De dilemma’s van topambtenaren in oorlogstijd

Door Lex van Tilborg

Wanneer in mei 1940 de Nederlandse regering halsoverkop het land ontvlucht, dragen de ministers het hoogste gezag over aan opperbevelhebber Winkelman en aan de belangrijkste ambtenaren van de tien ministeries, de secretarissen-generaal. De rol van Winkelman is na de capitulatie gauw uitgespeeld, maar die van de secretarissen-generaal niet. Zij blijven direct onder de Duitse bezetter het hoogste Nederlandse gezag vertegenwoordigen en zijn als zodanig verantwoordelijk voor de aansturing van het overheidsapparaat. ‘Pas goed op het land en als het te gortig wordt moet je aftreden’, luidde hun laatste instructie. De tien van Den Haag. Topambtenaren tijdens de bezetting van Stephan Steinmetz volgt het optreden van deze topambtenaren: we zitten met ze aan de vergadertafel, we volgen hun privégesprekken en worden deelgenoot van de vele dilemma’s waar zij zich in deze periode mee geconfronteerd zagen. Hoewel Steinmetz allerlei beleidsterreinen behandelt – van de bescherming van het overheidsapparaat tot werkgelegenheid, openbare orde en voedselvoorziening – ligt de nadruk terecht bij de rol die de topambtenaren speelden bij de invoering van allerlei anti-Joodse maatregelen, die uiteindelijk leidden tot de deportatie van ongeveer 140.000 Nederlandse Joden.

Perspectief van de topambtenaar

In zekere zin is dit een verhaal waarvan de lezer de afloop al kent. We weten immers dat de Nederlandse overheid op alle niveaus – van burgemeesters tot de politie en van de tot de NS – de vervolging van de Joodse bevolking heeft gefaciliteerd. Dat geldt ook voor de topambtenaren. Het is niet de vraag of ze tekort zijn geschoten, het is de vraag hoe ze tekort zijn geschoten en hoe verwijtbaar hun optreden is geweest. Steinmetz kiest ervoor om het perspectief van de secretarissen-generaal centraal te stellen: wat wisten ze, wat hadden ze kunnen weten, wat was hun speelruimte, hoe kwamen ze tot hun besluiten? Door ‘het diafragma zo ver dicht te draaien dat we hún perspectief innemen, kunnen we met hen oplopen.’ Steinmetz toont daarbij begrip voor de lastige positie waarin de topambtenaren zich bevonden. Ze zagen zich voortdurend voor dilemma’s gesteld die hen buikpijn bezorgden, waarbij ze moesten kiezen tussen twee kwaden. Opstappen of ontslagen worden – wat gebeurde, slechts twee secretarissen-generaal zaten de hele ‘rit’ uit – betekende vervangen worden door een NSB’er. Bovendien waren de secretarissen-generaal ervan overtuigd dat een gezamenlijk aftreden het land in chaos zou storten.

Fundamenteel verdwaalpunt

Juist de nuances in het beeld dat Steinmetz van de topambtenaren geeft, zorgen ervoor dat het extra pijnlijk aanvoelt wanneer deze mannen – stuk voor stuk democratisch ingestelde ambtenaren die de rechtsstaat in hoog aanzien hadden – al vrij snel een verkeerde afslag nemen en zich door de Duitsers een moeras van ongrondwettelijkheid in laten trekken. Het is verbijsterend om te zien hoe overijverig sommige van hen zich hebben gedragen bij het uitvoeren van de Duitse bevelen. Onthutsend is ook het overnemen van de logica van de Duitse bezetter in het geval van het gedwongen ontslag van alle Joodse ambtenaren. Steinmetz identificeert het besluit van september 1940 om geen Joden meer te benoemen tot ambtenaar als het fundamentele ‘verdwaalpunt’ van de topambtenaren. De secretarissen-generaal wisten dat dit rechtstreeks tegen de grondwet inging, ze tekenden protest aan, maar gingen toch na enkele dagen akkoord. Daarmee was het fundament voor de verdere anti-Joodse maatregelen gelegd en vond er onder de topambtenaren nauwelijks nog een principiële discussie over nieuwe anti-Joodse maatregelen plaats. Of zoals Steinmetz het vlijmscherp verwoordt: ‘In september 1940 riep een verbod voor Joden om ambtenaar te worden vragen op vanwege discriminatie, in mei 1941 riep een verbod voor Joden om een park te betreden de vraag op wat een park is.’ 

Steinmetz draagt verschillende factoren aan als verklaring voor het optreden van de topambtenaren: het vooroorlogse ambtelijke DNA, met zijn nadruk op gehoorzaamheid; het in Nederland wijdverspreide ‘lichte’ antisemitisme; Duitse misleiding enerzijds en een naïef geloof  tijdens de eerste jaren van de bezetting in de redelijkheid van de Duitse bezetter. Tot slot een overschatting van de eigen rol, want de secretarissen-generaal waren ervan overtuigd dat hun aanblijven cruciaal was voor het vertrouwen van de Nederlandse bevolking, terwijl in werkelijkheid bijna geen Nederlander wist wie zij waren.

Onder je huid

De tien van Den Haag is een schitterend boek dat een genuanceerd en tegelijkertijd onthutsend beeld schetst van het optreden van de hoogste Nederlandse ambtenaren tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het knappe is dat Steinmetz precies laat zien hoe en waar het mis ging zonder in te boeten aan nuance en complexiteit en zonder een moreel oordeel te vellen. Hij laat zo de lezer de ruimte om zelf na te denken over de morele implicaties van het optreden van de topambtenaren. Het is daardoor ook een boek dat onder je huid gaat zitten. Wat vind ik hier nu eigenlijk van? Ik loop na lezing van dit boek nu al dagen rond met die vraag. Een pasklaar antwoord heb ik nog steeds niet. Ook dat is knap.              

Vincent Steinmetz, De tien van Den Haag. Topambtenaren tijdens de bezetting. Amsterdam: Boom, 2025; 288 blz., ill., ISBN 9789024469956. Prijs: €29,90