Jan Hein Furnée, Plaatsen van beschaafd vertier. Standsbesef en stedelijke cultuur in Den Haag, 1850-1890 Bert Bakker, Amsterdam, 2012, 904 p., geïll., ISBN 9789035134843, prijs €49,95

door Christianne Smit, Universiteit Utrecht

Aan het 19de-eeuwse Den Haag kleeft het aura van een deftige en chique stad, waarin de wereld van Louis Couperus tot leven kwam door het optreden van de Haagse aristocratie, bestuurders, bezitters van ‘oud’ geld en teruggekeerde Indische pioniers. De voorname positie van deze groepen uitte zich in hun deftige huizen, weelderige kleding, luxueuze verteringen en deftige gedrag, maar ook in de manier waarop deze heren en hun families zich ontspanden. Door op bepaalde tijden specifieke plaatsen van vertier te bezoeken, op de juiste manier gekleed en in het gezelschap van correcte mensen, werd voor de buitenwereld duidelijk welke positie ze bezaten. Van welke sociëteit men lid was, of men naar de Franse of juist naar de Hollandse schouwburg ging en op welk Schevenings terras men plaatsnam: de afweging moest zorgvuldig gebeuren, want waar, wanneer en met wie men het spel van ‘zien en gezien worden’ bezigde, luisterde zeer nauw in de hofstad. De stedelijke sociale hiërarchie en de verschillende standen kregen namelijk in deze plaatsen van vertier ‘eigenlijk pas […] daadwerkelijk vorm en gestalte’ (p.20).

Dat is de stelling van Jan Hein Furnée die hij in de bewerking van zijn proefschrift Plaatsen van beschaafd vertier verdedigt. Door middel van een bestudering van de geschiedenis van vijf sociëteiten, een dierentuin, twee schouwburgen en de uitspanningen in Scheveningen wil Furnée inzicht geven in de structuur en het functioneren van de bovenlagen van de Haagse standensamenleving. Deze sociale lagen zijn al wel onderzocht op basis van volkstellingen en kiezerslijsten, maar het bestuderen van het uitgaansleven is nog slechts fragmentarisch gedaan, terwijl juist het gedrag op deze plaatsen inzicht geeft in de manieren waarop de standen zich van elkaar onderscheidden en welke in- en uitsluitingen en verschuivingen in de sociale structuur optraden.

Door middel van een bestudering van de geschiedenis van vijf sociëteiten, een dierentuin, twee schouwburgen en de uitspanningen in Scheveningen heeft Furnée inzicht gegeven in de structuur en het functioneren van de bovenlagen van de Haagse standensamenleving

Dankzij de bestudering van een schat aan bronnen als programmaboekjes, sociëteitsreglementen, kranten, gemeenteraadsverslagen, romans en pamfletten en de analyse van een grote hoeveelheid data uit kiezers- en ledenlijsten, adresboeken en volkstellingsregisters beschrijft Furnée in maar liefst 903 pagina’s nauwkeurig de geschiedenissen van uitgaansgelegenheden als sociëteit De Witte, de Fransche Schouwburg en de Haagse dierentuin. Hierbij heeft de auteur sappige details weten op te sporen: zo blijkt de oprichting van die dierentuin van soapachtige allure, met een ellenlange ontstaansgeschiedenis en een uiteindelijk toch wel schamel resultaat als ‘kippentuin’. Het langdurige getouwtrek om terrashekjes in het Haagse Bos of in Scheveningen is een prachtige illustratie van de pogingen om de sociale grenzen te bewaken, terwijl de prominente plaats van maintenees in de schouwburg of de goklust die in de sociëteiten telkens de kop opstak meer pikante problemen in het sociale leven laten zien.

Al met al bleek het vertier in de tweede helft van de 19de eeuw voor de hogere standen naast amusement zeker ook spanning met zich mee te brengen. Het was geen sinecure om door middel van die ontspanning de eigen sociale positie te tonen, te bewaken of zelfs een betere te veroveren. De verkramping van de hooggeachte maar niet zo bemiddelde ambtenaar die zich veel moeite moest getroosten om in de juiste kringen en met het juiste uiterlijk vertoon zijn vermaak te zoeken, wekt bijna medelijden op. Aandoenlijk zijn ook de inspanningen van de leden van de sociëteit De Vereeniging, die, vooral afkomstig uit de hogere middenklasse, zich rond het midden van de eeuw laten voorstaan op hun verheven morele gedrag als veronderstelde kern van de natie, maar later meer gaan twijfelen aan hun sociale status. Het is knap van Furnée dat hij niet alleen zulke ontwikkelingen aantoont maar bijvoorbeeld ook laat zien dat het afschaffen van de aanwezige, typisch burgerlijke, kegelbaan direct gerelateerd was aan deze vertwijfeling. Beschaving en verburgerlijking, het afgrenzen van de eigen sociale groep en het doorbreken van de distantie, het gevaar van afzakken en de hunkering om op te klimmen, op basis van een serieuze moraal of met joie de vivre: de plaatsen van beschaafd vertier blijken bepaald geen saaie aangelegenheden.

Het langdurige getouwtrek om terrashekjes in het Haagse Bos of in Scheveningen is een prachtige illustratie van de pogingen om de sociale grenzen te bewaken, terwijl de prominente plaats van maintenees in de schouwburg of de goklust die in de sociëteiten telkens de kop opstak meer pikante problemen in het sociale leven laten zien

De verdienste van het boek ligt in het open oog waarmee Furnée zijn onderwerp tegemoet is getreden. Hij had kunnen volstaan met een beschrijving van plekken waar de hogere klassen hun ontspanning zochten en de verschuivingen die daarbij optraden. Dat heeft hij ook op uitgebreide, beeldende manier gedaan. Hij heeft dit echter ook in een bredere context geplaatst, met aandacht voor politiek, machtsverhoudingen en sekseverschillen. Daardoor wordt duidelijk dat het seksespecifieke gedrag gevarieerder was dan algemeen wordt aangenomen: zo kregen vrouwen binnen een aantal van die plaatsen een bewegingsruimte die voorheen ongekend was. Ook laat hij zien hoezeer de plaatsen van vertier verweven waren met de politieke cultuur van die tijd: zelfs een sociëteit, een dierentuinbestuur of de programmering van artiesten in een schouwburg bleken een politieke oefening te kunnen zijn en werden daarmee onderdeel van het democratiseringsproces dat plaatshad. De soms wat té uitgebreide beschrijvingen van deels gelijksoortige plekken vallen dan ook in het niet bij het diepgravende en betekenisvolle beeld dat Furnée van het chique Den Haag weet te schetsen.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-3/4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Christianne Smit, 3 december 2013.

Marion Boers, De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw Verloren, Hilversum, 2012, 116 p., geïll., ISBN 9789087042882, prijs €14,-

door Christi Klinkert, Stedelijk Museum Alkmaar

Buitenlandse toeristen verbaasden zich rond 1640 over de schilderijenhonger van de Hollanders: ze hingen hun huizen vol met geschilderde landschappen, huiselijke tafereeltjes, stillevens, portretten et cetera. In De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw legt Marion Boers uit hoe de schilderijenmarkt in de Noordelijke Nederlanden zo explosief kon groeien. Enerzijds was er natuurlijk de toenemende welvaart van de burgerij – men kreeg steeds meer te besteden, en gaf zijn geld graag aan schilderijen uit. Anderzijds speelden kunstenaars en handelaren handig op die vergrote koopkracht in – zij waren ondernemers, die hun producten en diensten steeds vernieuwden om klanten te trekken. Op die laatste kant van de groei, de kunsthandel, concentreert Boers zich. Meer specifiek gaat ze na hoe diverse verkoopkanalen bijgedragen hebben aan de expansie van de kunstmarkt.

Het openingshoofdstuk ‘De kunstenaar als ondernemer’ is lezenswaardig, maar taai. Boers legt daarin uit dat de bloei van de Hollandse kunsthandel eigenlijk de culminatie is van een ontwikkeling die rond 1480 in Gent en Brugge begon. Daar gingen kunstenaars, gedwongen door verslechterde economische omstandigheden, op zoek naar efficiëntere productietechnieken en nieuwe productsoorten om hun werk aan een breed publiek te kunnen verkopen. De vele zuidelijke vluchtelingen die na de val van Antwerpen naar het noorden trokken moeten de aanzet hebben gegeven voor de commercialisering van de kunstmarkt aldaar. Dat Boers uitgebreid vertelt over de schildertechnische vernieuwingen van zuidelijke kunstenaars, is – hoe boeiend de stof ook is – wat verwarrend: we gingen toch lezen over de handel?

Buitenlandse toeristen verbaasden zich rond 1640 over de schilderijenhonger van de Hollanders: ze hingen hun huizen vol met geschilderde landschappen, huiselijke tafereeltjes, stillevens, portretten et cetera. In De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw legt Marion Boers uit hoe de schilderijenmarkt in de Noordelijke Nederlanden zo explosief kon groeien

De verwarring is snel verdwenen. De hoofdstukken die volgen op ‘De kunstenaars als ondernemer’ behandelen elk een bepaald verkoopkanaal: de schilder als handelaar, de professionele kunsthandel, veilingen, jaarmarkten en loterijen. Dan komt het betoog tot leven, omdat die hoofdstukken gedragen worden door historische figuren. We werpen een blik in de winkels van de Amsterdamse schilder-handelaar Cornelis van der Voort en zijn Haarlemse evenknie Jan Miense Molenaer. We kijken mee over de schouder van de uitdraagster Barber Jacobs (die met haar werk de schildersopleiding van haar zoon Pieter Lastman moet hebben betaald), van de handelaar in goedkope schilderijen Crijn Volmarijn en zijn sjiekere collega, de firma Uylenburgh, waarin Rembrandt een actieve rol speelde. En we krijgen een glimp van het diplomatieke krachtenveld waarin Michel le Blon zich waagde. Die speurde als een soort special agent voor vorsten naar waardevolle kunstvoorwerpen – en verhandelde en passant ook waardevolle informatie. Behalve dezen passeren nog veel meer concrete personen de revue. Fascinerend en leerzaam om kunstenaars die zo bekend zijn om hun artistieke prestaties eens in een commerciële rol te zien!

Boers moet een indrukwekkende hoeveelheid archiefbronnen hebben doorgespit. Dit en vooral de toegankelijke, verhalende manier waarop ze haar bevindingen presenteert dwingen respect af. Natuurlijk is ze schatplichtig aan voorgangers en collega’s, onder wie de Amerikaanse ‘kunst-econoom’ John Michael Montias en onze eigen Marten Jan Bok. Die schatplichtigheid steekt ze niet onder stoelen of banken, maar wordt ruim verantwoord in inleiding, noten en bibliografie. Zo kan deze uitgave fungeren als een inleiding in het onderzoek naar de vroegmoderne Noord-Nederlandse kunsthandel.

Boers moet een indrukwekkende hoeveelheid archiefbronnen hebben doorgespit. Dit en vooral de toegankelijke, verhalende manier waarop ze haar bevindingen presenteert dwingen respect af

De Noord-Nederlandse kunsthandel in de eerste helft van de zeventiende eeuw vormt het 31ste deel in de Zeven Provinciën Reeks van Uitgeverij Verloren. De uitgaven in deze reeks wekken altijd mijn belangstelling – maar telkens als ik er eentje lees, komt een lichte ergernis op. Volgens de website van Verloren stellen ‘sommige deeltjes zich tot doel om een grotere kwestie in compact formaat te presenteren aan een breder publiek, andere diepen juist een bijzondere casus, tekst of episode uit.’ Met dat concept is op zichzelf natuurlijk niets mis, mijn irritatie geldt de uitwerking ervan.

Waarom is de vormgeving bijvoorbeeld al jarenlang zo fantasieloos en saai? De boekjes lijken net masterscripties die schools in Word zijn opgemaakt. De vaak nogal fletse omslagen zullen niet erg helpen het geïntendeerde ‘brede publiek’ te bereiken. Misschien is dat nog niet eens zo erg. Want de teksten zijn meestal wel beknopt, maar toch van een hoog soortelijk gewicht. Me dunkt dat ze vooral voor de meer doorgewinterde wetenschappers (historici, letterkundigen, kunsthistorici, boekwetenschappers) te verhapstukken zijn. Uiteindelijk is de reeks kennelijk toch niet voor een al te breed publiek bedoeld, maar ‘door wetenschappers, voor wetenschappers’. Jammer! Met een frissere vormgeving en een vlottere toon kunnen de studies vast ook de wat minder ingewijde cultuurliefhebbers boeien.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-3/4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Christi Klinkert, 3 december 2013.

Pit Dehing, Geld in Amsterdam. Wisselbank en wisselkoersen, 1650-1725 Verloren, Hilversum, 2012, 488 p., geïll., ISBN 9789087043117, prijs €45,-

door Alberto Feenstra, Universiteit van Amsterdam

In Geld in Amsterdam geeft Pit Dehing een inkijkje in de financiële keuken van één van Amsterdams belangrijkste instellingen van de Gouden Eeuw: de Wisselbank. Het proefschrift is gebaseerd op een steekproef van 15 jaren uit de rekeningen van de wisselbank die een ongelooflijke hoeveelheid bronmateriaal op leverde, waaruit een indrukwekkende dataset is gecreëerd (p. 35-36, 307-308). Met behulp van een groot aantal grafieken, tabellen en illustraties beschrijft hij de geschiedenis van de Wisselbank tussen 1650 en 1725, waartoe het boek zich overigens niet beperkt. Het boek bevat zowel de aanloop naar de oprichting in 1609 als lange-termijnanalyses tot aan 1795.

Dehings doel is om de rol van de Wisselbank te verduidelijken door de opzet en werking ervan te bestuderen, waarbij hij zich op twee vragen richt. Ten eerste wil hij weten of de Wisselbank een passend instrument voor de bestrijding van Amsterdams belangrijkste monetaire problemen was. Ten tweede onderzoekt hij welke effecten de operaties van de bank op de Amsterdamse wisselmarkt hadden. Deze tweedeling komt terug in de opbouw van het boek, dat naast inleiding en conclusie acht inhoudelijke hoofstukken bevat. De hoofstukken 3 tot en met 6 richten zich op de werking van de bank, de hoofstukken 7 tot en met 9 op de effecten ervan.

In hoofdstuk 2 beschrijft Dehing de algemene en financiële achtergrond van Hollands economische ontwikkeling. De weinig verrassende beschrijving wordt overigens niet gekoppeld aan de discussie of financiële instituties in reactie op economische groei ontstaan of zelf groeibevorderend zijn, zoals Dehing die in het inleidende hoofdstuk uitvoerig uiteenzette. De hoofdstukken 3 en 4 geven een gedetailleerde beschrijving van oprichting en functioneren van de bank. In hoofdstuk 4 wordt de recepis, een verhandelbare kwitantie van storting, geïntroduceerd als nieuw instrument, samen met de activiteiten van de bank op de vrije markt. Beide elementen en hun gebruik worden in het daaropvolgende hoofdstuk nog preciezer uitgelegd.

In Geld in Amsterdam geeft Pit Dehing een inkijkje in de financiële keuken van één van Amsterdams belangrijkste instellingen van de Gouden Eeuw: de Wisselbank

Ook de hypothese dat de Wisselbank een Centrale Bank-functie vervulde door middel van de monetaire politiek wordt in hoofdstuk 5 uitgewerkt op basis van regressiefuncties. Ondanks de sterke cijfermatige onderbouwing, blijft het de vraag of dit een vooropgezet plan was of dat improvisatie hetzelfde resultaat opleverde. Kwalitatieve bronnen hadden misschien extra inzicht kunnen geven in de motieven van de bankbestuurders. Verder stelt Dehing dat de omloopsnelheid van het bankgeld hoog was. Een uitgebreide vergelijking met geld buiten de bank, zowel in Amsterdam als internationaal had dit argument kracht kunnen bijzetten. Hoofdstuk 6 analyseert de bedrijfsresultaten van de bank gedurende zijn bestaan. Zodoende is het eerste deel voor de ingeleide lezer wellicht een te gedetailleerde beschrijving van de werking van de bank.

De goede analyse van de relatie tussen rentestructuur (in hoofdstuk 2; tabel 2.2) internationale handelstransacties en metaalvoorraden in hoofdstuk 7 wordt in hoofdstuk 8 uitgewerkt door te laten zien dat de lage waardering van het Vlaamse pond in Amsterdam, de Hollandse kooplieden  kunstmatig een concurrentievoordeel opleverde. Hoe dit doorwerkte in de opkomst van  Amsterdam als internationaal financieel centrum laat Dehing in hoofdstuk 9 zien, door middel van een centraliteitsindex. Hiermee is het een cijfermatige verbetering van het argument van Lucien Gillard in 2009.

Als er één ding duidelijk wordt uit Dehings boek is het wel dat de vroegmoderne financiële wereld aan complexiteit weinig onderdeed voor die van vandaag

De tragiek van dit boek is dat Dehing tussen de start in 1989 en de afronding in 2012 is ingehaald door publicaties van collega-historici, zoals Quinn en Roberds die al in 2009 betoogden dat de Wisselbank een Centrale Bankfunctie vervulde. Doordat Dehing een veelheid aan technische macro-economische begrippen om die historische ontwikkelingen te duiden, loopt de tekst soms enigszins stroef.  De toevoeging van een verklarende woordenlijst had het tekstbegrip kunnen verbeteren. Ook de grote hoeveelheid citaten en de intermezzo’s aan het einde van de hoofdstukken 2, 3, 6, 7en 8 onderbreken de lijn van het verhaal. Wellicht had het boek kunnen profiteren van een betere integratie van de intermezzo’s, zoals over de frauderende boekhouder Rutgert Vlieck in hoofdstuk 3, die na ontdekking ter dood werd veroordeeld en onthoofd. Hier laat Dehing sterke parallellen met het heden zien in de verlokkingen van het snelle geld.

Want, als er één ding duidelijk wordt uit het boek is het wel dat de vroegmoderne financiële wereld aan complexiteit weinig onderdeed voor die van vandaag, waardoor zowel toen en nu markt en overheidsinstellingen in voortdurende wisselwerking hun eigen doelen nastreven. Zodoende slaagt hij in zijn streven de complexiteit van de wisselbank te laten zien. In hoeverre Dehing ook geslaagd is in zijn opzet de rol van de Wisselbank te verduidelijken moet de lezer zelf beoordelen. Dehings bijdrage is vooral gelegen in het gebruik van grote hoeveelheden historische data, waarmee hij de mogelijkheden van statistisch onderzoek met historisch materiaal aantoont, wat een uitnodiging is voor vervolgonderzoek.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1)

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Alberto Feenstra, 9 november 2013.

Joke Spaans, De levens der maechden: het verhaal van een religieuze vrouwengemeenschap in de eerste helft van de zeventiende eeuw Verloren, Hilversum, 2012, 166 pp., met een bijlage op CD, ISBN 9789087042899, prijs €19,-

door Erika Kuijpers, Universiteit Leiden

Vanaf 1581 was in heel Holland de katholieke eredienst verboden. Kloosters en andere religieuze instellingen werden opgedoekt, en het nog steeds omvangrijke katholieke bevolkingsdeel was voor de bediening van de sacramenten aangewezen op clandestiene bijeenkomsten en in het geheim opererende ambulante priesters. Voor de kerk van Rome werd Holland missiegebied. In deze periode ontstond er in Haarlem een gemeenschap van ongehuwde katholieke vrouwen die een semi-religieus leven leidden.

Hoewel zij niet langer konden intreden in een klooster dicht bij huis voelden nog steeds veel vrouwen zich geroepen tot een religieus leven van werken en bidden. Deze geestelijke maagden werden in de zeventiende eeuw klopjes genoemd. De kloppenvergadering in Haarlem telde al gauw zo´n tweehonderd leden. Zij stonden onder toezicht van een priester maar hadden daarnaast ook een geestelijke moeder. Tryn Jans Oly, een Amsterdamse regentendochter, was de moeder van de vergadering in het tweede kwart van de zeventiende eeuw. In deze periode maakte zij levensbeschrijvingen van overleden maagden. Net als in veel kloosters werden die levens, of zusterboeken, gebruikt om uit voor te lezen zodat andere leden van de gemeenschap er een voorbeeld aan konden nemen.

In de levens werden de deugden en bijzondere verdiensten van de overledene beschreven. Belangrijke deugden voor een maagd waren natuurlijk vroomheid, soberheid en kuisheid maar de levensbeschrijvingen zijn verre van uitwisselbaar. Juist grote verschillen tussen karakters en talenten komen er in naar voren, als ook de verschillen in sociale achtergrond en het soort omstandigheden waarin vrouwen leefden en de tegenslagen die ze in hun leven kregen te verwerken. Dat maakt dat de levens een fascinerend inkijkje bieden in juist individuele levensomstandigheden en soms ook het leven van alledag.

Tryn Jans Oly, een Amsterdamse regentendochter en moeder van de Haarlemse kloppenvergadering, maakte in het tweede kwart van de zeventiende eeuw voorbeeldige levensbeschrijvingen van overleden maagden

Zo is er de maagd Maria Bastyaens die toelegt op het opsporen en opknappen en in ere herstellen van oude afgebladderde heiligenbeelden, die ze opduikelt in stoffige kelders en zolders tot ver buiten Haarlem. Of Tryn Areians, die de teloorgang van het katholicisme zozeer persoonlijk ter harte gaat dat ze wel met de ketters moet spreken om ze tot betere inzichten te brengen. Of over Geertruyt Pieters die zo’n grote ‘treck’ had tot ‘innicheyt’, dat ze ondanks een heel slechte gezondheid en een ‘pyndelicken lichaem’ zich ‘booven haer zelven conde verheeven’ dat ze vaak zo lang in de kerk zat ‘datse daer oock altement bynae voor doot afgebracht werde.’

Spaans behandelt in haar boek een aantal belangrijke thema’s die de maagdenlevens in hun historische context plaatsen. Wat haar werk steeds zo waardevol maakt is dat ze haar imponerende kennis van religiegeschiedenis combineert met sociale geschiedschrijving. Na een beschrijving van de religieuze verhoudingen in Holland na de Opstand in het eerste hoofdstuk volgen hoofdstukken over de organisatie van de Hollandse missie de sociale achtergronden en netwerken van de kloppen en de interne organisatie van de kloppengemeenschap. Maar het interessantst vind ik de hoofdstukken vijf en zes, die over herinnering gaan en over vroomheid.

Zoals Geertruyt Pieters, die zo’n grote ‘treck’ had tot ‘innicheyt’, dat ze ondanks een heel slechte gezondheid en een ‘pyndelicken lichaem’ zich ‘booven haer zelven conde verheeven’ dat ze vaak zo lang in de kerk zat ‘datse daer oock altement bynae voor doot afgebracht werde’

Dit zijn thema’s waarvoor historici vaak zijn aangewezen op geleerde of regelgevende bronnen, of op religieuze werken. Slechts zelden kun je zo dicht tot de belevingswereld en de praktijk van vroomheid naderen als in deze levensbeschrijvingen. Natuurlijk zijn deze levens ook gemodelleerd naar het voorbeeld van bestaande literatuur, bijvoorbeeld de heiligenlevens die door de maagden veel werden gelezen. En natuurlijk werd er over de doden vooral veel goeds geschreven, tenslotte moesten zij, of in ieder geval hun deugden, tot voorbeeld strekken voor de rest van de gemeenschap. Maar toch geven de teksten onverwachte inkijkjes. Trijn Oly beschrijft vaak ook met welke zwakheden de overledene had geworsteld, bijvoorbeeld dat ze ‘veel tenthacie gheleeden heeft vant gheloof, van onsuiverheit, cleinmoedicheyt ende dierghelycke’.

Het omgaan met tegenslag was natuurlijk een belangrijk ijkpunt voor ware godsvrucht. Lijden zonder te klagen en niet verzaken in plichten ongeacht de omstandigheden was een hooggewaardeerde deugd. Ook het omgaan met de verleidingen van de wereld, waar deze vrouwen veel meer dan nonnen in een klooster aan waren blootgesteld zijn een belangrijk thema. Des te mooier als een maagd zo’n verleiding had weerstaan, zoals Aefgen Jacobs, waar een rijke koopman een oogje op had gehad, maar die het geld dat hij haar bood had weggesmeten ‘als oft een borse met slangen en serpenten geweest hadt’.

Joke Spaans heeft een aantal interessante thema’s uit de levens uitgediept en toegelicht – en bovendien is een transcriptie van de Levens op cd-rom toegevoegd aan dit boek

Joke Spaans heeft een aantal interessante thema’s uit de levens uitgediept en toegelicht. Het is een weldadig helder geschreven boek geworden. Bovendien is een transcriptie van de Levens op cd-rom toegevoegd aan dit boek. Drie keer 400 pagina’s doorzoekbare vakkundig getranscribeerde tekst van ruim 200 levens van maagden en daarnaast nog uitvaartpreken, getuigenissen en religieuze spreuken, voorzien van inhoudsopgaven, namenlijsten en een index. Met dat monnikenwerk heeft ze een brede groep van geïnteresseerden in de vroegmoderne geschiedenis een enorme dienst bewezen. En zo is Spaans op haar beurt een nastrevenswaardig voorbeeld voor ons.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

 Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Erika Kuijpers, 3 november 2013.

Heidi de Mare, Huiselijke taferelen. De veranderende rol van het beeld in de Gouden Eeuw Van Tilt, Nijmegen, 2012, 607 p., geïll., ISBN 9789460040665, prijs €39,90

door Sanne Muurling

Geschilderde huiselijke taferelen, architectuurtekeningen en dichtstukken over het huiselijke bedrijf: deze en allerlei andere bronnen laten zich gemakkelijk interpreteren als toonbeelden van de huiselijke Gouden Eeuw. ‘Een moderne mythe’, noemt Heidi de Mare deze verbeelding van het vroegmoderne Hollandse huis. Ingegeven door nationalistische noties over het vaderlandse verleden worden dergelijke bronnen volgens haar al sinds de 18de eeuw onterecht beschouwd als vensters op het verleden, of transparante dragers van moralistische boodschappen. Maar ook recentere debatten onder historici over de (on)betrouwbaarheid van bijvoorbeeld schilderijen als afspiegeling van de historische werkelijkheid doen de vroegmoderne beeldcultuur volgens De Mare tekort. Beide benaderingen ontnemen volgens haar namelijk het zicht op het gedachtegoed dat deze periode heeft gevormd, kennis die nodig is om het beeldmateriaal wél als historische bron te bestuderen. Wat vertelt dit vroegmoderne beeldmateriaal ons dan wel wanneer we, zoals De Mare het noemt, ‘gedisciplineerd kijken’?

Deze vraag staat centraal in Huiselijke taferelen, de handelseditie van de dissertatie waarop kunsthistorica De Mare in 2003 promoveerde. In dit lijvige boek stelt zij zich het ambitieuze doel om het tot de verbeelding sprekende beeldmateriaal te demythologiseren. Dit doet ze door de lezer kennis te laten nemen van het ‘conceptuele universum’ waarin het vroegmoderne beeldmateriaal is ontstaan. Drie soorten bronnen over het huis staan in dit boek centraal: dichtstuk Houwelick van Jacob Cats, de kamergezichten van Pieter De Hooch en Samuel van Hoogstraten en de architectuurtekeningen en -geschriften van bouwmeester Simon Stevin. Elk van deze bronnen neemt een belangrijke plek in binnen hhet maatschappelijke denken over de Gouden Eeuw. Het huis vormt hierbij vooral een handig thematisch kruispunt tussen literatuur, architectuur en schilderkunst, want centraal in dit boek staat het denken over beelden. In de vrij technische kunsthistorische beschrijving van het werk van deze grote namen openbaart De Mare aan de lezer de contouren van een coherent kennissysteem van de vroegmoderne beeldcultuur. Hierin spelen Aristotelische empirische inzichten, overgeleverd via de kruistochten, de herovering van Spanje en de val van Constantinopel, een belangrijke rol.

Geschilderde huiselijke taferelen, architectuurtekeningen en dichtstukken over het huiselijke bedrijf: deze en allerlei andere bronnen laten zich gemakkelijk interpreteren als toonbeelden van de huiselijke Gouden Eeuw – een moderne mythe volgens De Mare

Wat moeten we ons voorstellen bij deze op Aristoteles’ natuurfilosofie gestoelde kennissystemen? Cats’ bekende dichtstuk over het geslaagde huwelijksleven moet volgens De Mare bijvoorbeeld niet gezien worden als een blauwdruk voor de domesticatie van de vrouw, maar als stimulans voor de contemporaine lezers om de ‘evenwichtige betrekkingen om natuurlijke kwaliteiten en de aangeboren asymmetrie van man en vrouw in balans te brengen’. Daarnaast zet De Mare de noties van de zogenaamde ‘disciplinerende plattegrond’, die huiselijkheid, verfijning en individualisme zou afdwingen van de bewoners, af tegen de veel neutralere wiskundig onderbouwde architectuurtraktaten van Simon Stevin. Ook deze dienen volgens haar niet om een blauwdruk voor het huiselijke gezin te creëren, want centraal staat de ‘leerbare en overdraagbare kennis van de natuur en de natuurlijke eigenschappen van stoffen’. Tot slot betoogt De Mare dat de waarde van de geschilderde kamergezichten volgens het vroegmoderne denken niet zozeer lag in achterliggende moralistische boodschappen, maar in de kundigheid (zowel kennis als vaardigheid) van de kunstenaar om ‘een gepaste en evenwichtige voorstelling’ te kunnen schilderen volgens de regels van de natuur.

Huiselijke taferelen spoort op bevlogen wijze bij de lezer aan op een herbezinning, waarbij bovenal een ander licht wordt geschenen op de bronnen die voorheen meestal zijn gebruikt ter illustratie van mythes en clichés rondom het Hollandse huis

Wat zegt dit over de manier waarop we naar vroegmodern beeldmateriaal kijken? De huiselijke taferelen die De Mare beschrijft moeten allereerst begrepen worden als toepassingen van allerlei regels en conventies die hebben bestaan binnen het vroegmoderne kennissysteem. In de periode tussen 1400 en 1700 werd er namelijk veel geschreven, gediscussieerd en in tekeningen voorgedaan hoe de werkelijkheid op het platte vlak nagebootst kon worden door kennis van perspectief, de werking van kleuren en lijnenspellen. Er ontstond een geformaliseerd systeem van regels over het maken van beelden gebaseerd op observatie en classificatie, waarmee op een gereguleerde manier werd geëxperimenteerd. ‘Kunst’ stond in de vroegmoderne tijd volgens De Mare gelijk aan vakmanschap en ambachtelijke kennis; dat wil zeggen de Aristotelische empirische inzichten in de aard en eigenschappen van de stoffen uit de natuur gecombineerd met de kundigheid om die kennis toe te passen. Zo moeten De Hoochs tegelvloeren bijvoorbeeld niet beschouwd worden als toonbeelden van de poetsdrift en huiselijkheid van de Hollandse huisvrouw, maar laten ze vooral zien hoe goed de schilder het uitbeelden van perspectief beheerste.

Huiselijke taferelen biedt zoals het beloofd een interessante en vernieuwende kijk op de beeldenrijkdom van de vroegmoderne tijd, en vormt een aanvulling op het debat rond deze bronnen. Toch zal dit boek niet bij iedereen in de smaak vallen. Wie in dit boek hoopt meer te lezen over wat het beeldmateriaal wél zegt over het historische binnenhuis of het vroegmoderne huiselijke leven grijpt mis. Aan de vraag welke waarde en betekenis moet worden toegekend aan de popularisering van de binnenhuizen als onderwerp van kunst en studie gedurende de Gouden Eeuw, wordt bijvoorbeeld weinig aandacht geschonken. De lastige schrijfstijl en het kunsthistorisch jargon maakt het voor niet-ingewijden bovendien niet altijd even gemakkelijk om de bewijsvoering voor het betoog te volgen. Wel spoort Huiselijke taferelen op bevlogen wijze bij de lezer aan op een herbezinning, waarbij bovenal een ander licht wordt geschenen op de bronnen die voorheen meestal zijn gebruikt ter illustratie van mythes en clichés rondom het Hollandse huis. Een niet te miskennen prestatie.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-2).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Sanne Muurling, 3 oktober 2013.

Jacques Moerman, ’t Woudt. De rijke geschiedenis van het kleinste dorp van Nederland Historische Reeks Midden-Delfland deel 1, Historische Vereniging Oud-Schipluiden, Schipluiden, 2012, 256 p., geïll, ISBN 9789075938616, prijs €24,95 (te koop in Delftse en regionale boekhandels)

door Anne Petterson, Universiteit Leiden

Een groot boek over het kleinste dorp van Nederland, ga er maar aan staan. Jacques Moerman deed het en schreef ruim 250 pagina’s over de geschiedenis van ’t Woudt, een kerkdorp met vandaag de dag ongeveer 40 inwoners, ingeklemd tussen Naaldwijk, Den Haag en Delft.

Terwijl alle plaatsen in de omgeving uitbreidden, bleef ’t Woudt een kleine gemeenschap. Bereikbaar via de Kerklaan, en lange tijd ook langs de zogenaamde kerkenpaden: onverharde, openbare paden door het weiland, zo nu en dan onderbroken door een plank over een sloot en met natuurlijk de kerk als eindbestemming. Begin 20ste eeuw zijn de meeste van deze routes verdwenen, maar in 1970 is er een prachtig fietspad door de polder voor in de plaats gekomen.

De belangrijkste reden voor het uitblijven van iedere groei van ’t Woudt was het systeem van grondbeheer. De boeren in het dorp en de omgeving verdeelden hun land liever niet. Bij overlijden of pensionering nam de oudste zoon het bedrijf over en kreeg de rest van de kinderen het erfdeel uitbetaald in geld. Op deze manier kwam er nauwelijks land vrij voor extra bebouwing. Ook vandaag de dag heeft ’t Woudt, met de aanwezigheid van twee moderne veebedrijven, nog steeds een voornamelijk agrarisch karakter.

Ruim 250 pagina’s over de geschiedenis van ’t Woudt, een kerkdorp met vandaag de dag ongeveer 40 inwoners, ingeklemd tussen Naaldwijk, Den Haag en Delft

Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel beschrijft Moerman het ontstaan en de geschiedenis van ’t Woudt. Hier komen de vroegste bewoningsgeschiedenis (vanaf 3600 voor Christus), de lokale economie en de belangrijkste huizen en hun bewoners aan de orde. In het middendeel besteedt Moerman ruim aandacht aan de geschiedenis en invloed van de kerk in het dorp. De jongste geschiedenis van ‘t Woudt komt er in het derde en laatste deel wat bekaaid van af. In kort bestek bespreekt Moerman het opkomend verenigingsleven, de impact van de Tweede Wereldoorlog en de uitdagingen van de moderne tijd.

Zoals de ondertitel van het boek al zegt: ’t Woudt heeft een rijke geschiedenis. Moerman heeft dan ook oog voor details. De uitgebreide beschrijvingen van bijvoorbeeld kerk- of boerderijarchitectuur zijn voor de niet-ingewijde misschien soms iets teveel van het goede, maar de balans keert terug met bijvoorbeeld heerlijke anekdotes over de bewoners en sociale verhoudingen in het dorp. In het middendeel levert bijvoorbeeld het samenleven van protestant en katholiek in de kleine gemeenschap mooie verhalen op.

Met de levensbeschrijvingen van een meester Schipper, ‘hebbende ’s morgens bij eene roomschgezinde reets op eene alleronmatigste en gulsige wijze genever gedronken’,  brengt Moerman de bewoners van ’t Woudt tot leven

Zo bevat tot op de dag van vandaag de oostelijke buitenmuur van de protestantse kerk nog een katholiek wijdingskruis; één van de oorspronkelijk twaalf markeringen van de plaatsen waar het gebouw bij de inwijding door de bisschop of zijn plaatsvervanger gezegend was. Volgens het katholieke verhaal kwamen de kruizen steeds onder de kalklaag tevoorschijn, wat natuurlijk werd geïnterpreteerd als een verwijzing van hogerhand naar de katholieke oorsprong van de kerk. In werkelijkheid loste het zout in de steen langzaamaan de kalklaag op. In de 17de eeuw gebruikten de katholieken verschillende boerderijen in de omgeving als schuilplaats, maar in de Franse tijd werden de godsdiensten in Nederland gelijkgesteld en maakten zij opnieuw aanspraak op ‘hun’ kerkgebouw. Wethouder Loncq wist het goed gemaakt: hij stelde voor om de kerk met een muur in tweeën te delen, zodat de 105 gereformeerden het schip van de kerk zouden behouden en de 118 katholieken in het koor bijeen konden komen. Het plan ging uiteindelijk toch niet door.

Maar ook binnen de protestantse gemeenschap was het niet altijd koek en ei. In 1588 trad de eerste predikant van ’t Woudt aan, Johannes Martini. Zijn werk werd echter bemoeilijkt door een roddelzieke lidmaat, ene Heyltghen Mertens. De vrouw verspreidde allerlei geruchten over de niet onberispelijke levenswandel van de predikant en zijn echtgenote in hun vorige standplaats Tholen. Maar Martini liet zich niet uit het veld slaan en bracht de zaak voor het gerecht, waarop Heyltghen zich met het echtpaar verzoende en openlijk schuld beleed. Met de levensbeschrijvingen van de predikanten en niet te vergeten de schoolmeesters (meester Schipper, ‘hebbende ’s morgens bij eene roomschgezinde reets op eene alleronmatigste en gulsige wijze genever gedronken’) brengt Moerman de bewoners van ’t Woudt tot leven.

De eerste uitgave in de Historische Reeks van Midden-Delfland is uitgegeven op groot formaat, met prachtige kleurenafbeeldingen

Aandacht voor de wereld buiten ’t Woudt is er ook. De Woudtse boter en kaas kende afzet in het gehele land, en in de 14de eeuw zelfs bij het hof van de graaf. Belangrijke lokale families als de Van der Burchs namen in de 16de en 17de eeuw in Delft en andere Hollandse steden belangrijke posities in. En de ontwerpen voor de gravures van de Leidse universitaire instellingen door de 17de-eeuwse schilder Jan Cornelisz. van ’t Woudt, beter bekend als Woudanus, zijn nu internationaal bekend. Maar Moerman toont ook de bordjes afkomstig uit de inboedel van de boerderij van Maritgen de Voecht waarop keizer Karel V, Philips en de hertog van Kleef waren afgebeeld. Zijn er tastbaarder voorbeelden van de wereld waarin ’t Woudt functioneerde?

Naast de inhoud verdiend ook de vormgeving lof: het boek is uitgegeven op groot formaat, met prachtige kleurenafbeeldingen op stevig papier. ’t Woudt. De rijke geschiedenis van het kleinste dorp van Nederland is de eerste uitgave in wat een Historische Reeks van Midden-Delfland moet worden. Een fraai begin, dat doet hopen op meer publicaties over de geschiedenis van deze regio.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Anne Petterson, 24 april 2013.

recensie Buijnsters websiteLeontine Buijnsters-Smets, Straatverkopers in beeld. Tekeningen en prenten van Nederlandse kunstenaars circa 1540 – 1850 Van Tilt, Nijmegen, 2012, 305 p., geïll., ISBN 9789460040894, prijs €34,95

door Marion Boers, Universiteit Leiden

Straatverkopers waren tot niet zo heel lang geleden een algemeen verschijnsel in Europese steden waar ze, vaak tot ongenoegen van de bevolking, luidkeels hun waar aan de man brachten. Marskramers en andere ‘leurders’ zijn veelvuldig uitgebeeld door bekende en minder bekende kunstenaars, niet in de laatste plaats vanwege de schilderachtige armoede die ermee kon worden weergegeven.

Leontine Buijnster-Smets bracht de Noord- en Zuid-Nederlandse  prenten en tekeningen met dat onderwerp uit de periode van 1540 tot 1850 bijeen in een rijk geïllustreerd boek. Weliswaar was er door Jeroen Salman al aandacht besteed aan de mobiele handel in drukwerk afgebeeld op centsprenten, maar de Buijnster-Smets beoogt met dit boek ‘dit vergeten aspect van onze cultuurgeschiedenis’ in haar totaliteit de volle aandacht te geven.

Buijnster-Smets beoogt met dit boek over straatverkopers ‘dit vergeten aspect van onze cultuurgeschiedenis’ de volle aandacht te geven

In de inleiding stelt zij zich daarbij ten doel om van zo veel mogelijk Nederlandse  afbeeldingen van straatverkopers te analyseren in welke vorm ze zijn overgeleverd en in welke sociale en artistieke context ze kunnen worden geplaatst. Als definitie van ‘straatverkoper’ wordt in het boek aangehouden: rondgaande mannen of vrouwen, die om de kost te verdienen, hun producten en diensten te koop aanbieden. Binnen die groep vallen dus lieden die levensmiddelen en allerlei andere kramerei verkopen, maar ook de scharensliep en de kwakzalver, hoewel er toch moet worden geconstateerd dat een eerlijke koopman van huishoudelijke artikelen of een scharensliep met hun ‘leurderij’ andere oogmerken moeten hebben gehad dan een kwakzalver die zijn brood verdiende met bedrog. Dat dit implicaties heeft voor de benadering van het materiaal is door de auteur onvoldoende onderkend. In het boek zijn prenten en tekeningen opgenomen van enkele figuren, maar ook van uitbeeldingen waarin de straatverkoper met anderen in een gezamenlijke handeling te zien is, zo lang hij of zij maar het hoofdonderwerp is.

Allereerst worden de prenten en tekeningen in een internationale context geplaatst door in de eerste hoofdstukken van het boek in te gaan op de belangrijkste publicaties die onder meer over de beeldtradities in Frankrijk, Italië en Engeland zijn verschenen. Deze samenvatting van de bestaande literatuur is aan de lange kant en in het vervolg van het boek wordt er helaas slechts sporadisch naar verwezen. De auteur maakt bovendien onvoldoende duidelijk wat de verbanden zijn tussen deze buitenlandse voorbeelden en de Nederlandse prenten en tekeningen die het hoofdonderwerp van dit boek vormen. Alvorens aan haar bespreking van de Noord- en Zuid-Nederlandse prenten en tekeningen te beginnen, wordt in hoofdstuk twee ingegaan op ‘de roep van de straatverkopers in de Nederlandse literatuur en muziek’. De verdienste van dit hoofdstuk is vooral dat daarin bestaande literatuur over het onderwerp op een rijtje wordt gezet.

Het opsommende karakter maakt van de publicatie eerder een naslagwerk dan een boek waarin, in de vorm van een boeiende argumentatie, onderzoeksresultaten worden gepresenteerd

Coherentie blijkt in de hoofdstukken drie en vier, die de kern van het boek vormen, niet de sterkste kant van de publicatie te zijn. Opvallend is bijvoorbeeld de volgorde van kunstenaars die worden behandeld. Die lijkt aanvankelijk chronologisch, maar is dat niet, want iemand als Cornelis Saftleven (1607-1681) wordt besproken ná Cornelis Dusart (1660-1704). Er zal ongetwijfeld een reden zijn geweest om die chronologie meer dan eens te doorbreken, maar de auteur geeft die zelf niet.  Soms worden prenten uitgebreid één voor één besproken, maar in andere gevallen, zoals in de paragraaf over Salomon Savery, is gekozen voor een opsomming met bullits die nogal uit de toon valt bij de overigens fraaie opmaak van het boek.

Her en der worden in de tekst belangrijke vragen gesteld, maar die worden lang niet altijd beantwoord, of het antwoord doet geen recht aan de complexiteit van de materie. De auteur stelt bijvoorbeeld dat de Italianisanten een voorkeur hadden voor het weergeven van de lagere volksklassen in Rome. Ze sluit de alinea vervolgens af met de zin: ‘en hoewel dit genre in de hiërarchie van de schilderkunst laag werd gewaardeerd, vond het toch geïnteresseerde kopers en aristocratische patroons die het werk van deze kunstenaars bewonderden’. (p.103) Welke hiërarchie hier wordt bedoeld, en hoe het dan toch kon dat verzamelaars belangstelling hadden voor kunstwerken waarop paupers zijn uitgebeeld, wordt verder aan de verbeelding van de lezer overgelaten.

Het boek is zeer zorgvuldig uitgegeven en de illustraties zijn van hoge kwaliteit

Het boek biedt vooral een reeks van beschrijvingen van kunstwerken. Het zou daarbij verstandig zijn geweest als de auteur niet had gestreefd naar volledigheid, maar had gekozen voor het bespreken van representatieve werken. Exemplarisch is in dit geval de paragraaf over Jan van Goyen, als landschapsschilder een vreemde eend in de bijt, waarin verschillende prenten worden beschreven, waarvan er geen enkele in het boek is afgebeeld. Het is daardoor niet mogelijk om ze met werk van anderen te vergelijken, dus men kan er vraagtekens bij plaatsen of het zinvol was om Van Goyen in deze vorm op te nemen.

Dat opsommende karakter maakt van de publicatie eerder een naslagwerk dan een boek waarin, in de vorm van een boeiende argumentatie, onderzoeksresultaten worden gepresenteerd. De leesbaarheid wordt bovendien niet verhoogd door de soms onbeholpen manier van formuleren als: ‘Het hangt in elk geval een negatief etiket aan de leurder’(p.105) of, even verderop, ‘uit allerlei verzamelingen is er hier een aantal [tekeningen] bijeengebracht zodat haast kan worden gesproken van een serie’. (p.106) Pas nadat ik deze passage enkele malen had herlezen, werd duidelijk dat de auteur na onderzoek van een aantal tekeningen die zich nu in verschillende collecties bevinden zelf  tot de conclusie is gekomen dat ze deel moeten hebben uitgemaakt van een serie.

Het boek is zeer zorgvuldig uitgegeven en de illustraties zijn van hoge kwaliteit. Het beeldmateriaal biedt een goed uitgangspunt voor diepgaand kunsthistorisch onderzoek, bijvoorbeeld naar de wederzijdse beïnvloeding tussen kunstenaars, veranderingen in beeldtradities, maar bovenal naar de context waarin deze prenten en tekeningen zijn ontstaan in samenhang met het publiek waarvoor ze bestemd waren. Het boek geeft daartoe wel enkele aanzetten, maar de belofte uit de inleiding wordt helaas niet nagekomen.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2012-4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Marion Boers, 30 maart 2013.

recensie Vroomen websiteIngmar Vroomen, Taal van de Republiek. Het gebruik van vaderlandsretoriek in Nederlandse pamfletten, 1618-1672 dissertatie uitgegeven in eigen beheer, Rotterdam 2012, hier te downloaden

door Gijs Rommelse, redactiesecretaris van Holland Historisch Tijdschrift

Pamfletten zijn ‘hot’. Decennialang zijn deze bronnen slechts incidenteel benut voor geschiedkundig onderzoek, maar de laatste jaren maken historici systematisch gebruik van de door W.P.C. Knuttel gecatalogiseerde pamflettenverzameling in de Koninklijke Bibliotheek en van pamflettencollecties in universiteitsbibliotheken.

Deze toegenomen aandacht heeft recentelijk geresulteerd in twee boeken met vroegmoderne pamfletten als onderwerp, te weten Roeland Harms zijn dissertatie De uitvinding van de publieke opinie (2010) en een bundel van Femke Deen, David Onnekink en Michel Reinders getiteld Pamphlets and politics in the Dutch Republic (2011). Daarnaast zijn op basis van pamfletten verschillende studies verschenen die een nieuw licht werpen op de politieke cultuur van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Een voorbeeld hiervan is het eerder in dit tijdschrift door Wout Troost besproken proefschrift van Michel Reinders Printed Pandemonium (2008).

In deze tweede categorie past ook de in mei 2012 aan de Erasmus Universiteit verdedigde en in eigen beheer uitgegeven dissertatie van Ingmar Vroomen getiteld Taal van de Republiek. Het gebruik van vaderlandsretoriek in Nederlandse pamfletten, 1618-1672. Aan de hand van honderden pamfletten uit de crisisjaren 1618, 1619, 1650 en 1672 analyseert Vroomen de betekenis van vaderlandsretoriek (en dan met name de termen ‘vaderland’ en ‘patriot’), de context waarbinnen dit vocabulaire retoriek werd gehanteerd en de bedoelingen van de gebruiker.

Aan de hand van honderden pamfletten uit de crisisjaren 1618, 1619, 1650 en 1672 analyseert Vroomen de betekenis van vaderlandsretoriek

In zijn inleiding stelt Vroomen dat dergelijke patriottistische retoriek tot nu toe op twee manieren is uitgelegd. Mediëvisten en vroegmodernisten hebben geconcludeerd dat er in de premoderne tijd sprake was van een soort proto-nationalisme, terwijl modernisten deze bronnen vrijwel hebben genegeerd omdat nationalisme in hun ogen per definitie een fenomeen is van de moderne tijd. Vroomen, die terecht opmerkt dat deze beide interpretaties voortvloeien uit een ‘twintigste of eenentwintigste-eeuwse preoccupatie met nationale grenzen’, kiest voor een alternatieve benaderingswijze door ‘de nationale bril’ af te zetten en in plaats daarvan de functie en het doel van de retoriek centraal te stellen.

Vroomen kiest voor een alternatieve benaderingswijze door ‘de nationale bril’ af te zetten en in plaats daarvan de functie en het doel van de retoriek centraal te stellen

Dit doet hij aan de hand van de ideeën van de Australische geleerde Conal Condren, die stelt dat dergelijke vaderlandsretoriek moet worden beschouwd vanuit de context van de ‘ambten’ die mensen in vroegmoderne samenlevingen vervulden. Ieder ambt, zowel binnen de overheid als daarbuiten, kende bepaalde rechten, plichten en verantwoordelijkheden, en verschafte de bekleder een zekere machtspositie. Door te appelleren aan het niet-geformaliseerde maar wel geclaimde ambt van patriot konden mensen politieke of bestuurlijke misstanden aan de kaak stellen zonder direct het risico te lopen als oproerkraaier of rebel te worden bestempeld. Met een beroep op het nationale belang kon commentaar of kritiek op overheden of beleid worden gepresenteerd als een uiting van trouw en betrokkenheid. Vaderlandsretoriek verschafte de gebruiker dus een zekere immuniteit. Met de gekozen insteek borduurt Vroomen voort op het werk van zijn promotor Robert von Friedeburg, die eerder onderzoek deed naar vaderlandsretoriek in het Duitse Rijk.

Willem van Oranje introduceerde volgens Vroomen tijdens de Opstand vaderlandsretoriek in de Nederlandse politieke cultuur om hiermee zijn verzet tegen Filips II te legitimeren. Zijn plichten ten opzichte van het bedreigde vaderland gingen zijn eed aan de Habsburgse vorst te boven, zo betoogde de prins. Als gevolg van het gedecentraliseerde politieke bestel van de Republiek bleef dezelfde vaderlandsretoriek in de 17de eeuw prominent aanwezig in de Nederlandse politieke taal. Er deed zich een aantal hevige binnenlandse crises voor waarbij de politieke en/of religieuze identiteit van de Republiek de inzet was en waarbij van verschillende kanten gebruik werd gemaakt van patriottistisch vocabulaire.

Vroomens prettig leesbare en op degelijk bronnenonderzoek gebaseerde boek voegt belangrijke inzichten toe aan onze kennis van en inzichten in de politieke cultuur van de Republiek

Zo beriepen de contraremonstranten zich tijdens de Bestandstwisten op hun vaderlandsliefde om Johan van Oldenbarnevelt, de arminiaanse stadsbestuurders en hun beleidsmaatregelen weg te zetten als staatsgevaarlijk. Van Oldenbarnevelt en de remonstranten presenteerden zich in de publieke sfeer eveneens als ‘goed patriot’, maar dit mocht hen uiteindelijk niet baten. Na de aanslag van Willem II op Amsterdam in 1650 ontbrandde een hevige pamflettenstrijd tussen voor- en tegenstanders van de prins waarin van beide kanten het vaderlandsbelang werd aangeroepen. In het rampjaar 1672 waren de oranjegezinde pamfletten en die van de zogenaamde burgerbeweging zozeer in de meerderheid dat staatsgezinde tegengeluiden nauwelijks meer te horen waren. De staatsgezinde geschriften appelleerden evenzeer aan patriottistische kwaliteiten, maar door de getalsmatige verhouding leek het alsof de orangisten de vaderlandsretoriek hadden gemonopoliseerd.

Vroomens prettig leesbare en op degelijk bronnenonderzoek gebaseerde boek voegt belangrijke inzichten toe aan onze kennis van en inzichten in de politieke cultuur van de Republiek. Het zou daarom voor de hand liggen dat hij in de toekomst een Engelstalige handelseditie van zijn proefschrift zou uitbrengen bij een gerenommeerde academische uitgeverij. Met zijn keuze om de ‘nationale bril af te zetten’ blijven er vooralsnog echter enkele vragen onbeantwoord. Zo kan men zich afvragen hoe het gebruik van vaderlandsretoriek in binnenlandse politiek-maatschappelijke contexten, zoals Vroomen dit analyseert, zich verhield met het zich ontwikkelende natiegevoel in de Republiek of met het gebruik van soortgelijk vocabulaire tijdens interactie met andere staten. Wellicht kan het lopende VIDI-onderzoeksproject van Lotte Jensen (Proud to be Dutch. The role of war and propaganda literature in the shaping of an early modern Dutch identity (1648-1815)) in de komende jaren meer duidelijkheid verschaffen op dit gebied.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2012-4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Gijs Rommelse, 30 maart 2013.

Dieren in Holland (2012-4)

DIRK-JAN VERDONK De hond die naar de engel blafte. Over historiografie en dieren

LAURA ALMAGOR Dieren ten strijde. De militair veterinaire verzorging in Nederland (1795-1919)

DEMELZA VAN DER MAAS Tijdingen: Van Nijvere Bijen en Killer Bees. Interview met Inger Leemans

MATTHIAS VAN ROSSUM Recensie: Een walvis in het museum. Het Scheepvaartmuseum 2.0?

ARJAN NOBEL Topstuk: De kasuaris van prins Maurits

JANNEKE TUMP Metamorfose: De metamorfose van de Zuidpolder tussen Edam en Volendam

Recensies

MINTE KAMPHUIS Uitsmijter: Kip gevuld met vlees

2012-4


Holland historisch tijdschrift Verloren Thuis in Holland 2012Thuis in Holland (2012-3)

REDACTIONEEL Thuis in Holland

DIRK DAMSMA en ELS KLOEK ‘T’Huys Best’. Huiselijkheid in Holland sedert de Gouden Eeuw

HEIDI DE MARE Vindplaats van het huiselijk leven. Het kamergezicht in de Hollandse Gouden Eeuw

SANNE MUURLING Huiselijkheid tussen ideaal en materiële werkelijkheid. Een materiële microgeschiedenis van veertien Amsterdamse huishoudens

LOTTE JENSEN Typisch Nederlands? Literaire huiselijkheid in de 19de eeuw

ELLEN KROL ‘De aarde rust van ‘t lijden uit’’ Over huiselijke poëzie

MARTINE VAN LEEUWEN ‘De vrouw wascht zijn vuile goed’’ Huiselijke normen op Scheveningen tussen 1900 en 1940

HAN VAN BREE In dit huis heerst liefde. De schijn van Hollandse huiselijkheid bij de Oranjes in de jaren vijftig | Lees online

PIETER STOKVIS Huiselijk leven sinds het interbellum en de culturele revolutie rond 1970

BART VAN DER STEEN Het binnenleven van de kraakbeweging. Een blik in de Amsterdamse kraakpanden begin jaren tachtig

MARK MOBACH Huiselijke faciliteiten in organisaties

TESSA VER LOREN VAN THEMAAT Beeldessay: Holland te koop

MAYKE GROFFEN Topstuk: Goed Wonen in Rotterdam

MINTE KAMPHUIS Uitsmijter: Koude zalm uit blik

2012-3


Vrijheid Leidens OntzetVrijheid! Leidens Ontzet (2012-1/2)

Drieluik: De kracht van samenwerking

CARIN GAEMERS Voorwoord

CARIN GAEMERS Vrijheid! Leidens Ontzet 1574-2011. Een oude traditie hervat in het Leidse Museum De Lakenhal

CARIN GAEMERS Tales of the Revolt. Vernieuwende onderzoeksvormen en een eeuwenoude traditie

CARIN GAEMERS ‘Van het beeld in mijn hoofd heb ik een verhaal gemaakt’. Fotograaf Erwin Olaf over het project Vrijheid!

CARIN GAEMERS Beeldessay: De beeldtraditie van het Leidens beleg en ontzet

PAUL VAN DE LAAR ‘Nederland is gek op kaas en patat’. De kapsalon in Holland

MINTE KAMPHUIS Tijdingen: Met z’n allen naar het museum? Verslag van het erfgoedsymposium ‘Het museum als makelaar’

DENNIS BOS Reviewartikel: Flaneren langs de Rotterdamse brandgrens

GIJS ROMMELSE Topstuk: Een souvenir van de Alexanderkazerne

SANNE MUURLING Tijdingen: Het verzetsmuseum breidt uit met een kindermuseum

AD VAN DER ZEE Column: Historische sensaties

MINTE KAMPHUIS Uitsmijter: Bierpap

2012-1/2