Door Merle Lammers, militair historicus en redacteur Holland

Naar aanleiding van de landelijke Rampjaarherdenking – in 2022 exact 350 jaar geleden – zijn diverse boeken verschenen over deze roerige periode, waaronder veel regionale studies. Eén van deze studies is Een Ramp voor de Vechtstreek van auteur Daan Wolfert. Wolfert kwam erachter dat er helemaal geen overzichtswerk bestond over de Vechtstreek in de periode 1672-1673, terwijl de streek destijds frontgebied was. De Oude Hollandse Waterlinie liep er dwars doorheen en zette hele landbouwgebieden onder water. Wolfert besloot zelf dan maar een boek over het Rampjaar in de Vechtstreek te schrijven.

Leuntje Chielen

Vrijwel meteen na het Rampjaar verscheen allerlei drukwerk over de verschrikkingen in de Republiek, het ene verhaal nog gruwelijker dan het andere. Eén van deze verhalen speelt zich af in Waverveen. In Waverveen was een jonge vrouw, die luisterde naar de naam Leuntje Chielen, net bevallen van een zoontje toen Franse troepen het kleine dorpje in de Vechtstreek binnenvielen. De militairen hielden volgens de overlevering verschrikkelijk huis in Waverveen. De echtgenoot van Leuntje, Cornelis Martensz., besloot samen met haar en de zuigeling te vluchten. Eenmaal op weg, via een roeibootje, werd Cornelis geraakt door een schot. Leuntje roeide verder. Uiteindelijk kwamen ze aan in de buurtschap De Rijke Waver (Amstelveen). Cornelis overleed nog dezelfde avond. Kort daarop vertrok Leuntje naar Amsterdam, waar ze twaalf dagen later haar zoontje in de Zuiderkerk ten doop hield. Het jongentje vernoemde ze naar zijn vader.

Volgens Wolfert is het verhaal van Leuntje Chielen illustratief voor het optreden van de Franse soldaten tijdens het Rampjaar. Helaas heeft de auteur geen archiefonderzoek gedaan om het verhaal over Leuntje Chielen te verifiëren. Uit DTB-boeken blijkt namelijk dat Leuntje écht heeft bestaan en dat zij in november 1672 haar kindje heeft laten dopen in de Zuiderkerk. Het kindje kreeg inderdaad de naam Cornelis.

Het Rampjaar en de Vechtstreek

De auteur gaat in de tweede helft van het boek uitgebreid in op de gebeurtenissen in de Vechtstreek tijdens het Rampjaar. Het eerste deel van het boek beslaat voornamelijk de achtergrond en het verloop van de Hollandse Oorlog (1672-1678) en biedt daarmee op een overzichtelijke manier context bij de tweede helft. De gebeurtenissen in de Vechtstreek worden geschetst aan de hand van plaatsen in de Vechtstreek. Bij sommige dorpen en steden bleef de last beperkt tot inkwartiering en plunderende militairen, terwijl andere werden compleet afgebrand. Het eerste geldt vooral voor de plaatsen in het door de Fransen bezette deel, het tweede voor de plaatsen in het Hollandse deel. De dorpen en steden in deze provincie konden namelijk geen aanspraak maken op een Franse sauvegarde. Zo werd Loosdrecht in het najaar van 1672 met de grond gelijkgemaakt. Baby’s en ouderen werden niet gespaard. Ongeveer vierhonderd inwoners kwamen om het leven, de rest vluchtte naar Amsterdam.

De Vechtstreek na het Rampjaar

Wolfert concludeert dat de boeren het meest hebben geleden: zij konden immers op ieder moment beroofd worden door Franse of Staatse militairen, landlopers of vluchtelingen. Na het Rampjaar werd de Vechtstreek weer langzaam opgebouwd. Het kostte tijd om het verzilte boerenland te herstellen en de kastelen en buitenhuizen van de rijke Amsterdammers te herbouwen. Begin 18de eeuw was de Vechtstreek weer in zijn vooroorlogse luister hersteld.
Een ramp voor de Vechtstreek is rijk geïllustreerd met onder meer afbeeldingen van vestingen en verwoeste kastelen en biedt een integraal overzicht van de gebeurtenissen in deze omgeving in 1672-1673. Wel blijft de lezer achter met vragen. In hoeverre zijn de in het boek geschetste gruwelen écht gebeurd? Uit de voetnoten blijkt dat de auteur veel informatie kritiekloos uit de contemporaine geschiedwerken uit de periode vlak na het Rampjaar heeft overgenomen. Verder is het boek voornamelijk gebaseerd op secundaire literatuur. De meest interessante hoofdstukken zijn dan ook de hoofdstukken waarvoor archiefstukken geraadpleegd zijn, zoals het hoofdstuk over Breukelen en Kockengen. Zo blijkt uit een archiefstuk dat er in de voormalige gemeente Breukelen-Nijenrode veel huizen ‘door de moetwil van de Francen […] zijn afgebrocken ende oock verbrant’. Wolfert heeft met zijn boek een gedegen eerste aanzet gegeven om het lot van de Vechtstreek tijdens 1672-1673 integraal te beschrijven, maar het is jammer dat de vele ‘gruwelverhalen’ niet door archiefonderzoek geverifieerd of ontkracht zijn.

Daan Wolfert, Een Ramp voor de Vechtstreek – 1672-1673, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2022, 248 pp., ISBN: 9789087049980, prijs: €25,-

Iedereen heeft wel eens gehoord Jacoba van Beieren, maar weinig mensen kennen haar moeder Margaretha van Bourgondië. In deze lacune is onlangs voorzien. Corien Glaudemans heeft voor Holland de biografie over deze Bourgondische gravin gelezen. Ze concludeert dat auteur Margreet Brandsma duidelijk aantoont dat Jacoba’s moeder veel meer was dan een voetnoot in de geschiedenis. Lees de volledige recensie hier.

Door Corien Glaudemans, historicus

Bourgondië en Beieren

Gravin Jacoba van Beieren spreekt al eeuwenlang tot onze verbeelding. Over deze vorstin en haar strijd om de opvolging in Holland, Zeeland en Henegouwen verschenen tal van biografieën. Veel minder is bekend over haar moeder Margaretha van Bourgondië. Margreet Brandsma heeft deze middeleeuwse vorstin uit de vergetelheid gehaald.

Margaretha van Bourgondië was de oudste dochter van hertog Filips de Stoute van Bourgondië. Het beroemde dubbelhuwelijk van 1385 van Margaretha met Willem van Beieren, de oudste zoon van graaf Albrecht van Holland, Zeeland en Henegouwen, en haar broer Jan met Margaretha van Beieren bezegelde een alliantie tussen het Beierse en het Bourgondische huis. De huwelijken vormden een politiek bondgenootschap tussen de Bourgondische en de Beierse dynastie, met een centrale rol voor Margaretha van Bourgondië.

Aan de grafelijk hoven in Den Haag en in Le Quesnoy in Henegouwen had Margaretha van Bourgondië een functie die meer dan alleen maar ceremonieel was. Zij had een eigen vorstelijke hofhouding van meer dan 160 personen, van hofdames en biechtvader tot koks en stalknechten. Regelmatig trad de vorstin op als plaatsvervanger van haar echtgenoot of onderhield contacten tussen het Beierse en het Bourgondische hof. Tussendoor werd er ook gelezen. Aan de hand van manuscripten weet Brandsma de interessante bibliotheek van Margaretha te reconstrueren. De vorstin, die in Den Haag en in Henegouwen een eigen hofkapel had en vele pelgrimages maakte, las niet alleen religieuze werken. In het kasteel in Le Quesnoy stonden historiografische en Franstalige literaire werken naast Het boek van de stad der vrouwen van Christine de Pizan op de plank. Uit de bronnen blijkt ook dat Margaretha gefascineerd was door verhalen over haar koninklijke, Franse voorgeslacht.

Loyaliteit bij Jacoba van Beieren

De politieke rol van Margaretha van Bourgondië veranderde drastisch in mei 1417. Die maand stierf haar echtgenoot. Na zijn overlijden werd de positie van hun enige kind, Jacoba van Beieren, aangevochten. In de machtsstrijd om de opvolging koos Margaretha openlijk de zijde van Jacoba als erfopvolgster van het Beierse huis. Ook al hadden edelen en steden van de graafschappen aan haar overleden echtgenoot toegezegd dochter Jacoba als rechtmatige opvolgster te erkennen, de praktijk bleek anders. Jan van Beieren, jongste zoon van Albrecht van Beieren, probeerde de macht te grijpen. Deze strijd zorgde in Holland en Zeeland voor een heropleving van de conflicten tussen de Hoeken en Kabeljauwen, waarbij Jacoba en Margaretha Hoekse steun kregen en Jan van Beieren steun van Kabeljauwse zijde. Tijdens de strijd was Margaretha jarenlang de belangrijkste adviseur van haar dochter.

De douarie in gevaar

Een wapen in de opvolgingsstrijd waarover Margaretha beschikte, waren de inkomsten uit haar douarie of weduwgoed. Veel geld kwam binnen uit haar domeinen, die zich uitstrekten van Henegouwen tot aan het eiland Texel. Deze inkomsten waren voldoende om in vredestijd zelfstandig te kunnen handelen. Maar de conflicten verstoorden haar inkomen.

De machtige mannelijke leden van zowel de Beierse als de Bourgondische dynastie stonden tijdens de opvolgingsstrijd vijandig tegenover Margaretha en gebruikten financiële maatregelen als wapen. Eigendommen werden in beslag genomen en uitkeringen geannuleerd. Toen de financiële nood van de gravin te hoog werd moest zij zich neerleggen bij het feit dat Filips de Goede de macht overnam, zowel in Holland als in Henegouwen. De Bourgondische hertog bleek een te sterke tegenstander. Daarna speelde Margaretha nauwelijks meer een rol in de internationale politiek. Na het overlijden van haar dochter Jacoba in 1436 verbleef Margaretha tot aan haar dood in 1441 vrijwel voortdurend in Henegouwen. Daar is zij in een grafkapel bij de kerk van Le Quesnoy begraven.

Margreet Brandsma heeft in haar interessante boek duidelijk aangetoond dat Margaretha van Bourgondië geen voetnoot was in de geschiedenis, maar dat zij een belangrijke rol heeft gespeeld in de politieke verwikkelingen aan het begin van de 15de eeuw. Er komt een beeld naar voren van een intelligente en vooral strijdvaardige middeleeuwse vorstin. De 15de-eeuwse chroniqueur Georges Chastellain schreef over de vorstin: ‘Want men moet weten dat er op aarde geen dame zo onverschrokken was als zij….’. Misschien was deze kwalificatie niet bedoeld als een compliment, maar moedig was zij zeker.

Margreet Brandsma, Tussen twee dynastieën Margaretha van Bourgondië, 1374-1441, gravin van Henegouwen, Holland en Zeeland, Middeleeuwse Studies en Bronnen 181, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2022, 304 pp., ISBN: 9789087049843. Prijs: €29,-

De laatste jaren is het belang van lokale geschiedenis toegenomen. Niet zelden vullen amateurhistorici op basis van onderzoek in regionale archieven de algemene, nationale geschiedenis aan en soms stellen ze die ook bij. Dat doet Leen Ouweneel ook. In Regenten en de Waterlinie laat hij overtuigend zien dat de Hollandse regenten allerminst lamgeslagen Lodewijks verovering van de Republiek gadesloegen. De resultaten van dit onderzoek zijn belangrijk, maar volgens Jaap de Haan laat de auteur zich erg bescheiden hierover uit in zijn inleiding en epiloog. Meer weten waarom dit boek van belang is voor de nationale geschiedenis? Lees het hier.

Door Jaap de Haan, historicus Universiteit Utrecht en redacteur Holland

Een maand na de Franse inval in de Republiek drongen woedende boeren de burgermeesterkamer van het Goudse stadhuis binnen om te protesteren tegen het plan de sluizen in de stad verder open te zetten (pp. 82-87). Het idee was afkomstig van een aantal Hollandse regenten, die belast waren met de verdediging van het gewest. Het onderwater zetten van de polders rond Gouda moest een verdere Franse opmars beletten. Daaraan had  de plattelandsbevolking geen boodschap, want de inundaties zouden hun land ruïneren. Willem III moest eraan te pas komen om het boerenverzet te beëindigen. De prins dreigde met lijfstraffen als zij de verdediging van het land bleven traineren.

Deze episode is een goed voorbeeld van de strekking van Regenten en de Waterlinie. Auteur Leen Ouweneel beschrijft op basis van nieuw archiefonderzoek het optreden van de Hollandse regenten in de tweede helft van 1672. Zijn voornaamste conclusie is dat het bekende gezegde over het Rampjaar, namelijk dat het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos was, niet opgaat voor de Hollandse, stedelijke bestuurders.

Al ruim voor de invasie stelden de Gecommitteerde Raden van Holland – het dagelijks bestuur van de gewestelijke Staten – een commissie in die inventariseerde welke polders geïnundeerd konden worden. De successen die honderd jaar eerder dankzij het water waren behaald tegen de Spanjaarden, waren de basis voor dit idee. Aanvankelijk probeerden de Hollanders met het buurgewest een gezamenlijke verdedigingslinie aan te leggen in de Gelderse vallei, maar de Franse invasie maakte aan deze plannen een einde. Holland besloot toen op de grens met Utrecht de landerijen onder water te zetten.

Op 13 juni – vier dagen voor de terugtocht van het Nederlandse leger van de IJssellinie – werden de eerste sluizen opengezet en dijken doorgestoken. Hoewel de plannen dus klaar lagen, had het nog heel wat voeten in aarde voordat de linie echt gereed was. Er was verzet van boeren en het kostte moeite voldoende mannen op de been te brengen voor noodzakelijke graafwerkzaamheden. Toch werd de Waterlinie een succes. Toen Lodewijk XIV eind juni na mislukte vredesonderhandelingen zijn opmars wilde voorzetten, stuitte zijn leger immers op een onneembare hindernis.

Ouweneel geeft een overzicht van de Hollandse Waterlinie aan de hand van de vijf hoofdposten, die de belangrijkste accessen (doorgangen) in de watervlakte verdedigden. Dat zijn Muiden aan de Zuiderzee, Nieuwerbrug aan de Oude Rijn, Goejanverwellesluis aan de Hollandse IJssel, Schoonhoven aan de Lek en Gorinchem aan de Merwede. In deze hoofdstukken staat hij stil bij de activiteiten van de Hollandse gedeputeerden, de (problemen met de) inundaties en het verzet van de lokale bevolking. De belangrijkste gevechtshandelingen komen ook aan bod, zoals de tocht over het ijs van het Franse leger onder leiding van de hertog van Luxemburg aan het eind van 1672, die uitmondde in de plundering en verwoesting van Zwammerdam en Bodegraven. Opmerkelijk is overigens dat de stad Amsterdam door de Staten van Holland geautoriseerd werd om de verdediging rond de hoofdpost Muiden en Weesp te organiseren.

De laatste jaren is het belang van lokale geschiedenis toegenomen. Niet zelden vullen amateurhistorici op basis van onderzoek in regionale archieven de algemene, nationale geschiedenis aan en soms stellen ze die ook bij. Dat doet Ouweneel ook. Hij laat in Regenten en de Waterlinie overtuigend zien dat de Hollandse regenten allerminst lamgeslagen Lodewijks verovering van de Republiek gadesloegen. De auteur is jammer genoeg erg bescheiden over de resultaten van zijn onderzoek en daarmee doet hij de lezer en zichzelf tekort. In de inleiding formuleert hij losjes de invalhoek van zijn boek en in de summiere epiloog stipt hij kort de uitkomsten aan. Aangezien de hoofdstukken meer feitelijk dan analytisch van aard zijn moet de lezer zelf aan het werk om een algemene conclusie uit het boek te halen. Gezien de bijdrage van dit boek aan de geschiedschrijving van het Rampjaar had Ouweneel zichzelf in het boek een groter podium mogen geven.

Leen Ouweneel, Regenten en de Waterlinie in het Rampjaar. Hoe de Hollandse Waterlinie tot stand kwam. Uitgeverij: Historische Uitgaven Schoonhoven, Schoonhoven, 2022, 267 p., ill., ISBN 97890 8230 9553. Prijs: €24,95.

Op zaterdagmiddag 20 augustus 2022 opende het Haags Historisch Museum zijn deuren voor een symposium over het Rampjaar 1672. Op die dag, precies 350 jaar nadat Johan en Cornelis de Witt om het leven werden gebracht, verscheen een speciale editie van Holland Historisch Tijdschrift die volledig in het teken staat van de gebeurtenissen uit 1672. Voor de organisatie van deze dag sloeg Holland de handen ineen met de Stichting Vrienden van De Witt en het Haags Historisch Museum.

Lees meer →

Dit jaar blikken we na exact 350 jaar terug op één van de meest opzienbarende en spraakmakende jaren in de geschiedenis van ons land: het Rampjaar 1672. ‘Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos’, zo wil het cliché over deze periode. Historisch Tijdschrift Holland brengt in een speciaal themanummer de nieuwste perspectieven op het Rampjaar onder de aandacht. Zo bespreekt Hanna de Lange de impact van nieuwsberichten op tijdgenoten, gaat Merle Lammers in op de gruwelen die het Franse leger in onze contreien aanrichtte, en vertelt Arthur der Weduwen over de manier waarop het Rampjaar een blijvende rol kreeg in de beeldvorming van de Republiek. Ook staan we stil bij de betekenis van ‘1672’ in het hier en nu, onder andere via een serie gesprekken met kunstenaars en wetenschappers die het Rampjaar heel dichtbij brengen. Het wordt een rijkelijk gevuld nummer, met bijdragen van Frans Blom, Pauline, Kiesow, Jasper Dekker en Stan Bussen, Lex van Tilborg en Jaap de Haan. Met een column van gastredacteur Ineke Huysman en een Uithoek van Ad van der Zee.

Bestel het nummer snel in onze webwinkel voor slechts 12,50 euro: Het Rampjaar in Holland (2022-3) – Holland Historisch Tijdschrift (tijdschriftholland.nl)

Lees meer →

Een historische canon kan een effectief middel zijn om grip te krijgen op de onoverzichtelijke brei die het verleden is. Toch is het geen onomstreden genre. Elke canon is immers een soort machtsgreep ten aanzien van de geschiedenis. Vanzelfsprekend ontbreken er talloze ontbrekende vensters, waarover historici, liefhebbers en activisten zich niet zelden stevig opwinden. De Canon van de Hoeksche Waard, die eind 2021 door Museum Hoeksche Waard werd uitgebracht, is een geslaagde, maar ook uitzonderlijke variant op het thema. Laura van Hasselt dompelde zich onder in de vijftig vensters die door maar liefst 26 auteurs tot stand zijn gekomen. Lees haar review hier.

Door Laura van Hasselt, docent publieksgeschiedenis aan de UvA

Een historische canon kan een effectief middel zijn om grip te krijgen op de onoverzichtelijke brei die het verleden is. Het genre is de afgelopen vijftien jaar zeer populair geworden in ons land. Sinds de introductie van de Canon van Nederland in 2006 regent het lokale en regionale varianten. Blijkbaar is de behoefte aan een behapbaar overzicht van hoogte- en dieptepunten uit de eigen geschiedenis groot. Toch is het geen onomstreden genre. Elke canon is immers een soort machtsgreep ten aanzien van de geschiedenis. Wie is er bevoegd om te bepalen welke historische gebeurtenissen en personen iedereen zou moeten kennen? Belangrijker: wie mag bepalen welke mensen en verhalen niet tot de canon behoren? Op grond waarvan? Doen we met zo’n beknopt overzicht de rijkdom en complexiteit van de geschiedenis niet per definitie tekort?

Bij elke historische canon zijn er vanzelfsprekend talloze ontbrekende vensters, waarover historici, liefhebbers en activisten zich niet zelden stevig opwinden. Soms doen ze dat met succes. Zo werd de nationale geschiedeniscanon in 2020 gedeeltelijk herzien. Mede dankzij allerlei lobbygroepen kwam er vooral meer aandacht voor koloniale geschiedenis en voor historische vrouwen, ten koste van oude (manlijke) bekenden als Floris V, Karel V en Willem Drees.

De Canon van de Hoeksche Waard, die eind 2021 door Museum Hoeksche Waard werd uitgebracht, is een geslaagde, maar ook uitzonderlijke variant op het thema. Maar liefst zesentwintig auteurs schreven samen de vijftig vensters. Allemaal hebben ze hun sporen verdiend in de lokale of regionale geschiedschrijving, maar slechts een minderheid werkt professioneel als historicus. De redactie werd gevoerd door Willy Spaan en Rein van der Waal, die ook enkele vensters schreven en beiden betrokken zijn bij Museum Hoeksche Waard in Heinenoord.

De vijftig canonvensters zijn opvallend ruim gekozen. Slechts enkele vensters zijn gewijd aan één persoon, zoals Suze Groeneweg (door Willy Spaan). Het beroemde eerste vrouwelijke lid van de Tweede Kamer (in 1918) blijkt afkomstig te zijn uit Strijensas. Maar de meeste vensters hebben bredere thema’s, met titels als ‘Politiek en bestuur in een nieuw land’ (Arjan Nobel), ‘Ontwikkelingen in de land- en tuinbouw’ (Jan Zevenbergen) of ‘Epidemische ziekten bij mens en dier’ (Rein van der Waal).

Deze ruime opzet gaat enigszins ten koste van de aantrekkingskracht van de klassieke canon, namelijk de suggestie dat de kern van de geschiedenis in een overzichtelijk aantal namen en jaartallen is te vangen. Maar daarin schuilt juist ook de kracht van dit lijvige, prachtig geïllustreerde boek. De vensters zijn stuk voor stuk grondig onderzochte, genuanceerde geschiedverhalen, die vanuit zeer verschillende invalshoeken zijn geschreven. Samen geven ze een rijk beeld van de geschiedenis van de Hoeksche Waard, van de oudste sporen van bewoning (2500 v.Chr.) tot de vorming van de gemeente Hoeksche Waard in 2019. Dit is geen boekje om even snel door te bladeren, maar een stevige historische studie om rustig voor te gaan zitten.

Mooi is onder meer het venster van Simon M. Brand over het Verzet in de Tweede Wereldoorlog (nr. 37), waarin de auteur onder andere een spannende overval op een distributiebureau in Oud-Beijerland beschrijft, maar ook stilstaat bij de onbedoelde tragische gevolgen van verzetsdaden. Ook het venster van Conno Bochoven over Buitenlandse nieuwkomers (nr. 46) is vernieuwend, in die zin dat hij daarin onder meer aandacht besteedt aan de geschiedenis van asielzoekers. Hij probeert daarbij de protesten tegen de komst van een nieuw asielzoekerscentrum niet weg te poetsen. Deze canon is bepaald geen eenzijdig juichverhaal, terwijl de liefde voor de eigen streek er toch vanaf spat. Redactie en auteurs hebben een knappe balans weten te vinden.

Des te opvallender is het, dat het koloniale verleden er wel erg bekaaid vanaf komt. Het woord slavernij valt zelfs geen enkele maal. Heeft geen van de invloedrijke (vroeg-)moderne inwoners van de Hoeksche Waard daarmee zijn of haar kapitaal verdiend? Dat zou pas echt uitzonderlijk zijn. Gelukkig is geen enkele canon in beton gegoten, zoals onder meer de herziening van de nationale canon heeft laten zien. De Canon van de Hoeksche Waard heeft nu al zijn tweede druk bereikt. Misschien past er in de derde druk nog een venster bij?

Willy Spaan en Rein van der Waal ed., De Canon van de Hoeksche Waard. 50 vensters op de eilandgeschiedenis (Museum Hoeksche Waard; Heinenoord 2021) 376 blz., ill., ISBN 9789082417630. Prijs: € 34,50.

Allegorie op de Franse invasie in 1672 door Johannes van Wijckersloot, 1672. Collectie Rijksmuseum Amsterdam

Op 20 augustus 2022 is het precies 350 jaar geleden dat Johan en Cornelis de Witt op een verschrikkelijke manier om het leven werden gebracht. Op die dag verschijnt een speciale editie van Holland Historisch Tijdschrift, volledig gewijd aan de gebeurtenissen in het Rampjaar 1672. Ter gelegenheid hiervan organiseren wij een symposium in samenwerking met de Vrienden van De Witt en het Haags Historisch Museum, waar de tentoonstelling Rampjaar te zien is.

Wij nodigen u van harte uit hierbij aanwezig te zijn. Aan deelname van het symposium zijn geen kosten verbonden, met uitzondering van de entree van het museum die bij binnenkomst voldaan moet worden. Met een museumkaart is toegang tot het museum gratis. Klik hier voor het bestellen van uw gratis ticket. Een vrijwillige bijdrage in de kosten waarderen wij zeer en kunt u op 20 augustus ter plaatse overmaken met een tikkie of contant achterlaten.

Lees meer →