Recensie E.H. de Jong, Weldenkende burgers en Oranjeliefhebbers

Recensie E.H. de Jong, Weldenkende burgers en Oranjeliefhebbers

E.H. de Jong, Weldenkende burgers en Oranjeliefhebbers. Patriotten en prinsgezinden in Leiden 1775-1795 Verloren, Hilversum, 2014, 396 p., geïll., ISBN 9789087044466, prijs € 35,00

door Rick Honings, Universiteit Leiden

Vermoedelijk is er geen Leidenaar te bedenken die zoveel geleden heeft onder de politieke woelingen van de patriottentijd als de kleurrijke lector en dichter Johannes le Francq van Berkheij. In tijdschriften en pamfletten werd hij onophoudelijk aangevallen. Tegenstanders hingen verbrand oranjelint aan zijn voordeur, sloegen zijn vensters in en besmeurden zijn huis met teer. Als hij over straat liep, werd hij uitgescholden en bespuugd. In oktober 1784 liep de situatie uit de hand, toen hij door een groep patriotse studenten bijna gemolesteerd werd. Uiteindelijk liep dit voorval met een sisser af, maar Berkheijs verhaal is illustratief voor de gespannen sfeer in de jaren tachtig van de achttiende eeuw. Net als in andere Hollandse steden werd het conflict tussen patriotten en prinsgezinden ook in Leiden fel uitgevochten. In juni 1784 kwam de onrust tot een uitbarsting, toen het Oranjeoproer plaatsvond, onder leiding van de beruchte broodbakker Adrianus Trago. Deze fanatieke Oranjeklant verkocht in zijn winkel ‘patriotjes’, een soort koekjes, bedoeld om door prinsgezinde kaken te worden vermalen.

Er was al het een en ander bekend over de politieke gebeurtenissen in Leiden aan het eind van de achttiende eeuw. P.J. Blok besteedde er aandacht aan in zijn Geschiedenis eener Hollandsche stad. Ook in de vierdelige studie Leiden. De geschiedenis van een Hollandse stad (onder redactie van R.C.J. van Maanen) viel er al over te lezen. Een afzonderlijke studie over de strijd tussen patriotten en prinsgezinden in Leiden was er nog niet. In die leemte is nu voorzien, dankzij Weldenkende burgers en Oranjeliefhebbers, waarop Erik Halbe de Jong (1946) op 9 mei 2014 in Utrecht promoveerde.

Net als in andere Hollandse steden werd het conflict tussen patriotten en prinsgezinden ook in Leiden fel uitgevochten

De Jong heeft een boek geschreven waar niemand omheen kan die zich wil bezighouden met Leiden in de tweede helft van de achttiende eeuw. In bijna vierhonderd bladzijden geeft hij een minutieus beeld van de politieke gebeurtenissen. Daarbij komt een keur aan organisaties, conflicten, verzoekschriften en debatten aan de orde. Die worden allemaal beschreven, op basis van nauwkeurig archiefonderzoek. Dat levert veel nieuwe informatie op. Zo lezen we alles over de structuur, werkwijze en strubbelingen van de schutterij, en over de lotgevallen van het vrijkorps. We komen alles te weten over het oproer, net als over de machtsovername door de patriotten, hun interne intriges en hun voorlopige nederlaag na de komst van het Pruisische leger in 1787. Interessant is ook wat De Jong schrijft over de patriotse studenten, die een unieke positie innamen binnen de Leidse samenleving.

Over de prinsgezinden, met uitzondering van Berkheij, weet De Jong minder informatie boven water te halen. De bronnen hierover dan ook zijn schaars. Iemand als de spinster en fruitverkoopsters Pieternella Timmermans, alias ‘Nelle Potvet’, heeft weinig sporen achtergelaten. Dat geldt voor veel Oranjeklanten, die enkel ten tijde van rellen en oproeren zichtbaar worden in de geschiedenis. Dankzij Weldenkende burgers en Oranjeliefhebbers krijgen we nu een volledig beeld van wat zich vanaf 1775 tot aan de komst van de Fransen allemaal heeft afgespeeld, afgezet tegen de maatschappelijke achtergronden (zoals de neergang van de textielindustrie en de armoede die dit tot gevolg had). Het boek eindigt met het planten van een vrijheidsboom voor het Stadhuis op de Breestraat in 1795.

Een studie boordevol nieuwe gegevens, die het verdient om te worden gelezen en gebruikt

Hoe informatief dit fraai uitgegeven boek ook is, natuurlijk zijn er ook kritische opmerkingen te maken. Zo slaagt de auteur er naar mijn idee niet echt in de geschiedenis invoelbaar te maken. Vermoedelijk is het streven naar volledigheid hier debet aan, evenals De Jongs wat stroeve, zakelijke stijl. Dat is jammer, want de politieke gebeurtenissen waren voor iemand als Berkheij een persoonlijk drama: hij raakte zijn baan kwijt, ging failliet en moest zijn huis verkopen. Juist over dat menselijke element had ik graag meer willen lezen. Het ontbreken daarvan hangt wellicht samen met het uitgangspunt dat De Jong kiest: de theorie van de collectieve actie van de Amerikaanse socioloog Charles Tilly. Kort door de bocht betekent dit dat er gekeken wordt naar collectieven, naar groepen mensen dus, die in actie komen. In zijn inleiding legt De Jong uit dat de theorie dient als een zoeklicht: ‘Hopelijk komen daarmee onverwachte en onbekende aspecten in het conflict, die andere beschouwingswijzen tot nu toe onder- of onbelicht hebben gelaten, duidelijker naar voren.’ (p. 22)

Van dat laatste ben ik niet helemaal overtuigd. Hoewel de theorie voor De Jong niet heilig is, heeft zijn werkwijze soms iets van een invuloefening. Vrijwel elk hoofdstuk begint met een tamelijk conventionele beschrijving van de gebeurtenissen, waarna aan het einde ervan geprobeerd wordt de materie te duiden volgens de door Tilly geïntroduceerde concepten (collectieve actie, revolutionaire situatie, collectief geweld, etc.). Veel helderheid biedt dit niet, eerder het tegenovergestelde. In zijn derde hoofdstuk stelt De Jong dat deze theorie ook al is benut in studies over het conflict tussen patriotten en prinsgezinden in andere steden, zoals Deventer. Een comparatief element ontbreekt echter. Graag had ik, meer dan nu gebeurt, gelezen wat de Leidse situatie uniek maakte in vergelijking met elders. Bovendien is het jammer dat De Jong weinig oog heeft voor literaire instituties. Het is bekend dat tal van leesgezelschappen, de vrijmetselaarsloges, maar vooral het dichtgenootschap Kunst wordt door arbeid verkreegen een belangrijke rol hebben gespeeld in de discussie. Vrijwel alle personen die in De Jongs studie voorkomen, waren er lid van. Zeker ook in het kader van de collectiviteit zou het interessant geweest zijn als dit laatste gezelschap in het onderzoek was betrokken.

Deze kritiekpunten nemen niet weg dat De Jong een studie heeft geschreven boordevol nieuwe gegevens, die het verdient om te worden gelezen en gebruikt. Zijn boek toont eens te meer aan dat Leiden een dankbare casus vormt voor historisch onderzoek. Dat er nog maar veel mogen volgen!

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Rick Honings, 4 augustus 2014.

Getagd met