Ad van der Zee, De Wendische Oorlog: Holland, Amsterdam en de Hanze in de vijftiende eeuw. Middeleeuwse studies en bronnen 169; Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2018; ill., 255 pp., ISBN 9789087047139, €25,-

Jaco Zuijderduijn, Lund University

De Wendische Oorlog: had u daar weleens van gehoord? Een hoogoplopend handelsconflict in 1438-1441 tussen Amsterdam en het graafschap Holland aan de ene kant, en de zes Hanzesteden Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund aan de andere – gezamenlijk bekend als de Wendische steden. Een kaperoorlog waarbij vooral het buitmaken van de handelswaar van de tegenstander werd gezien als hét middel om de tegenpartij tot concessies te dwingen.

Ad van der Zee heeft een informatief, prettig leesbaar en mooi vormgegeven boek geschreven over deze episode in de Hollandse geschiedenis. Natuurlijk wordt daarin de Wendische Oorlog besproken, maar ook de politieke situatie in Noordwest en Noord Europa, de scheepsbouw en de organisatie van de internationale handel – en de rol die de Hanze daarin speelde – en de manier waarop conflicten werden beslecht. Dat laatste is de kern van het boek: in 1438 kwam het tot een kaperoorlog, omdat Amsterdam en de Wendische steden er niet in slaagden een al jaren sluimerend conflict af te wikkelen, over de vergoeding van schade die kooplieden hadden geleden tijdens een eerdere handelsoorlog. In 1438 verwierven de twistende partijen daarom vrijbrieven om de schepen en handelswaar van de tegenstander te kapen en te confisqueren. Economische sancties dus, die van grote invloed waren op de handelaars die actief waren op de Noord- en Oostzee.

Het is Van der Zee’s grote verdienste dat hij een gecompliceerd politiek en economisch conflict op een begrijpelijke en geanimeerde manier weet samen te vatten. Wijs worden uit middeleeuwse oorkonden en rekeningen is vaak al lastig, maar deze presenteren zodat een breder publiek ook kennis kan nemen van laatmiddeleeuwse toestanden is vaak nog veel moeilijker. De Wendische Oorlog is – ondanks het weerbarstige bronnenmateriaal – een zeer leesbaar boek. Van der Zee studeerde in de jaren negentig af op dit onderwerp en liet de scriptie jarenlang op de plank liggen, met de ambitie er ooit nog eens iets mee te doen. En er eenmaal weer mee bezig, ondernam hij een ontdekkingstocht langs de Hanzesteden en hun geschiedenis. Anekdotes uit handelssteden van weleer duiken regelmatig op: over middeleeuwse financiële transacties en een Amsterdamse kaper die maar niet veroordeeld kon worden. Daarnaast zijn er uitweidingen over city-marketing door steden die hun Hanze-verleden herontdekt hebben. Dat maakt het boek aantrekkelijk voor de geïnteresseerde leek, maar neemt de lezer af en toe ook mee op zijpaden die wellicht niet strikt noodzakelijk zijn en soms enigszins afleiden.

Het is Van der Zee’s grote verdienste dat hij een gecompliceerd politiek en economisch conflict op een begrijpelijke en geanimeerde manier weet samen te vatten.

Moet u zich zorgen maken als u nog nooit van de Wendische Oorlog hebt gehoord? ‘Ja’ zouden historici van een eerdere generatie zeggen: het handelsconflict tussen Amsterdam – in 1438 een stadje van ongeveer 3.500 inwoners – en de veel grotere Wendische steden was cruciaal voor de latere ontwikkeling van de nederzetting aan de Amstel en het gewest Holland. Van der Zee schuift deze literatuur terzijde, al is het niet altijd duidelijk waarom, want heel veel komt de lezer niet te weten over wat er zoal schort aan de visie van bijvoorbeeld H.J. Smit of F. Ketner, die toch lijvige boeken over de Amsterdamse handel in de vijftiende eeuw schreven. Welke bijdrage Van der Zee aan die bestaande literatuur levert, is niet heel duidelijk, behalve dat hij waakt voor een teleologische benadering en de kaperoorlog niet in het licht van de 17de-eeuwse Gouden Eeuw wil zien (p. 37). Maar in het samenvattende negentiende hoofdstuk worden er toch lijnen getrokken tussen de Wendische Oorlog en de latere Amsterdamse en Hollandse successen: het conflict droeg bij aan bestuurlijke vernieuwing, de opkomst van een maritieme identiteit, en was ‘in hoge mate bepalend […] voor de maritieme en economische ontwikkeling van Holland en de steden langs de Oostzee’ (p. 237). Was de Wendische Oorlog dan toch een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling die Amsterdam, Holland en de Wendische steden doormaakten? Of was het slechts een incident dat kan worden gebruikt om een kaperoorlog te reconstrueren en inzicht te verwerven in de laatmiddeleeuwse politiek en economie? Van der Zee hakt deze knoop eigenlijk te laat door en daardoor is het voor de lezer soms lastig om de politieke verwikkelingen en economische problemen die worden besproken een plaats te geven.

Voor wie wil begrijpen hoe men – against all odds – er in de late middeleeuwen toch in slaagde om handel te drijven, biedt Van der Zee’s boek een prima inleiding.

Mooi is het vooral om te lezen hoe precair de middeleeuwse handel was, hoezeer kooplieden in den vreemde afhankelijk waren van een politieke machtsbalans tussen de vele mogendheden, en op welke wijze zij deze probeerden te beïnvloeden. En om te zien wat er gebeurde als het misging en Hollandse schepen werden geconfronteerd met veel grotere vijandelijke vaartuigen van de Wendische steden, of wanneer de Hollanders de volledige Pruisische zoutvloot kaapten – tegen de zin van de landsheer, die helemaal niet zat te wachten op een politiek conflict met de grootmeester van de Duitse Orde, die in Pruisen de scepter zwaaide. Voor wie wil begrijpen hoe men – against all odds – er in de late middeleeuwen toch in slaagde om handel te drijven, biedt Van der Zee’s boek een prima inleiding.

Bron: Zuiderzeecollectie

De jury van de Holland Scriptieprijs had het moeilijk dit jaar, aangezien er verschillende goede tot zeer goede scripties waren ingezonden Na uitvoerig beraad is de jury tot de conclusie gekomen dat de prijs dit jaar gaat naar Isabel Casteels voor haar scriptie De wereld in Enkhuizen. Kennis van overzeese gebieden tussen 1580 en 1600 (UvA Researchmasterscriptie, 2018). Klik hier voor het volledige juryrapport.

Het verhaal van het Beleg van Haarlem is natuurlijk niet nieuw. Er is tamelijk veel geschreven over deze episode uit de Opstand, maar het verhaal wordt doorgaans uitsluitend vanuit Nederlands perspectief verteld en hoofdzakelijk op basis van Nederlandse bronnen. In haar nieuwe boek biedt Barbara Kooij een fascinerend inzicht in hoe Filips II, Alva, don Fadrique, hun secretarissen en het officierskorps de oorlog in Holland bezagen. Lees hier de recensie van Gijs Rommelse over dit boek.

Barbara Kooij, Spaanse ooggetuigen over het beleg van Haarlem (1572-1573); Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2018; ill., 334 pp., ISBN 9789087047467; € 29,-

Gijs Rommelse

‘Ik heb U niet eerder geschreven omdat ik zat te wachten op het moment dat we deze verdomde stad eindelijk op de knieën hebben. En dat is nu gebeurd.’ Met deze woorden informeerde kapitein Estaban de Illán secretaris Juan de Albornoz dat Haarlem op 8 juli 1573, na een beleg van ruim zeven maanden, eindelijk had gecapituleerd. De belegering was de hertog van Alva en het Spaanse leger zwaar gevallen. Honderden Spaanse, Italiaanse, Waalse en Duitse militairen waren gesneuveld door toedoen van ‘de verraders, ketters en rebellen’, terwijl talloze anderen lichaamsdelen hadden verloren of anderszins verminkt waren geraakt. Bovendien hadden de belegeraars danig moeten afzien tijdens de strenge winter van 1572-1573; regen, sneeuw en koude zorgden voor veel ziektegevallen en ook de voedselaanvoer liet het regelmatig afweten. Het kwam de wanhopige belegeraars soms voor dat de Haarlemmers, die bevoorraad werden over het Haarlemmermeer, beter te eten hadden dan zijzelf. Pas na de Slag op het Haarlemmermeer van 26 mei waren de Spanjaarden er in geslaagd de Spaarnestad volledig af te snijden van alle bevoorrading. De bevelhebbend officier, don Fadrique de Toledo, nam vervolgens graag de loftuitingen voor de overwinning in ontvangst. Maar diens vader, de ijzeren hertog van Alva, wist dat er een Pyrrhusoverwinning behaald was. Een week na de capitulatie meldde hij koning Filips II dat hij ‘vanwege een zeer groot geldgebrek […] in zulke benaderde omstandigheden’ verkeerde, dat hij vreesde dat ‘er onder het krijgsvolk mensen zijn die brutaal genoeg zijn om mij te vragen het geld te betalen dat ik hen schuldig ben. Ze staan nu op het punt in opstand te komen, en dat zal zoveel problemen geven dat alleen de gedachte daaraan mij zo bezorgd maakt dat ik ’s nachts geen oog meer dicht doe’.

Het boek van Barbara Kooij biedt een fascinerend inzicht in hoe Filips II, Alva, don Fadrique, hun secretarissen en het officierskorps de oorlog in Holland bezagen.

Het verhaal van het Beleg van Haarlem is natuurlijk niet nieuw; er is tamelijk veel geschreven over deze episode uit de Opstand en de naam Kenau Simonsdochter Hasselaar is alom bekend. En uiteraard weten we al lange tijd dat de strijd meedogenloos en bloederig was. Het verhaal over de executie van de verdedigers middels onthoofding of verdrinking in het Spaarne is al vaak verteld, vaak met gebruikmaking van de gruwelijke kopergravure van Frans Hogenberg.

Moord te Haarlem door de Spanjaarden. Ets door Frans Hogenberg, 1573-1575. Collectie Rijksmuseum, Amsterdam.

Maar het verhaal wordt doorgaans uitsluitend vanuit Nederlands perspectief verteld en hoofdzakelijk op basis van Nederlandse bronnen. Het boek van Barbara Kooij biedt een fascinerend inzicht in hoe Filips II, Alva, don Fadrique, hun secretarissen en het officierskorps de oorlog in Holland bezagen. Zo lezen we over de grote morele verontwaardiging die men voelde voor de Hollandse ‘verraders’ en ‘rebellen’. Dit politieke verwijt klonk in ieder geval sterker door in de in het boek opgenomen brieven dan het religieuze verwijt dat men de calvinisten maakte. Prins Willem van Oranje was in Spaanse ogen de grote schuldige, degene die uiteindelijk de Hollandse bevolking tot hun schandelijk verraad had aangezet. Tijdens het beleg reflecteerde men met enige regelmaat over de straf die de Haarlemmers zouden moeten ondergaan na de capitulatie. Voor sommigen was het klip en klaar dat zij hetzelfde noodlot zouden moeten ondergaan als de bewoners van Zutphen en Naarden. Daarom is het des te opvallender dat Alva uiteindelijk besloot de Haarlemmers toe te staan de plundering voor 250.000 gulden af te kopen en de burgers van de stad te laten sparen. Volgens kolonel Gaspar de Robles was de belegering al genoeg straf geweest: ‘Ik verwijs hierbij dan ook naar het uitstekende verslag van de hertog, waaruit naar voren komt dat God Haarlem dezelfde straf heeft willen opleggen als Jeruzalem. Wij weten immers dat in Haarlem kinderen de tepels van hun moeders afbeten, en dat mannen hun vrouwen hebben gedood om hen de hongerdood te besparen.’

De inleiding mag dan zijn beperkingen hebben, voor de lezer biedt Kooijs boek een fascinerend inzicht in het Spaanse perspectief op het Beleg van Haarlem.

Kooij heeft 138 teksten, vrijwel allemaal afkomstig uit reeds bestaande bronnenpublicaties, verzameld en vanuit het Spaans of Frans vertaald. Het gaat om brieven en oorlogsverslagen, en een enkel gedicht. De teksten worden verduidelijkt met nauwkeurige voetnoten. Een inleidende tekst biedt de lezer een overzicht van de oorzaken van de Nederlandse Opstand, de Spaanse militaire inzet bij Haarlem, een karakterisering van de strijd, en van de epistolaire context van het corpus. Het valt op dat de inhoud van de teksten in slechts twee pagina’s wordt besproken. Kooij legt uitgebreid uit hoe de bureaucratische correspondentie van Filips II werkte en welke rol secretarissen daarin speelden, maar de thematische analyse is wel erg summier. Wat dat betreft biedt het boek overigens wel prachtig materiaal voor historici die geïnteresseerd zijn in vroegmoderne militaire cultuur, de ongeschreven conventies ten aanzien van oorlogsrecht en de ideologische constructie van vijandbeelden. De inleiding mag dan zijn beperkingen hebben, voor de lezer biedt Kooijs boek een fascinerend inzicht in het Spaanse perspectief op het Beleg van Haarlem.

 

 

Op 24 januari 2019 is Holland Historisch Tijdschrift partner van het symposium ‘Holland Ontluikt‘, over de vroege geschiedenis van het graafschap Holland. Het symposium zal gehouden worden op het Muiderslot. Als vervolg op het congres ‘De dageraad van Holland, 1000-1300‘ in 2017 in Leiden, staat de tweede dag van het wetenschappelijke symposium in het teken van multidisciplinair onderzoek naar het ontstaan van het graafschap Holland (Holland Ontluikt).

Lees meer →

‘Met het breed opgezette onderzoek naar de functies die herbergen in het vroegmoderne Amsterdam vervuld, vult Maarten Hell meer dan een leemte in de geschiedschrijving van Holland.’ Carin Gaemers recenseerde het pas verschenen boek De Amsterdamse Herberg 1450-1800. Geestrijk centrum van het openbare leven van Maarten Hell. De volledige recensie vindt u hier.

Maarten Hell, De Amsterdamse Herberg 1450-1800. Geestrijk centrum van het openbare leven; Nijmegen: Vantilt, 2017: ill., 488 pp., ISBN 97894600043437; € 29,95

Carin Gaemers

De functies van het herbergwezen in het openbare leven in Amsterdam in de periode 1450-1800, dat is de invalshoek die Maarten Hell koos voor zijn promotieonderzoek. Dat blijkt een vruchtbare insteek. Met deze benadering konden gegevens uit uiteenlopende archiefcollecties in een zinvol verband worden geplaatst. Het resultaat is een studie waarin brede structuren worden blootgelegd, terwijl tegelijkertijd fascinerende inkijkjes worden geboden in het dagelijks leven.

De historiografie van het herbergwezen is beperkt in omvang en in reikwijdte. Op het  befaamde Alehouses van Peter Clark in 1983  volgde Public drinking and popular culture in eighteenth-centrury Paris van Thomas Brennan, en van Kűmin en Tlusty verschenen studies naar drinkhuizen in Bern en Beieren. Voor Nederland is de studie naar de maatschappelijke plaatsbepaling van de herberg in ’s Hertogenbosch tussen 1650 en 1800 van B. Deseure uit 2007 de enige relevante studie. Wel kon Hell putten uit de vele contemporaine publicaties en studies met betrekking tot de stad Amsterdam en het openbare leven.

Het resultaat is een studie waarin brede structuren worden blootgelegd, terwijl tegelijkertijd fascinerende inkijkjes worden geboden in het dagelijks leven.

Hell onderscheidt vier basisfuncties van herbergen. Allereerst boden herbergen een onderkomen waar stedelingen en vreemdelingen konden eten, drinken en vaak ook overnachten. De tweede functie vloeit daaruit voort: herbergen waren ontmoetingsplaatsen waar sociale netwerken samenkwamen voor vertier en handel en waar men zich op de hoogte kon stellen van stedelijk, gewestelijk en internationaal nieuws. Ten derde vormden herbergen een podium voor politieke activiteiten.  De vierde functie was die van een steunpunt voor het regionale vervoersnetwerk en voor handelsnetwerken.

Niet alle herbergen boden alle basisfuncties. Herbergen buiten de poorten, op de oever van het IJ of aan een belangrijke vaarweg door de stad, groeiden uit tot aankomst- en vertrekpunt voor de beurtvaart, terwijl herbergen in de havenbuurt zich richtten op de Hanze handel. Gilden en schutterijen hadden vaste herbergen waar zij vergaderden en hun feestmaaltijden organiseerden. In de grootste en meest exclusieve herbergen werden prominente gasten van het stadsbestuur ondergebracht, zoals in De Rode Leeuw op het Damrak. En natuurlijk waren er ook herbergen die uitsluitend drank serveerden.

In een handelsstad als Amsterdam waren overal herbergen te vinden waar kooplieden samenkwamen en hun klanten troffen. De waarden van deze herbergen brachten klanten en kooplieden met elkaar in contact en hielpen handelaren van buiten de stad bij het regelen van transport en het vinden van opslagruimte. Daarnaast verleenden zij diensten in het betalingsverkeer en als kredietverschaffer. Vanwege die spilfunctie in het handelsverkeer, belastte het stadsbestuur de herbergiers met de registratie van vreemdelingen en het verspreiden van overheidsinformatie.

Het omvangrijkste deel van deze studie is gewijd aan de periode 1578-1800. In de decennia nadat Amsterdam zich in 1578 had aangesloten bij de Opstand nam de economie een enorme vlucht. Met de forse bevolkingstoename en de explosieve groei van de internationale handel nam de behoefte aan drinkhuizen toe. In vijftien hoofdstukken laat Hell zien hoe de economische groei leidde tot diversificatie in het aanbod en verschuivingen in de basis taken van herbergen.

In vijftien hoofdstukken laat Hell zien hoe de economische groei leidde tot diversificatie in het aanbod en verschuivingen in de basis taken van herbergen.

De uiteenlopende typen herbergen zijn in al hun schakeringen beschreven. Er waren stadsherbergen, buitenherbergen, herenherbergen, veilingherbergen, slaapbazen, speelhuizen, koffiehuizen, dievenkroegen, bordelen, muziekherbergen en uitspanningen met doolhoven, dierentuinen en kolfbanen. Het uitvoerige onderzoek van al die verschillende bronnen leverde een vracht aan details op over indeling, inrichting, aanbod, personeel en clientèle van al die herbergen. Hell tekende het in zulke heldere kleuren op dat de lezer bijna het gevoel krijgt er zo binnen te kunnen stappen.

Aan de hand van de lotgevallen van waarden, waardinnen en hun gezinnen maakt Hell duidelijk dat het herbergwezen geen garantie bood op een goed inkomen. Het grootste deel van de herbergiers bewoog voortdurend rond de armoedegrens. Slechts een handvol leefde in welstand. De overigen konden van de inkomsten goed rondkomen, mits het een beetje meezat. Voor alle herbergiers, groot of klein, was er een aanzienlijke kans op een faillissement. Door slecht management, een financiële tegenslag, een handelscrisis, of een verandering in de voorkeur van het publiek. Ook een chronische ziekte, invaliditeit of overlijden van de waard of zijn echtgenote, vormde een acuut bedrijfsrisico.

Die onzekerheid blijkt een constante factor in de periode die dit onderzoek bestrijkt. Hetzelfde geldt voor het belangrijke aandeel van de sector in de stadsfinanciën. Accijnzen op alcoholverbruik vormden een aanzienlijk deel van de stedelijke inkomsten. De stad legde het herbergwezen wel aan banden, maar had tegelijkertijd een groot financieel belang bij het voortbestaan van de sector als zodanig.

Met het breed opgezette onderzoek naar de functies die herbergen in het vroegmoderne Amsterdam vervuld, vult Maarten Hell meer dan een leemte in de geschiedschrijving van Holland.

Met het breed opgezette onderzoek naar de functies die herbergen in het vroegmoderne Amsterdam vervuld, vult Maarten Hell meer dan een leemte in de geschiedschrijving van Holland. De Amsterdamse Herberg  is internationaal gezien een waardevolle bijdrage aan dit vrijwel onontgonnen onderzoeksterrein. Deze studie is tevens een krachtige proeve van wat grondig systematisch archiefonderzoek vermag als bronnen met betrekking tot een onderwerp niet als een corpus zijn bewaard. Daarnaast is dit een prettig leesbaar boek vol aansprekende en vermakelijke details. Zo meeslepend en vol verhalen als een stevige kroegentocht maar kan zijn.

S. Groenveld, Facetten van de Tachtigjarige Oorlog. Twaalf artikelen over de periode 1559-1652; Hilversum: Verloren, 2018; geïllustreerd, 400 pp., ISBN 9789087047269; € 35,-

Gijs Rommelse, Haarlemmermeer Lyceum

Kan je als promotus met goed fatsoen het werk van je eigen promotor recenseren? Men zou immers kunnen stellen dat het niet aan de voormalige gezel is het werk van zijn meester tegen het licht te houden; het is niet aan de leerling zich eigenmachtig naast de leraar te stellen. Ook kan worden gezegd dat een jarenlange samenwerking een kritische, beschouwende attitude in de weg zou kunnen staan. Deze twijfel bekroop mij toen de redactie van Holland Historisch Tijdschrift me verzocht het onderhavige boek te bespreken. Na enige overweging besloot ik evenwel dat het misschien wel juist aan een voormalige student was dit boek te beschouwen, juist vanwege het initiatief dat eraan ten grondslag had gelegen.

Groenveld was tot aan zijn emeritaat in 2006 hoogleraar aan de Universiteit Leiden in de geschiedenis en cultuur van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Vanaf 1964 publiceerde hij, blijkens het achterin het boek opgenomen overzicht ongeveer tweehonderdveertig boeken, artikelen, hoofdstukken en boekbesprekingen. Zijn werk is veelzijdig. Op politiek gebied schreef hij onder meer over de ontwikkeling van ambten en instituties, vergadercultuur, diplomatie en buitenlandse verdragen, en tolerantie en censuur in de media. Daarnaast publiceerde hij regelmatig over muziek, met name orgelcultuur, over religieuze identiteiten, armen- en wezenzorg, kaapvaart, kerkgebouwen en de Haarlemmermeer. Het overgrote deel van zijn werk verscheen in het Nederlands, maar daarnaast bevat het veel Duitse en ook enkele Engelstalige stukken. Veel van zijn werk is in kleinere tijdschriften of in minder bekende jaarboekreeksen uitgekomen.

De titel van het boek doet recht aan de inhoud, het betreft ‘facetten’ van de Tachtigjarige Oorlog en bevat daardoor niet echt een rode lijn, of het moet zijn dat het een soort representatieve doorsnede biedt van Groenvelds onderzoek naar de ontwikkeling van de Nederlandse instituties en bestuurspraktijken tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Het hier besproken boek is tot stand gekomen door een initiatief van twee van zijn promoti, Frits van Dulm en Albert Scheffers. Het was hun bedoeling, zo stellen zij in hun ten geleide, om Groenveld namens de dertien promoti die hij in de tien jaar na zijn emeritaat begeleidde te bedanken voor diens ‘onbaatzuchtige begeleiding, grote steun en inspiratie bij de voorbereiding van hun dissertatie.’ Het bevat twaalf artikelen die hij zelf heeft gekozen. Twee ervan zijn niet eerder gepubliceerd, twee verschenen er in Duitstalige bundels, één vormt een samentrekking van een Engelstalig artikel en stuk dat in een Belgisch tijdschrift verscheen, en de rest was uitgebracht in ‘minder zichtbare’ Nederlandstalige bundels of jaarboeken. De titel van het boek doet recht aan de inhoud, het betreft ‘facetten’ van de Tachtigjarige Oorlog en bevat daardoor niet echt een rode lijn, of het moet zijn dat het een soort representatieve doorsnede biedt van Groenvelds onderzoek naar de ontwikkeling van de Nederlandse instituties en bestuurspraktijken tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Zo bevat het artikelen over bestuurlijke en institutionele verandering en continuïteit vóór en na de Opstand, over de in 1568 geëxecuteerde graaf van Horne, het Spaanse beleg van Leiden, het Plakkaat van Verlatinghe, en de lange aanloop naar de Eerste Engelse Oorlog.

Van Dulm en Scheffers hebben het initiatief genomen, maar Groenveld heeft zelf de teksten vertaald, herschreven, inhoudelijk geüpdatet en waar nodig ook de voetnoten gemoderniseerd. Met name dat laatste moet een heidens karwei zijn geweest. Sommige van de stukken zijn zo’n dertig jaar geleden in hun oorspronkelijke vorm gepubliceerd; sindsdien heeft menige archiefinstelling de collecties danig gereorganiseerd en geherïndexeerd. Een van Groenvelds grootste verdiensten is nog wel zijn zeer grondige en vaak ook innovatieve gebruik van archiefbronnen. Tijdens zijn lange loopbaan heeft hij menige scoop gescoord door in lokale, regionale en private archieven in binnen- en buitenland nauwelijks bekende maar wel heel belangrijke bronnen op te duikelen. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we bijvoorbeeld in het laatste artikel over de Nederlands-Engelse relaties tussen 1639 en 1652. Behalve de algemeen bekende diplomatieke bronnen van de Staten Generaal, die te vinden zijn in het Nationaal Archief in Den Haag, maakt hij gebruik van de processtukken en vonnissen van het Engelse High Court of the Admiralty, dat uitspraak moest doen in aanhoudingen van Nederlandse koopvaardijschepen door Engelse kapers of marineschepen. Deze stukken waren deels in het Latijn, deels in het Engels opgesteld, moeilijk leesbaar en tot dan toe eigenlijk nog nooit echt gebruikt voor historisch onderzoek.

Wat dat betreft strekt Groenvelds werk tot voorbeeld, temeer daar zijn ambachtelijke aanpak onze kennis van de vroegmoderne instituties en bestuurscultuur enorm heeft vergroot.

Veel historici maken tegenwoordig maar al te graag gebruik van gedigitaliseerde archivalia of van gedrukte media. Het traditionele doorworstelen van moeilijk leesbare handschriften heeft aan populariteit nogal ingeboet. Wat dat betreft strekt Groenvelds werk tot voorbeeld, temeer daar zijn ambachtelijke aanpak onze kennis van de vroegmoderne instituties en bestuurscultuur enorm heeft vergroot. Het is te hopen dat hij, na afronding van zijn huidige biografieproject over Prins Willem II, gelegenheid vindt voor een grote synthese op dit gebied. Een dergelijk overzicht bestaat eenvoudigweg nog niet en zou een enorme aanwinst betekenen voor de historiografie van de Republiek. In ieder geval biedt de hier besproken bundel een breed publiek inzicht in de staatkundige en politiek-culturele ontwikkelingen van de Republiek ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog en bevat het ook voor kenners van Groenvelds werk weer een paar nieuwe pareltjes.

Herman Kaptein, Nijverheid op Windkracht. Energietransities in Nederland, 1500-1900, Hilversum: Verloren, 2017, geïllustreerd, 512 pp., ISBN 9789087046835, Prijs: €39,-

Door Jan Luiten van Zanden, Universiteit Utrecht

Energietransitie is een actueel onderwerp. We staan aan de vooravond van de overgang naar een nieuwe energie-economie, waarin het duurzaam opwekken en gebruiken van wind- en zonne-energie een centrale rol speelt. Dit roept bij historici de vraag op hoe dergelijke energietransities in het verleden verlopen zijn. Tegen deze achtergrond handelt het nieuwe boek van Herman Kaptein over de opkomst, bloei en ondergang van een grotendeels op windkracht draaiende industrie over een belangwekkend thema. Al vanaf het begin van de 15de eeuw werd windkracht gebruikt in het waterbeheer. Deze techniek werd al veel langer ingezet voor het malen van granen, maar pas aan het eind van de 16de eeuw verspreidt de windmolen zich over een breed scala van industrieën. Tussen de eerste decennia van de 17de eeuw en het midden van de 19de eeuw, speelt windkracht een grote rol in de Nederlandse – en vooral de Hollandse – industrie. Maar in de loop van de 19de eeuw wordt de windmolen  geleidelijk aan overvleugeld door de stoommachine. Kortom, deze twee energietransities lenen zich voor een historische analyse.

Het boek van Kaptein is vooral vernieuwend waar het gaat om de eerste transitie – de opkomst van de windmolen in een breed front van industriële activiteiten vanaf ongeveer 1600.

Het boek van Kaptein is vooral vernieuwend waar het gaat om de eerste transitie – de opkomst van de windmolen in een breed front van industriële activiteiten vanaf ongeveer 1600. Fraai is de manier waarop wordt aangetoond dat molenbouwers uit Alkmaar daar in eerste instantie een grote rol in hebben gespeeld, voordat de windmolen verder uitwaaierde en zich vooral in de Zaanstreek verder ontwikkelde. Niet zonder reden wordt Alkmaar de bakermat van de (verdere) industriële toepassing van windkracht genoemd, al waren de pioniers daar, zoals altijd, ook sterk afhankelijk van voorbeelden van elders, o.a. Vlaanderen. Maar de sleutel tot het Alkmaarse (en later het Zaanse) succes was de grote groep innovatieve timmerlieden annex molenmakers, die de nieuwe mogelijkheden van de windkracht zag en in de praktijk wist te brengen. Interessant is ook dat enkelen onder hen goede contacten hadden met wetenschappers, waaronder zelfs grote namen als Huygens en Descartes. De pioniersarbeid van deze molenmakers, eerst vooral in Alkmaar, later in geheel Holland actief, is een goed voorbeeld  van de  ‘collective invention’ waar Davids eerder over geschreven heeft.

Het afsluitende hoofdstuk bevat veel nieuwe informatie over aantallen windmolens, maar, en dat is een beetje de gemiste kans van dit boek, geen echte reflectie op het fenomeen energietransitie (terwijl daar ook in theoretisch opzicht de laatste tijd veel om te doen is) en de lessen die op dit punt uit de twee bestudeerde transities te trekken zijn.

Het verhaal over de overgang naar stoomkracht in de loop van de 19de eeuw is minder vernieuwend. Kaptein kiest om dit te illustreren wel interessante voorbeelden, maar de hoofdstukken over Schiedamse moutmolenaars, Leidse lakenfabrikanten, Zaanse papierfabrikanten en Groningse oliemolens levert een veel meer diffuus beeld op van deze tweede transitie. Misschien breekt het de auteur op dat hier al veel meer over gepubliceerd is – zoals in het bekende overzichtswerk over de geschiedenis van de techniek in de 19de eeuw. Er worden veel persoonlijke details verteld over de betrokken ondernemers en hun families; details die lang niet altijd relevant lijken te zijn. Conclusies als die getrokken worden over een van de pioniers van de stoomkracht, die als ‘creatieve waaghals’  te weinig rekening hield met ongunstige omstandigheden, dragen ook niet veel bij aan een beter begrip. Het afsluitende hoofdstuk bevat veel nieuwe informatie over aantallen windmolens, maar, en dat is een beetje de gemiste kans van dit boek, geen echte reflectie op het fenomeen energietransitie (terwijl daar ook in theoretisch opzicht de laatste tijd veel om te doen is) en de lessen die op dit punt uit de twee bestudeerde transities te trekken zijn. Veel vragen blijven vooralsnog onbeantwoord. Wat dreef nu deze twee transities? Waarom was Nederland in de ene pionier en in de andere een relatieve achterblijver? En welke rol speelde in de 19de eeuw de staat, en rond 1600 de stad en de gewestelijke overheid?

Al met al is het een mooi boek over twee belangrijke energietransities geworden – alle lof voor het onderliggende historische onderzoek. Maar ook een beetje een gemiste kans om niet in te spelen op het maatschappelijk debat hierover.