Eerherstel voor de meesteressen van het penseel uit de 17de eeuw

Door Gabriëlle Negrón

Kunstcanon in beton?

In zijn Schilder-boeck (1604) zweeg Karel van Mander over ‘Nederlantsche vrouwen die t’Pinceel gheoeffent hebben’ – alsof zij eenvoudigweg niet bestonden. Ruim een eeuw later waagde Arnold Houbraken zich in zijn Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen (1718–1721) aan een voorzichtige correctie: dertien biografieën van vrouwen op een totaal van meer dan vijfhonderd kunstenaars. Het blijft een voetnoot in een mannenboek.

Ook de moderne kunstgeschiedenis bleek hardleers. In The Story of Art (1950) van Ernst Gombrich figureerde één vrouw; de eerste editie van History of Art (1962) van Horst Woldemar Janson telde er geen. Toch kreeg ik, ruim vijftig jaar later, als student kunstgeschiedenis nog steeds Gombrich en Janson als fundament aangereikt. De canon beweegt traag. Tegen die achtergrond is het niet meer dan terecht dat Janneke Budding in Meesteressen van het penseel vraagt wie de vrouwelijke schilders van de zeventiende-eeuwse Lage Landen waren. Zij kiest dertien kunstenaars en probeert hen terug te schrijven in een geschiedenis die hen eeuwenlang slechts zijdelings vermeldde.

Het speelveld van de Republiek

Voordat Budding haar dertien ‘meesteressen’ introduceert, schetst zij de economische en maatschappelijke context van de 17de eeuw. Volgens haar verschoof na de Nederlandse Opstand tegen Spanje – het opdrachtgeverschap van kerk en hof naar een brede burgerlijke markt van regenten, kooplieden en ambachtslieden. Kunst werd handelswaar. Halverwege de eeuw zouden in Holland tussen de vijf en tien miljoen schilderijen zijn geproduceerd. De val van Antwerpen in 1585 en de komst van Zuid-Nederlandse kunstenaars versterkten die ontwikkeling. Op basis van boedelinventarissen betoogt Budding dat schilderijen niet alleen in grachtenhuizen hingen, maar ook bij de middenstand. In het midden van de 17de eeuw zou een aanzienlijk deel van de huishoudens kunst bezitten.

Tegelijkertijd benadrukt Budding dat het schildersvak strikt gereguleerd bleef via de Sint-Lucasgilden. Toelating vereiste opleiding en kapitaal, en vrouwen werden slechts in geringe aantallen toegelaten. Volgens Budding bood de verstedelijkte, protestantse Republiek relatief veel werkruimte voor vrouwen, maar onder invloed van het calvinisme werd de norm tegelijk scherper afgebakend: de vrouw hoorde primair in het huishouden. Ze verwijst naar Jacob Cats, door haar getypeerd als de grote ‘zedenmeester’ van de eeuw, die in zijn bestverkochte Houwelick (1625) het vrouwenleven ordende in vier fasen: bruid, echtgenote, moeder en weduwe. In dat spanningsveld van commerciële kansen en morele begrenzing situeert Budding haar dertien vrouwen.

Eerherstel of herhaling?

Budding licht haar selectie slechts summier toe. Ze kiest voor een combinatie van bekende en minder bekende namen en dat resulteert in een veelzijdig gezelschap: Susanna Horenbout, Levina Teerlinc, Maria Faydherbe, Michaelina Wautier, Clara Peeters, Judith Leyster, Maria van Oosterwijck, Aleijda Wolfsen, Maria Sibylla Merian, Johanna Koerten, Gesina ter Borch, Alida Withoos en Rachel Ruysch. Miniatuur-, stilleven-, bloem- en genreschilders, een beeldhouwer en een knipkunstenaar – Budding laat overtuigend zien dat vrouwen in uiteenlopende disciplines actief waren, met intrigerende en vaak internationaal georiënteerde carrières.

Toch schuurt hier iets. Na haar proloog over vergeten namen sluit Budding veel hoofdstukken af met het hedendaagse succes en de zichtbaarheid van deze vrouwen. Daarmee ondergraaft zij deels haar eigen these van vergetelheid. Ruysch, Van Oosterwijck, Leyster, Ter Borch en Peeters zijn inmiddels wisselend vertegenwoordigd in de Eregalerij van het Rijksmuseum. Werk van Merian is recent aangekocht en Faydherbe staat op de Belgische Topstukkenlijst. Wautier en Ruysch kregen recent nog grote solotentoonstellingen. Daarnaast wijst Budding op hun popularisering: werk van Peeters verschijnt op telefoonhoesjes en mokken, Van Oosterwijck op T-shirts en Leyster zelfs op behang, wat volgens haar duidt op een heuse ‘Leyster-gekte’. Tegelijk noemt ze Maria de Grebber slechts terloops in het lemma over Leyster, terwijl De Grebber een onderbelichte Haarlemse kunstenaar is die nog altijd geen prominente plek in Nederlandse musea heeft.

Opvallend is bovendien dat Budding zich nadrukkelijk beroept op Linda Nochlin, Laura Mulvey, Germaine Greer en de Angelsaksische feministische traditie, maar de Nederlandse feministische kunstgeschiedenis grotendeels onbenoemd laat. Historische “vrouwententoonstellingen” en initiatieven als 1001 Vrouwen en het Digitaal Vrouwenlexicon onder leiding van Els Kloek en het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis blijven buiten beeld, terwijl juist dat laatste veelvuldig als bron wordt benut.

Budding concludeert dat het tij keert, al is er nog een lange weg te gaan. Daarin valt haar moeilijk ongelijk te geven. Dat het debat nog altijd gevoelig ligt, bleek recent toen De Telegraaf musea verweet ‘door te slaan met woke’ door werk van mannen te vervangen door dat van vrouwen. De canon is dus niet langer beton, maar ook geen rustig vaarwater. Wat Budding vooral biedt zijn heldere, zorgvuldig uitgewerkte biografieën van haar ‘meesteressen van het penseel’; kunstenaars die niet als uitzondering, maar als volwaardige tegenhangers van onze 17de-eeuwse meesters gelezen moeten worden.

Janneke Budding, Meesteressen van het penseel. Vrouwelijke kunstenaars in de 17e eeuw. Gorredijk: Sterck & De Vreese, 2025, 206 p., ill., ISBN 978946471427215. Prijs: €27,90