Door Ad van der Zee, Adviseur Erfgoedhuis Zuid-Holland en redacteur Holland Historisch Tijdschrift

Neue Westwall

Toen Hitler in 1941 het besluit nam tot de invasie van Rusland met drie miljoen soldaten, moesten als gevolg daarvan grote delen van het Duitse leger uit het recent veroverde West-Europa worden teruggetrokken om ingezet te kunnen worden in het oosten. Om verzekerd te zijn van rugdekking gaf Hitler opdracht de kust van West-Europa te beschermen tegen een mogelijke invasie van de westelijke geallieerden met de bouw van liefst 15.000 versterkingen. Deze versterkingen, waaronder een groot aantal betonnen bunkers, werden gepland volgens een door de Duitse legerstaf bedacht systeem en zouden in mei 1943 gereed moeten zijn. De verdedigingslinie strekte zich uit van Noorwegen tot aan de Pyreneeën en werd de Neue Westwall genoemd. Het Duitse kustverdedigingssysteem was hiërarchisch opgebouwd: de kleinste eenheid was een bunker; een groep gerelateerde bunkers vormde een Widerstandsnest (Wn) die weer samen een Stützpunkt of een Stützpunktgruppe vormden. De strategisch belangrijkste daarvan werden Verteidigungsbereich genoemd. Die vinden we in Nederland bij Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden en Den Helder. De linie was in de diepte gelaagd, met een ‘zeefront’ direct aan de kust en een ‘landfront’ iets landinwaarts, om de bunkers ook tegen een aanval in de rug te beschermen. Daarachter waren extra (water)linies gepland, zoals de zogeheten Vordere/Hintere Wasserlinie.

De ‘onneembare’ Atlantikwall

Hitler was ontevreden over het tempo en de sterkte van de Neue Westwall. Hij vond dat een veel groter deel van de bunkers ‘ständig’, dus bomvrij moest worden gebouwd. Hij droomde van een onneembare verdedigingslinie en introduceerde tijdens een bespreking met zijn ministers op 13 augustus 1942 daartoe de term Atlantikwall. Alle legeronderdelen gingen aan de slag met het ontwerp van nieuwe ständige bunkers en de verdere uitbouw van de Atlantikwall. De nieuwe term leende zich bovendien uitstekend voor een propaganda-offensief. De aanduiding Festung, voor een Verteidigungsbereich dat tot de laatste man en kogel zou moeten worden verdedigd, paste daar goed bij. Hoek van Holland en IJmuiden werden in 1944 tot Festung uitgeroepen.

Ontwerpen, kaarten, atlassen met kaarten, nieuwe ontwerpen en nóg meer kaarten werden aan de lopende band geproduceerd om de legertop tevreden te stellen. Dat leverde een onvoorstelbare hoop papier op die systematisch werd gearchiveerd. Onderzoekers van de geschiedenis van de Atlantikwall kunnen daarom putten uit een reusachtige berg aan gegevens, waarvan het merendeel wordt bewaard in het Bundesarchiv.

Tweeëneenhalve kilo informatie

Jeroen Rijpsma en Arthur van Beveren bestuderen al jaren de bouw en het gebruik van de Atlantikwall tot op detailniveau. In hun monumentale, tweeëneenhalve kilo zware, boek Atlantikwall in kaart etaleren zij alle kennis die zij hebben vergaard. Zij richten zich voornamelijk op de provincie Zuid-Holland, maar de reikwijdte van het boek is vele malen breder. Immers, wie het ontwerp en de systematiek van de Atlantikwall wil begrijpen, kan zich niet tevreden stellen met de beschrijving van lokale situaties.

De samenhang van de verschillende delen binnen het geheel van de Atlantikwall zet aan tot een uitgebreide analyse van dat totaalverband. Bovendien werden de meeste, zo niet alle beslissingen aangaande de kustverdediging in Berlijn genomen, meestal ook nog door de Führer zelf, die zich soms tot in de kleinste details met de bouw bemoeide. Dat maakt dit boek niet tot een willekeurige bunkergids of een soort ‘Atlantikwall voor beginners’. Kaarten, plattegronden en tekeningen zijn daarbij steeds het startpunt om te laten zien waartoe de Atlantikwall werd ontworpen en hoe die functioneerde. Veel van de getoonde kaarten zijn heel bijzonder, waarmee het boek voor kaartenliefhebbers echt smullen is. De auteurs wijden niet alleen hoofdstukken aan ontwerp en bouw, maar ook aan het dagelijks leven van de soldaten in de bunkers gedurende de oorlogsjaren. Ze maken daarbij gebruik van archiefmateriaal, maar ook van foto’s, zoals de vele ‘oorlogskiekjes’ die Duitse soldaten maakten en in plakboeken mee naar huis namen. Dat levert schitterende en vaak unieke beelden op in dit boek. Geen aspect van de Atlantikwall blijft daarbij onbesproken.

Rijpsma en Van Beveren hebben het zichzelf bepaald niet gemakkelijk gemaakt. En ook van de lezer wordt een stevige inspanning verwacht, al was het maar om de grote hoeveelheid Duitse jargontermen, afkortingen en citaten tot zich te laten doordringen. Gelukkig is er een uitgebreide verklarende woordenlijst achterin het boek opgenomen. Van het gebruik van noten is afgezien, maar de documentatie en bronverwijzing zijn ruim voldoende.

Dit boek vráágt als het ware om een vervolg waarin ook de provincies Zeeland, Noord-Holland, Friesland en Groningen aan de beurt komen. Zo’n vervolg kan wel een stuk dunner zijn, want de grote lijn van het hoe en waarom van de Atlantikwall als geheel wordt in deze atlas aan de hand van de situatie in Zuid-Holland uitgebreid besproken. Atlantikwall in kaart is wellicht vooral voor kenners bedoeld, maar wie zichzelf nog niet als zodanig beschouwt zal zich er na lezing misschien al wel eentje voelen.

Jeroen Rijpsma en Arthur van Beveren, Atlantikwall in kaart – Bunkers en bezetting in Zuid-Holland, Rozenburg: Rijpsma Drukkers, 328 p., ill., ISBN 9789078012092, prijs € 49,95. Voor meer informatie en bestelmogelijkheden:  www.atlantikwallinkaart.nl

Romy Beck, redacteur Holland. Historisch Tijdschrift

Historicus Anne Doedens en Vice-admiraal b.d. Matthieu Borsboom presenteren in het recent verschenen werk De canon van de Koninklijke Marine. Geschiedenis van de zeemacht een palet aan aspecten en thema’s uit het Nederlandse maritieme verleden. Het is geen lopend en compleet geschiedverhaal, maar een verzameling van hoofdzaken die je ‘zou moeten kennen’. In vijftig vensters – ‘patrijspoorten’ – besteden de auteurs aandacht aan het belang van de zeemacht, vanaf de 15de eeuw tot nu. Ieder venster bestaat uit een hoofdtekst, die is voorzien van een groot aantal visuele bronnen (foto’s, schilderijen, prenten, kaarten, etc.). De stukken sluiten af met enkele tips voor meer informatie en een Lieu de Mémoire, een plaats waar herinneringen blijven leven.

Het verhaal van de marine begon volgens Doedens en Borsboom in 1488, het geboortejaar van de ‘Nederlandse’ marine. Een ordonnantie van keizer Maximiliaan (1459-1519), telg uit de Habsburgse familie en machthebber over de Nederlanden, bracht centralisatie aan in de tot dan toe door de verschillende steden en overheden zelf georganiseerde oorlogsvaart. Halverwege de 16de eeuw, tijdens de Nederlandse Opstand, verspreidden de admiraliteiten zich weer over verschillende locaties, namelijk Zeeland (Middelburg), de Maze (Rotterdam), Amsterdam, Friesland (Dokkum) en het Noorderkwartier (afwisselend Hoorn en Enkhuizen), maar behielden wel een centraal bestuur: de Staten-Generaal.

Een verzameling hoofdzaken

In de eerste vensters komen onderwerpen aan bod tot aan de 19de eeuw. Voorbeelden zijn de zeeslagen op het Haarlemmermeer en de Zuiderzee (1573), de Vierdaagse Zeeslag (1666), de Tocht naar Chatham (1667), de Slag bij Soleby (1672) en de Slag bij de Doggerbank (1781). Ook is er aandacht voor belangrijke maritieme personages als Maarten Harpertszoon Tromp, Cornelis Tromp, Michiel de Ruyter, Witte de With en Jan van Speijk. Hoewel de auteurs in de introductie spreken over ‘overwinningen en nederlagen’ en voorzichtig willen zijn met de verering van helden, benadrukt de Canon toch veelal succesvolle momenten.

Naast vensters over zeeslagen en belangrijke personen, bevat deze canon ook thematische stukken, zoals een vergelijking tussen Den Helder, – het ‘Gibraltar van het noorden’ – en de rots Gibraltar (Spanje). Bovendien analyseren de auteurs hoe onderwerpen zich door de tijd heen hebben ontwikkeld, zoals ‘De marinehistorie, vele beoefenaren’ en ‘De zeemacht in beeld, zeeschilders toen en nu’. De tweede helft van het boek richt zich op de periode van ongeveer 1900 tot nu. Hierbij is er vooral aandacht voor de grote conflicten in deze eeuw, de technologische ontwikkelingen en de verschillende operaties van de vloot, kustwacht, mijnendienst, de marine luchtvaardienst en de onderzeedienst.

Divers en inclusief?

Doendens en Borsboom ‘wilden, al selecterend, een Canon maken die geen heldenverering wilde stimuleren of donkere bladzijden overslaan, maar waarin wel de aandacht, positief of negatief, werd gegeven die personen en zaken verdienden, mannen en vrouwen’. Na dit citaat uit de inleiding verwacht je als lezer een divers en inclusief boek, maar niets is minder waar. Het gekozen perspectief is hoofdzakelijk mannelijk en wit. De auteurs bespreken in venster 20 kort dat vanaf de 16de eeuw tot 1863 Nederland en ook de zeemacht betrokken was bij slavernij: ‘Nederlanders speelden een niet onbelangrijke rol bij de handel in met name Afrikaanse slaven en de bescherming van die handel’. Maar daar blijft het bij. Ook een andere zwarte bladzijde – de koloniale oorlogen – komt er bekaaid vanaf. Het onderwerp wordt vooral besproken vanuit het oogpunt van instituties. Hoewel de auteurs wel aandacht besteden aan de honderdduizenden doden en gewonden, hebben zij zelf geen stem.

De belofte om ook aandacht te schenken aan vrouwen wordt pas ingelost in venster 49 (van de 50). Onder de kop ‘Daar was laatst een meisje loos’ benadrukken de auteurs dat vrouwen die aan wal bleven ‘de zeemacht onschatbare diensten verleenden’. Des te merkwaardiger is het dat ze niet aan bod komen in de andere vensters. Vrouwen zouden anno 2021 niet meer apart genoemd moeten worden, maar geïntegreerd in verhalen over het verleden. De Canon van de Koninklijke Marine. Geschiedenis van de zeemacht biedt de lezer een divers overzicht, maar omvat helaas niet alle hoofdzaken die je ‘zou moeten kennen’.

Anne Doedens en Matthieu Borsboom, De Canon van de Koninklijke Marine. Geschiedenis van de zeemacht, Zutphen: Walburg Pers, geïllustreerd, 2020, 192 pp. ISBN 9789462494879. Prijs: €29,99

Door Ramona Negrón

Hij heeft een standbeeld en er is zowel een straat als een school naar hem vernoemd, maar buiten Moordrecht heeft nog nooit iemand van hem gehoord: Gerrit Bernardus Lalleman (1820-1901). Wie was ‘Meester Lalleman’ en wat heeft hij voor Nederland betekend?

Afb. 1 Buste van Gerrit Bernardus Lalleman op het Kerkplein. Foto: Ramona Negrón, 2021

In 1844 werd Gerrit Bernardus Lalleman benoemd tot schoolhoofd in Moordrecht. Het Zuid-Hollandse dorp telde toen slechts tweeduizend inwoners, van wie de meesten werkzaam waren op touwslagerijen, lijnbanen en steenplaatsen, ook kinderen. De staatscommissie constateerde in 1861 dat een arbeidsdag in Moordrecht van drie à vier uur ‘s morgens tot acht uur ’s avonds duurde, met slechts enkele minuten pauze. Jonge kinderen werden slapend naar de steenplaats gedragen om daar stenen te keren of te draaien aan het touwbaanderswiel.

Als onderwijzer zag Meester Lalleman de gevolgen van kinderarbeid door het schoolverzuim. Op school kwamen van de 350 kinderen 226 nooit, 90 onregelmatig, en slechts 34 regelmatig opdagen. In 1855 werd zijn ingezonden brief ‘Slavernij in Nederland’ in De Economist gepubliceerd, waarin hij kritiek leverde op kinderarbeid en de regering aanspoorde om actie te ondernemen.[1]

Lalleman beschreef hoe kleine kinderen werkten in fabrieken en in de landbouw – kinderen die volgens Lalleman ‘de school zouden moeten bezoeken’, maar dat niet konden, omdat hun families zo arm waren dat zij het schamele loon van de kinderen niet konden missen. De verscheidene initiatieven van leraren en liefdadigheidsinstellingen om werkende kinderen onderwijs aan te bieden, zoals het avondonderwijs, waren helaas weinig succesvol. Lalleman kon dus niet anders concluderen dan ‘dat er dringend voorziening noodig’ was.

Het garen dat men daar spint, wordt zoodanig bewerkt dat ieder spinner een’ draaijer behoeft, om het bij den arbeid benoodigde wiel in beweging te brengen. En wier lot denkt gij wel dat het is, om zich daarmede bezig te houden? Het zijn kinderen, die in den bloeitijd des levens, in den zomer van 5 uur ‘s morgens tot 8 uur’ s avonds, en in den winter van 6 tot 7 uur, meest in zittende houding, dat eentoonig en geestverdoovend werk moeten verrigten.

Lalleman pleitte voor verplicht en kosteloos onderwijs, zodat ook kinderen uit arme arbeidersgezinnen naar school konden. Daarnaast vond hij dat de lagere klasse ontlast moest worden en dat arbeid tot een zekere leeftijd verboden moest worden. Hij deed een dringend beroep op werktuigkundigen om ‘de kinderhand door werktuigen’ te vervangen.

Afb. 2 PCB Meester Lalleman. Foto: Ramona Negrón, 2021.

Het mag niet langer geduld worden dat de kleine, die of in de school, of in de ouderlijke woning, of in de vrije natuur moet gevonden worden, in het verlichte Nederland reeds in het zweet zijn aanschijns arbeiden moet.

De Nederlandse regering reageerde echter niet op de brief. Meerdere keren werd kinderarbeid door de regering onderzocht, maar steeds zonder gevolgen. Pas in 1874 kwam de eerste wetgeving met betrekking tot kinderarbeid tot stand, het Kinderwetje van Van Houten. Meester Lalleman was echter niet tevreden met de nieuwe wet. Kinderarbeid werd weliswaar verboden voor kinderen beneden de twaalf jaar, maar dat verbod was niet van toepassing op huishoudelijke en persoonlijke diensten en op het werk in de landbouw. Bovendien was er geen controle op naleving geregeld, met als gevolg dat de wet werd ontdoken. Meester Lalleman bleef dan ook publiceren over kinderarbeid en schoolverzuim in Moordrecht.

Pas in 1900 werd de Leerplichtwet aangenomen, waarmee onderwijs voor kinderen van vijf tot twaalf jaar verplicht werd. Meester Lalleman maakte dat nog net mee, hij overleed slechts enkele maanden nadat de wet in werking was getreden. Meester Lalleman was een van de eersten die zich uitsprak tegen kinderarbeid en het grootschalige schoolverzuim. Met zijn talloze publicaties heeft hij zich zijn leven lang ingezet voor onderwijs voor kinderen. Wanneer je door Moordrecht loopt, ontkom je niet aan Lalleman. Zijn standbeeld op het Kerkplein, de Meester Lallemanstraat, en basisschool PCB Meester Lalleman herinneren aan Meester Lalleman en zijn betekenis voor de Nederlandse geschiedenis van kinderarbeid en onderwijs.

Afb. 3 Meester Lallemanstraat. Foto: Ramona Negrón, 2021


[1] G. B., Lalleman, ‘Slavernij in Nederland’, De Economist 4:1 (1855) 33-43.

Wouter Linmans

Als ik door de Breestraat fiets, moet ik vaak denken aan Jacob de Bruin. Bewoners van de Haagse Schilderswijk leerden hem in de jaren twintig van de vorige eeuw kennen als ‘Meester De Bruin’, directeur en bezielend leider van clubhuis De Mussen dat hij in 1926 oprichtte om ontspanning en ontwikkeling te bieden aan de jeugd uit het armste deel van de wijk. De Bruin ontwikkelde zich tot een graag geziene figuur in de gemeenschap, hij was de ‘Koning der Mussen’.

Afb. 1 Zicht op de Breestraat vanaf het Noordeinde, met in de verte het Stadhuis, ca 1915. Coll. Erfgoed Leiden en Omstreken

De Bruin werd in 1896 in Leiden geboren als zoon van een schoenmaker. Over zijn jeugd is weinig bekend, maar het laat zich raden dat het milieu waarin hij opgroeide bepalend is geweest voor zijn politieke opvattingen. Zo was hij lid van de Zaaier, de jeugdafdeling van de Sociaal Democratische Partij, de latere communistische partij in Nederland. In de Eerste Wereldoorlog werd hij als dienstplichtig soldaat onder de wapenen geroepen. Hij was gelegerd in fort Bath in Zeeland. Het moet een monotoon bestaan geweest zijn: exerceren, wachtlopen, eindeloos turen over de Westerschelde. Voor De Bruin en veel andere Nederlandse dienstplichtigen lag tussen 1914 en 1918 niet zozeer de vijand maar vooral de verveling op de loer. Een vriend zou later verklaren dat De Bruin een aanzienlijk deel van zijn diensttijd op het strafbankje heeft doorgebracht.

Afb. 2 Dienstplichtigen in de Morspoortkazerne in actie: het ‘jassen’ van de aardappelen, 1914. Coll. Erfgoed Leiden en Omstreken.

Aan het einde van de oorlog liet De Bruin zich als overtuigd communist meeslepen door de ontwikkelingen in het buitenland. In Duitsland werd de oorlog in november 1918 opgevolgd door een gewelddadige revolutie. Soldaten, matrozen en arbeiders hadden hun buik vol van de oorlog, en kwamen in opstand. In veel steden werd het straatbeeld bepaald door rode vlaggen, machinegeweren en vrachtwagens vol gewapende soldaten. Het nieuws van de revolutie in Duitsland zorgde onder Nederlandse socialisten voor grote opwinding: in Den Haag verslikte Troelstra zich in een revolutionaire toespraak in de Tweede Kamer, en in Amsterdam gingen op 13 november zo’n drieduizend revolutionairen de straat op. De Bruin was in Leiden betrokken bij de oprichting van een communistische soldatenraad, die in samenspraak met lokale arbeidersraden de kern van een nieuwe, socialistische samenleving moest vormen.

Afb. 3 Gezicht in de Breestraat ter hoogte van de Kabeljauwsteeg, ca. 1907. De straat is opengebroken in verband met een elektriciteitskabel die gelegd wordt. Op de hoek fotostudio D. Pander. Coll. Erfgoed Leiden en Omstreken.

Op dinsdag 12 november vond in lokaal Dool aan de Oude Heerengracht, het vaste vergaderlokaal van de Leidse communisten, een revolutionaire bijeenkomst plaats. Daar ontvouwde De Bruin zijn plannen om het stadhuis te bezetten. Hij wilde met zijn compagnie enkele machinegeweren plaatsen aan weerszijden van het stadhuis in de Breestraat. Het raadhuis zou in een onneembare vesting veranderen en het stadsbestuur zou effectief in handen van de revolutionairen vallen. De centrale ligging, de breedte van de straat en de lichte glooiing in het wegdek maakten de Breestraat tot een even belangrijke als verdedigbare positie.

Afb. 4 Gezicht op het Stadhuis, naar het westen gezien, ca. 1911. Coll. Erfgoed Leiden en Omstreken.

Zover zou het uiteindelijk niet komen. De voorzitter van de vergadering wist de gemoederen te bedaren, en enkele dagen later liep de stormachtige week alweer ten einde. Op maandag 18 november werden koningin Wilhelmina en prinses Juliana feestelijk gehuldigd op het Malieveld in Den Haag. Ook Leiden vierde die avond feest. ‘Hoe lang was het geleden dat door onze stad, in normale tijden niet karig bedeeld met avondommegangen en serenades, zulk een stoet trok!’ schreef een journalist van het Leidsch Dagblad. Leidenaren trokken in een fakkeloptocht naar het huis van burgemeester De Gijselaar, die op een feestelijk eerbetoon werd getrakteerd. Daarna trok de stoet door naar het huis van de garnizoenscommandant die eveneens een ovatie in ontvangst mocht nemen.

Afb. 5 Proefrit van de stadstram op de hoek van de Breestraat en het Kort Rapenburg, 1911. Coll. Erfgoed Leiden en Omstreken.

Met name rond de Stadsgehoorzaal en de studentensociëteit Minerva aan de Breestraat heerste een uitgelaten stemming. Werd in de Stadsgehoorzaal gejuicht, dan juichten de mensen op straat mee; werd er gezongen, dan zong men buiten mee. Op de Breestraat ging het feestgedruis tot laat in de avond door. Het leek wel alsof de bevolking de jaarlijkse viering van het Leidens Ontzet, die in oorlogstijd in uitgeklede vorm had plaatsgevonden, nu wilde inhalen. Dat de burgemeester een tapverbod afvaardigde, mocht de pret niet drukken. ‘Gespring, gedans. Gezang, gejoel. Uitgelaten vreugde. Waarom ook niet?’ schreef de verslaggever van het Leidsch Dagblad. ‘’t Stond er eerst zoo angstverwekkend voor. Nu was het grootste gevaar geweken. Men was dankbaar, vol goede hoop en blijde’. Ook in de dagen die volgden, trokken feestvierders door de Breestraat: militairen gingen op de foto op het bordes van het stadhuis, fanfarecorpsen trokken met banieren voorbij, en op donderdag ging voor het stadhuis een grote kinderoptocht van start.

De gespannen revolutiedagen, het plan met de mitrailleurs rond het stadhuis, en de feestelijke ontlading na afloop – dat zijn de beelden en verhalen waaraan ik denk als ik met een volle boodschappentas door de Breestraat fiets.

Meer lezen over de revolutiedagen in Leiden? Al in 1988 publiceerde Jaak Slangen over dit onderwerp in het Leids Jaarboekje: ‘November 1918 in Leiden: Revolutie of contrarevolutie?’ Het is online beschikbaar.

Ruurd Kok laat in 33 korte hoofdstukken de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Leiden en omstreken tot leven komen. Van de mobilisatieperiode tot aan de komst van de Canadese bevrijders: alle passages van de bezettingstijd komen voorbij. De regio kende aan het begin van de oorlog een heftige strijd. Tijdens de mobilisatieperiode kwam Leiden en haar omgeving vol te liggen met Nederlandse soldaten van infanterie, artillerie en cavalerie. Redacteur Koen Marijt laat zich meevoeren naar de plekken in en rondom Leiden waar de oorlogssporen nog zichtbaar of voelbaar zijn. Zijn bevindingen over het boek Bang voor mooi weer. Oorlogssporen in Leiden en omgeving leest u hier.

Regionale, vooral lokale, geschiedenis mag zich in een grote populariteit verheugen, wat waarschijnlijk alles te maken heeft met sterke lokale identiteiten en binding. Holland Historisch Tijdschrift probeert die binding en historische identiteit vorm te geven door zich bezig te houden met geschiedenis op regionaal niveau en met een (deels) wetenschappelijke inslag. Al vijftig jaar doen wij dat met succes!

Lees meer »

In de vijftig jaar dat Holland Historisch Tijdschrift bestaat, heeft het met zijn lezerspubliek altijd een nauwe band gehad. Dat kwam tot uiting in het hoge percentage trouwe abonnees, maar ook in het feit dat lezers regelmatig artikelen inzonden voor publicatie. Holland is een tijdschrift voor én door lezers. Dit waardevolle aspect willen wij de komende jaren graag versterken en uitbouwen.

Lees meer »

Els Kloek en Maarten Hell, Keetje Hodshon (1768-1829). Een rijke dame in revolutietijd Vantilt; Nijmegen 2017, ill., 176 p., ISBN 9789460043161, prijs € 18,50

door Carolien Boender, Universiteit Leiden

Dankzij het boek Keetje Hodshon (1768-1829) van Els Kloek en Maarten Hell ben ik gefascineerd geraakt door het raadselachtige leven van Keetje Hodshon en het ontbreken van bronnen daarover. In het dagboek van Nina d’Aubigny kwam ik ene Kaatje tegen, waarmee Nina regelmatig ging theedrinken. Omdat Kaatje (of ‘Caatje’) rond 1790 met een gouvernante in Haarlem woonde en in de twintig was, hoopte ik dat Nina zich verschreven had en het om Keetje Hodshon ging. Helaas, Nina bleek thee te drinken bij Kaatje Vollenhoven. Els Kloek en Maarten Hell zijn voor hun biografie waarschijnlijk op een vergelijkbare manier op zoek geweest naar snippertjes informatie over het leven van Keetje. Dat bleek niet eenvoudig, maar het is hen desondanks gelukt om een goed gedocumenteerde, toegankelijke en inspirerende biografie te schrijven.

Keetje heeft vrijwel geen zelfgeschreven bronnen achtergelaten, zodat Kloek en Hell niet beschikten over egodocumenten, zoals briefwisselingen of memoires. De auteurs konden daardoor alleen werken met contextuele informatie over de tijd waarin Keetje leefde, met getuigenissen van tijdgenoten en met circumstantial evidence (p. 12). Er blijkt ook op die manier veel boeiends over haar te vertellen.

Keetje, of eigenlijk Cornelia Catharina Hodshon, groeide op in een puissant rijke, doperse familie in Haarlem

Keetje, of eigenlijk Cornelia Catharina Hodshon, groeide op in een puissant rijke, doperse familie in Haarlem. Ze verloor al vroeg haar ouders. Zodra ze volwassen was en beschikte over haar erfenis, liet ze een groot huis bouwen aan het Spaarne in Haarlem. (In dit gebouw zetelt tegenwoordig de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, die bovendien de opdracht gaf om dit boek te schrijven.) Daarnaast raakte Keetje betrokken bij de patriottenbeweging en steunde ze de latere Bataafse regering, net als haar twee voogden en andere mensen uit haar directe netwerk. Ze bleef ongehuwd, terwijl ze vanwege haar rijkdom en netwerk waarschijnlijk een interessante huwelijkspartner was. De reden daarvoor is onbekend, maar de auteurs lossen dat op door een hoofdstuk te besteden aan de achttiende-eeuwse huwelijksmarkt en ideeën over het huwelijk in spectatoriale tijdschriften. In het laatste hoofdstuk bespreken de auteurs vooral het door de economische malaise slinkende kapitaal van Keetje en haar nalatenschap.

Het gebrek aan autobiografische bronnen levert een voordeel op: Kloek en Hell moeten zich behelpen met gegevens die anders de biografie waarschijnlijk niet gehaald hadden. Deze informatie brengt Keetjes dagelijks leven misschien nog wel dichterbij dan een egodocument had kunnen doen

Precies zulk soort hoofdstukken maken dit boek interessant. Het gebrek aan autobiografische bronnen levert namelijk een voordeel op: Kloek en Hell moeten zich behelpen met gegevens die anders de biografie waarschijnlijk niet gehaald hadden. Deze informatie brengt Keetjes dagelijks leven misschien nog wel dichterbij dan een egodocument had kunnen doen. Kloek en Hell beschrijven bijvoorbeeld haar geboortehuis aan de hand van een boedelinventaris en wijden korte biografietjes aan belangrijke personen in haar leven. Daarnaast reconstrueren ze Keetjes betrokkenheid bij de patriottenbeweging en Bataafse Revolutie aan de hand van haar giften. Zo schonk ze twee kanonnen aan het Haarlemse vrijkorps (p. 35) en onder andere een boot aan de Bataafse vloot (p. 70-75). Het boek is daardoor een venster op het leven van een rijke, politiek geëngageerde, doopsgezinde jongedame aan het einde van de achttiende eeuw geworden, en dat maakt het alleen maar interessant.

Zoals de titel al suggereerde, ligt de nadruk van de biografie op de patriotse en Bataafs-Franse jaren. Het is niet duidelijk waarom Kloek en Hell ervoor hebben gekozen om de laatste decennia van Keetjes leven minder te belichten. Voor de patriotten- en Bataafs-Franse tijd analyseren ze bijvoorbeeld haar politieke betrokkenheid via haar netwerk. Zo vragen de auteurs zich af of Keetje rond de meiboom heeft gedanst. Veel van haar vrienden spelen echter ook na de regimewisseling van 1813 op politiek en cultureel terrein een rol in het openbare leven van Haarlem. David Hoeufft was bijvoorbeeld burgemeester tot 1836 en Jan van Walré was lid van de feestcommissie voor de grootscheepse Costerherdenking in 1823. Uit het gedigitaliseerde gedenkschrift van de Costerherdenking door Vincent Loosjes blijkt bovendien dat C.C. Hodshon te Haarlem zich inschreef voor twee exemplaren van het gedenkschrift (waarvan één op perkament). Dat alles roept de vraag op of Keetje, als oud-patriot, net zo’n ommezwaai heeft gemaakt als haar vrienden en hoe betrokken ze later in de negentiende eeuw was bij de stedelijke gemeenschap van Haarlem. Al zou het niet verbazen als we hier op één van de vele onoplosbare mysteries uit het leven van Keetje zijn gestuit.

Jeroen van Zoolingen, Het verleden van de velden. Archeologie van de Duin- en Bollenstreek Noordwijkerhout: Triquetra B.V. 2017, ill. 151 p., ISBN 978-90-903-0201-0, prijs € 19,95.

door Piet de Baar

Het op 3 april 2017 in de stijlvolle Witte Kerk van Noordwijkerhout gepresenteerde overzicht van de voornaamste opgravingen en vondsten uit de streek ten noorden en westen van Leiden ziet er zeer kleurrijk uit, zoals het in de Bollenstreek past. Wat in dit boek vooral opvalt zijn de vele en uitstekende illustraties, zonder dat het een prentenboek wordt.

Wanneer je wieg in de Bollenstreek gestaan heeft en je als klein jochie al hevig geïnteresseerd was in alles wat er uit de grond kwam (behalve bollen), is het natuurlijk duidelijk dat wanneer archeologie je studie en beroep wordt de belangstelling voor je streek van herkomst alleen maar enorm toeneemt. Dat heeft ertoe geleid dat de auteur alle min of meer bekende opgravingen en vondsten nagezocht en bestudeerd heeft. Dat leverde een dusdanige veelheid op, dat er geselecteerd moest worden. Alleen de bekendste vondsten bleven over, al zijn er nog heel wat nieuwe zaken bij voor de lezers die al met de materie bekend zijn. Om van goed bewaarde geheimen te spreken, zoals de inleider Evert van Ginkel doet, gaat evenwel erg ver.

Het verleden van de velden is een handzaam totaaloverzicht van de archeologie in de Bollenstreek

Na een inleiding over de streek, bestaande uit de huidige gemeenten Hillegom, Lisse, Teylingen, Noordwijkerhout, Noordwijk en Katwijk, en de vorming van het landschap door vooral de Rijn, wordt in de hoofdstukken ingegaan op de invloed van de mens op het landschap: door het graven van veen (turfwinning), klei (voor de steenbakkerijen) en zand (zanderijen voor ophogingen elders). Het op grote schaal weggraven van de oude (en soms zelfs nieuwe) duinen om daarmee bollengrond te winnen, bracht eveneens veel onverwachte vondsten met zich mee, en dat gaat door zelfs met het huidige omspuiten van bollenland.

Het boek is verdeeld in een aantal perioden: Nieuwe Steentijd (5300/4900-2000 v. Chr.), Bronstijd (2000-800 v. Chr.), IJzertijd (800-19 v. Chr.), Romeinse tijd (19 v. Chr. – 450 na Chr.), Vroege Middeleeuwen, Late Middeleeuwen (1000-1500) en Nieuwe tijd (nadien). Die onderverdeling is evenwichtig en eindigt met een Archeologie anno nu, met een korte vooruitblik naar de toekomst. Zelfs de (conflict)archeologie van de Tweede Wereldoorlog is aanwezig met een korte bijdrage over vooral de nog aanwezige bunkers, onontplofte munitie en sporen van lanceerinrichtingen van de vliegende V1-bom.

Dit overzicht van de voornaamste opgravingen en vondsten uit de streek ten noorden en westen van Leiden ziet er zeer kleurrijk uit, zoals het in de Bollenstreek past

Ieder hoofdstuk begint met een kaart van het landschap in die periode met daarop nummertjes waar de behandelde opgravingen of toevallige vondsten gedaan zijn en de naam waaronder de locatie bekend staat. Op de vondsten kan eigenlijk niet diep ingegaan worden; dat zijn er gewoonweg te veel. De omvang van het boek stond ook niet toe om al die opgravingen en vondsten tot in kleinste details te behandelen; dan was het een bijbel geworden. Nu is het een leuk overzicht met net genoeg diepgang, dat uitnodigt tot verder lezen (er is uiteraard een lijstje van voornaamste boeken, hoewel niet uitgebreid). Ook de schrijfstijl is vlot en niet zwaar-wetenschappelijk; grove missers zijn niet te vinden. Een enkele keer wordt er een naam genoemd die buitenstaanders net even te weinig zal zeggen, maar wie dat hindert, kan tegenwoordig via internet snel meer vinden.

Bij veel nog bestaande monumenten, vooral kerken en kastelen, zijn al ooit opgravingen verricht en ook daar wordt het nodige over geschreven, al blijft het beperkt en zijn de mooie foto’s van de huidige monumenten eigenlijk een beetje misplaatst, maar dat wordt gaarne vergeven. Oude foto’s van opgravingen aan het begin van de vorige eeuw en zelfs de naoorlogse jaren zijn niet dik gezaaid en voor een leek vaak weinigzeggend. Dat wordt gecompenseerd door goede plattegronden en enkele aardige kaderteksten.

Dit boek is dus een handzaam totaaloverzicht van de archeologie in deze streek, zoals de titel belooft. Voor de dikke turven over specialistische zaken zal men dan ook elders moeten zoeken, maar dat is voer voor fijnproevers. Maar zelfs de kritische lezers zullen dit boek met tevredenheid lezen.

Vooral Bollenstrekers zullen geen spijt krijgen van hun aanschaf van Het verleden van de velden.

Met plezier maken wij bekend dat de Holland scriptieprijs 2017 is toegekend aan Cas van Rossum (Universiteit Groningen) voor zijn scriptie, De voornaamste vermaaken der Dordtenaaren’. Een studie naar de opkomst en neergang van de buitenverblijven op het Eiland van Dordrecht (1600-1832).

Lees meer »