Pionier van de straatvaart. Jacques della Faille en de Nederlandse handel met het Middenlandsezeegebied.

Door Raymond Fagel, Universiteit Leiden
Syackkus de la Faielle
De hoofdrol in dit boek is weggelegd voor een relatief onbekende Antwerpse koopman van internationale allure uit de late 16de eeuw die lange tijd in Haarlem heeft gewoond. De kennis over zijn leven – en vooral over zijn daden – is grotendeels afkomstig uit de vele brieven van hem die bewaard worden in het rijke archief van zijn in Leiden actieve zwager Daniël van der Meulen, eveneens van Antwerpse komaf. Diens zuster Anna had het in een brief uit 1585 overigens over ‘Syackkus de la Faielle’, zodat we ons niet al te druk hoeven te maken over de correcte uitspraak van zijn bijzondere naam. Zijn door Goltzius getekende portret wordt bewaard in Teylers Museum.
Eric Wijnroks promoveerde in Nijmegen op een proefschrift over de Handel tussen Rusland en de Nederlanden, 1560-1640. Een netwerkanalyse van de Antwerpse en Amsterdamse kooplieden handelend op Rusland (Verloren: Hilversum 2003). Dit nieuwe boek zou je kunnen beschouwen als een vervolgstudie, maar evenzeer als geografische verbreding of als voorbeeld van een micro-geschiedenis binnen het veld van de economische netwerkanalyse. De in dit boek bestudeerde handel op Italië is relatief bekend terrein, die op Spanje al veel minder, maar vooral de handel op Marokko is grotendeels geheel onontgonnen gebied. Hoewel we vooral in het eerste hoofdstuk zicht krijgen op het sociale leven van Jacques is het boek in essentie een studie naar diens handelsactiviteiten, zijn samenwerking met Daniël van der Meulen en die met de nodige andere familieleden, dienaren, factors en handelsagenten.
Straatvaart op Italië en Spanje
Het hoofdstuk over Italië levert nieuwe inzichten op over het vroege begin van de straatvaart vanuit de Republiek, voortbouwend op de handel uit Antwerpen, die al eerder in de 16de eeuw plaatsvond. Zoals in de andere hoofdstukken bespreekt de auteur eerst de diverse producten die verhandeld werden, alvorens dieper in te gaan op de handelsrelaties zoals die vooral uit de correspondentie naar voren komen. We zien hoe de Antwerpse en de Amsterdamse handel in elkaar overliepen, hoe men vaak buitenlandse paspoorten gebruikte om niet in de problemen te komen en hoe men desondanks toch leed onder de confiscatie van schepen en de langdurige rechtszaken om de ingenomen goederen weer terug te krijgen. Tegelijkertijd toont de auteur aan dat het al om grote aantallen schepen ging (dertig à veertig schepen per jaar) en corrigeert hij het beeld van Jonathan Israel, die een te scherp onderscheid maakt tussen de Zuid-Nederlandse en de Noord-Nederlandse straatvaart.
De handel vanuit de Republiek op Spanje was in deze jaren gericht op de havens van Andalusië. Toch woonde Lambert Melis uit Enkhuizen in Alicante en deed daar zaken voor meerdere stadsgenoten. Sommige Amsterdammers waren zelfs gespecialiseerd in de handel op Oost-Spanje. Het was echter vooral de handel op Amerika via Sevilla die Nederlandse handelaren aantrok.
Spaanse handelsembargo’s
Centraal in het Spaanse hoofdstuk staat het functioneren van de embargo’s van de Spaanse koning met betrekking tot de schepen uit de Republiek. Volgens Israel zouden die embargo’s de Spaans-Nederlandse handel hebben ontwricht. De bronnen uit het Van der Meulenarchief laten echter zien dat Nederlanders zich voordeden als Duitsers en andere namen aannamen om de embargo’s te omzeilen. Jacques vinden we bijvoorbeeld als ‘Juan Jacomo Harlemo’. Je kon je Hollandse goederen verkopen aan boord van je schip of de loodjes van de stoffen vervangen zodat Leidse saaien binnenkwamen als Hondschootse. Al moest je uitkijken voor de Amsterdamse verklikker die Nederlandse schepen varend onder vreemde vlag aangaf bij de Spaanse autoriteiten.
We leren een aantal verwante Nederlandse kooplieden in Andalusië kennen die zich zo goed mogelijk staande hielden. Behalve door de Spaanse controles werden de Hollandse en Zeeuwse schepen bedreigd door protestantse kapers uit La Rochelle en Dieppe. Wanneer er juist veel Nederlandse schepen veilig in Spanje aankwamen, leverde dat eveneens problemen op voor de handel omdat dan de prijzen kelderden. Wijnroks concludeert dat de kooplieden er redelijk goed in slaagden de handel te laten doorgaan ondanks de koninklijke embargo’s. Het is wel jammer dat hij het werk van Iñaki López Martín over de embargo’s niet noemt. Juan de Cuniga verwijst overigens naar don Juan de Zúñiga, de broer van onze landvoogd Luis de Zúñiga y Requesens.
Vertrouwen
Het hoofdstuk over de nog vrijwel onbekend gebleven handel op Marokko laat heel mooi zien hoe op deze lastige route veel geld te verdienen viel, maar ook welke belangrijke rol vertrouwen speelde in de langeafstandshandel. Kon je wel vertrouwen op je agent ter plaatse of op je handelspartner? Jacques raakte zelfs verzeild in een verhit conflict met zijn stief-schoonvader en eindigde gebrouilleerd met zwager en handelspartner Daniël van der Meulen. Er heerste bovendien een felle concurrentiestrijd met andere Nederlandse handelaren op Marokko.
De tekst bevat enorm veel namen (gelukkig met index) en feitelijke gebeurtenissen. We leven mee van brief tot brief, van vertrekhaven tot aanlegplaats. Dat is de grote kracht van het boek (en dat maakt het ook zeer bruikbaar voor onderzoekers), maar het is voor een meer algemeen geïnteresseerde lezer mogelijk soms te gedetailleerd. Daarnaast biedt het boek dus belangrijke correcties op het beeld dat we hebben van de vroege straatvaart vanuit de Republiek en vooral het hoofdstuk over Marokko legt een geheel nieuw onderzoeksveld open.
Eric Wijnroks, Jacques della Faille, handelaar op Italië, Spanje en Marokko, 1549-1615. Verloren: Hilversum 2025, 258 blz., ill, ISBN: 9789464551945. Prijs €30,-
