Helden in het schimmige slavernijverleden

Valika Smeulders

Als kind verslond ik verhalen over leeftijdsgenoten in verre streken en situaties die mij vreemd waren. Ik begon met sprookjesboeken waarin kinderen terechtkwamen bij heksen, reuzen en boze stiefmoeders. Dat werd levensechter: ik volgde Remi die Alleen op de wereld rondzwierf en liet me meevoeren door Anne Frank naar Het Achterhuis. Zij namen mij mee naar een wereld van onrecht, waarin zij ondanks alles bleven doorzetten en hopen. Wat zij meemaakten was verdrietig, maar hun verhalen wekten ook bewondering en riepen op tot zelfoverstijgende moed.

Verhalen over onrecht blijken ook veel bezoekers te trekken. Zo wordt Het Achterhuis jaarlijks bezocht door 1.250.000 mensen. Maar ook het Dickens Festijn in Deventer, dat ondanks de vrolijke naam draait om weeskinderen die met kerst in de kou staan, telt jaarlijks 125.000 bezoekers Omdat ik mij beroepshalve bezighoud met ‘moeilijke geschiedenis’, onder meer verbeeld in musea, maak ik mee hoe deze op bezoekers overkomt. In gastenboeken en tijdens gesprekken lees en hoor ik regelmatig hoe belangrijk zij het stilstaan bij onrecht vinden, vanwege de tijdloze en universele relevantie. De confrontatie met onrecht aangaan is geen zelfkastijding, maar inspireert tot empathie, het relativeren van ‘je eigen sores’ en dromen over een betere wereld. Daarvan getuigen bezoekers, afkomstig uit India tot Zweden en Ecuador tot Nederland, van slavernijmusea in Ghana tot Curaçao.

Afb. 1 Ontwerp voor een beeld van Anton de Kom. Model van hout van Jikke van Loon, 2005. Collectie Rijksmuseum.

Tegelijkertijd gaan in het publieke debat stemmen op die ervoor pleiten het Nederlandse slavernijverleden op de achtergrond te houden. Met een benaming als ‘de Gouden Eeuw’ wordt in een schitterende vermomming in feite een grote grijze schim geworpen over een deel van de nationale geschiedenis.

Een schim waarin veel kansen verloren gaan. De kans om te analyseren waarom een systeem gebaseerd op ontmenselijking ingevoerd kon worden en zo lang kon bestaan. De kans voor zelfreflectie, die onze politieke hoofdstad Den Haag, tegenwoordig Stad van Vrede en Recht, zou versterken. De kans om te onderzoeken wie er onder het systeem hun weg moesten zien te vinden, wie er vrijwillig en onvrijwillig deel van uitmaakten en wie ertegen in verzet kwamen. Zonder in de valkuil van het veralgemeniseren van heldendom te stappen, denk ik dat er gedurende die eeuwen veel meer stemmen tegen slavernij bestonden dan nu gedacht wordt, zowel onder slaafgemaakten als niet-slaafgemaakten. En daarmee gaat in deze schim ook de kans verloren ons te laten boeien en inspireren door al die mensen over wiens doen en laten we nu nog veel te weinig weten.

In 2020 richt het Rijksmuseum in Amsterdam de schijnwerpers op tien van deze individuen in een tentoonstelling over slavernij met een biografische opzet. Dit is niet het enige museum dat steeds meer aandacht besteedt aan een complexer narratief over ons koloniale verleden. In die complexiteit verliezen sommige vertrouwde namen iets van hun glans, doordat schimmige praktijken voor het voetlicht komen, maar worden we ook een aantal nieuwe helden rijker.

Deze column verscheen eerder in Schimmige zaken in Holland (2019). Dit nummer, met daarin ook een interessant artikel over slavenverzekeringen, is te koop in onze webwinkel.

Getagd met ,