Amsterdam, die grote stad, is gebouwd op kloosters

Door Nico Lettinck

21 kloosters

Wie denkt dat monniken in de middeleeuwen ietwat wereldvreemde personen waren die de hele dag in verafgelegen oorden stonden te bidden en te zingen, doet er goed aan kennis te nemen van De middeleeuwse kloosters van Amsterdam door Jos Pierik. In dit fraai uitgegeven overzichtswerk worden alle 21 kloosters die vrijwel allemaal op een kluitje binnen de stadsmuren geperst waren uitvoerig beschreven. Daaruit blijkt dat de monniken (veelal vrouwen) een organisch onderdeel van het drukke stadsleven waren. Zij zorgden aanvankelijk als enigen voor de zieken, de wezen en de ontheemden. Op economisch gebied was hun rol aanzienlijk. Tot 1578 besloeg het grondbezit van de kloosters een vijfde van het stadsoppervlak.

De opzet van het boek is systematisch. Aan de orde komen achtereenvolgens de stichting, de patroonheilige(n), de locatie/de gebouwen, de bronnen van inkomsten, de omvang en de teloorgang na de Reformatie tot de opheffing na de Alteratie in 1581. Gelukkig blijft het daar niet bij en worden ook de latere lotgevallen van deze kloosters belicht. Zo weten we nu dat er slechts twee voormalige kloosterkerken nog zichtbaar zijn: de Agnietenkapel (deel van het voormalige Agnietenklooster) en de Waalse kerk (deel van het voormalige Paulusbroedersklooster). Maar het is bij een wandeling door Amsterdam ook relevant om je te realiseren dat de huidige Kalverpassage gebouwd is op de resten van het strenge Clarissenklooster en dat daar tussen 1896 en 1987 het grootste overdekte zwembad van Europa (het Heiligewegbad) heeft gestaan.

Een gebed zonder einde

Indien we proberen een rode draad te ontwaren in de geschiedenis van deze 21 samengeklonterde kloosters valt op dat de meeste, namelijk zestien, door vrouwen bevolkt werden. Zij begonnen vaak als kleine woon- en leefgemeenschappen die geïnspireerd waren door de Moderne Devotie. In deze kringen van beperkte omvang speelden vrome leken een aanjagersrol. Na korte tijd transformeerden zij met financiële steun van lokale weldoeners tot kerkelijk goedgekeurde kloosters die veelal de Regel van Franciscus (of een variant daarvan) aannamen. Hun inkomsten bestonden in eerste instantie uit schenkingen en legaten, maar daarna wisten zij zelf de nodige inkomsten te genereren. Hoe? Door eigen producten te verkopen zoals linnen stoffen en kaarsen, het verpachten van land, het verhuren van woonruimte aan kostgangers (een soort Bed and Breakfast), het verzorgen van zieken (met name pestlijders) en het innen van de ‘bruidsschat’ bij de intrede tot het klooster. In het Nieuwe Nonnenklooster werd ook bier verkocht, een traditie die in veel kloosters tot op heden is blijven bestaan.

Opvallend is ook dat er in het tijdsbestek van anderhalve eeuw zoveel kloosters op zo’n klein oppervlak zijn gesticht. Het gelui van alle afzonderlijke kerkklokken overspoelde de stad zeven keer per etmaal met een geluidsgolf. Was dit niet wat te veel van het goede? Dat vond in ieder geval het Amsterdamse stadsbestuur rond 1460. Veel inwoners vonden dat dit ‘gebed zonder einde’ toch maar eens afgelopen moest zijn. Toch lukte het de initiatiefnemers van het Bethaniënklooster om nòg een klooster erkend te krijgen dat gewijd was aan Maria Magdalena, hoewel er al een klooster met die patroonheilige op het Spui bestond. Zij slaagden in hun opzet door te beloven dat alleen berouwvolle zondaressen (prostituees) toegelaten zouden worden. Deze stichting werd een groot succes, vooral nadat het toelatingsbeleid versoepeld was door ook niet bekeerde vrouwen aan te nemen.

Grote dienst voor Amsterdam

De vraag waarom er in zo korte tijd zoveel kloosters binnen de stad gesticht werden wordt in dit boek niet uitvoerig besproken, maar uit bovenstaand voorbeeld blijkt wel dat het ‘succes’ te danken was aan de gunstige tijdsomstandigheden: een groeiende bevolking, voldoende kapitaal en ruimte bij weldoeners en vooral de aanwezigheid van vrouwen die hun eigen plek zochten. Daarbij komt de laatmiddeleeuwse bekommernis om het zielenheil. Uit angst voor het naderende Laatste Oordeel wilden vermogende burgers hun plek in de Hemel veiligstellen door ruimhartige schenkingen. Men spreekt in dit verband ook wel over ‘de zielenheilseconomie’

Jos Pierik (ICT-manager in ruste) heeft met dit compendium het 750-jarige Amsterdam een grote dienst bewezen. Wat het boek uniek maakt is dat zijn broer Clemens als grafisch ontwerper van elk kloostercomplex een nauwkeurige reconstructietekening heeft gemaakt die tot de verbeelding spreekt. Tekst en beeld laten duidelijk zien dat de kloosters geen wereldmijdende instellingen waren, maar dat zij een integraal onderdeel uitmaakten van de laatmiddeleeuwse stedelijke samenleving.

Jos Pierik, De middeleeuwse kloosters van Amsterdam. Verschenen en weer verdwenen tussen 1389 en 1585. Utrecht: Uitgeverij Matrijs, 2024; 216 blz., ill., ISBN 9789053456101. Prijs € 29,95