Hollandse Studiën 29

Hollandse Studiën 29

Hollandse Studiën 29: J.A.M.Y. Bos-Rops, Graven op zoek naar geld. De inkomsten van de graven van Holland en Zeeland, 1389-1433. 1993, 426 blz., ingenaaid, geïllustreerd, ISBN 9070403315, €39,- uitverkocht

uitverkocht

In augustus 1393 liet Albrecht, graaf van Holland en Zeeland, zich tegenover de hertog van Gelre ontvallen dat wij nu ter tijts ons ghelts voirs. zeer notorftich sijn. Albrecht had veel geld uitgegeven aan het onderdukken van binnenlandse onrust en aan de opvolging van zijn tweede zoon Jan in het bisdom Luik. De kosten van twee buitenlandse oorlogen (tegen de Friezen en tegen de heren van Arkel) in de periode daarna waren zo hoog, dat de normale grafelijke inkomsten onvoldoende waren. Deze bestonden uit landrente, lenen van grafelijke ambtenaren en inkomsten uit tol en munt. De eerste jaren liet Albrecht gewoon de schulden aan zijn ambtenaren oplopen. Rond 1400 hielp ook dat niet meer genoeg. Albrecht en zijn opvolgers werden geconfronteerd met teruglopende inkomsten uit hun domein in combinatie met stijgende kosten van huishouden, administratie en oorlogvoering. In haar studie Graven op zoek naar geld beschrijft Bos-Rops hoe de graven van Holland er tussen 1389 en 1433 precies in geslaagd zijn al hun activiteiten te financieren en welke gevolgen de wijze van financiering had op de bestuurlijke verhoudingen. Het accent ligt hierbij vooral op de feitelijke gang van zaken: de manier waarop het domein – waarvan de kern gevormd werd door de graafschappen Holland (met de heerlijkheid West-Friesland) en Zeeland – geëxploiteerd werd, de wijze waarop kredieten werden verkregen en de aard en inning van de belastingen. Tevens wordt aandacht besteed aan de oorlogen die de aanleiding vormden tot de veranderingen. De graaf kon zijn inkomsten verhogen door geld te lenen, lijfrenten te verkopen of een extra beroep te doen op de inwoners van het graafschap in de vorm van een bede – een vrijwillige financiële steun waarom de graaf in bijzondere omstandigheden kon vragen – of heervaartgeld. De chaotische monetaire toestand uit het begin van de onderzochte periode verbeterde langzaam door centralisatie en professionalisering van de grafelijke financiële administratie. Het systeem van landrente veranderde, lijfrenten werden verkocht en soudijgeld werd ingevoerd. De bede ontwikkelde zich tot een regelmatig terugkerende belasting, waarvan de hoogte op nieuwe wijze berekend werd. In theorie kom men de bijdragen weigeren, maar in de praktijk werden ze meestal wel betaald in ruil voor verlening of uitbreiding van privileges. De grote geldschieters waren de steden, rijk geworden in de tweede helft van de 14e eeuw. Zij leden onder de geldzucht van de graven, maar hadden belang bij een sterke landsheer. De graaf kreeg dus geld, maar kon niet voorkomen dat de machtspositie van de steden hierdoor toenam.