maarten Hell, De Amsterdamse Herberg 1450-1800. Geestrijk centrum van het openbare leven; Nijmegen: Vantilt, 2017: ill., 488 pp., ISBN 97894600043437; € 29,95

Carin Gaemers

De functies van het herbergwezen in het openbare leven in Amsterdam in de periode 1450-1800, dat is de invalshoek die Maarten Hell koos voor zijn promotieonderzoek. Dat blijkt een vruchtbare insteek. Met deze benadering konden gegevens uit uiteenlopende archiefcollecties in een zinvol verband worden geplaatst. Het resultaat is een studie waarin brede structuren worden blootgelegd, terwijl tegelijkertijd fascinerende inkijkjes worden geboden in het dagelijks leven.

De historiografie van het herbergwezen is beperkt in omvang en in reikwijdte. Op het  befaamde Alehouses van Peter Clark in 1983  volgde Public drinking and popular culture in eighteenth-centrury Paris van Thomas Brennan, en van Kűmin en Tlusty verschenen studies naar drinkhuizen in Bern en Beieren. Voor Nederland is de studie naar de maatschappelijke plaatsbepaling van de herberg in ’s Hertogenbosch tussen 1650 en 1800 van B. Deseure uit 2007 de enige relevante studie. Wel kon Hell putten uit de vele contemporaine publicaties en studies met betrekking tot de stad Amsterdam en het openbare leven.

Het resultaat is een studie waarin brede structuren worden blootgelegd, terwijl tegelijkertijd fascinerende inkijkjes worden geboden in het dagelijks leven.

Hell onderscheidt vier basisfuncties van herbergen. Allereerst boden herbergen een onderkomen waar stedelingen en vreemdelingen konden eten, drinken en vaak ook overnachten. De tweede functie vloeit daaruit voort: herbergen waren ontmoetingsplaatsen waar sociale netwerken samenkwamen voor vertier en handel en waar men zich op de hoogte kon stellen van stedelijk, gewestelijk en internationaal nieuws. Ten derde vormden herbergen een podium voor politieke activiteiten.  De vierde functie was die van een steunpunt voor het regionale vervoersnetwerk en voor handelsnetwerken.

Niet alle herbergen boden alle basisfuncties. Herbergen buiten de poorten, op de oever van het IJ of aan een belangrijke vaarweg door de stad, groeiden uit tot aankomst- en vertrekpunt voor de beurtvaart, terwijl herbergen in de havenbuurt zich richtten op de Hanze handel. Gilden en schutterijen hadden vaste herbergen waar zij vergaderden en hun feestmaaltijden organiseerden. In de grootste en meest exclusieve herbergen werden prominente gasten van het stadsbestuur ondergebracht, zoals in De Rode Leeuw op het Damrak. En natuurlijk waren er ook herbergen die uitsluitend drank serveerden.

In een handelsstad als Amsterdam waren overal herbergen te vinden waar kooplieden samenkwamen en hun klanten troffen. De waarden van deze herbergen brachten klanten en kooplieden met elkaar in contact en hielpen handelaren van buiten de stad bij het regelen van transport en het vinden van opslagruimte. Daarnaast verleenden zij diensten in het betalingsverkeer en als kredietverschaffer. Vanwege die spilfunctie in het handelsverkeer, belastte het stadsbestuur de herbergiers met de registratie van vreemdelingen en het verspreiden van overheidsinformatie.

Het omvangrijkste deel van deze studie is gewijd aan de periode 1578-1800. In de decennia nadat Amsterdam zich in 1578 had aangesloten bij de Opstand nam de economie een enorme vlucht. Met de forse bevolkingstoename en de explosieve groei van de internationale handel nam de behoefte aan drinkhuizen toe. In vijftien hoofdstukken laat Hell zien hoe de economische groei leidde tot diversificatie in het aanbod en verschuivingen in de basis taken van herbergen.

In vijftien hoofdstukken laat Hell zien hoe de economische groei leidde tot diversificatie in het aanbod en verschuivingen in de basis taken van herbergen.

De uiteenlopende typen herbergen zijn in al hun schakeringen beschreven. Er waren stadsherbergen, buitenherbergen, herenherbergen, veilingherbergen, slaapbazen, speelhuizen, koffiehuizen, dievenkroegen, bordelen, muziekherbergen en uitspanningen met doolhoven, dierentuinen en kolfbanen. Het uitvoerige onderzoek van al die verschillende bronnen leverde een vracht aan details op over indeling, inrichting, aanbod, personeel en clientèle van al die herbergen. Hell tekende het in zulke heldere kleuren op dat de lezer bijna het gevoel krijgt er zo binnen te kunnen stappen.

Aan de hand van de lotgevallen van waarden, waardinnen en hun gezinnen maakt Hell duidelijk dat het herbergwezen geen garantie bood op een goed inkomen. Het grootste deel van de herbergiers bewoog voortdurend rond de armoedegrens. Slechts een handvol leefde in welstand. De overigen konden van de inkomsten goed rondkomen, mits het een beetje meezat. Voor alle herbergiers, groot of klein, was er een aanzienlijke kans op een faillissement. Door slecht management, een financiële tegenslag, een handelscrisis, of een verandering in de voorkeur van het publiek. Ook een chronische ziekte, invaliditeit of overlijden van de waard of zijn echtgenote, vormde een acuut bedrijfsrisico.

Die onzekerheid blijkt een constante factor in de periode die dit onderzoek bestrijkt. Hetzelfde geldt voor het belangrijke aandeel van de sector in de stadsfinanciën. Accijnzen op alcoholverbruik vormden een aanzienlijk deel van de stedelijke inkomsten. De stad legde het herbergwezen wel aan banden, maar had tegelijkertijd een groot financieel belang bij het voortbestaan van de sector als zodanig.

Met het breed opgezette onderzoek naar de functies die herbergen in het vroegmoderne Amsterdam vervuld, vult Maarten Hell meer dan een leemte in de geschiedschrijving van Holland.

Met het breed opgezette onderzoek naar de functies die herbergen in het vroegmoderne Amsterdam vervuld, vult Maarten Hell meer dan een leemte in de geschiedschrijving van Holland. De Amsterdamse Herberg  is internationaal gezien een waardevolle bijdrage aan dit vrijwel onontgonnen onderzoeksterrein. Deze studie is tevens een krachtige proeve van wat grondig systematisch archiefonderzoek vermag als bronnen met betrekking tot een onderwerp niet als een corpus zijn bewaard. Daarnaast is dit een prettig leesbaar boek vol aansprekende en vermakelijke details. Zo meeslepend en vol verhalen als een stevige kroegentocht maar kan zijn.

S. Groenveld, Facetten van de Tachtigjarige Oorlog. Twaalf artikelen over de periode 1559-1652; Hilversum: Verloren, 2018; geïllustreerd, 400 pp., ISBN 9789087047269; € 35,-

Gijs Rommelse, Haarlemmermeer Lyceum

Kan je als promotus met goed fatsoen het werk van je eigen promotor recenseren? Men zou immers kunnen stellen dat het niet aan de voormalige gezel is het werk van zijn meester tegen het licht te houden; het is niet aan de leerling zich eigenmachtig naast de leraar te stellen. Ook kan worden gezegd dat een jarenlange samenwerking een kritische, beschouwende attitude in de weg zou kunnen staan. Deze twijfel bekroop mij toen de redactie van Holland Historisch Tijdschrift me verzocht het onderhavige boek te bespreken. Na enige overweging besloot ik evenwel dat het misschien wel juist aan een voormalige student was dit boek te beschouwen, juist vanwege het initiatief dat eraan ten grondslag had gelegen.

Groenveld was tot aan zijn emeritaat in 2006 hoogleraar aan de Universiteit Leiden in de geschiedenis en cultuur van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Vanaf 1964 publiceerde hij, blijkens het achterin het boek opgenomen overzicht ongeveer tweehonderdveertig boeken, artikelen, hoofdstukken en boekbesprekingen. Zijn werk is veelzijdig. Op politiek gebied schreef hij onder meer over de ontwikkeling van ambten en instituties, vergadercultuur, diplomatie en buitenlandse verdragen, en tolerantie en censuur in de media. Daarnaast publiceerde hij regelmatig over muziek, met name orgelcultuur, over religieuze identiteiten, armen- en wezenzorg, kaapvaart, kerkgebouwen en de Haarlemmermeer. Het overgrote deel van zijn werk verscheen in het Nederlands, maar daarnaast bevat het veel Duitse en ook enkele Engelstalige stukken. Veel van zijn werk is in kleinere tijdschriften of in minder bekende jaarboekreeksen uitgekomen.

De titel van het boek doet recht aan de inhoud, het betreft ‘facetten’ van de Tachtigjarige Oorlog en bevat daardoor niet echt een rode lijn, of het moet zijn dat het een soort representatieve doorsnede biedt van Groenvelds onderzoek naar de ontwikkeling van de Nederlandse instituties en bestuurspraktijken tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Het hier besproken boek is tot stand gekomen door een initiatief van twee van zijn promoti, Frits van Dulm en Albert Scheffers. Het was hun bedoeling, zo stellen zij in hun ten geleide, om Groenveld namens de dertien promoti die hij in de tien jaar na zijn emeritaat begeleidde te bedanken voor diens ‘onbaatzuchtige begeleiding, grote steun en inspiratie bij de voorbereiding van hun dissertatie.’ Het bevat twaalf artikelen die hij zelf heeft gekozen. Twee ervan zijn niet eerder gepubliceerd, twee verschenen er in Duitstalige bundels, één vormt een samentrekking van een Engelstalig artikel en stuk dat in een Belgisch tijdschrift verscheen, en de rest was uitgebracht in ‘minder zichtbare’ Nederlandstalige bundels of jaarboeken. De titel van het boek doet recht aan de inhoud, het betreft ‘facetten’ van de Tachtigjarige Oorlog en bevat daardoor niet echt een rode lijn, of het moet zijn dat het een soort representatieve doorsnede biedt van Groenvelds onderzoek naar de ontwikkeling van de Nederlandse instituties en bestuurspraktijken tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Zo bevat het artikelen over bestuurlijke en institutionele verandering en continuïteit vóór en na de Opstand, over de in 1568 geëxecuteerde graaf van Horne, het Spaanse beleg van Leiden, het Plakkaat van Verlatinghe, en de lange aanloop naar de Eerste Engelse Oorlog.

Van Dulm en Scheffers hebben het initiatief genomen, maar Groenveld heeft zelf de teksten vertaald, herschreven, inhoudelijk geüpdatet en waar nodig ook de voetnoten gemoderniseerd. Met name dat laatste moet een heidens karwei zijn geweest. Sommige van de stukken zijn zo’n dertig jaar geleden in hun oorspronkelijke vorm gepubliceerd; sindsdien heeft menige archiefinstelling de collecties danig gereorganiseerd en geherïndexeerd. Een van Groenvelds grootste verdiensten is nog wel zijn zeer grondige en vaak ook innovatieve gebruik van archiefbronnen. Tijdens zijn lange loopbaan heeft hij menige scoop gescoord door in lokale, regionale en private archieven in binnen- en buitenland nauwelijks bekende maar wel heel belangrijke bronnen op te duikelen. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we bijvoorbeeld in het laatste artikel over de Nederlands-Engelse relaties tussen 1639 en 1652. Behalve de algemeen bekende diplomatieke bronnen van de Staten Generaal, die te vinden zijn in het Nationaal Archief in Den Haag, maakt hij gebruik van de processtukken en vonnissen van het Engelse High Court of the Admiralty, dat uitspraak moest doen in aanhoudingen van Nederlandse koopvaardijschepen door Engelse kapers of marineschepen. Deze stukken waren deels in het Latijn, deels in het Engels opgesteld, moeilijk leesbaar en tot dan toe eigenlijk nog nooit echt gebruikt voor historisch onderzoek.

Wat dat betreft strekt Groenvelds werk tot voorbeeld, temeer daar zijn ambachtelijke aanpak onze kennis van de vroegmoderne instituties en bestuurscultuur enorm heeft vergroot.

Veel historici maken tegenwoordig maar al te graag gebruik van gedigitaliseerde archivalia of van gedrukte media. Het traditionele doorworstelen van moeilijk leesbare handschriften heeft aan populariteit nogal ingeboet. Wat dat betreft strekt Groenvelds werk tot voorbeeld, temeer daar zijn ambachtelijke aanpak onze kennis van de vroegmoderne instituties en bestuurscultuur enorm heeft vergroot. Het is te hopen dat hij, na afronding van zijn huidige biografieproject over Prins Willem II, gelegenheid vindt voor een grote synthese op dit gebied. Een dergelijk overzicht bestaat eenvoudigweg nog niet en zou een enorme aanwinst betekenen voor de historiografie van de Republiek. In ieder geval biedt de hier besproken bundel een breed publiek inzicht in de staatkundige en politiek-culturele ontwikkelingen van de Republiek ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog en bevat het ook voor kenners van Groenvelds werk weer een paar nieuwe pareltjes.