Materiële representatie opgetekend aan het Haagse Hof, 1345-1425

Grootschalig vertoon van luxe

Corien Glaudemans, historicus en archivaris, verbonden aan het Haags Gemeentearchief

Stapels grafelijke rekeningen heeft Anne-Maria van Egmond voor haar boek ingezien. Zij bestudeerde de materiële cultuur van het middeleeuwse hof in Den Haag. In de periode 1345-1425 verbleven de graven van Holland, Zeeland en Henegouwen uit het Beierse huis regelmatig en voor langere perioden op het Binnenhof in Den Haag.

De Beierse graven waren vertegenwoordigers van een nieuwe dynastie en etaleerden grootschalige luxe om de nieuwe positie en hun hun gezag te bestendigen. Zij lieten zich aan hun hoven in Den Haag en in Henegouwen graag omringen door kostbare voorwerpen en afbeeldingen. Met dit vertoon van een overdaad aan weelde maakten ze niet alleen indruk op de buitenwereld, zowel op andere hoogwaardigheidsbekleders als op hun onderdanen, maar toonden daarmee ook dat zij bekwame vorsten waren.

Weinig objecten

Van de voorwerpen die Van Egmond terugvond in de rekeningen en inventarissen is helaas weinig bewaard gebleven. Slechts wat afbeeldingen in getijdenboeken en vooral zegels en munten kon zij fysiek bestuderen. Desondanks is zij erin geslaagd aan de hand van de grafelijke rekeningen te achterhalen welke luxe, kunst- en gebruiksvoorwerpen er aan het Hollandse hof zijn geweest en wie daarvan de vervaardigers waren.

Munten en zegels toonden wie de graaf was en onderstreepten zijn autoriteit. Ook voorwerpen die de woonomgevingen verrijkten, zoals voorwerpen van edelmetaal, tapijten, beschilderde panelen, boeken met illustraties of beelden en luxe kledingstukken lieten de status en de rijkdom van de vorst zien.

Een tombe en gravenbeelden

De meest monumentale machtsuitingen moeten de beschilderde gravenbeelden en de graftombe van Margaretha van Brieg-Liegnitz, de eerste echtgenote van Albrecht van Beieren, zijn geweest. Deze tombe en de gravenbeelden stonden in de hofkapel op het Binnenhof. Aan de hand van de rekeningen slaagt Van Egmond erin die te reconstrueren.

De tombe had zowel een levensgroot ligbeeld van de gravin als pleurants, gebeeldhouwde figuren die wapenschilden droegen. In het oksaal van de hofkapel stonden houten gravenbeelden van Willem V, Albrecht van Beieren, Willem VI en Jacoba van Beieren en voorgaande vorsten. De gravenbeelden presenteerden de graven uit het Beierse huis als natuurlijke opvolgers van hun voorgangers.

De tuin

De orde van de tuin was in 1387 door Albrecht van Beieren samen met zijn zoon geïntroduceerd in de vorm van een halsketen. Hoewel de aanduiding ‘orde’ anders doet denken, was daarmee geen nieuwe ridderorde gelanceerd. Het ging om een vorstelijk gunstbetoon, een teken dat je behoorde tot het netwerk van de graaf. Op zegels en munten is deze tuin afgebeeld met hekjes die een omheining vormen.

De tuin moest het beleid van de graaf symboliseren, namelijk de goede bedoelingen van de graaf met de graafschappen: het scheppen en behouden van rust, eensgezindheid en eenheid in de drie graafschappen.

Ambachtslieden, kunstenaars en kooplieden

In haar studie verhaalt Van Egmond over talloze tot nu vooral onbekende kunstenaars en ambachtslieden. Zij vond in de rekeningen goudsmeden, tapijtmakers, borduurwerkers en schilders die aan het hof leverden of voorwerpen maakten. Op sommige ambachtslieden moest dagelijks een beroep worden gedaan. Daarom was er op het Binnenhof een naaiatelier (de taelgerije), waar zorg werd gedragen voor de kleding van de vorsten en de aankleding van het hof.

Extra aandacht krijgt de schilder Jan van Eyck. Hij was van 1422 tot 1425 aan het Haagse hof verbonden. Ook al is niet bekend wat hij daar heeft geschilderd, doorlopende betalingen aan hem maken duidelijk dat hij daar een bijzondere positie bekleedde.

Iedereen die wel eens grafelijke rekeningen heeft ingezien kent de vaak grappige, maar soms ook zeer fraai versierde begin- en eindinitialen van de rekeningen. Van Egmond ontdekte dat af en toe een speciale professionele boekverluchter is ingehuurd om de rekeningen extra goed te kunnen presenteren. Ook de correcte en fraai gedecoreerde financiële documenten behoorden tot de materiële presentatie.

Conclusie

Een proefschrift is geen boek dat je even gemakkelijk wegleest. Dat geldt ook voor deze handelseditie van de hand van Van Egmond. Daar staat tegenover dat zij met haar diepgravende studie een rijkdom aan nieuwe informatie biedt over het leven aan het grafelijk hof in Den Haag. Ook toont haar boek hoe belangrijk de grafelijke rekeningen zijn voor de geschiedenis van laatmiddeleeuws Holland. Verrassend veel nieuwe details kwam ik te weten over het middeleeuwse Binnenhof. Alleen al de informatie over de voormalige Hofkapel maakt dit boek de moeite van het lezen waard.

Anne-Maria van Egmond, Materiële representatie opgetekend aan het Haagse Hof, 1345-1425. Middeleeuwse Studies en Bronnen 173, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2020,  472 pp., ISBN: 9789087048556. Prijs: €39,-