Henk te Velde en Diederik Smit (red.), Van Torentje tot Trêveszaal. De geschiedenis van de noordzijde van het Binnenhof De Nieuwe Haagsche, Den Haag, 2011, 444 p., geïll., ISBN 9789491168109, prijs €29,95

door Joris Oddens, Universiteit van Amsterdam

‘Het hart van de vaderlandse geschiedenis klopt onder de kasseien van het Binnenhof.’ Aldus begint Wim Willems zijn bijdrage aan de studie Van Torentje tot Trêveszaal. De geschiedenis van de noordzijde van het Binnenhof. Zoals het Binnenhof, in Willems’ woorden, mag gelden als een pars pro toto voor de vaderlandse geschiedenis, zo kan zijn elegante artikel over de verbeelding van het Binnenhof hier dienen als pars pro toto voor deze bundel als geheel. De Haagse hoogleraar Sociale Geschiedenis laat de stemmen van letterkundigen en journalisten spreken en combineert die met zijn eigen herinneringen, bijvoorbeeld van Den Haag op de dag van de moord op Pim Fortuyn. Hij wentelt rond in de afgelopen eeuw maar keert ook terug naar een verder verleden, en beschouwt het Binnenhof als architectonisch complex, als bestuurlijk schouwtoneel en als publieke ruimte.

Het eerste van deze drie perspectieven staat centraal in de bijdrage van Marion Bolten, over de decoratieprogramma’s van onder meer de Statenzaal en de Trêveszaal, en in die van Jacqueline Heijenbroek en Guido Steenmeijer, over de geschiedenis van de gebouwen waarin nu het ministerie van Algemene Zaken huist. Op de plaats van het ministerie lagen in de middeleeuwen de nu geheel verdwenen woonvertrekken van de graven van Holland, die het onderwerp vormen van de zorgvuldige bijdrage van Antheun Janse. Van de gebouwen en verbouwingen die 19de-eeuwse architecten voor ogen hadden, vinden we vandaag de dag evenmin veel terug, maar dan vooral omdat lang niet al hun plannen zouden worden gerealiseerd. Wessel Krul toont het Binnenhof als plaats van architectonische contestatie, waar grootse historiserende en modernistische bouwplannen uiteindelijk werden verlaten ten gunste van een ontwerp in de betrekkelijk onnadrukkelijke stijl van Daniël Knuttel.

‘Het hart van de vaderlandse geschiedenis klopt onder de kasseien van het Binnenhof’

Een tweede groep auteurs gaat vooral in op het politieke bedrijf rondom Torentje, Trêveszaal, Ridderzaal en de ministeriegebouwen. Maurits Ebben bespreekt de belangrijkste instituties die er in de vroegmoderne tijd gevestigd waren en concludeert dat de ingewikkelde bestuurscultuur van de Republiek wordt weerspiegeld in de ‘wirwar van vergaderzalen en zaaltjes op het Binnenhof’. Jouke Turpijn richt zich op de periode na 1795, of eigenlijk vooral na 1848, en laat zien hoe het ambt van minister evolueerde en professionaliseerde. Rimko van der Maar verkent de geschiedenis van de ministerraad en ontwaart een belangrijke verschuiving in de jaren zestig van de 20ste eeuw, toen de door de televisie steeds dichter op de huid gezeten ministers zich genoodzaakt zagen meer met een mond te gaan spreken, waardoor de collectieve verantwoordelijkheid van de raad toenam ten koste van de verantwoordelijkheid van individuele ministers. Overigens wisten ministers die door lekken uit dit keurslijf wensten te breken de media ook steeds beter te vinden. Enigszins atypisch is de bijdrage van Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel, die in haar relaas over het Binnenhof tijdens de bezetting moeite heeft los te komen van de persoon van Hans Georg Calmeyer, een hoge Duitse ambtenaar over wie zij eerder een biografie schreef.

Het meest tot de verbeelding spreken de artikelen die gaan over het publieke leven dat zich aan het Binnenhof afspeelde. Paul Knevel vestigt de aandacht op de gildeloze boekverkopers voor wie de Ridderzaal in de 17de eeuw gold als Walhalla. Twee eeuwen later draaide in de nu tot Loterijzaal omgedoopte Ridderzaal wekelijks een enorm rad waar veel publiek op afkwam. Vooral de buitenruimte van het Binnenhofcomplex, zo maakt Jan Hein Furnée duidelijk, verwerd in de 19de eeuw evenwel tot een drukke publieke plaats waar demonstranten, hangjongeren en dagjesmensen regelmatig moesten uitwijken voor onbesuisde wielrijders en langsrazende paardentrams. Begrijpelijkerwijs beperkt Furnée zich evenmin als Knevel en verschillende andere auteurs tot de noordzijde van het Binnenhof, waarover Van torentje tot Trêveszaal heet te gaan. De uitvoerende macht die hier door de eeuwen heen meestal onderdak vond, opereerde nu eenmaal nooit in volstrekte afzondering van de Haagse gemeenschap, het journaille, de ijscoman, of de leden van het elders in het complex gevestigde parlement.

Het meest tot de verbeelding spreken de artikelen die gaan over het publieke leven dat zich aan het Binnenhof afspeelde

De eer het zo diverse werk dat dit heeft opgeleverd tot een eenheid te smeden is aan Henk te Velde en Diederik Smit, die de redactie voeren over deze door het ministerie van Algemene Zaken geïnitieerde bundel. Te Velde doet dit door in een inleidend artikel het uitgangspunt helder onder woorden te brengen: een interdisciplinaire geschiedenis van de wisselwerking tussen de gebouwen aan de noordzijde en hun bewoners. Smit werkt deze opdracht op voorbeeldige wijze uit met een analyse van de veranderde betekenis van het Torentje en de Trêveszaal. Samen bieden de redacteurs als uitsmijter een reeks fascinerende interviews met alle nog levende (oud-)premiers, die spreken over de relatie tot hun werkomgeving en wat zoal verder ter tafel kwam.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-2).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Joris Oddens, 3 oktober 2013.

Heidi de Mare, Huiselijke taferelen. De veranderende rol van het beeld in de Gouden Eeuw Van Tilt, Nijmegen, 2012, 607 p., geïll., ISBN 9789460040665, prijs €39,90

door Sanne Muurling

Geschilderde huiselijke taferelen, architectuurtekeningen en dichtstukken over het huiselijke bedrijf: deze en allerlei andere bronnen laten zich gemakkelijk interpreteren als toonbeelden van de huiselijke Gouden Eeuw. ‘Een moderne mythe’, noemt Heidi de Mare deze verbeelding van het vroegmoderne Hollandse huis. Ingegeven door nationalistische noties over het vaderlandse verleden worden dergelijke bronnen volgens haar al sinds de 18de eeuw onterecht beschouwd als vensters op het verleden, of transparante dragers van moralistische boodschappen. Maar ook recentere debatten onder historici over de (on)betrouwbaarheid van bijvoorbeeld schilderijen als afspiegeling van de historische werkelijkheid doen de vroegmoderne beeldcultuur volgens De Mare tekort. Beide benaderingen ontnemen volgens haar namelijk het zicht op het gedachtegoed dat deze periode heeft gevormd, kennis die nodig is om het beeldmateriaal wél als historische bron te bestuderen. Wat vertelt dit vroegmoderne beeldmateriaal ons dan wel wanneer we, zoals De Mare het noemt, ‘gedisciplineerd kijken’?

Deze vraag staat centraal in Huiselijke taferelen, de handelseditie van de dissertatie waarop kunsthistorica De Mare in 2003 promoveerde. In dit lijvige boek stelt zij zich het ambitieuze doel om het tot de verbeelding sprekende beeldmateriaal te demythologiseren. Dit doet ze door de lezer kennis te laten nemen van het ‘conceptuele universum’ waarin het vroegmoderne beeldmateriaal is ontstaan. Drie soorten bronnen over het huis staan in dit boek centraal: dichtstuk Houwelick van Jacob Cats, de kamergezichten van Pieter De Hooch en Samuel van Hoogstraten en de architectuurtekeningen en -geschriften van bouwmeester Simon Stevin. Elk van deze bronnen neemt een belangrijke plek in binnen hhet maatschappelijke denken over de Gouden Eeuw. Het huis vormt hierbij vooral een handig thematisch kruispunt tussen literatuur, architectuur en schilderkunst, want centraal in dit boek staat het denken over beelden. In de vrij technische kunsthistorische beschrijving van het werk van deze grote namen openbaart De Mare aan de lezer de contouren van een coherent kennissysteem van de vroegmoderne beeldcultuur. Hierin spelen Aristotelische empirische inzichten, overgeleverd via de kruistochten, de herovering van Spanje en de val van Constantinopel, een belangrijke rol.

Geschilderde huiselijke taferelen, architectuurtekeningen en dichtstukken over het huiselijke bedrijf: deze en allerlei andere bronnen laten zich gemakkelijk interpreteren als toonbeelden van de huiselijke Gouden Eeuw – een moderne mythe volgens De Mare

Wat moeten we ons voorstellen bij deze op Aristoteles’ natuurfilosofie gestoelde kennissystemen? Cats’ bekende dichtstuk over het geslaagde huwelijksleven moet volgens De Mare bijvoorbeeld niet gezien worden als een blauwdruk voor de domesticatie van de vrouw, maar als stimulans voor de contemporaine lezers om de ‘evenwichtige betrekkingen om natuurlijke kwaliteiten en de aangeboren asymmetrie van man en vrouw in balans te brengen’. Daarnaast zet De Mare de noties van de zogenaamde ‘disciplinerende plattegrond’, die huiselijkheid, verfijning en individualisme zou afdwingen van de bewoners, af tegen de veel neutralere wiskundig onderbouwde architectuurtraktaten van Simon Stevin. Ook deze dienen volgens haar niet om een blauwdruk voor het huiselijke gezin te creëren, want centraal staat de ‘leerbare en overdraagbare kennis van de natuur en de natuurlijke eigenschappen van stoffen’. Tot slot betoogt De Mare dat de waarde van de geschilderde kamergezichten volgens het vroegmoderne denken niet zozeer lag in achterliggende moralistische boodschappen, maar in de kundigheid (zowel kennis als vaardigheid) van de kunstenaar om ‘een gepaste en evenwichtige voorstelling’ te kunnen schilderen volgens de regels van de natuur.

Huiselijke taferelen spoort op bevlogen wijze bij de lezer aan op een herbezinning, waarbij bovenal een ander licht wordt geschenen op de bronnen die voorheen meestal zijn gebruikt ter illustratie van mythes en clichés rondom het Hollandse huis

Wat zegt dit over de manier waarop we naar vroegmodern beeldmateriaal kijken? De huiselijke taferelen die De Mare beschrijft moeten allereerst begrepen worden als toepassingen van allerlei regels en conventies die hebben bestaan binnen het vroegmoderne kennissysteem. In de periode tussen 1400 en 1700 werd er namelijk veel geschreven, gediscussieerd en in tekeningen voorgedaan hoe de werkelijkheid op het platte vlak nagebootst kon worden door kennis van perspectief, de werking van kleuren en lijnenspellen. Er ontstond een geformaliseerd systeem van regels over het maken van beelden gebaseerd op observatie en classificatie, waarmee op een gereguleerde manier werd geëxperimenteerd. ‘Kunst’ stond in de vroegmoderne tijd volgens De Mare gelijk aan vakmanschap en ambachtelijke kennis; dat wil zeggen de Aristotelische empirische inzichten in de aard en eigenschappen van de stoffen uit de natuur gecombineerd met de kundigheid om die kennis toe te passen. Zo moeten De Hoochs tegelvloeren bijvoorbeeld niet beschouwd worden als toonbeelden van de poetsdrift en huiselijkheid van de Hollandse huisvrouw, maar laten ze vooral zien hoe goed de schilder het uitbeelden van perspectief beheerste.

Huiselijke taferelen biedt zoals het beloofd een interessante en vernieuwende kijk op de beeldenrijkdom van de vroegmoderne tijd, en vormt een aanvulling op het debat rond deze bronnen. Toch zal dit boek niet bij iedereen in de smaak vallen. Wie in dit boek hoopt meer te lezen over wat het beeldmateriaal wél zegt over het historische binnenhuis of het vroegmoderne huiselijke leven grijpt mis. Aan de vraag welke waarde en betekenis moet worden toegekend aan de popularisering van de binnenhuizen als onderwerp van kunst en studie gedurende de Gouden Eeuw, wordt bijvoorbeeld weinig aandacht geschonken. De lastige schrijfstijl en het kunsthistorisch jargon maakt het voor niet-ingewijden bovendien niet altijd even gemakkelijk om de bewijsvoering voor het betoog te volgen. Wel spoort Huiselijke taferelen op bevlogen wijze bij de lezer aan op een herbezinning, waarbij bovenal een ander licht wordt geschenen op de bronnen die voorheen meestal zijn gebruikt ter illustratie van mythes en clichés rondom het Hollandse huis. Een niet te miskennen prestatie.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-2).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Sanne Muurling, 3 oktober 2013.

Albert A.J. Scheffers, Om de kwaliteit van het geld: Het toezicht op de muntproductie in de Republiek en de voorziening van kleingeld in Holland en West-Friesland in de achttiende eeuw Uitgeverij Clinkaert, Voorburg, 2013, 2 delen, 392 / 528 p., geïll., ISBN 9789490084004 / 9789490084028, prijs €39,95, hier te downloaden

door Christiaan van Bochove, Radboud Universiteit Nijmegen

In dit proefschrift dat hij aan de Universiteit Leiden verdedigde, overlegt Albert Scheffers de resultaten van zijn jarenlange onderzoek naar koperen duiten en zilveren enkele stuivers. Op het eerste gezicht misschien slechts saaie materie voor doorgewinterde numismaten, maar niets is minder waar. Het gaat hier namelijk om de betaalmiddelen van de gewone man en vrouw in de achttiende-eeuwse Republiek. Scheffers kijkt in zijn proefschrift niet naar hoe zij die duiten en enkele stuivers precies gebruikten, maar wil laten zien hoe zij over voldoende kwalitatief hoogwaardige munten konden beschikken. Het op peil houden van de muntvoorraad was echter een enorme uitdaging. De kwaliteit van de in omloop zijnde munten verminderde namelijk geleidelijk en grote hoeveelheden munten vonden bovendien hun weg naar het buitenland (met name de Zuidelijke Nederlanden). Door de verschillen in muntvoet en metaalinhoud van de munten kon met dat laatste namelijk enige winst gerealiseerd worden. In de Republiek resulteerde dit echter in een instroom van minderwaardige munten (Wet van Gresham) en schaarste van hoogwaardige munten, met allerlei economische en sociale problemen van dien. Het aanmunten van nieuwe duiten en enkele stuivers was daarom van groot belang en dit boek gaat over de tientallen miljoenen (!) munten die in de achttiende eeuw werden geproduceerd in de Republiek.

Aan de hand van diepgravend onderzoek in niet minder dan 22 archiefbewaarplaatsen van Alkmaar tot Deventer en van Groningen tot Middelburg, wat resulteerde in 19 pagina’s aan archiefverwijzingen, laat Scheffers zien hoe die productie precies georganiseerd werd. Alle aanmuntingen worden zeer gedetailleerd beschreven. Zo laat Scheffers bijvoorbeeld zien dat het benodigde koper alleen dan uit Zweden geïmporteerd kon worden als daar voldoende neerslag was gevallen. Voordat het werd uitgevoerd, moest het koper namelijk eerst bewerkt worden in door water aangedreven molens. De techniek en organisatie van het aanmunten in de Republiek worden besproken tot op het niveau van de gebruikte stempels en de bij de Munt in Dordrecht in dienst zijnde schoonmaakster. Tot slot wordt uitgebreid stilgestaan bij de niet onbelangrijke kwaliteitscontrole die achteraf plaatsvond. Kortom, Scheffers laat geen enkele schakel binnen het productieproces onbelicht.

Gelet op het belang van duiten en enkele stuivers voor de gewone man is het jammer dat Scheffers zich beperkt heeft tot het schrijven van een “beredeneerde bronnenpublicatie over de kwaliteit van het geld” (p. 11). Door aan te sluiten bij publicaties als Sargent en Velde’s The Big Problem of Small Change (2003) had hij het belang van zijn studie wellicht beter voor het voetlicht kunnen brengen. In dat geval was het retorisch overigens ook nodig geweest om eerst de enorme omvang van de productie uit te werken om vervolgens te laten zien hoe die gerealiseerd kon worden. Deze opmerkingen daargelaten, heeft Scheffers een mooie bijdrage geleverd aan de Muntgeschiedenis van de Republiek.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Christiaan van Bochove, 13 september 2013.

Rudolf Dekker, Observaties van een zeventiende-eeuwse wereldbeschouwer. Constantijn Huygens jr en de uitvinding van het moderne dagboek Panchaud, Amsterdam, 2013, 183 p., geïll., ISBN 9789082077902, prijs €15,-

door Jaap Nieuwstraten

De laatste jaren bestaat er een grote historische belangstelling voor de zeventiende-eeuwse familie Huygens. Met dit jaar, 2013, als Huygens-jaar heeft die belangstelling zijn voorlopig hoogtepunt bereikt. Het resultaat is een reeks aan tentoonstellingen en boeken, die allerlei aspecten van deze fameuze Nederlandse dynastie behandelt.

De aandacht gaat daarbij vooral uit naar Constantijn Huygens sr. (1596-1687). Als secretaris van twee stadhouders, Frederik Hendrik (1584-1647) en Willem II (1626-1650), groeide Huygens sr. uit tot de Nederlandse spin in het Europese web van de Republiek der Letteren. Daarnaast was hij ook een begaafd dichter, componeerde hij muziek en begunstigde hij vele schilders.

Zijn zoons Constantijn jr. (1628-1697) en Christiaan (1629-1695) traden in de voetsporen van hun vader. Dat hoeft geen verbazing te wekken. Het humanistisch bildungsideaal van Huygens sr., gecombineerd met zijn enorme netwerk, zorgden ervoor dat beide zoons goed toegerust waren om een voorname positie te verwerven binnen de Europese elites. Constantijn jr. schopte het uiteindelijk tot secretaris van stadhouder-koning Willem III (1650-1702). Christiaan daarentegen maakte furore als briljant wetenschapper.

In dit boek, waarvan eerder dit jaar een Engelstalige versie verscheen bij uitgeverij Brill, behandelt Dekker het leven van Constantijn Huygens jr. en de wereld van de elite waarin hij verkeerde

De meest recente bijdrage tot het Huygens-corpus is Rudolf Dekkers Observaties van een zeventiende-eeuwse wereldbeschouwer. Constantijn Huygens jr. en de uitvinding van het moderne dagboek. In dit boek, waarvan eerder dit jaar een Engelstalige versie verscheen bij uitgeverij Brill, behandelt Dekker het leven van Constantijn Huygens jr. en de wereld van de elite waarin hij verkeerde. Dekker doet dat aan de hand van een dagboek dat Constantijn jr. jarenlang bijhield. Dat dit dagboek een rijke bron is voor historisch onderzoek bewees de Britse historica Lisa Jardine al, die in haar boek Going Dutch (2008) dankbaar gebruik maakte van Huygens’ observaties om haar verhaal te illustreren.

Ook uit Dekkers werk blijkt de grote historische waarde van Constantijn jr.’s dagboek. Het schetst een kleurrijk beeld van het leven aan het hof van stadhouder-koning Willem III. Zo vertelt Huygens over de seksuele escapades – overspel, hoererij, sodomie – van Willems hovelingen, en hoe velen van hen geloofden in astrologie en toverij.

Het dagboek schijnt ook een bijzonder licht op het persoonlijk leven van Huygens. Hij bleek een goede reputatie te genieten als kunstkenner en was een enthousiast boekenverzamelaar. Daarnaast moest Constantijn jr. ook een huishouden met personeel runnen en had hij een moeizame verhouding met zijn zoon.

Het dagboek van Constantijn jr., zo beweert Dekker, vertoont ‘moderne’ trekken

Dekker, een autoriteit op het gebied van historisch onderzoek naar egodocumenten, gebruikt Huygens ook om de ontwikkeling van het dagboek als genre in de vroeg moderne tijd te bespreken. Het dagboek van Constantijn jr., zo beweert Dekker, vertoont ‘moderne’ trekken. Niet alleen hield Huygens zijn dagboek dagelijks bij, hij verborg het ook voor andermans ogen. Het eerste element wijst op een modern, lineair tijdsbesef: de tijd keert niet telkens terug, maar schrijdt voort richting de toekomst. Dit onderwerp heeft Dekker al eens eerder behandeld in zijn boek over het Verlichtingskind Otto van Eck (2005, samen met Arianne Baggerman). Het tweede element duidt volgens Dekker op “een modern besef van individualiteit”.

Op het laatste argument valt echter wel het nodige af te dingen. Zoals Dekker zelf aangeeft, gebruikte Constantijn jr. zijn dagboek vooral als een ‘meetinstrument’ om zijn en andermans positie te kunnen bepalen binnen de hofhouding van Willem III. Dat hij zijn informatie graag verborgen wilde houden, spreekt voor zich. Constantijn jr. wilde zijn potentiële rivalen niet wijzer maken dan ze al waren.

Niet alleen hield Huygens zijn dagboek dagelijks bij, hij verborg het ook voor andermans ogen

Om de ontwikkeling van een modern identiteitsbesef te kunnen traceren was het misschien vruchtbaarder geweest als Dekker wat meer was ingegaan over wat het dagboek onthult over Huygens’ zelfbeeld. In hoeverre, bijvoorbeeld, bepaalde Huygens’ ambt of zijn maatschappelijke positie als echtgenoot en vader, zijn perceptie van de wereld en zijn eigen rol daarin? En wat vertellen de telkens terugkerende emoties van melancholie, ongerustheid en chagrijn ons precies over het ‘individu’ Huygens?

Kortom, het dagboek van Constantijn Huygens jr. herbergt nog voldoende materiaal voor toekomstig onderzoek. Met zijn helder en toegankelijk geschreven boek heeft Dekker daarvoor een nieuwe basis gelegd. Het Huygens-corpus heeft er een waardevolle bijdrage bij.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Jaap Nieuwstraten, 23 augustus 2013.

Marjolein van Dekken, Brouwen, branden & bedienen. Productie en verkoop van drank door vrouwen in de noordelijke Nederlanden, circa 1500-1800 Aksant, Amsterdam, 2010, 292 p., geïll., ISBN 9789052603612, prijs €29,90

door Cora Laan

In de Noordelijke Nederlanden waren tussen 1500 en 1800 verhoudingsgewijs veel vrouwen werkzaam in de productie en verkoop van alcoholhoudende dranken. Systematisch onderzoek naar de positie en mogelijkheden van deze vrouwen had voor het verschijnen van de dissertatie van Marjolein van Dekken nooit plaats gevonden. Dit boek werpt daardoor een nieuw licht op de mogelijkheden van vrouwen in de vroegmoderne tijd.

De vier Hollandse steden Haarlem, Leiden, Rotterdam, Schiedam en het Brabantse plattelandsgebied De Meijerij vormen het onderzoeksgebied van het boek. De meeste kwantitatieve gegevens zijn afkomstig uit gildeledenlijsten, vergunningregisters en belastingkohieren. Bij het bestuderen van deze bronnen heeft Van Dekken zich ondermeer afgevraagd hoeveel vrouwen er in de genoemde periode werkzaam waren in de dranknijverheid, hoe hun arbeidsmogelijkheden zich binnen deze bedrijfstak ontwikkelden en welke factoren hierop van invloed waren.

Dekkens onderzoek geeft vooral een beeld van de arbeidsparticipatie van vrouwen en de factoren die daarop van invloed waren in de vroegmoderne tijd

Het boek is overzichtelijk ingedeeld. Het begint met een inleiding waarin de opzet van het onderzoek uiteengezet wordt en sluit af met een conclusie waarin de antwoorden op de vragen die in het boek gesteld zijn keurig beantwoord op een rijtje staan. In de tussenliggende hoofdstukken worden de onderwerpen brouwen, branden, bedienen behandeld, waarbij ook een uitstapje wordt gemaakt naar de organisatie van dit bedrijf in Engeland, Duitsland en de Zuidelijke Nederlanden. Prettige bijkomstigheid van deze opzet is de mogelijkheid om je specifiek te concentreren op een bepaald onderdeel van de dranknijverheid en in te zoomen op een bepaalde stad. Lezers die bijvoorbeeld alleen geïnteresseerd zijn in branders in Schiedam kunnen dankzij de uitgebreide inhoudsopgave meteen zien waar zij in het boek de informatie kunnen vinden die zij zoeken. Verder biedt het boek speciaal voor liefhebbers van de brouwnijverheid in Haarlem een bijlage waarin een overzicht gegeven wordt van ‘Brouwers in Haarlem, 1518-1663’.

Het onderzoek is echter meer dan een opsomming van feiten over de dranknijverheid. Het geeft vooral een beeld van de arbeidsparticipatie van vrouwen en de factoren die daarop van invloed waren in de vroegmoderne tijd. Het proefschrift staat dan ook niet alleen, maar maakt deel uit van het onderzoeksproject naar Vrouwenarbeid in de vroegmoderne tijd van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Doel van het onderzoek is vast te stellen of vrouwen inderdaad prominent aanwezig waren in de productie en handel van alcoholhoudende dranken en de uitkomst hiervan te verklaren. De analyse van de bronnen is hier dan ook op gericht. Zo heeft Van Diepen ontdekt dat het aandeel vrouwen in de drankindustrie fluctueerde tussen 1500 en 1800, maar dat het gemiddeld genomen 10 tot 15 procent uitmaakte. In perioden van  economische stagnatie nam het cijfer toe doordat brouwersweduwen het bedrijf van hun echtgenoten voortzetten, terwijl er geen nieuwe brouwerijen bij kwamen. Weduwen van brouwers werden bovendien niet tegengewerkt bij de voorzetting van het bedrijf. Ze mochten bijvoorbeeld lid worden van het gilde. Vrouwen werden weliswaar niet toegelaten tot het bestuur van het gilde, maar hadden wel bijna dezelfde rechten als mannen.

Brouwen, branden en bedienen is voor zowel de liefhebber van ‘drinkcultuur’ als van sociale en vrouwengeschiedenis een aanrader

Een belangrijke conclusie in het onderzoek is dat de toegang van vrouwen tot de markt niet zozeer beperkt werd door het beleid van de gilden, maar veel meer door de beschikbaarheid van kapitaal. Dit in tegenstelling tot het buitenland waar vrouwen juist tegengewerkt werden door de gilderegels. Met name in Engeland waren in de vroegmoderne tijd beroepen in de dranknijverheid slecht toegankelijk voor vrouwen. Verder wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de productie en de verkoop van drank in de Noordelijke Nederlanden. Van Diepen concludeert dat de verkoop hier veel minder afhankelijk van startkapitaal was waardoor alle lagen van de bevolking toegang hadden tot de drankhandel.

Brouwen, branden en bedienen is voor zowel de liefhebber van ‘drinkcultuur’ als van sociale en vrouwengeschiedenis een aanrader. Naast een overzicht aan informatie over de participatie van vrouwen in de dranknijverheid biedt het een schat aan gegevens over de wijze waarop in Holland en Brabant brouwerijen en branderijen functioneerden en de manier waarop drankwinkels, tapperijen en herbergen georganiseerd waren.  Dit boek is echter vooral aantrekkelijk omdat het over mensen gaat. Over de schouder van de schrijfster kunnen we meekijken naar het reilen en zeilen van zowel vrouwen als mannen in de dranknijverheid in de vroegmoderne tijd.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Cora Laan, 22 juli 2013.

Donald Haks, Vaderland en vrede 1672-1713. Publiciteit over de Nederlandse Republiek Verloren, Hilversum, 2013, 352 p., geïll., ISBN 9789087043377, prijs €29,-

door Wout Troost

In dit boek gaat het niet om de politieke aspecten van de drie oorlogen die de Republiek van 1672-1714 met Lodewijk XIV voerde, maar om de publiciteit daarover. Daarbij draait het om de vraag in hoeverre er bij het publiek draagvlak voor het voeren van deze oorlogen bestond. Onder het publiek verstaat de auteur de brede middengroepen tussen elite en armste inwoners in. In acht case studies probeert Haks een antwoord op deze vraag te vinden. In de eerste vijf hoofdstukken gaat het daarbij vooral om de aanbodzijde van de publiciteit, namelijk met welke vormen van publiciteit de bevolking werd geconfronteerd.

In het eerste hoofdstuk ‘De Franse tirannie. De verbeelding van een massamoord’ stelt Haks het uitmoorden van de dorpen Bodegraven en Zwammerdam in december 1672 door de  Fransen centraal. Dat doet hij aan de hand van pamfletten en prenten van Romeyn de Hooghe die daarover verschenen. Willem III buitte die moordpartijen uit om de steun van het publiek te verkrijgen.

In ‘De Staten-Generaal, oorlog en religie’ wordt ingegaan op de rol van de Staten-Generaal die via oorlogsmanifesten en generale petities motieven aandroeg om de oorlog te rechtvaardigen en het publiek ertoe te brengen de oorlog te steunen. Die motieven kunnen omschreven worden als verdediging tegen een buitenlandse agressor, zelfstandigheid als staat, bescherming van de handel, handhaving van de gereformeerde godsdienst  en de voortzetting van de godsdienstige praktijk in de Republiek, waar in tegenstelling tot Frankrijk, gewetensvrijheid bestond. De Staten-Generaal gebruikte vaak het begrip vaderland, waarin de termen vrijheid en religie samenkwamen.

In acht case studies probeert Haks een antwoord op de vraag te vinden in hoeverre er onder het publiek draagvlak was voor de drie oorlogen die de Republiek van 1672-1714 met Lodewijk XIV voerde

De Staten-Generaal schreef ook bededagen uit, waarin God gevraagd werd de Republiek niet in de steek te laten. Op die dagen was een belangrijke rol weggelegd voor de predikant, die in het derde hoofdstuk ‘De predikant tussen overheid en publiek’ ten tonele wordt gevoerd. Door middel van hun preken speelden de dominees een belangrijke rol op het vlak van de opinievorming.

Dat deden ook de oorlogsliederen die in het vierde hoofdstuk ‘Vijandbeeld en zelfbeeld in het oorlogslied’ aan de orde komen. Het oorlogsliedje van de jaren 1672 en later was vooral een lied over vrijheid, Oranje en vaderland.

In ‘De belegering van Namen als mediaspektakel’ laat de auteur de verschillende vormen van publiciteit, die in de voorgaande hoofdstukken al genoemd worden, samenkomen. De herovering van de stad Namen in 1695 leidde tot een grote hoeveelheid nieuws, journalistieke verslagen, lofdichten op Willem III, prenten, penningen en schilderkunst.

De Staten-Generaal gebruikte vaak het begrip vaderland, waarin de termen vrijheid en religie samenkwamen

‘Nieuws, debat en publieke opinie in de Spaanse Successieoorlog’ probeert een antwoord te geven op de vraag wat het publiek over de gevoerde oorlogen dacht. Volgens Haks was er informatie volop, maar publiek debat over de Spaanse Successieoorlog bestond er nauwelijks.

In het zevende hoofdstuk ‘Vaderland en vrede in loterijrijmen’ gaat het om de rijmen op de lotbriefjes van de inleggers bij de loterijen die vooral in de provincie Holland werden gehouden. De opstellers konden zich in hun rijmen uitspreken over de oorlog. Voor het loterijpubliek stond ‘vrijheid’, in de betekenis van de zelfstandigheid van de staat, voorop.

Werd er tijdens de Spaanse Successieoorlog weinig publiekelijk gediscussieerd over de juiste politieke strategie en de gevolgen van de oorlog, in het achtste hoofdstuk ‘In de schaduw van de vrede’ laat de auteur zien dat er na de Vrede van Utrecht in pamfletten wel levendig werd gediscussieerd over welvaart, buitenlands beleid en bestuur. Van een actieve, open interactie tussen publiek en regenten was na 1713 echter geen sprake.

Een verfrissend boek, waarmee Haks onze kennis over zaken die tot nu toe grotendeels onbekend waren, vergroot

In de conclusie beantwoordt de auteur zijn vraagstelling en stelt dat het officiële beleid in grote lijnen steun kreeg van het publiek. De vraag die zich daarbij voordoet is of in een boek over publiciteit het onderzoek beperkt moet blijven tot de middengroepen. Het is algemeen bekend dat de regenten van de stad Amsterdam zich regelmatig verzetten tegen de oorlog. Dat aspect wordt in dit boek niet besproken, waardoor een totaalbeeld over het draagvlak voor de oorlog achterwege blijft.

Dat doet overigens niet af aan het feit dat de auteur een waardevol boek over de oorlogen van 1672-1713 heeft geschreven, vooral vanwege de invalshoek die hij heeft gehanteerd. Dat leidt tot een verfrissend boek, waarmee Haks onze kennis over zaken die tot nu toe grotendeels onbekend waren, vergroot.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Wout Troost, 17 juni 2013.

recensie Koene websiteBert Koene, De Caeskopers. Een Zaanse koopmansfamilie in de Gouden Eeuw Verloren, Hilversum, 2011, 212 p., geïll., ISBN 9789087042172, prijs €25,-

door Karel Davids, Vrije Universiteit Amsterdam

De Zaankanter Claas Arisz Caeskoper (1650-1729) hield vanaf 1669 tot zijn dood een ‘Nootysye Boeck’ bij waarin hij van dag tot dag korte aantekeningen maakte van gebeurtenissen in zijn leven en van nieuwtjes uit zijn directe omgeving.

Het notitieboek, dat zich in het Gemeentearchief Zaanstreek bevindt, werd al dikwijls door onderzoekers geraadpleegd, maar is nu voor het eerst op zichzelf tot uitgangspunt van een studie gemaakt. Aan de hand van dit egodocument en andere stukken uit het archief van de familie Caeskoper heeft Bert Koene zo gedetailleerd mogelijk de leefwereld van Claas Arisz en zijn voor- en nazaten gereconstrueerd.

Claas Arisz was, net als zijn vader, grootvader en overgrootvader, koopman van beroep, maar – anders dan zijn familienaam doet vermoeden – handelde hij nooit in kaas. Zijn voornaamste business was de olieslagerij. Hij bezat een oliemolen, liet een pakhuis bouwen en maakte reizen om zaden in te kopen en producten te verkopen. Hij had ook een part in een papiermolen, nam nu en dan deel aan de houthandel en was regelmatig betrokken bij uitrustingen van schepen ter walvisvaart. Bij deze activiteiten werkte hij meer dan eens samen met zijn broer Gerrit (1644-1722), al ging hij nooit een formeel compagnonschap aan. Koene stelt vast dat Claas als koopman meer succesvol is geweest dan Gerrit. Hij liet bij zijn overlijden een vermogen na dat vele malen groter was dan de bezittingen die hij zelf door vererving en door huwelijk had verkregen.

De Caeskopers geeft een mooie close-up van het leven in kringen van Zaanse kooplieden in de late 17de en vroege 18de eeuw

De ondernemersactiviteiten van de Caeskopers vormen maar een deel van het verhaal dat Koene vertelt. De schrijver staat ook uitgebreid stil bij gebeurtenissen in de familie en bij verwikkelingen in de doopsgezinde gemeenschap, waartoe de Caeskopers vanouds behoorden, en hij geeft een pakkende beschrijving van Claas Arisz’ ‘toeristische’ trips naar het frontgebied bezuiden het IJ in 1672 en 1673 en van de evenementen tijdens en na het oproer dat in mei 1678 in de Zaanstreek uitbarstte naar aanleiding van een abrupte verhoging van de belasting op turf.

De aardigste verhalen gaan over wat Claas in de winter deed. Winters waren in zijn tijd, zoals bekend, vaak veel strenger dan tegenwoordig en ze boden volop gelegenheid voor tochten op sleden en schaatsen. Claas een geoefende schaatser noemen is zacht uitgedrukt. In zijn jonge jaren kon hij kennelijk op zo’n vaardigheid en conditie bogen dat hij regelmatig moeiteloos tochten van tientallen kilometers maakte. Zijn ultieme prestatie leverde hij op 19 december 1676, toen hij volgens het ‘nootysye boeck’ op één dag schaatsend twaalf steden aandeed en 280 à 290 kilometer aflegde.

Claas Arisz was, net als zijn vader, grootvader en overgrootvader, koopman van beroep, maar – anders dan zijn familienaam doet vermoeden – handelde hij nooit in kaas

De Caeskopers geeft een mooie close-up van het leven in kringen van Zaanse kooplieden in de late 17de en vroege 18de eeuw. Maar er zit ook een keerzijde aan deze puur Zaanse focus. Het verhaal wordt nauwelijks in een bredere context geplaatst. Koene stelt niet de vraag waarom Claas Arisz eigenlijk een aantekenschrift aanlegde en hoe zijn ‘nootysye boeck’ zich verhoudt tot andere egodocumenten uit zijn tijd. Het werk van Rudolf Dekker en anderen wordt in dit verband nergens genoemd. Evenmin betrekt de auteur in zijn interpretatie van de Zaanse ontwikkelingen allerlei ander relevant werk van economisch- en sociaal-historici van de laatste veertig jaar, zoals Ad van der Woude’s standaardwerk over het Noorderkwartier (waarin de Zaanstreek, de olieslagerij en de walvisvaart prominent voorkomen) of de studies van Dekker en anderen over oproeren in Holland (inclusief het beruchte turfoproer in de Zaanstreek van 1678). En soms lijkt de schrijver al te gemakkelijk terminologie van tijdgenoten tot de zijne te maken. Zo spreekt hij van ‘papisten’ en ‘paapsgezinden’ (zonder aanhalingstekens) waar we tegenwoordig gewoon ‘katholieken’ of  ‘rooms katholieken’ zeggen. Als lokaal-historische studie is De Caeskopers overigens zeker geslaagd.

Verwijzing: Historisch Tijdschrift Holland, Karel Davids, 24 april 2013.

recensie Levelt websiteSjoerd Levelt, Jan van Naaldwijk’s Chronicles of Holland. Continuity and Transformation in the Historical Tradition of Holland during the Early Sixteenth Century Verloren, Hilversum, 2011, 280 p., geïll., plus cd-rom, ISBN 9789087042219, prijs €35,-

door Antheun Janse

Een auteur die gelezen wil worden, moet soms een beetje geluk hebben. Dat geluk heeft de Hollandse edelman Jan van Naaldwijk niet gehad. Hij schreef tussen 1514 en 1524 twee omvangrijke kronieken, die eeuwenlang vrijwel door niemand gelezen zijn.

De eerste kroniek was grotendeels achterhaald in 1517 toen de zogenaamde Divisiekroniek in druk verscheen. Jan schreef daarom een tweede kroniek, als een soort supplement op zijn eerste, met aanvullingen die hij aan de Divisiekroniek ontleende. Beide kronieken werden vervolgens in familiekring bewaard, tot ze in de vroege zeventiende eeuw in handen kwamen van Emanuel van Meteren, de Nederlandse consul in Londen. Van Meteren verkocht ze aan de Engelse bibliofiel Sir Robert Cotton en zo verdwenen de twee kronieken in een bibliotheek in Engeland, een land waar de meeste mensen het Nederlands niet machtig waren.

In de achttiende eeuw werd Cottons bibliotheek door brand getroffen, waardoor de handschriften aan de randen schade opliepen. Kort daarna heeft de Leuvense bibliothecaris Jean Paquot, werkend aan een Nederlandse literatuurgeschiedenis, er even in gekeken. Even, zeg ik, want de paar woorden die hij er in zijn werk aan wijdde, waren vrijwel allemaal onjuist. Pas toen Nederlandse geleerden in de negentiende eeuw Paquots werk overdeden, werd de ware aard van de kronieken bekend. Maar ook dat leidde niet tot een nieuw lezerspubliek. Een van de geleerden waarschuwde zijn collega’s dat de auteur het niet waard was ‘dat men veel moeite om hem doe’. In geen geval zou men ervoor naar Londen moeten afreizen.

Pas vijfhonderd jaar na dato kreeg Jan van Naaldwijk een beetje geluk. De Nederlandse onderzoeker Sjoerd Levelt zocht een onderwerp voor een proefschrift en omdat hij in Engeland studeerde, geïnteresseerd was in geschiedschrijving en in de periode rond 1500, viel zijn oog op de twee manuscripten in Londen. En zo kreeg Jan van Naaldwijk zijn eerste serieuze lezer.

Levelts boek is behalve een voorbeeldige detailstudie van één auteur ook het eerste internationaal toegankelijke overzicht van de laatmiddeleeuwse geschiedschrijving over Holland

Levelt heeft de twee kronieken helemaal getranscribeerd, het bronnengebruik bestudeerd, het persoonlijke stempel van de auteur geanalyseerd en de werken geplaatst in het bredere kader van de Hollandse historiografie tussen de veertiende en de zeventiende eeuw. Hij heeft dat gedaan op zo’n grondige wijze, dat het boek behalve als een voorbeeldige detailstudie van één auteur ook beschouwd kan worden als het eerste internationaal toegankelijke overzicht van de laatmiddeleeuwse geschiedschrijving over Holland.

Van Naaldwijk behoort niet tot de grote auteurs. Zijn werken zijn in feite compilaties, grotendeels bestaande uit citaten uit oudere kronieken. Levelt is er echter in geslaagd te laten zien hoe deze compilator een eigen werk heeft geschapen, ten eerste door zijn bronnen te selecteren en daarin (veelal minieme) veranderingen aan te brengen, en verder door enkele verhalen toe te voegen uit zijn persoonlijke omgeving of eigen ervaring.

Wat het eerste betreft, Jan heeft de bestaande historiografische canon uitgebreid met informatie uit andere teksten die nog niet eerder in verband met de Hollandse geschiedenis waren gebracht. Zo neemt hij bijvoorbeeld bij elkaar honderd pagina’s over uit de kronieken van Jean Froissart. Van de bewuste aanpassingen zijn die betreffende de politieke kleuring het meest opvallend. Levelt wijst o.a. op de positieve weergave van de regering van Margaretha, die werd gesteund door de Hoekse partij rond 1350. In zijn tweede kroniek wijzigt Jan de neutrale toon van de Divisiekroniek hier en daar in een pro-Hoekse houding. Dat past heel goed bij Jans positie die blijkt uit enkele persoonlijke opmerkingen in zijn kroniek. Zo zegt hij dat zijn achternicht Barbara van Gaasbeek hem ‘veel deugd’ heeft gedaan en dat hij haar eeuwig dankbaar is (p. 140). Barbara was een dochter van de Hoekse leider Jan van Montfoort, in wiens omgeving Jan moet hebben verkeerd.

Jan heeft de bestaande historiografische canon uitgebreid met informatie uit andere teksten die nog niet eerder in verband met de Hollandse geschiedenis waren gebracht

De kracht van Levelts mooie – en inmiddels met de Society for Renaissance Studies Book Prize 2012 gelauwerde – studie ligt mijn inziens in zijn stelling dat de historiografische traditie van Holland een voortdurend samenspel is van wat hij in zijn ondertitel aanduidt als ‘continuïteit en transformatie’. Er verandert veel, maar veel blijft ook hetzelfde en het is daarom niet juist alleen het oog te richten op het nieuwe. Zo levert hij kritiek op Tilmans’ accentuering van het ‘humanistische’ karakter van de Divisiekroniek: de centrale plaats die zij daarin toekende aan de ‘vernieuwende’ Bataafse mythe vinden we bij Jan van Naaldwijk bijvoorbeeld helemaal niet terug.

Levelts onderzoek maakt bovendien duidelijk dat de betekenis van compilatiewerken, zoals de laatmiddeleeuwse kronieken van Holland vrijwel allemaal zijn, alleen kan worden vastgesteld door een diepgravende analyse van het brongebruik. De juistheid van die opvatting wordt ironisch genoeg bewezen door zijn vergissingen ten aanzien van het (door hem uiteraard niet uitputtend bestudeerde) Goudse kroniekje, dat hij, met uitzondering van het begin, afdoet als een soort slap uittreksel uit Beke. Dat is aantoonbaar onjuist: het kroniekje staat namelijk vol met verhalen die in Beke (of in welke oudere bron ook maar) helemaal niet voorkomen. Anderzijds schrijft Levelt de auteur van het kroniekje ‘nieuwe’ opvattingen toe die in feite letterlijk zijn ontleend aan de bijna twee eeuwen oudere Rijmkroniek van Holland. Zo zie je maar weer: dit soort teksten geven hun geheimen alleen prijs aan onderzoekers die het geduld kunnen opbrengen ze woord voor woord met hun bronnen te vergelijken. En het is te prijzen dat Levelt dat met het werk van Jan van Naaldwijk wel heeft gedaan.

Er blijft in het boek één grote vraag hangen, namelijk: wie was die Jan van Naaldwijk eigenlijk?

Er blijft in het boek één grote vraag hangen, namelijk: wie was die Jan van Naaldwijk eigenlijk? Levelt verzamelt gegevens, vooral uit de kroniek zelf (bijv. dat Jans vader Adriaan een jongere zoon was uit het geslacht van de heren van Naaldwijk, die sneuvelde in 1482 bij Hoorn in de partijstrijd tussen Hoeken en Kabeljauwen), maar zijn suggestie dat Jan misschien een tutor was van de kinderen Gaasbeek (een baan waarop Erasmus vergeefs solliciteerde) is wel erg speculatief en bovendien niet gemakkelijk in overeenstemming te brengen met de gepresenteerde gegevens. Als Jan geluk heeft, gaat iemand dat, geïnspireerd door deze studie, binnenkort nog eens haarfijn uitzoeken.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-1).

Verwijzing: Historisch Tijdschrift Holland, Antheun Janse, 24 april 2013.

recensie Kos websiteAnton Kos, Van meenten tot marken. Een onderzoek naar de oorsprong en ontwikkeling van de Gooise marken en de gebruiksrechten op de gemene gronden van de Gooise markegenoten (1280-1568) Verloren, Hilversum, 2010,  445 p., geïll., ISBN 9789087041809, prijs €33,-

door Hans Mol, Universiteit Leiden

In de middeleeuwen werd in heel Europa een groot deel van de oorspronkelijk woeste maar nuttige gronden collectief door groepen boeren gebruikt. In het Engels spreekt men van ‘commons’, in het Nederland van ‘meenten’ of  ‘marken’. Door privatisering omwille van commerciële  belangen kwam daar in de loop van de 17de en 18de eeuw een eind aan. In het Gooi wisten de vanouds geërfde boeren of erfgooiers ‘hun’ gemene gronden echter veel langer intact te houden, tot in de jaren zeventig van de 20ste eeuw.  Hoe kon dat gebeuren? De uit Huizen afkomstige mediëvist Anton Kos, zelf zoon van een erfgooier, schreef er een lijvig proefschrift over waarop hij eind 2010 in Leiden promoveerde.

Volgens de titel zou het boek stoppen bij 1568, maar dat blijkt niet helemaal het geval. Na vijf hoofdstukken, die achtereenvolgens de oorsprong (1), de werking (2) van de marken, de interne geschillen (3), de conflicten met de overheid (4) en de afbakening ten opzichte van het Sticht (5) behandelen, volgt een zeventig pagina’s lange uitleiding (hoofdstuk 6 dus) onder de titel ’Onbegrepen resonanties’, waarin de Gooise marke en markegenoten tot 1979 worden gevolgd. Het is een van de aardigste en meest leesbare onderdelen van de studie geworden, met onder meer een arrogante Amsterdams kapitalist die omstreeks 1708 graag schaarrecht wilde maar niet kreeg. Er blijkt uit dat de erfgooiers inderdaad al vóór 1568 hun belangen zo goed op schrift hadden dat deze ook in een nieuwe rechtsbestel meer konden worden aangevochten. Zij werden als gemeenschappelijk eigenaar beschouwd van meer dan 3500 hectare grond; daarvan konden ze alleen delen via gedwongen uitkoop kwijtraken wanneer deze voor niet-agrarisch gebruik moesten worden bestemd.

Het boek van Kos is een informatieve en prettig leesbare studie over de lange-termijnontwikkeling van de klassieke Nederlandse markencasus

Om die reden ligt het zwaartepunt toch bij de laatmiddeleeuwse periode, toen het gebruik door de uitvaardiging van een serie ‘schaar’- en ‘bosbrieven’ vorm kreeg. Het sociaal-juridische verhaal krijgt daarbij als vanzelf voorrang boven het economische of landschappelijke. Voor de duidelijkheid zij wel vermeld dat er oorspronkelijk twee marke-organisaties in het Gooi waren: eentje voor de bossen, en eentje voor de rest. De bosmarke heeft het niet tot in de Nieuwe tijd volgehouden, als gevolg van overexploitatie en een gebrek aan toezicht.

Kos maakt duidelijk dat de rechten vanouds werden uitgeoefend door boeren die land gebruikten op de eng, dat is op een van de akkerlandcomplexen rondom de vijf dorpen: Bussum, Hilversum, Blaricum, Laren en Huizen. Dat wordt de veldslag genoemd. Wie zo actief boerde, mocht naar rato van zijn bouwlandareaal vee in het gemeenschappelijk weiland scharen, schapen  op de hei brengen en turf in het veen steken. De auteur besteedt veel aandacht aan alle processtukken die in de loop van de tijd voor en door de diverse belanghebbenden zijn geproduceerd om hun rechten vast te leggen. Hij slaagt er daarbij in de veelheid aan begrippen (en het door de tijd heen veranderende gebruik daarvan) helder te houden.

De auteur besteedt veel aandacht aan alle processtukken die in de loop van de tijd voor en door de diverse belanghebbenden zijn geproduceerd om hun rechten vast te leggen

Problematisch is en blijft echter het oorsprongverhaal. Kos wil het gebruiksrecht direct afleiden uit het recht van horige hoevegebruikers om de onder de hoofdhof ressorterende woeste grond collectief te gebruiken. Het zou dan gaan om de horigen van het rijksstift Elten. Het Gooi, dat min of meer samenviel met ‘Nardincland’, was  in 968 als koninklijk leengoed namelijk in handen gekomen van dit stift door een schenking van de rijksaristocraat Wichman van Hamaland. Nu weten we uit één oorkonde, van 1129, dat Elten hier inderdaad een hof of curtis exploiteerde. Maar welke omvang en functies deze had, blijft in het duister. Pas in 1280 duikt het Eltense bezit opnieuw op, nu echter als terra (dus: land), toen het met alle bijbehorende (publieke en private) rechten in erfpacht werd gegeven aan de graaf van Holland, Floris V, die er vervolgens zijn territoriale heerschappij vestigde, tegen een jaarlijks bedrag van ruim 50 pond Utrechts. Laatstgenoemde wist daarbij Gijsbrecht van Amstel te Vreeland uit te schakelen, die als eerdere meier van Elten bepaalde rechten had geüsurpeerd.

Fraai is het kleurenkatern met onder meer de schilderijen van Gooise boeren en taferelen door Anton Mauve en Ferdinand Hart Nibbrig

Kos meent dat de curtis in 1280 nog intact was als een klassieke tweeledige hof (pp. 44 en 60); hij reconstrueert de werking ervan door andere hoven van Elten te beschrijven zoals die in de 15de eeuw nog op de Veluwe draaiden. Dat vind ik niet overtuigend. Wie de bipartiete hoven van het nabije Kromme Rijngebied kent, weet dat een nederzetting tot ca. 1100 vaak meer dan één hof kende, en dat zulke hoven er doorgaans niet meer dan één eng omvatten. Het Gooi kende tenminste vier engen, met (later) vijf kerkdorpen. Die ene Eltense hof in dit uitgestrekte territorium zal daarom eerder een administratief inningscentrum zijn geweest dan een grootschalige landbouwdomein ‘oude stijl’. Vermoedelijk bestond hij in 1280 al lang niet meer. Zo is op basis van alleen oorkonden en rechtshistorische bronnen over het oudste agrarische exploitatieregime geen zekerheid te krijgen. Wie deze wil hebben zal de Gooise engen en nederzettingen van de vroege en volle middeleeuwen ook archeologisch en landschapshistorisch moeten aanpakken.

Blijft staan dat er nu een informatieve en prettig leesbare studie voorhanden is over de lange-termijnontwikkeling van deze klassieke Nederlandse markencasus. Het kaartmateriaal van de eerste hoofdstukken had wat mij betreft beter verzorgd kunnen zijn. Nu treffen we alleen op p. 29 een miniem reconstructieplaatje anno 1400. De vroeg 18de-eeuwse kaarten van het Gooi verderop in het boek (p. 342 -345) zijn de moeite waard maar waren in een digitaal formaat beter te raadplegen geweest. Wel fraai is het kleurenkatern met onder meer de schilderijen van Gooise boeren en taferelen door Anton Mauve en Ferdinand Hart Nibbrig.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-1).

Verwijzing: Historisch Tijdschrift Holland, Hans Mol, 24 april 2013.

recensie Komossa websiteSusanne Komossa, Hollands bouwblok en publiek domein. Model, regel, ideaal Van Tilt, Nijmegen, 2010, 224 p., geïll., ISBN 9789460040405, prijs €39,95

door Sandra Smets

Als de berg niet naar Mohammed komt, dan moet Mohammed maar naar de berg. Zoiets dacht de directie van een supermarkt in een van die rottige Parijse banlieus, uit het raam kijkend en beseffend dat de winkel geen enkel contact had met die anonieme mensenmassa’s in die rijen woonflats. Maar toen kregen ze een idee: als we nou eens een informeel marktje beginnen op het buitenterrein, dan kunnen de flatbewoners daar hun eigen waar aanbieden. Een brug slaan, zorgen dat het kale buiten een levendige openbare ruimte wordt en mensen elkaar ontmoeten. Zoals dat zou moeten in een stad, maar vaak niet gebeurt.

En dat geldt zeker ook voor Nederland. Nergens ter wereld worden steden zo uitgedokterd als hier. Waar te wonen, waar te werken, vooral sinds de wederopbouw hebben planologen dit met graagte voor stadsbewoners voorgekauwd. Een uitgangspunt daarbij was en is het bouwblok: de behuizingen en bebouwingen tussen de straten en stoepen door.

Susanne Komossa schreef er een boek over: Hollands bouwblok en publiek domein, grijs, vierkant, schreefloos en kleurloos vormgegeven, de moderne stijl die ook onze steden bepaald heeft. Net zo schreefloos en kleurloos begint haar verhandeling over de rol van het bouwblok daarin. Haar voorbeeld is architect Saverio Muratori, die vorige eeuw op zoek ging naar eenheid en die vond in de oude stad. Verbreek niet de band met de geschiedenis, zei hij, en Komossa zegt dat met hem.

Waar te wonen, waar te werken, vooral sinds de wederopbouw hebben planologen dit met graagte voor stadsbewoners voorgekauwd

Zijn voorbeeld is Venetië met zijn stadsmorfologie, Komossa zoekt het vooral in Amsterdam dat in de Gouden Eeuw opbloeide als handelsstad. Bouwblokken waren toen nog verzamelingen huisjes, elk blok een eigen microkosmos, een buurtje. Wonen, werken, alles gebeurde daar. Lang zou dat zo blijven, tot de ingeslapen steden in de 19de eeuw werden opgeschrikt door allerhande ontwikkelingen. Het spoor, telegrafie, gasleidingnetten, fabrieken maakten de wereld groter. Functies gingen zich concentreren in het centrum – hotels, cafés, banken – en daarbuiten begonnen de bouwblokken monofunctioneler te worden, zoals woonwijk Jordaan.

Ook Rotterdam werd in deze ‘tweede gouden eeuw’ enthousiast volgebouwd, wat leidde tot cholera en musea. Wie niet na Komossa’s eerste hoofdstukken in slaap is gevallen, wordt vanaf dan in het boek beloond met mooie parallelle stadsgeschiedenissen. In Rotterdam en Amsterdam – andere steden laat ze buiten beschouwing – worden stadsplanningen uitgetekend, met bouwblokken waarvan het formaat afhangt van hoe deftig de wijk is. Sociale arbeiderswijken worden paradepaardjes, zoals Spangen en de Spaarndammerbuurt.

Hollands bouwblok en publiek domein: grijs, vierkant, schreefloos en kleurloos vormgegeven, de moderne stijl die ook onze steden bepaald heeft

Burgers worden geherhuisvest, het staat er zonder de pijn die erbij gevoeld moet zijn, en de scheiding tussen wijken in de periferie is vooral groot in Rotterdam. De woningwet van 1921 maakt een eind aan de chaotische uitbreidingen van de 19de eeuw, er moeten collectieve voorzieningen en scholen en groen bij, verderfelijkheden als cafés worden geweerd uit de wijken, maar de roaring twenties feesten gaan wel door in de centra, met volop horeca. In Amsterdam wordt het Berlijnse idee van het superblok, 200 bij 400 meter, elk een eigen buurteenheid, door Berlage in praktijk gebracht. De bouwblokken in het Rotterdamse Spangen worden half open, met collectieve wasruimtes en liftjes voor de boodschappen zorgen dat huisvrouwen de straat niet meer op hoeven. Privé wordt veilig, buiten wordt stil, en daarmee ook onveilig.

Al waren in Rotterdam sociale hervormers actief, de meeste aandacht ging uit naar de haven en economie, waardoor het publieke leven erbij in schoot. De stad krijgt er Zuid bij, een eigen stad vol rijtjeshuizen, waar de gegoede burgers van Noord zo ver mogelijk vandaan bleven. Nieuwkomers bleven komen en dus ontstonden spierballenplannen – de Bijlmer, Almere, Zoetermeer. Intussen was het in Amsterdam beter toeven dan in het ongezellige Rotterdam, waar mensen in woonwijken zaten voorbij de al even ongezellige zesbaanssnelweg die de stad bruut opsplitst. En bedrijven verlieten de stad richting snelweglocaties – de straten werden nog stiller.

Uitstekend beschrijft Komossa die verandering van steen naar idealen, en dan de deceptie dat juist die stadsuitbreidingen – Rotterdam Zuid – rotbuurten zijn

In die functiescheidingen zit voor een groot deel de ellende, beschrijft Komossa. Woonwijken als woonfabrieken zijn vol idealisme ontworpen, maar als alles functioneel bedacht is, waar laat je dan het échte leven – ontdekken, lanterfanten, verliefd zijn? Komossa keert zich tegen woonenclaves, tegen monofunctionalisme, en haalt heel gedegen mythes over gentrificatie onderuit: ergens wat kunstenaars droppen werkt niet, je moet kijken naar het echte leven. Dat pleidooi is geïnspireerd door het bottom-up denken van Jane Jacobs, maar doet ook denken aan Charles Landry met het verschil dat Landry zijn altijd praktische adviezen doorspekt met kleurrijke voorbeelden. Komossa’s voorbeelden over vrijdenkende Franse supermarkten zijn te spaarzaam. En dat terwijl haar foto’s zo nieuwsgierig maken – studenten die hun meubels op straat zetten in Ljubljana, de trappen van het Pergamonmuseum die als publieke tribune functioneren – ‘vertel!’ denk je. Maar helaas.

Wel beschrijft ze uitstekend die verandering van steen naar idealen, naar het naoorlogse geloof dat je de wereld en de burger kunt ontwerpen, en dan de deceptie dat juist die stadsuitbreidingen – Rotterdam Zuid – rotbuurten zijn. Vooral Le Corbusier slaat ze flink om de oren: ze noemt zijn steden non-negotiable. Door dat soort historische mislukkingen is de architect van nu onzeker geworden en gaan architectuurbiënnales nu vooral over onderzoek, bouwen is zo passé. Die onzekerheid weerspiegelt zich in Komossa’s terughoudendheid over het nu. Ze beschrijft de Kop van Zuid en de Zuidas, het GWL-terrein, alles binnenstedelijk, met één alinea over vinexwijk IJburg. Dat is jammer, want vinexwijken waren dé grote bouwprojecten van de laatste jaren. Misschien dat Komossa die negeert vanwege wat ze ‘vertrutting’ noemt. Ze vindt dat je vanuit historisch besef vitaliteit en openbaar leven moet terugbrengen, niet nepgeveltjes bouwen. Tja. Dat is een kwestie van smaak. Als duizenden de binnensteden ontvluchten richting vinexranden, dan verdient dat ook een serieuze analyse.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-1).

Verwijzing: Historisch Tijdschrift Holland, Sandra Smets, 24 april 2013.