Recensie Anton Kos, Van meenten tot marken

Recensie Anton Kos, Van meenten tot marken

recensie Kos websiteAnton Kos, Van meenten tot marken. Een onderzoek naar de oorsprong en ontwikkeling van de Gooise marken en de gebruiksrechten op de gemene gronden van de Gooise markegenoten (1280-1568) Verloren, Hilversum, 2010,  445 p., geïll., ISBN 9789087041809, prijs €33,-

door Hans Mol, Universiteit Leiden

In de middeleeuwen werd in heel Europa een groot deel van de oorspronkelijk woeste maar nuttige gronden collectief door groepen boeren gebruikt. In het Engels spreekt men van ‘commons’, in het Nederland van ‘meenten’ of  ‘marken’. Door privatisering omwille van commerciële  belangen kwam daar in de loop van de 17de en 18de eeuw een eind aan. In het Gooi wisten de vanouds geërfde boeren of erfgooiers ‘hun’ gemene gronden echter veel langer intact te houden, tot in de jaren zeventig van de 20ste eeuw.  Hoe kon dat gebeuren? De uit Huizen afkomstige mediëvist Anton Kos, zelf zoon van een erfgooier, schreef er een lijvig proefschrift over waarop hij eind 2010 in Leiden promoveerde.

Volgens de titel zou het boek stoppen bij 1568, maar dat blijkt niet helemaal het geval. Na vijf hoofdstukken, die achtereenvolgens de oorsprong (1), de werking (2) van de marken, de interne geschillen (3), de conflicten met de overheid (4) en de afbakening ten opzichte van het Sticht (5) behandelen, volgt een zeventig pagina’s lange uitleiding (hoofdstuk 6 dus) onder de titel ’Onbegrepen resonanties’, waarin de Gooise marke en markegenoten tot 1979 worden gevolgd. Het is een van de aardigste en meest leesbare onderdelen van de studie geworden, met onder meer een arrogante Amsterdams kapitalist die omstreeks 1708 graag schaarrecht wilde maar niet kreeg. Er blijkt uit dat de erfgooiers inderdaad al vóór 1568 hun belangen zo goed op schrift hadden dat deze ook in een nieuwe rechtsbestel meer konden worden aangevochten. Zij werden als gemeenschappelijk eigenaar beschouwd van meer dan 3500 hectare grond; daarvan konden ze alleen delen via gedwongen uitkoop kwijtraken wanneer deze voor niet-agrarisch gebruik moesten worden bestemd.

Het boek van Kos is een informatieve en prettig leesbare studie over de lange-termijnontwikkeling van de klassieke Nederlandse markencasus

Om die reden ligt het zwaartepunt toch bij de laatmiddeleeuwse periode, toen het gebruik door de uitvaardiging van een serie ‘schaar’- en ‘bosbrieven’ vorm kreeg. Het sociaal-juridische verhaal krijgt daarbij als vanzelf voorrang boven het economische of landschappelijke. Voor de duidelijkheid zij wel vermeld dat er oorspronkelijk twee marke-organisaties in het Gooi waren: eentje voor de bossen, en eentje voor de rest. De bosmarke heeft het niet tot in de Nieuwe tijd volgehouden, als gevolg van overexploitatie en een gebrek aan toezicht.

Kos maakt duidelijk dat de rechten vanouds werden uitgeoefend door boeren die land gebruikten op de eng, dat is op een van de akkerlandcomplexen rondom de vijf dorpen: Bussum, Hilversum, Blaricum, Laren en Huizen. Dat wordt de veldslag genoemd. Wie zo actief boerde, mocht naar rato van zijn bouwlandareaal vee in het gemeenschappelijk weiland scharen, schapen  op de hei brengen en turf in het veen steken. De auteur besteedt veel aandacht aan alle processtukken die in de loop van de tijd voor en door de diverse belanghebbenden zijn geproduceerd om hun rechten vast te leggen. Hij slaagt er daarbij in de veelheid aan begrippen (en het door de tijd heen veranderende gebruik daarvan) helder te houden.

De auteur besteedt veel aandacht aan alle processtukken die in de loop van de tijd voor en door de diverse belanghebbenden zijn geproduceerd om hun rechten vast te leggen

Problematisch is en blijft echter het oorsprongverhaal. Kos wil het gebruiksrecht direct afleiden uit het recht van horige hoevegebruikers om de onder de hoofdhof ressorterende woeste grond collectief te gebruiken. Het zou dan gaan om de horigen van het rijksstift Elten. Het Gooi, dat min of meer samenviel met ‘Nardincland’, was  in 968 als koninklijk leengoed namelijk in handen gekomen van dit stift door een schenking van de rijksaristocraat Wichman van Hamaland. Nu weten we uit één oorkonde, van 1129, dat Elten hier inderdaad een hof of curtis exploiteerde. Maar welke omvang en functies deze had, blijft in het duister. Pas in 1280 duikt het Eltense bezit opnieuw op, nu echter als terra (dus: land), toen het met alle bijbehorende (publieke en private) rechten in erfpacht werd gegeven aan de graaf van Holland, Floris V, die er vervolgens zijn territoriale heerschappij vestigde, tegen een jaarlijks bedrag van ruim 50 pond Utrechts. Laatstgenoemde wist daarbij Gijsbrecht van Amstel te Vreeland uit te schakelen, die als eerdere meier van Elten bepaalde rechten had geüsurpeerd.

Fraai is het kleurenkatern met onder meer de schilderijen van Gooise boeren en taferelen door Anton Mauve en Ferdinand Hart Nibbrig

Kos meent dat de curtis in 1280 nog intact was als een klassieke tweeledige hof (pp. 44 en 60); hij reconstrueert de werking ervan door andere hoven van Elten te beschrijven zoals die in de 15de eeuw nog op de Veluwe draaiden. Dat vind ik niet overtuigend. Wie de bipartiete hoven van het nabije Kromme Rijngebied kent, weet dat een nederzetting tot ca. 1100 vaak meer dan één hof kende, en dat zulke hoven er doorgaans niet meer dan één eng omvatten. Het Gooi kende tenminste vier engen, met (later) vijf kerkdorpen. Die ene Eltense hof in dit uitgestrekte territorium zal daarom eerder een administratief inningscentrum zijn geweest dan een grootschalige landbouwdomein ‘oude stijl’. Vermoedelijk bestond hij in 1280 al lang niet meer. Zo is op basis van alleen oorkonden en rechtshistorische bronnen over het oudste agrarische exploitatieregime geen zekerheid te krijgen. Wie deze wil hebben zal de Gooise engen en nederzettingen van de vroege en volle middeleeuwen ook archeologisch en landschapshistorisch moeten aanpakken.

Blijft staan dat er nu een informatieve en prettig leesbare studie voorhanden is over de lange-termijnontwikkeling van deze klassieke Nederlandse markencasus. Het kaartmateriaal van de eerste hoofdstukken had wat mij betreft beter verzorgd kunnen zijn. Nu treffen we alleen op p. 29 een miniem reconstructieplaatje anno 1400. De vroeg 18de-eeuwse kaarten van het Gooi verderop in het boek (p. 342 -345) zijn de moeite waard maar waren in een digitaal formaat beter te raadplegen geweest. Wel fraai is het kleurenkatern met onder meer de schilderijen van Gooise boeren en taferelen door Anton Mauve en Ferdinand Hart Nibbrig.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-1).

Verwijzing: Historisch Tijdschrift Holland, Hans Mol, 24 april 2013.

Getagd met