Niet een, niet twee, maar liefst drie boeken staan centraal in de nieuwste recensie. Redacteur Henk Looijesteijn geeft zijn oordeel over een aantal verschenen werken dat in het bijzonder de ontstaans- en wordingsgeschiedenis van het jonge graafschap Holland behandelt – of liever, Holland voordat het Holland werd. Zo gaat het boek Strijd om West-Frisia (2016) van Kees Nieuwenhuijsen over de tijd waarin de oudste graven van het later als Hollandse huis aangeduide geslacht hun macht vestigden in wat nu Holland is. Henk ’t Jong zet het verhaal van Holland en het Hollandse Huis voort in een in 2018 uitgebracht vervolgboek, De dageraad van Holland; en Erik Cordfunke heeft in hetzelfde jaar op het boek van Nieuwenhuijsen gereageerd met een eigen versie van de vroegste geschiedenis van het graafschap Holland, Een graafschap in de duinen. De recensie over de drie werken leest u hier.

E.H.P. Cordfunke, Een graafschap achter de duinen. Het ontstaan en de vorming van het graafschap Holland (850-1100) Zutphen: Uitgeverij Walburg Pers, 2018, 144 pp, ISBN: 9789462493407. Prijs: € 24,95,- ; Kees Nieuwenhuijsen, Strijd om West-Frisia. De ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland: 900-1100 Utrecht, Uitgeverij Omniboek, 2016, 288 pp, ISBN: 9789401907569. Prijs: 20,99; Henk ‘t Jong, De dageraad van Holland. De geschiedenis van het graafschap 1100-1300 Utrecht: Uitgeverij Omniboek, 2018, 400 pp, ISBN: 9789020534863. Prijs: € 25,-

Henk Looijesteijn, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

E.H.P. Cordfunke, Een graafschap achter de duinen. Het ontstaan en de vorming van het graafschap Holland (850-1100) (Zutphen 2018)

In een meer nationalistisch ingesteld tijdvak moesten schoolkinderen in Nederland leren dat er aan de vele Willems uit het Huis van Oranje de Dirken, Florissen, Willems en Jannen van het graafschap Holland vooraf gingen. Holland was immers het kerngewest van het moderne Nederland. De graven moesten uit het hoofd worden geleerd, en gelukkig kon je er makkelijk ezelsbruggetjes van maken – ‘Dikkie Dikkie Arnoud, Dikkie Dikkie Floor, Dikkie Floor, Dikkie Floor’ enzovoort – maar ondanks al dat namengestamp is de geschiedschrijving over de Hollandse graven toch tamelijk bescheiden. Het beste overzicht van de opeenvolgende graven van Holland is nog vrij recent, van 1995, met een bijgewerkte uitgave in 2016: Graven van Holland. Middeleeuwse vorsten in woord en beeld (880-1580) van Dick de Boer en Erik Cordfunke. Beide uitgaven bieden een kleurrijk geïllustreerd overzicht met beknopte biografieën per graaf. De echtgenotes van de graven uit het Hollandse Huis zijn in 1987 op een rij gezet door Erik Cordfunke: Gravinnen van Holland. Huwelijk en huwelijkspolitiek van de graven uit het Hollandse Huis (Zutphen 1987). Hun opvolgsters uit de huizen Avesnes en Wittelsbach worden daarin buiten beschouwing gelaten.

Aan individuele graven is zelden een boek gewijd: graaf Willem II, die het tot Roomskoning schopte, was het onderwerp van verschillende monografieën, maar de laatste daarvan dateren nog uit de 19de eeuw en zijn geschreven door Duitse historici die vooral in zijn koningschap waren geïnteresseerd. Zijn zoon Floris V is de enige graaf die bij een breder publiek bekend is, en waar in de 20ste eeuw verschillende studies aan zijn gewijd, het laatst in 1996, toen ter gelegenheid van de herdenking van zijn 700ste sterfjaar een fraai naslagwerk over zijn leven werd uitgebracht, bezorgd door onder andere De Boer en Cordfunke: Wi Florens. De Hollandse graaf Floris V in de samenleving van de 13de eeuw (Zutphen 1996). Na Floris is de wat tragische figuur van Jacoba van Beieren wellicht nog het bekendst, en over haar heeft Antheun Janse Een pion voor een dame (Amsterdam 2010) geschreven. Andere Hollandse graven wachten echter nog steeds op een monografie: met name over de Henegouwse en Beierse graven, maar ook over de ondernemende graaf Willem I, zou makkelijk een afzonderlijk boek geschreven kunnen worden.

De laatste jaren zijn er echter een aantal boeken verschenen die in het bijzonder de ontstaans- en wordingsgeschiedenis van het jonge graafschap Holland behandelen – of liever, Holland voordat het Holland werd, want tot het begin van de 12de eeuw heeft men het eerder over graven in Friesland, zoals het gehele kustgebied tussen Zwin en Weser wordt aangeduid. Munthistoricus Dirk Jan Henstra (1927-2016) publiceerde een overzicht van alle graven in dit gebied, waarbij uiteraard ook de West-Friese graven aan de orde kwamen: Friese graafschappen tussen Zwin en Wezer. Een overzicht van de grafelijkheid in middeleeuws Frisia (ca. 700-1200) (Assen 2012). In zekere zin borduurt Kees Nieuwenhuijsen in zijn in 2016 verschenen Strijd om West-Frisia daar op voort. Zijn boek gaat over de tijd waarin de oudste graven van het later als Hollandse Huis aangeduide geslacht hun macht vestigden in wat nu Holland is. Henk ’t Jong zet het verhaal van Holland en het Hollandse Huis voort in een in 2018 uitgebracht vervolgboek, De dageraad van Holland; en Erik Cordfunke heeft in hetzelfde jaar op het boek van Nieuwenhuijsen gereageerd met een eigen versie van de vroegste geschiedenis van het graafschap Holland, Een graafschap in de duinen.

De geschiedschrijving van het graafschap Holland zit duidelijk in de lift, met maar liefst drie boeken. Dat zijn er overigens niet te veel, want al is over de individuele oudste graven vóór de 13de eeuw soms maar heel weinig bekend, uit deze drie boeken blijkt dat er niet alleen veel te vertellen valt over deze vroege tijd, maar ook dat die geschiedenis nog veel vragen doet rijzen, waar toekomstige historici van het graafschap Holland zich over kunnen buigen. Daar kom ik nog op terug.

De geschiedschrijving van het graafschap Holland zit duidelijk in de lift, met maar liefst drie boeken.

Kees Nieuwenhuijsen, Strijd om West-Frisia. De ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland: 900-1100 (Utrecht 2016)

De boeken van Nieuwenhuijsen en ‘t Jong zijn door dezelfde uitgever uitgebracht, Omniboek, en zijn goed verzorgd, rijkelijk voorzien van afbeeldingen, kaartjes en stambomen, met een prettig leesbare letter. De hoofdstukken zijn in de regel betrekkelijk kort en worden onderbroken door kaders waarin bepaalde zaken worden uitgelicht – al is zo’n kader een enkele keer zo groot dat je je afvraagt of het niet beter gewoon onderdeel van de hoofdtekst was geweest. Jammer is wel dat er in beide boeken een bladwijzer naar de individuele afbeeldingen, kaarten en stambomen ontbreekt, zodat men het hele boek moet doorbladeren als men iets wil terugzoeken. Nieuwenhuijsen behandelt zijn stof in zekere zin thematisch, bij ’t Jong is de stof vooral geconcentreerd rond de opeenvolgende graven. De graven van de 12de en 13de eeuw komen namelijk helderder uit de beschikbare bronnen naar voren dan hun voorvaderen in de 10de en 11de eeuw. Nieuwenhuijsen besteedt onder andere een hoofdstuk aan de ontginning van de veengronden die ten grondslag lag aan de oostwaartse expansie van de Hollandse graven, die het mede daarom steeds aan de stok hadden met de Utrechtse bisschoppen; ’t Jong besteedt naast de graven in het bijzonder aandacht aan het ontstaan van de steden.

Cordfunkes boek is van een andere uitgever, eveneens goed verzorgd met afbeeldingen, kaartjes en korte genealogische schema’s, en behandelt een tijdvak van drie eeuwen, van halverwege de 9de tot halverwege de 12de eeuw. De redactie had wel wat beter gekund: soms zijn er letters uit woorden weggevallen, een andere keer te veel, duidelijk verschrijvingen die een tweede lezer eruit had kunnen halen. Ook hier moet men trouwens het boek doorbladeren voor kaartjes en de genealogische schema’s. Cordfunke legt, zoals valt te verwachten, weer andere accenten dan Nieuwenhuijsen – zo gaat hij bijvoorbeeld dieper in op de betekenis van de abdij Egmond voor de vroege graven.

De boeken van Nieuwenhuijsen en ’t Jong zijn omvangrijker dan het boek van Cordfunke en zijn diepgaander. Samen vormen zij een mooi overzicht van wat er nu bekend is over de graven van Holland en de wording van hun graafschap in die cruciale vier eeuwen die het gewest Holland vormden. Het is duidelijk dat er desalniettemin keuzes moesten worden gemaakt: zo zijn de hoofdstukken over Willem II en Floris V in De dageraad van Holland wat kort in vergelijking met wat er over deze graven bekend is, maar dan zou het boek vermoedelijk een keer zo dik worden, en ’t Jong heeft terecht gestreefd naar evenwicht in het behandelen van de graven. Wellicht speelde dat ook voor Nieuwenhuijsen, die bijvoorbeeld weer weinig ingaat op de huwelijkspolitiek van de 11de- en 12de-eeuwse graven, die opmerkelijk vaak met Saksische gravendochters trouwden, zoals Cordfunke al vaststelde in zijn Gravinnen van Holland.

Henk ‘t Jong, De dageraad van Holland. De geschiedenis van het graafschap 1100-1300 (Utrecht 2018).

De drie boeken zijn allen bedoeld als synthetiserend overzicht, waarbij met name de vele nieuwe archeologische inzichten over de vroege geschiedenis van het gebied dat het graafschap Holland ging vormen een plaats krijgen. Nieuwenhuijsen en ’t Jong zijn beiden afkomstig uit de levendige re-enactment wereld die veel praktische kennis heeft opgeleverd over het leven van de middeleeuwers. ’t Jong gaat zo ver dat hij geen afbeeldingen later dan de besproken periode opneemt, hetgeen goed werkt omdat de beeldvorming vaak wordt bepaald door wat gebruikelijk was in de 14de en 15de eeuw. Zijn beslissing om geen bronnen te gebruiken die niet eigentijds zijn, is wellicht een al te strikte toepassing, omdat het onder meer de 14de-eeuwse Utrechtse geschiedschrijving van Johannes de Beke uitsluit. De Beke mag dan niet altijd even betrouwbaar zijn, hij wordt wel degelijk gebruikt door andere historici, zoals bleek uit de vergelijking tussen wat ’t Jong schrijft over Willem II en wat De Boer en Cordfunke over de roomskoning schrijven.

’t Jong legt dat verschil overigens niet uit, en daarmee is meteen gewezen op de nadelen van een synthetiserende aanpak – iets wat geldt voor alle drie de boeken. Lang niet altijd wordt uitgelegd waarom de auteur een bepaald standpunt inneemt. Van discussie met andere historici is weinig sprake, en dat is jammer omdat het de lezer zo niet altijd duidelijk is waarin deze schrijvers nu afwijken van eerdere historici. Cordfunke doet dat nog het meest – en wekt ook de indruk dat zijn boek is geschreven in antwoord op dat van Nieuwenhuijsen – maar met name bij meer prikkelende stellingen blijft de historicus onder de lezers met vragen zitten.

Zo verklaart Nieuwenhuijsen dat Dirk III zijn grafelijke waardigheid deelde met zijn broer Sicco of Siegfried, die dan in het noordelijke deel van het vaderlijk graafschap het gezag zou hebben uitgeoefend. Ook het broederpaar Dirk IV en Floris I zouden samen hebben geregeerd. Die terugkerende broederheerschappij is een boude en prikkelende stelling die ik niet eerder was tegengekomen, maar die echter niet wordt onderbouwd en nadere uitwerking had verdiend. ’t Jong suggereert zoiets voor Dirk VI en diens broer Floris de Zwarte, en het is opmerkelijk dat de latere Willem I blijkbaar verwachtte dat zijn broer Dirk VII hem een belangrijkere rol gaf dan hij aanvankelijk kreeg, hetgeen tot moeilijkheden leidde, en uiteindelijk een grafelijke rol in Friesland. Het lijkt er dus op alsof Nieuwenhuijsen hier iets te pakken heeft dat aan eerdere historici is ontgaan. Cordfunke reageert in zijn boek op Nieuwenhuijsens voorstelling en komt met sterke argumenten waarom het bijvoorbeeld onwaarschijnlijk is dat Sicco de grafelijke waardigheid bezat. Hij verwerpt ook een broederheerschappij voor Dirk IV en Floris I.

De drie boeken zijn allen bedoeld als synthetiserend overzicht, waarbij met name de vele nieuwe archeologische inzichten over de vroege geschiedenis van het gebied dat het graafschap Holland ging vormen een plaats krijgen.

Waar Cordfunke op andere punten afwijkt van Nieuwenhuijsen wordt dat echter niet altijd onderbouwd. Ook ’t Jong laat soms na om zijn mening te beargumenteren, zo stelt hij dat wat een Duitse historicus schreef over het latere leven van gravin Ada hem niet kan overtuigen, maar zonder nadere uitleg. Zo zijn er in alle drie de boeken wel zaken die vragen doen rijzen: waarom zocht Floris III bijvoorbeeld een bruid in Engeland? Wie was Ansfried en waar regeerde hij? Waarom stichtte Godfried met de Bult Delft? Wie was Swithard? Om dan nog maar te zwijgen van de mogelijkheid van broederheerschappij: iets wat wellicht nader in context kan worden geplaatst als men de Hollandse graven zou vergelijken met hoogadellijke families elders.

Welbeschouwd zijn het de voor deze Hollandse graven zo magere bronnen die tot dergelijke afwijkende interpretaties van het Hollandse gravenverleden leiden. Elke bron die er is moet drie keer omgedraaid worden en is zelfs dan nog voor meerdere uitleg vatbaar, waardoor het soms niet eenvoudig is een helder beeld te krijgen van het Hollandse gravenverleden. Zo stelt ’t Jong dat de graven pas een ruiterzegel gebruikten als ze tot ridder waren geslagen, maar Jan I is nooit tot ridder geslagen en gebruikte toch een ruiterzegel. Dat doet de vraag rijzen of dergelijke uitzonderingen op de regel vaker voorkwamen, en hoe sterk die regel dan was. Wat trouwens in alle drie de boeken ontbreekt, is een vergelijking tussen de Hollandse graven en hun standgenoten elders. Wellicht zou dat helpen om de gaten van de bronnen enigszins in te vullen. Welke rol speelde bijvoorbeeld het erfrecht? Uit later tijd is bekend dat het wel eens werd gemanipuleerd om een bepaalde erfopvolging mogelijk te maken. Gebeurde dat vaker? Opvallend is dat vrouwen blijkbaar niet zonder meer waren uitgesloten van de opvolging, maar dat aan de andere kant elke regerende gravin te maken kreeg met mannelijke uitdagers. Geen van deze vrouwen – Ada noch Margaretha, noch Jacoba – kon zich trouwens op de lange duur handhaven. Een andere vraag is waarom sommige gravenmoeders wel regentes konden zijn voor hun zoon, terwijl anderen nooit een politieke rol van betekenis speelden tijdens de minderjarigheid van hun zoon.

Kortom, er blijven vragen te over en er valt nog genoeg te ontraadselen van de geheimen van de middeleeuwse Hollandse gravengeschiedenis. Dat neemt niet weg dat met name de doorwrochte werken van Nieuwenhuijsen en ’t Jong aanwinsten zijn voor de Hollandse geschiedschrijving, en uitgangspunt kunnen zijn voor een nadere bestudering van de graven van Holland. Zoals gezien is er voldoende aanleiding voor meer debat over het Hollandse gravenverleden. Cordfunke’s Graafschap achter de duinen is aanzienlijk beknopter en lijkt vooral te zijn geschreven als reactie op het boek van Nieuwenhuijsen, maar is niettemin nuttig als aanvulling. 

at neemt niet weg dat met name de doorwrochte werken van Nieuwenhuijsen en ’t Jong aanwinsten zijn voor de Hollandse geschiedschrijving, en uitgangspunt kunnen zijn voor een nadere bestudering van de graven van Holland.

Wat wellicht nu de meeste prioriteit zou hebben voor de Hollandse grafelijke geschiedschrijving is een vervolgboek over de graven in de 14de en 15de eeuw. Maar zoals gezegd zullen eveneens tot nu toe uitgebleven vergelijkende studies van groot nut kunnen zijn voor een beter begrip van de mannen en vrouwen die uiteindelijk de grondslagen van het gewest Holland legden. Zo bekend als hun namen met name de ouderen onder ons nog in de oren klinken, het laatste woord over de Hollandse graven is nog lang niet gezegd.

Bijna 20 jaar geleden liet schrijver en journalist Kees Slager in Het geheim van Oss. Een geschiedenis van de SP zien dat de Socialistische Partij (SP) in de Noord-Brabantse industriestad snel een stevige voet aan de grond wist te krijgen. In het recent verschenen boek In Leiden moet het anders. Geschiedenis van een SP-afdeling, 1970-1982 maakt Bart van der Steen duidelijk dat de succesvolle geschiedenis van de Osse SP niet in alle opzichten representatief is voor andere steden. Aan de hand van een particulier archief van twee Leidse SP-leden, krantenartikelen en interviews met betrokkenen gaat Van der Steen na hoe de afdeling in de Zuid-Hollandse stad zich in de jaren zeventig ontwikkelde. De recensie van Fons Meijer over dit boek leest u hier.

Bart van der Steen, In Leiden moet het anders. Geschiedenis van een SP-afdeling 1970-1982, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2019, 178 pp., geïllustreerd, isbn: 9789087047931. Prijs: €19,-.

Fons Meijer, Radboud Universiteit Nijmegen

Bijna 20 jaar geleden liet schrijver en journalist Kees Slager in Het geheim van Oss. Een geschiedenis van de SP zien dat de Socialistische Partij (SP) in de Noord-Brabantse industriestad snel een stevige voet aan de grond wist te krijgen. Maar, zoals historicus Bob Reinalda in zijn bespreking van Slagers boek in BMGN al benoemde: ‘de rest van Nederland is Oss niet’. De Leidse historicus Bart van der Steen heeft met In Leiden moet het anders. Geschiedenis van een SP-afdeling, 1970-1982 duidelijk gemaakt dat de succesvolle geschiedenis van de Osse SP niet in alle opzichten representatief is voor andere steden. Aan de hand van een particulier archief van twee Leidse SP-leden, krantenartikelen en interviews met betrokkenen gaat Van der Steen na hoe de afdeling in de Zuid-Hollandse stad zich in de jaren zeventig ontwikkelde.

Zoals Van der Steen in de inleiding terecht opmerkt, was de situatie in Leiden heel anders dan in Oss. Waar in Oss de oppermachtige Katholieke Volkspartij (KVP) een ideale tegenstander was, moest de Leidse SP vooral de concurrentie aangaan met andere linkse partijen en organisaties. En waar de vele fabrieken in Oss een goede voedingsbodem bleken voor grootschalige fabrieksactie, was de rol van de industrie in Leiden in de jaren zeventig al grotendeels uitgespeeld. Door een combinatie van deze factoren slaagde de SP-Leiden er pas twaalf jaar na de oprichting in om haar eerste gemeenteraadszetel te veroveren.

Aan de hand van een particulier archief van twee Leidse SP-leden, krantenartikelen en interviews met betrokkenen gaat Van der Steen na hoe de afdeling in de Zuid-Hollandse stad zich in de jaren zeventig ontwikkelde.

Aan de inzet heeft het niet gelegen. Uit het eerste hoofdstuk blijkt dat de SP – tot 1972 Kommunistiese Eenheidsbeweging Nederland (KEN) geheten – er in Leiden vroeg bij was. De KEN was een in 1970 opgerichte maoïstische kaderpartij, die geloofde dat de revolutie niet in de theorie, maar enkel in de praktijk bewerkstelligd kon worden. Indachtig deze filosofie werd van alle leden verwacht dat zij de wijken in zouden trekken en met de partijkrant zouden colporteren. De Leidse afdeling van de KEN werd datzelfde jaar nog opgericht door een groep radicale jongeren en studenten, die zich in de jaren zestig al had ingezet voor universiteitsdemocratisering en zich nu in dienst wilde stellen van de arbeidersklasse.

In de volgende hoofdstukken beschrijft Van der Steen de verschillende thema’s waar de Leidse SP zich op richtte. Hier wordt duidelijk dat de wijze waarop de SP-Leiden zich in die jaren manifesteerde niet fundamenteel verschilde van de wijze waarop dit in Oss gebeurde. Ook de SP-Leiden organiseerde acties tegen huurverhogingen, tegen milieuvervuiling en voor internationale solidariteit. Eveneens kenmerkend voor zowel Leiden als Oss was de wijze waarop de SP hierbij gebruikmaakte van mantelorganisaties, ook wel ‘massaorganisaties’, als de Bond voor Huurders en Woningzoekenden (BHW) en het Milieu Actiecentrum Nederland (MAN). Deze mantelorganisaties hadden als taak op specifieke thema’s acties te organiseren, om zo nog dichter bij het volk te kunnen staan. Het semionafhankelijke karakter van deze organisaties was voor SP-Leiden tegelijkertijd één van de zwaktes: Van der Steen laat zien dat het succes van een mantelorganisatie niet per se tot versterking van de partij leidde. Dit was evenwel niet alleen voor SP-Leiden een probleem, want in 1977 werden alle massaorganisaties afgeschaft en vervangen door een algemenere, duidelijker aan de partij verbonden SP Hulp- en Informatiedienst.

Een andere complicerende factor was dat de SP in Leiden lang gezien werd als een te radicale partij. Dit was niet onterecht, want in de eerste jaren had de partij sektarische trekken en was bijna alles gericht op vereenzelviging met de arbeider. Leden moesten hun haren knippen, hun kledingstijl aanpassen en eventuele studies afbreken om in de fabriek te gaan werken. Een amusante anekdote die Van der Steen in dit verband opdist, heeft betrekking op Henri Boddé. Toen hij zich in 1971 meldde bij de partij, werd hij door zijn medeleden consequent ‘Harry’ genoemd, omdat zijn echte naam te elitair was. Van der Steen maakt inzichtelijk dat de partij zich echter al vrij snel gematigder op ging stellen. Haar aandacht ging minder uit naar buurtacties en meer naar het oplossen van concrete problemen. Mede vanuit deze overgang kan de eerste gemeenteraadszetel in 1982 verklaard worden, zo betoogt Van der Steen.

Hoewel de eerste zetel in sommige opzichten misschien een logisch eindpunt is, had Van der Steen meer reliëf en body aan het boek kunnen geven door juist  de periode na 1982 ook bij zijn onderzoek te betrekken. Dit neemt niet weg dat de auteur er in is geslaagd een interessant, goed leesbaar en bij vlagen vermakelijk boek te schrijven over een enthousiaste club mensen die vanuit Leiden de wereld wilde veranderen.

Na de gemeenteraadsverkiezingen van 1982 houdt Van der Steen er echter vrij plotseling en zonder duidelijk motivatie mee op en dat is jammer. Bij de SP is er namelijk altijd een bijna fundamentele spanning geweest tussen formele representatie en buitenparlementaire actie en deze had mooi onderzocht kunnen worden voor de jaren die volgden op de eerste Leidse SP-zetel. Hoe gingen de eerste gemeenteraadsleden met deze spanning om? Hoewel de eerste zetel in sommige opzichten misschien een logisch eindpunt is, had Van der Steen meer reliëf en body aan het boek kunnen geven door juist  de periode na 1982 ook bij zijn onderzoek te betrekken. Dit neemt niet weg dat de auteur er in is geslaagd een interessant, goed leesbaar en bij vlagen vermakelijk boek te schrijven over een enthousiaste club mensen die vanuit Leiden de wereld wilde veranderen.

Het economische succes van het gewest Holland kent keerzijdes. Voor deze schaduwkanten is de laatste jaren steeds meer wetenschappelijke en maatschappelijke aandacht. In Holland 2019-3 werpt de redactie licht op deze schimmige zaken in Holland. Zo wordt in dit nummer uitgebreid stilgestaan bij de 18de-eeuwse slavenverzekeringen. Hoewel de particuliere slavenhandel in die periode steeds meer een Zeeuwse aangelegenheid was, laat Karin Lurvink aan de hand van verzekeringsdocumenten zien dat het verzekeren van slavernij in de tweede helft van de 18de eeuw juist een Hollandse zaak werd.

Lees meer →

In augustus 2018 startte de officiële herdenking van 400 jaar Dordtse Synode. Symposia, tentoonstellingen en publicaties besteedden aandacht aan de Nationale Synode die in 1618-1619 gehouden werd om het religieus conflict tussen de remonstranten en contra-remonstranten te beslechten. In zijn publicatie Synodestad gaat Fred van Lieburg in op deze memorabele gebeurtenis. Volgens recensent Jos de Weerd beantwoordt de hoogleraar religiegeschiedenis feilloos aan het gestelde doel om een nieuw verhaal over de synode van Dordrecht te vertellen als lokaal evenement, onderdeel van een nationale staatsgreep in de context van een internationale godsdienststrijd: ‘De Synodestad is boeiend, maar evengoed fundamenteel.’ Lees hier de volledige recensie.

Fred van Lieburg, Synodestad. Dordrecht 1618–1619, Amsterdam: Uitgeverij Prometheus, 2019, 368 pp., geïllustreerd, ISBN: 9789044638318. Prijs €24,99

Jos de Weerd, Vrije Universiteit Amsterdam

Fred van Lieburg is een ambachtsman en zijn nieuwste boek een aanwinst. Synodestad gaat over Hollands oudste stad: Dordrecht; in 1618 en 1619 het toneel van één van de meest memorabele godsdienstbesprekingen ooit gehouden. Het boek beantwoordt feilloos aan het doel dat de hoogleraar religiegeschiedenis aan de Vrije Universiteit zich stelde: het vertellen van een nieuw verhaal over de synode van Dordrecht als lokaal evenement, onderdeel van een nationale staatsgreep in de context van een internationale godsdienststrijd. Een nieuw verhaal is het zeker. Doeltreffend wordt de ballast van geijkte beeldvorming afgeworpen, zowel in historische als in eigentijdse zin.

Van Lieburg gebruikt drie middelen om bestaande beelden over de synode te bestrijden. Om te beginnen is er de geduchte hoeveelheid bronnenmateriaal. Niet alleen de acta van de kerkvergadering zelf, maar vooral ook geschriften van betrokken theologen, brieven van deelnemers aan het thuisfront, verslagen van ooggetuigen, en annalen van politieke vergaderingen als de Staten-Generaal vormen de bouwstenen waarmee Van Lieburg zijn verhaal opbouwt. Ingegeven door zijn kennis van de stad Dordrecht wordt een methode zichtbaar waarbij een lokale situatie het venster vormt waardoor de lezer kijkt naar de bredere politieke, sociaal-culturele en religieuze context van de vroege 17de eeuw. Daarbij komt dat de schrijver zijn bronnen zo weet in te zetten dat men wel erg dicht op de huid van mannen als Bogerman en Gomarus kan komen. Dan blijkt dat de iconische ‘Dordste vaderen’ nogal eens onhandig en heetgebakerd konden optreden en uiteindelijk verwerden tot theologische speelballen van meedogenloze politici. De insteek die Van Lieburg hanteert geeft de vermakelijke vertelling een serieuze ondertoon mee.

Het boek beantwoordt feilloos aan het doel dat de hoogleraar religiegeschiedenis aan de Vrije Universiteit zich stelde: het vertellen van een nieuw verhaal over de synode van Dordrecht als lokaal evenement, onderdeel van een nationale staatsgreep in de context van een internationale godsdienststrijd.

Het tweede instrument dat Van Lieburg inzet is de aandacht voor de verstrengeling van politiek en religie. Het boek begint er al mee, als hij uit de doeken doet waarom de nationale synode in Dordrecht werd gehouden. In de Staten-Generaal maakte men een groslijst van mogelijke vergadersteden. Uiteindelijk viel de keus niet op Utrecht of Den Haag, maar op het neutraal gewaande Dordrecht. De stad onderhield warme banden met het kamp van Maurits, maar de stadhouder was niet gerust op een goede afloop voor de contraremonstranten. Gevoed door wantrouwen bracht hij zijn Dordtse vertrouwelingen in stelling. Hen werd opgedragen de verkiezing van gelijkgestemde schepenen te bewerkstelligen en elk ‘kwaadwillend geluid’ de kop in te drukken. Politieke strategie, kerkelijke opvattingen en theologische scherpslijperij lopen als een vervlochten rode draad door het verhaal. En juist politiek deed ertoe. Het schilderij dat Pouwels Weyts de Jonge in 1621 maakte van de synode, en dat de fraaie omslag van Synodestad siert, toont aan de zolderbalken van de Doelenzaal een dubbel schellekoord met daaraan handvatten voor de politieke en kerkelijke voorzitter. Beide partijen trokken letterlijk aan de touwtjes, zoals Van Lieburg laat zien. Daarmee corrigeert hij het dominante beeld van de synode als louter theologisch evenement.

Als laatste is er het historische verhaal waar een verklarende werking vanuit gaat. Daarmee is Synodestad meer dan een goede vertelling. Het beantwoordt aan het hoofddoel van de historische wetenschap. Een voorbeeld daarvan is de veelal vaag omschreven kwestie van het vermeende verraad van Episcopius. Na weken wachten hield deze remonstrantse voorman ten overstaan van zijn kerkelijke tegenstanders een eerste toespraak en uitte daarin zware beschuldigingen tegen de synode. Toen voorzitter Bogerman na afloop de tekst opeiste, ontkende Episcopius er uitgeschreven exemplaar in bezit te hebben. Na toenemende druk overhandigde hij ineens toch een net opgemaakte versie, en dus niet de kladversie die gedurende het relaas door hem in handen was gehouden. Over het ‘hoe’ en ‘waarom’ van deze opzienbarende actie is veel gediscussieerd, maar weinig zekerheid verkregen. Toch slaagt Van Lieburg erin een plausibele verklaring aan te reiken. Door simpelweg te redeneren vanuit de historische actoren zelf komt hij tot de conclusie dat zich na de rede van Episcopius een misverstand voordeed, maar dat uiteindelijk het beeld van gewiekste remonstranten niet meer was weg te nemen. Op deze manier weet Van Lieburg de veroordeling van de kerkelijke onruststokers op een andere manier begrijpelijk te maken.

De spanning die dat met zich meebrengt, is op een knappe manier aan het papier toevertrouwd, zonder dat de wetenschappelijk methode uit het oog wordt verloren. Synodestad is boeiend, maar evengoed fundamenteel.

Toch kleeft er ook een nadeel aan het boek. De hang naar volledigheid is acceptabel, maar de grote hoeveelheid namen en feiten ontneemt soms het zicht op de verhaallijn. Desondanks zit de lezer regelmatig met het zweet in de handen. Mensen van vlees en bloed domineren de historische reconstructie. De spanning die dat met zich meebrengt, is op een knappe manier aan het papier toevertrouwd, zonder dat de wetenschappelijk methode uit het oog wordt verloren. Synodestad is boeiend, maar evengoed fundamenteel.

Ingrid de Zwarte, De Hongerwinter, Amsterdam: Uitgeverij Prometheus, 2019, 448 pp., geïllustreerd, ISBN:9789035144927. Prijs: € 24,99

Marleen van den Berg, Universiteit van Amsterdam en NIOD

‘De hongerwinter’ is een begrip in Nederland. Velen zullen deze term direct associëren met de winter van ’44-’45, het eten van bloembollen en de zogenaamde hongertochten. Dit was in ieder geval mijn associatie bij ‘de hongerwinter’, voordat ik het boek De Hongerwinter las. De link met een ander bekend begrip, ‘hongersnood’, had ik niet gelegd. ‘Hongersnood’ lijkt niet te passen bij een ‘modern’, westers land. En dat is nu juist een centrale vraag in De Hongerwinter: hoe kwam een modern land als Nederland in een hongersnood terecht en hoe wist het de crisis uiteindelijk weer te boven te komen?

Historicus Ingrid de Zwarte specialiseerde zich in de geschiedenis van oorlog, conflict, voedsel en hongersnoden. In 2018 voltooide ze haar proefschrift The Hunger Winter. Fighting Famine in the Occupied Netherlands, 1944-1945. De Hongerwinter is de publieksversie van haar proefschrift. Op dit moment houdt ze zich bezig met een onderzoek naar de manieren waarop honger is gebruikt als een politiek-militair middel in gewapende conflicten vanaf de Eerste Wereldoorlog tot heden.

In De Hongerwinter ontkracht De Zwarte het populaire en academische narratief waarin deze periode bestempeld wordt als een collectief lijden onder een extreem repressieve en hardvochtige Duitse bezettingsmacht. Op basis van archiefonderzoek in binnen- en buitenland, ooggetuigenverslagen en interviews met overlevenden maakt zij op overtuigende wijze duidelijk dat, in plaats van een ieder-voor-zich mentaliteit, de mensen in stedelijk West-Nederland zich verenigden om samen de strijd met de honger aan te gaan. Door treffende citaten uit ooggetuigenverslagen en interviews weet De Zwarte bovendien het grote verhaal over de hongerwinter een gezicht te geven en voor de lezer dichtbij te brengen. 

Door treffende citaten uit ooggetuigenverslagen en interviews weet De Zwarte bovendien het grote verhaal over de hongerwinter een gezicht te geven en voor de lezer dichtbij te brengen.

Hoewel deze studie zich toespitst op de hongersnood die West-Nederland tijdens de winter van 1944-1945 in zijn greep hield, bestudeert De Zwarte deze niet als een geïsoleerd verschijnsel. Ze plaatst de hongerwinter in de context van de nazi-bezetting en betoogt dat voedsel een cruciaal element in de nazi-besluitvorming was. Ze wijst hierbij onder andere op de doelmatige uithongering van joden en Sovjetkrijgsgevangenen, de honger in België en Frankrijk door uitbuiting en lage rantsoenen en de hongersnood in bezet Griekenland. De hongersnood die Nederland in de winter van ’44-’45 trof was kortom geen op zichzelf staande gebeurtenis.

Daarnaast wil De Zwarte af van de eenzijdige verklaring voor de hongersnood, waarbij de schuld ofwel bij de Duitse bezetter ofwel bij de Nederlandse regering wordt gelegd. Hongersnood ontstaat volgens De Zwarte door een samenspel van factoren. In het geval van Nederland vanwege de totale oorlogvoering die Duitsland nastreefde en de inzet van honger als militair wapen, maar ook door de gevolgen van de spoorwegstaking die door de Nederlandse regering in Londen afgekondigd werd. Deze maatregel werd, hoewel de militaire effecten nihil en de gevolgen voor de voedselvoorziening desastreus waren, niet opgeschort. Dat juist West-Nederland en met name de grote steden in West-Nederland getroffen werden, had voornamelijk te maken met de geografische ligging. Door de spoorwegstaking en de extreme vorst waren de aanvoerlijnen van de voedselproducerende gebieden naar het Westen afgesneden. Bovendien besloot de Duitse bezetter als ‘straf’ voor de spoorwegstaking transporten vanuit het Noorden en Oosten naar het Westen (tijdelijk) te verbieden. In het Westen zelf was op het platteland uiteraard makkelijker aan voedsel te komen dan in de dichtbevolkte steden.

Hongersnood ontstaat volgens De Zwarte door een samenspel van factoren. In het geval van Nederland vanwege de totale oorlogvoering die Duitsland nastreefde en de inzet van honger als militair wapen, maar ook door de gevolgen van de spoorwegstaking die door de Nederlandse regering in Londen afgekondigd werd.

Het vaststellen van de gebeurtenissen en beslissingen die tot de hongersnood hebben geleid is volgens De Zwarte echter niet voldoende om de hongerwinter in bezet Nederland te begrijpen. Hiervoor moet ook worden vastgesteld welke politieke en sociale inspanningen de effecten van de hongersnood juist wisten in te perken. Door het bestuderen van nieuwe en verschillende soorten bronnen heeft De Zwarte deze inspanningen in kaart gebracht. Op basis van archieven uit het buitenland beschrijft ze de onderhandelingen en strategieën op het hoogste bestuursniveau, terwijl regionale archieven in Nederland beter zicht geven op de lokale gemeenschapsinspanningen om de honger het hoofd te bieden. Terwijl veel historici er vanuit gingen dat de hongersnood tot sociale desintegratie leidde en compassie niet verder reikte dan de buitenmuren van het gezinshuis, toont De Zwarte aan dat er op verschillende plaatsen lokale initiatieven op gang kwamen om het beschikbare voedsel te verdelen. Hierbij ging de zorg voornamelijk uit naar de kinderen, die immers de toekomst van de samenleving vormden. Het waren juist deze lokale initiatieven die de meest dreigende en ernstige gevolgen van de hongersnood wisten te beperken.

Terwijl veel historici er vanuit gingen dat de hongersnood tot sociale desintegratie leidde en compassie niet verder reikte dan de buitenmuren van het gezinshuis, toont De Zwarte aan dat er op verschillende plaatsen lokale initiatieven op gang kwamen om het beschikbare voedsel te verdelen.

De Zwarte is er met De Hongerwinter in geslaagd om op boeiende wijze de gelaagdheid van deze overbekende episode uit de Nederlandse geschiedenis te schetsen en een vernieuwend perspectief te bieden op het ontstaan en de bestrijding van deze hongersnood. De soms complexe materie weet ze met haar heldere schrijfstijl goed over te brengen. Beelden, grafieken en citaten vormen bovendien een goede illustratie van de effecten van de hongerwinter op mens en maatschappij.

Met De boekhandel van de wereld. Drukker, boekverkopers en lezers in de Gouden Eeuw  leveren Andrew Pettegree en Arthur der Weduwen een noodzakelijke bijdrage aan de Europese cultuurgeschiedenis in het algemeen en de geschiedenis van het Nederlandse drukkerswezen in het bijzonder. Benieuwd waarom? Lees hier de recensie van Trude Dijkstra, Meertens Instituut KNAW.