Gravendochter en gravenmoeder. Een leven van Aleid van Holland

Door Henk Looijesteijn

Gravinnen van Holland

De laatste jaren zijn er verschillende boeken verschenen over de graven van Holland (zie de recensies op de website), maar de aandacht voor de vrouwen om hen heen is daar nog wat bij achtergebleven. Gelukkig is er recent een levensbeschrijving van gravendochter Aleid van Holland (c. 1231-1284) verschenen. Aleid, dochter van Floris IV, zuster van Willem II en tante van Floris V, staat onder verschillende benamingen bekend. De auteur, bestuurskundige en historicus Jeroen Rodenberg geeft de voorkeur aan de vorm Aleida van Henegouwen, en legt zo de nadruk op haar voormoederschap van de Henegouwse graven, die tussen 1299 en 1345 ook over Holland en Zeeland regeerden.

Aleida staat in de Hollandse geschiedschrijving vooral bekend als regentes voor, en opvoedster van, haar neefje Floris V in de jaren 1258-1263. Dat was maar een deel van haar veelbewogen leven. Als zuster van Willem II speelde ze uiteraard een rol in diens politiek: Willem liet haar trouwen met Jan van Avesnes (1218-1257), oudste zoon van de gravin van Vlaanderen en Henegouwen, die echter op voet van oorlog verkeerde met zijn moeder en halfbroers. Jan overleed jong en werd nooit graaf. Rodenberg verduidelijkt dat Aleid zich nooit anders noemde dan weduwe van ‘heer Jan’. Wel werd ze moeder van een graaf, drie bisschoppen, een abdis en een vorst van het Griekse Achaia, haar jongste zoon Floris (1255-1297), die eveneens heer van Schiedam was. Rodenberg heeft uiteraard en terecht veel aandacht voor de band van Aleida en Floris met Schiedam. De Henegouwse Floris had aanvankelijk ook een goede band met de Hollandse Floris, die hem belangrijke ambten gaf.

Stichteres van Schiedam

Aleida bouwde vanaf ongeveer 1260 een machtsbasis op langs de Schie, gaf het opkomende Schiedam een kerk en een begijnhof, voltooide de Hoge Zeedijk van Schieland en bouwde er een kasteel. Volgens Rodenberg was dit het eerste rechthoekige kasteel in Holland. De schenking van het stadsrecht aan Schiedam in 1275 door Aleida is de reden voor de grootscheepse viering van 750 jaar Schiedam dit jaar en blijkbaar – het wordt verder niet genoemd in het boek – ook de aanleiding voor dit overzicht van haar leven. Deze schenking was de bekroning van een doelbewuste politiek een aanzienlijke heerlijkheid te scheppen in Zuid-Holland. Het liep uiteindelijk anders: Floris V zette in 1277 zijn tante en zijn wat al te eerzuchtige neef het graafschap uit. Vier jaar later verzoenden de Florissen zich en kreeg Aleida Schiedam terug, maar haar Floris zocht uiteindelijk zijn heil in Zuid-Europa.

Dit deel van Aleida’s leven is goed uitgewerkt door Rodenberg, die aannemelijk maakt dat spanningen en concurrentie binnen het grafelijk hof bijdroegen aan het gedwongen vertrek van de Henegouwers. Hij heeft oog voor de schriftcultuur aan Aleida’s hof en besteedt ruimschoots aandacht aan haar testamenten en wat die zeggen over haar godsdienstigheid en liefdadigheid. Verder kijkt hij in bijzonderheden naar haar zegels en de titulatuur in door haar afgegeven oorkonden, kortom, aan de wijze waarop zij zich presenteerde. Het is een visueel fraai verzorgd boek, gegrondvest op veel literatuuronderzoek en op het archiefmateriaal uitgegeven in het Oorkondenboek van Holland en Zeeland.

Kardinaal Capaccio

Helaas schiet Rodenbergs levensbeschrijving af en toe tekort. Hij graaft soms te weinig door. Zo meent hij bijvoorbeeld dat Aleida uit het Schotse graafschap Ross, door haar broer Willem II geschonken als weduwgoed, aanzienlijke inkomsten zal hebben gehad. Maar dit ooit door haar overgrootmoeder ingebrachte graafschap was al in de eerste helft van de 13de eeuw in handen van een Schotse edelman, ook al bleven de Hollandse graven er een claim op leggen (p. 30, 95). Het was dus een geschenk waar ze financieel niet veel aan zal hebben gehad.

Het boek wekt de indruk te zijn geschreven onder hoge tijdsdruk, gezien tekstuele slordigheden en merkwaardige verschrijvingen. Zo spreekt Rodenberg bijvoorbeeld van ‘Arkadiërs’ waar hij de Ascaniërs bedoelt (p. 50) en geeft hij kardinaal Pietro Capocci de tamelijk culinair klinkende maar niet bestaande naam ‘Capaccio’ (p. 54). Bevreemdend is dat in Rodenbergs uitvoerige literatuuropgave Dageraad van Holland van Henk ’t Jong ontbreekt, toch het meest recente overzicht van de gravengeschiedenis inzake de 13de eeuw. ’t Jong vermeldt dat Aleida nog in 1262 door de roomskoning werd bevestigd als regentes. Een belangrijk feit gezien haar moeilijke positie als vrouwelijke bestuurder in een mannenwereld, maar niet genoemd door Rodenberg.

Het is een sympathiek streven om van Aleida van Henegouwen nu eens de hoofdpersoon in plaats van een bijfiguur te maken, en Rodenbergs Aleida is een mooi vormgegeven aanzet daartoe, maar het boek doet toch verlangen naar meer.

Jeroen Rodenberg, Aleida. Aleida van Henegouwen en de stichting van Schiedam. Schiedam, dr. K. Heeringa Stichting, 2025, 234 blz., ill., ISBN 978907377371. Prijs €39,95.