Sporen van Six in Lisse. De voetafdruk van een Amsterdamse familie op een dorpsgemeenschap in de jaren 1640-1763

Simone Nieuwenbroek, conservator van Kasteel Duivenvoorde in Voorschoten

Stelt u zich voor: Lisse in het midden van de zeventiende eeuw. Het riante stadspaleis aan de Amsterdamse grachtengordel was al gerealiseerd, compleet met een omvangrijke kunstcollectie, een batterij rijtuigen en een eigen prominente plaats in de kerk. Het was tijd de pijlen te richten op een eigen landelijk gelegen buiten, waar de familie zich kon terugtrekken op een manier zoals dat voor ‘ons soort mensen’ nu eenmaal gewoon was. Volgens oudadellijk recept kochten zij in 1640 de eerste percelen op Lissense grond. Drie generaties later was de familie niet meer weg te denken uit de bollenstreek en reikte hun invloed tot in alle lagen van de gemeenschap. Dit moet wel gaan over een oudadellijk geslacht, nietwaar?

Amsterdamse adel en de ‘trek naar het platteland’

Niets is minder waar. Als Zuid-Nederlandse migranten had de familie Six zich in de late zestiende eeuw in rap tempo opgewerkt tot grote speler in de Hollandse textielnijverheid. Met het vermogen dat zij hier opbouwden en de contacten die zij in de decennia erna aanlegden, lieten zij niet alleen sporen na aan de Amsterdamse grachten. De familie kocht diverse bezittingen in de rurale regio en drukte haar stempel op het landschap, de economie en culturele bedrijvigheid van onder andere Lisse, Hillegom en Noordwijkerhout.

Dit stempel, of zoals de auteurs zelf zeggen ‘handel en wandel’, vormt de rode draad in de bundel Sporen van Six in Lisse. Vanaf het moment dat Anna Wijmer (1584-1654), weduwe van Jean Six (c.1575-1617), in 1640 de eerste percelen – mét hofstede – kocht, tot het overlijden van Pieter Six III en zijn echtgenote ruim 120 jaar later. In 1662 vulde Pieter Six I het familiebezit aan met het Keukenduin.

In de decennia die volgden, werd het duin afgegraven wat zorgde voor werkgelegenheid voor de regio en nieuw ontgonnen weiland. Met de adel als voorbeeld bouwden de Sixen hun bezittingen in de regio uit tot een kleine 150 hectare, tot een eigen hofje aan toe. De familie liet zelfs het hek van het kerkhof verbreden zodat zij met het eigen rijtuig tot aan de kerk kon komen. De auteurs laten zien dat deze ‘trek naar het platteland’ geen louter adellijke gewoonte was, maar dat de Sixen een van de schoolvoorbeelden zijn van de vele patriciërsfamilies die hun sporen nalieten op lokaal niveau.

Sporen van Six in Lisse begint met een aandoenlijk voorwoord waaruit blijkt dat deze rode draad niet het enige lokale is aan dit boek. De burgemeester had een ‘balletje opgegooid’ bij de lokale cultuurhistorische vereniging voor het onderzoeken van de sporen van de Sixen in Lisse. Zes lokale professionele en amateurhistorici pakten dit als ‘Werkgroep Six’ op. En het eindproduct: een rijkelijk geïllustreerde en degelijk uitgevoerde inventarisatie van een deel van de rurale bezittingen van de Amsterdamse patriciërsfamilie, compleet met wandelroute door het dorp. Lokaler dan dit zie je niet vaak.

Handel en wandel

Wie nog denkt dat alleen de adel een dergelijke functie in dorpse gemeenschappen vervulde, heeft het dus goed mis. Aan de hand van een complex bronnencorpus van kaarten, rekeningen, resolutieboeken en eigendomsakten wordt de band van de familie met Lisse besproken en wordt in elf hoofdstukken betoogd hoe de Sixen als politiek-bestuurlijke, financieel-economische en sociaal-culturele elite opereerden in de rurale regio. De auteurs tonen aan dat de verbondenheid van de familie met het dorp niet op zichzelf stond en pogen vanuit politieke, financiële en sociale netwerken te verklaren ‘hoe de Sixen in Lisse verzeild raakten’.

Toch moet hier een kanttekening bij worden geplaatst. De paragrafen over de aard van de contacten van de familie worden bijeengehouden door onzekere conclusies en losse flodders over netwerken en contacten met diverse andere elites. Het strooien met frases als ‘het lijkt erop dat’, ‘hopelijk’ en ‘wellicht’ zorgen voor een waas van schoolse onzekerheid die zich optrekt in de eerste hoofdstukken. En dat terwijl de auteurs zich baseren op een ogenschijnlijk zeer gedegen onderzoek in de lokale en regionale archieven.

De auteurs voelen zich daarentegen duidelijk een stuk beter thuis daar waar het de relatie van de Sixen met de Lissense bezittingen aangaat. Juist door deze eerste inventarisatie van de contacten van de Sixen en het gebruik van een divers scala aan bronnen vormt dit boek een goede inleiding op de lokale geschiedenis van de regio. Het vormt een mooi vervolg op de Levens van Jan Six van Geert Mak, die zich toch met name richtte op de Amsterdamse wapenfeiten van de familie. Daarbij is het door de losse pen, de overzichtelijke tabellen en grafieken en vele illustraties zeer toegankelijk voor een breed en historisch geïnteresseerd publiek. De handel en wandel van een Amsterdams zwaargewicht op microniveau.

Henk Schaap e.a., Sporen van Six in Lisse. De voetafdruk van een Amsterdamse familie op een dorpsgemeenschap in de jaren 1640-1763. Uitgeverij Verloren: Hilversum 2020, 240 p, ISBN 9789087048891. Prijs: € 25,-.