Door Romy Beck

Onlangs verschenen twee nieuwe publicaties over de vroegmoderne (Hollandse) walvisvaart. De walvisvaart in de 17e en 18e eeuw van Karel Oosterling en Een ijselijke nering. De walvisvaart van de Wadden in de zeventiende eeuw van Anne Doedens en Liek Mulder. In het verleden leverden onder andere Jaap Bruijn, Piet Dekker, Louwrens Hacquebord, Cornelis de Jong en Joost Schokkenbroek belangrijke bijdragen aan dit onderzoeksveld. De laatste jaren was het echter relatief stil. Des te opvallender is het dat er nu twee nieuwe studies zijn gepubliceerd. Wat voegen zij precies toe aan onze kennis over de walvisvaart?

Namenlijst

Bij de zoektocht naar het verleden van zijn eigen familie kwam econoom Karel Oosterling terecht in de wereld van reders en commandeurs. Zijn voorouders woonden op Ameland en waren twee generaties lang werkzaam als walvisvaarder in het noordelijk gelegen Groenland en Spitsbergen. Het boek had een interessant familieverhaal kunnen worden, maar Oosterling richt zich voornamelijk op het ontsluiten van informatie over de vroegmoderne walvisvaart ten tijde van de Republiek. Zijn zoektocht richt zich zowel op de in de literatuur bekende commandeurs, reders en rederessen, als op degenen die om verschillende redenen buiten beeld bleven (p. 9).

Oosterling presenteert in zijn boek een uitgebreid overzicht van namen uit de relatief goed gedocumenteerde achttiende eeuw. Deze namenlijst is gebaseerd op studies van Piet Dekker en op de contemporaine Alphabethische naam-lyst van alle de Groendlandsche en Straat-Davissche commandeurs, die zedert het jaar 1700 op Groenland, en zedert het jaar 1719 op de Straat-Davis voor Holland en andere provincien hebben gevaaren van Gerret van Sante (1770). Voor de zeventiende eeuw – een periode die minder goed ontsloten is – reconstrueert Oosterling de walvisvaartuitredingen, inclusief de namen van commandeurs en reders. Hiermee vult hij een belangrijke leemte in de bestaande historiografie. We beschikken nu over een zo compleet mogelijk beeld van alle commandeurs die in de 17de en 18de eeuw naar het noorden vertrokken.

Tabellen en cijfers

De inventarisatie van Oosterling omvat zowel de personen die eenmalig een reis ondernamen, als de deelnemers die tientallen keren het hoge noorden bevoeren. Daarnaast schenkt hij expliciet aandacht aan walvisreders en -rederessen die verantwoordelijk waren voor de organisatie van de reizen. Volgens de auteur maakt die focus duidelijk hoe de bedrijfstak in de praktijk functioneerde: ‘In de ruim 150 jaar na de Noordse Compagnie kwam een landschap tot stand van enerzijds vele kleine walvisrederijen met veelal matige rendementen en anderzijds een kopgroep van meer dan honderd (middel)grote rederijen met vaak goede resultaten”’ (p. 8).

De walvisvaart in de 17e en 18e eeuw biedt in maar liefst bijna honderd kleine hoofdstukken of kaderteksten een enorm aantal details en kwantitatieve gegevens over de walvisvaart ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Daarmee onderscheidt het boek zich nadrukkelijk van eerdere studies, maar het resultaat is wel een vuistdikke studie die bol staat van de tabellen en cijfers. Hoewel de publicatie uitstekend bruikbaar is als naslagwerk, ontbreekt een verhalende lijn die de lezer meeneemt door het materiaal. Het boek is vooral waardevol voor wie gericht zoekt naar specifieke personen of cijfermatige gegevens uit de wereld van de walvisvaart.

Eilanden centraal

Waar Karel Oosterling zich in zijn boek richt op walvisvaart met betrekking op de gehele Republiek, kiezen Anne Doedens en Liek Mulder in Een ijselijke nering voor een regio: de Waddeneilanden in de zeventiende eeuw. De auteurs vestigen de aandacht op de rol die de eilanden speelden in de scheepvaart. Ze pleiten ervoor om deze gebieden een volwaardige plaats te geven in het grotere historische verhaal, een plek die ze lang niet altijd hebben gekregen.

Doedens en Mulder maken hierbij gebruik van bij notarissen opgetekende getuigenissen. Zo komen de gevoelens, opvattingen en conflicten van walvisvaarders van de eilanden tot leven. In het eerste hoofdstuk staat de handel via de Wadden met de Oostzee, IJsland en het Hoge Noorden centraal. Met name Vlieland en ook Terschelling profiteerden dankzij hun geografische ligging sterk van de vaart op het Baltische gebied. Veel schippers uit deze regio voeren via de Sont naar de Oostzee.

In het tweede hoofdstuk bespreken Doedens en Mulder de walvisvaart van zowel de Republiek als de Wadden, en de invloed daarvan op het dagelijks leven van de eilandbewoners. Na het aflopen van het octrooi van de Noordse Compagnie in 1642 bleven de Amsterdamse en de Harlinger Kamer actief. Dit was tevens het moment dat vooral de Vlielandse walvisvaart tot grote bloei kwam. Waar investeerders en bevrachters vooral afkomstig waren uit Hollandse steden als Amsterdam, Zaandam en Rotterdam, werd het eigenlijke werk uitgevoerd door Vlielandse commandeurs. Zij werden vaak als zeer geschikt beschouwd, vanwege de lange zeevarende traditie op het eiland en de handelscontacten met havens langs de Oostzee, IJsland en het arctische Noorden.

Intermezzo’s

Naast specifieke inzichten in het Waddengebied biedt het boek ook algemenere informatie over de zeventiende-eeuwse walvisvaart. Zo behandelt het derde hoofdstuk de jacht, de gebruikte middelen en de tijdsomstandigheden, en wordt in twee intermezzo’s aandacht besteed aan Michiel de Ruyter als walvisvaarder en de kapers van Lodewijk XIV. Dergelijke uitstapjes zijn leuk, maar doen wel een beetje afbreuk aan de lijn van het verhaal.

De meest waardevolle passages in het boek zijn te vinden in hoofdstuk 4 ‘Het geslacht Ys’ en hoofdstuk 6 ‘Willem de Vlamingh en Nicolaes Witsen’, waarin een grote walvisvaartfamilie en de meest opvallende walvisvaarder van Vlieland onder de loep worden genomen. Door in te zoomen op mensen die daadwerkelijk actief waren in de noordelijke gebieden krijg je meer inkleuring van het algemene verhaal van de vaart. De persoonlijke verhalen maken het verleden meer menselijk en tastbaar. ‘Wie verre reizen doet kan veel verhalen. Dat gold zeker voor Ys (Willem Pietersz.). De bekende Amsterdamse koopman, burgemeester en amateur-wetenschapper Nicolaes Witsen (1641-1717) kende de Vlielandse varensman goed, en gebruikte diens kennis en ervaring in zijn in 1692 verschenen boek Noord en Oost Tartarye’ (p.102).

Ook het verhaal van Lambert Pietersz. Geweldt, dat in een hertaling in het boek is opgenomen, is meer dan de moeite waard. De Vlielandse stuurman kwam in 1700 met het schip ‘De Jonge Arent’ op de Barentszzee in zeer zwaar weer terecht. Bij Bereneiland leed hij vervolgens schipbreuk. Daarna moest de tienkoppige bemanning zien te overleven in barre omstandigheden in het Hoge Noorden.

Mooie aanvulling

Zowel De walvisvaart in de 17e en 18e eeuw van Karel Oosterling als Een ijselijke nering. De walvisvaart van de Wadden in de zeventiende eeuw van Anne Doedens en Liek Mulder zijn een mooie aanvulling op de bestaande historiografie. Het boek van Oosterling is vooral een naslagwerk met veel cijfermatig materiaal, en inzicht in de organisatie van de walvisvaart. Doedens en Mulder leggen vooral de nadruk op onbekende verhalen uit het Waddengebied en verrijken onze kennis over de vroegmoderne walvisvaart met persoonlijke verhalen.

Karel Oosterling, De walvisvaart in de 17e en 18e eeuw. Z.p.: Omdenoost, 2023, 456 p., ill., ISBN: 9789464813791. Prijs €39,99.

Anne Doedens en Liek Mulder, Een ijselijke nering. De walvisvaart van de Wadden in de zeventiende eeuw. Zutphen: Walburg Pers, 2024, 192 p., ill., ISBN:9789464561968. Prijs €24,99.

Inhoudsopgave

Redactioneel | Populisme in Holland
Kerrewin van Blanken | 17de-eeuws populisme? Over volk, volkssoevereiniteit, democratie en staat in de vroegmoderne tijd
Ruben Ros | Tussen redelijkheid en pragmatisme. Antipopulisten in de polder

Tijdingen – Jaap de Haan  | Populisme in het Catshuis en het Torentje?
Essay – Clemens van Herwaarden | Liefde voor de charismatische leider. Wat Pim Fortuyn ons kan leren over Donald Trump en Geert Wilders
Portret – Peter Altena | ‘Echo’s!?’ Gerrit Paape populist?
Column – Maarten van Rossem | De plaag van de verlosser
Signalementen
Uithoek – 
Marieke Dwarswaard | Pim Fortuyn in Sassenheim


Inhoudsopgave

Redactioneel: Rafelranden van Amsterdam
Ranjith Jayasena | De rafelranden van 16de-eeuws Amsterdam
Janna Coomans | Precariteit, dieven en de middeleeuwse Amsterdamse rafelrand
Bob Pierik | Bomen en palen aan de kust van vroegmodern Amsterdam. De fluïde grens van de stad aan de hand van smokkelpraktijken
Janneke Gemmeken | Gedeelde grond. Volkstuinen als microkosmos voor stedelijke verandering in Amsterdam

Beeldessay – Annemarie de Wildt | Rafelranden verbeeld: verschuivende stadsgrenzen
Column – Jouke Turpijn | Red de rafelrand


Inhoudsopgave

Redactioneel: Molens in Holland: invloedrijke gangmakers
Bart Ibelings | Het vroege Hollandse molenlandschap. Windwater- en korenmolens en de landbouw in de 15de en 16de eeuw
Herman Kaptein | De mechanische revolutie. Windmolens als aanjagers van de Hollandse economie (1600-1900)
Marloes Wellenberg en Ellen Steendam | Altijd iemand thuis. Vrouwen aan het werk op poldermolens in Zuid-Holland

Interview – Molenerfgoed of Instagram-toerisme? In gesprek met molenaar Jippe Kreuning van oliemolen de B0nte Hen
Column – Gerard Troost | Vergeet de dierenwinkel niet
Uithoek – Henk Looijesteijn | De Zwaan, Holland, Michigan


Inhoudsopgave

Els M. Jacobs | Redactioneel – Lees online
Jeroen ter Brugge | Van binnenstadlocaties naar de rivier. Het Hollandse wervenlandschap tussen 1870 en 1914
Judith Siegel | Buitenlandse kennis op een Rotterdamse werf. De bouw van de G.S. Walden in 1935
Mark Straver | Strijd om arbeid in Holland. De Nederlandsche Dok- en Scheepsbouw Maatschappij in tijden van toenemende
concurrentie, 1950-1965

Topstuk – Annette de Wit | Het successchip van de vroegmoderne tijd
Topstuk – Jan Briek | Esso Cambria, een Nederlands reuzenschip
Interview met Richard Velthuizen | Van concurrenten naar concullega’s. Het zoeken naar samenwerking binnen de scheepsbouw na 1983
Column – Bas Buchner | Voorbij de horizon – Lees online
Uithoek – Frank de Hoog | Tussen de kassen

Door Kees Dekker

Van Willem de Veroveraar tot Willem III

De Noordzee over en weer, dat oorspronkelijk is verschenen in het Engels onder de titel North Sea Crossings: The Literary Heritage of Anglo-Dutch Relations 1066-1688 (Oxford, 2021), is een boek met een verhaal, en een weelde aan verhalen. Ten grondslag aan dit uitstekend geschreven en mooi geïllustreerde boek liggen twee projecten (een sociaal-maatschappelijk project getiteld North Sea Crossings en een onderzoeksproject The Literary Heritage of Anglo-Dutch Relations, c. 1050-c. 1600), alsmede een begeleidende tentoonstelling in de Bodleian Library, te Oxford (2021-2022). De schrijvers, tevens redacteuren, Sjoerd Levelt en Ad Putter (werkzaam als senior onderzoeker, resp. hoogleraar aan de Universiteit van Bristol) hebben voor hun werk steun gekregen van een groep experts op deelgebieden van het onderzoeksveld. Elk van de zes hoofdstukken is geschreven door een team van schrijvers aangevoerd door Sjoerd Levelt (1, 4 en 5) of Ad Putter (2 en 4); hoofdstuk 3 is door hen beiden geschreven. De vertaling naar het Nederlands is gemaakt door Thea Summerfield en Esther Putter. De Noordzee over en weer is dus geen duografie en geen bundel artikelen, maar het resultaat van vruchtbare samenwerking door een groep onderzoekers en vertalers. En dat resultaat mag er zijn.

De literaire en culturele betrekkingen tussen Groot-Brittannië en de Nederlanden zijn, zoals het boek aantoont, een fascinerend en heel divers onderwerp. De periode die wordt beschreven, 1066-1688, lijkt bepaald door symboliek: 1066 markeert de verovering van Engeland door Willem van Normandië en 1688 de troonsbestijging in Engeland door Willem III. Er waren bij voorbeeld ook eerder literaire contacten: zo schrijft Altfrid van Hildesheim in het leven van de Friese missionaris Ludger (742-809) dat die laatste een schat aan boeken meenam van York naar Utrecht. Maar, zoals Levelt en Putter terecht betogen, in de latere middeleeuwen wordt het literaire en culturele bewijs van de Engels-Nederlandse betrekkingen talrijker, zichtbaarder en tastbaarder, om uiteindelijk te resulteren in een vloed van documenten en boeken uit de vroegmoderne periode. Een rijke selectie van dit bewijs wordt in De Noordzee over en weer niet alleen beschreven maar ook getoond in de vorm van prachtig uitgevoerde illustraties die het boek een extra dimensie geven.

Diverse thema’s

De zes hoofdstukken laten een mengeling van thema’s zien die op het eerste gezicht wat arbitrair aandoet. Het eerste hoofdstuk bestudeert de geschiedschrijving, een genre, terwijl hoofdstukken 2 en 3 achtereenvolgens handschriften en gedrukte boeken, en dus documenten, behandelen. Vervolgens komt er een hoofdstuk over landkaarten (zowel genre als document), gevolgd door één over mensen (prosopografie). Het zesde en laatste hoofdstuk gaat over een literaire traditie, en wel die van Reinaert de Vos. Echter, bij het lezen van het boek vloeit een en ander vrijwel moeiteloos in elkaar over; in elk hoofdstuk zit ook een stukje chronologie: de geschiedschrijving van de Nederlands-Engelse betrekkingen begint vroeg; handschriften gaan vooraf aan gedrukte boeken; en het hoofdstuk over landkaarten gaat meest over gedrukte exemplaren. Waar het hoofdstuk over ‘mensen’ een geschikte afsluiting voor het boek had kunnen zijn, behandelt het laatste hoofdstuk, over Reinaert de Vos, een literaire traditie die bij uitstek de culturele connecties tussen de Nederlanden en Engeland belichaamt. In dit hoofdstuk, dat eruit springt vanwege de thematische eenheid, laten de auteurs heel mooi zien hoe juist transnationale en transculturele lijnen de katalysator vormen langs welke de continentale Reinaerttraditie in al haar aspecten (tekstueel en pictografisch) een onderdeel is geworden van de Engelse literatuur. Als een soort van case study waarin alle componenten van het boek samenkomen, is dit laatste hoofdstuk terecht een apotheose van De Noordzee over en weer.

De rijke collectie van de Bodleian Library

De inhoud van een overzichtswerk zoals De Noordzee over en weer wordt bepaald door de keuzes die de auteurs en redacteuren maken. Je kunt in een boek als dit immers niet alles behandelen of opnoemen, of naar alle literatuur verwijzen. De rijke collectie van de Bodleian Library heeft, zoals in de introductie wordt aangegeven, een belangrijke rol gespeeld bij de samenstelling, maar dat neemt niet weg dat de auteurs zeer weloverwogen en gebalanceerd te werk zijn gegaan en ook over de grenzen van Oxford heen hebben gekeken. De lezer die geen expert is op dit vakgebied, zal aangenaam worden verrast door de grote variatie aan onderwerpen en documenten en door de toegankelijkheid van de beschrijvingen. Iedere lezer zal ook – dat is onvermijdelijk – eigen desiderata vinden. Zo had men aandacht kunnen besteden aan de vermeende connectie tussen het Engels en het Fries, een topos beschreven door Rolf Bremmer in 1990 (Folia Linguistica Historica 11); ontbreekt een verwijzing naar het werk van Marika Keblusek over de boekcultuur van uitgeweken Engelse royalisten tijdens het interregnum (bij voorbeeld Boeken in de Hofstad, pp. 271–300 (1997); en wordt er niet gerept over het Ormulum: een twaalfde-eeuws handschrift met een Vroegmiddelengelse tekst die van groot belang is voor ons begrip van de ontwikkeling van het Engels, en die in 1659 werd ontdekt in de bibliotheek van de Engelse vluchteling Sir Thomas Aylesbury en in de bagage van Franciscus Junius in 1674 weer naar Engeland verhuisde. Het ontbreken van deze en wellicht andere onderwerpen mag jammer worden gevonden, maar laat juist ook zien dat er nog veel meer te ontdekken valt in de fascinerende wereld van de Nederlands-Engelse literaire en culturele betrekkingen. De Noordzee over en weer is daarbij een onmisbare bron die ik van harte aanbeveel.

Sjoerd Levelt en Ad Putter, De Noordzee over en weer. Het literaire erfgoed van Nederlands-Engelse betrekkingen 1066-1688 (vertaling Thea Summerfield en Esther Putter). Amsterdam: Amsterdam University Press, 2022, 304 p., ill., ISBN 9789463722070, prijs €41,99.

Door Marieke Dwarswaard

Een regiografie                                                                                                       

Het verhaal van de economische crisis van de jaren dertig van de 20ste eeuw, die begon met de Beurskrach in 1929, is bij de meeste Nederlanders bekend. Dat bepaalde regio’s van Nederland veel zwaarder werden getroffen dan andere, is minder algemene kennis. In Stakkers en Stakers wil historicus Bart Lankester, die eerder biografieën schreef van de linkse verzetsstrijdster Trien de Haan en van sixties-icoon Loes Hamel, laten zien hoe de crisis het gebied boven Alkmaar raakte. Hij noemt dit ‘een regionale biografie, een ‘regiografie’’. (p.9).   

Centraal staan de vragen ‘Hoe was het gesteld met de werklozen, armen en opstandigen in Noord-Holland Noord? Wie waren ze, waar woonden ze, wat was hun afkomst en hoe hielden ze zich in de ellende staande?’ (p.9). Om deze vragen te beantwoorden, is Lankester op zoek gegaan naar een combinatie van persoonlijke gegevens en bestuurlijke informatie over de werkverschaffing en het armoedebeleid. Hij heeft deze informatie aangevuld met getuigenissen van nabestaanden van inwoners van het gebied die de crisis hebben meegemaakt.

Interessant gebied                                                                                                                                                      

De kop van Noord-Holland is een interessante case study, en dat weet Lankester overtuigend neer te zetten. Het gebied werd zwaar getroffen vanwege de afhankelijkheid van landbouw als belangrijkste bestaansmiddel: met name de tuinbouw in het oosten en westen van West-Friesland leed enorm onder de crisis. Ook de visserij verkeerde in zwaar weer, maar daar speelden al langer problemen. Een uitzondering was de bollenteelt. Er was in de regio geen sprake van grote industrie die voor veel werkgelegenheid zorgde. De grootste werkgever in het gebied was de marine in Den Helder. De middenstand leed eveneens onder de crisis, doordat mensen steeds minder geld voor levensmiddelen hadden.

De regio is eveneens interessant omdat de rijksoverheid in 1932 begon met een enorm werkverschaffingsproject: de ontginning en het bouwrijp maken van de Wieringermeer. Hier kwamen niet alleen arbeiders uit het gebied zelf te werken, maar ook werklozen uit de rest van Nederland, met name uit de noordelijke provincies. Dat zorgde voor spanningen. Enerzijds vanwege huisvestingsproblemen, anderzijds doordat de arbeiders uit het noorden gewend waren om in opstand te komen als iets hen niet zinde. In de kop van Noord-Holland waren stakingen lang een zeldzaamheid, maar met de komst van met name vrije socialisten uit Groningen en Drenthe veranderde dat.

Schakelen

De werkgelegenheidsprojecten die er waren, vergden fysiek veel van de tewerkgestelden. De crisis duurde daarnaast erg lang. Volgens Lankester zou het ‘tot zeker midden jaren vijftig duren voordat de diepe armoede eindelijk was beteugeld en de grootschalige werkloosheid was teruggedrongen. Al met al had de economische crisis, die in 1929 was begonnen, een hele generatie geduurd.’ (p.141).

Lankester verzamelde veel informatie, prachtige foto’s en persoonlijke anekdotes. Helaas resulteert dat in een enigszins rommelig geheel. In de lopende tekst vertelt de auteur het grotere verhaal, afgewisseld met kaders waarin persoonlijke verhalen van mensen uit het gebied uitgelicht worden. Zo beschrijft hij onder andere het leven van de katholieke tuinder Theodorus Berkhout (p.35), de agent voor arbeidsbemiddeling Piet Commandeur (p.43) en de Drentse anarchist Rense Holtjer (p.116). Ook zijn er kaders over organisaties als de Heidemaatschappij en over relevante wetgeving, zoals het erg nuttige overzicht waarin alle landbouwcrisiswetten kort worden samengevat.

Omdat de persoonlijke anekdotes echter losstaan van de hoofdtekst, moet je als lezer voortdurend schakelen. Samen vormt alle informatie in het boek absoluut een helder antwoord op de centrale vraag: was het slecht gesteld met de armen en werklozen in deze regio? Wellicht was het beter geweest om met twee katernen te werken, of de anekdotes meer in het verhaal op te nemen. Al met al is Stakkers en Stakers als regiografie een genre dat absoluut navolging verdient, maar dat baat had gehad bij andere indeling.

B. Lankester, Stakkers en stakers. Hoe Noord-Holland Noord worstelde met armoede en werkloosheid, 1930-1940, Wormer: Uitgeverij Noord-Holland, 2024, 164 blz., ill., ISBN 9789492335500, €29,95.

Door Romy Beck

Zelfstandige spelers

In Moeders des Vaderlands. De vrouwen die de Nederlanden vormden besteden verschillende auteurs aandacht aan onderbelichte verhalen over vrouwen uit het verleden. Ondanks hun continue aanwezigheid kregen zij in de geschiedschrijving structureel minder aandacht dan hun mannelijke tijdgenoten. En dat terwijl ze een belangrijke rol speelden bij de ontstaansgeschiedenis van het gebied dat we nu kennen als Nederland en België. ‘Niet alleen, zoals lang is aangenomen, door het produceren van nageslacht of als pion op het dynastieke schaakbord, maar ook als zelfstandige speler’. Gelukkig bestrijden historici al enige decennia het traditionele en inmiddels achterhaalde perspectief op vrouwen, en Moeders des Vaderlands is hier een mooie aanvulling op.

Femke Deen en Ineke Huysman, die deze bundel samenstelden, willen met hun boek een aanzet geven om ‘machtige vrouwen in ere te herstellen’. Ze pleiten voor een andere blik op bronnen, zoals correspondenties, gerechtelijke en juridische documenten, gegevens rond rituelen en ceremonies, literaire teksten en materiele cultuur. Op die manier pogen ze de complexiteit en diversiteit van gender te doorgronden en te komen tot een herwaardering van de plaats van vrouwen in de geschiedenis. Zo hadden vrouwen eigen rollen en instrumenten, en waren in staat om invloed uit te oefenen in domeinen die traditioneel worden geassocieerd met mannelijke macht. Ze vormden belangrijke schakels in correspondentienetwerken tussen machtscentra en namen actief deel aan politieke en militaire besluitvorming. De vroegmoderne diplomatie was zelfs in grote mate afhankelijk van vrouwelijke actoren. Daarnaast waren vrouwen betrokken bij het arrangeren van strategische huwelijken en bij het beheren van patronagenetwerken.

Achttien vrouwen

Achttien vrouwen passeren, in chronologische volgorde, de revue, beginnend met de zussen Johanna (1200-1244) en Margaretha (1202-1280) van Constantinopel. Al in de dertiende eeuw hadden zij als leenvrouw van de graafschappen Vlaanderen en Henegouwen de autoriteit om hun ambt uit te oefenen. Via verschillende opvolgende portretten maakt de lezer kennis met dames uit de veertiende tot en met de achttiende eeuw. Wilhelmina van Pruisen (1751-1820), die volgens Edwina Hagen een sleutelfiguur was in het Nederlandse en internationale politieke landschap en zelfs meer aanzien kende dan haar man stadhouder Willem V (1748-1806), sluit het geheel af.

Volgens Deen en Huysman waren genderrollen in de vroegmoderne tijd veel flexibeler en complexer dan vaak wordt aangenomen. In het hoofdstuk ‘Amalia van Solms-Braunfels (1602-1675). Oranjepolitiek in dienst van de Republiek’ laat Huysman bijvoorbeeld zien dat hoognodig is om het beeld van de prinses-gemalin van Oranje als een machtsbeluste en hebzuchtige intrigante bij te stellen. Te lang heeft een stereotype oordeel bestaan over vrouwelijke heersers, terwijl recent onderzoek juist wijst op de onafhankelijke houding en het strategisch inzicht van Amalia van Solms.

Vorstinnen des vaderlands

Het boek richt zich, ook in de andere hoofdstukken, uitsluitend op ‘vorstinnen’, zonder uitzondering allemaal vrouwen van hoge adel. Dit mooie gezelschap verdient zeker herwaardering, maar toch is het jammer dat alleen deze ‘moeders’ zijn geselecteerd. Door hun adellijke afkomst waren zij uitzonderlijk. Ze behoorden tot de elite en waren nauw verbonden met politiek en besluitvorming. Het zou interessant zijn om ook eens de politieke rollen van relatief onbekende vrouwen uit te lichten en te kijken welke rol zij speelden bij de ontstaansgeschiedenis van ons land. Hoe divers is eigenlijk de groep moeders? Dit neemt niet weg dat Moeders des Vaderlands een belangrijke aanvulling vormt op en herziening is van de geschiedschrijving, die decennialang vrouwelijke hoofdrolspelers niet op waarde heeft geschat. Deen, Huysman en alle andere auteurs laten duidelijk zien welke belangrijke rollen vrouwen speelden bij de ontwikkeling van de Nederlanden.

Femke Deen en Ineke Huysman (red.), Moeders des Vaderlands. De vrouwen die de Nederlanden vormden. Amsterdam: Atlas Contact, 2024, ISBN: 9789045050058, prijs € 29,99.

Door Hans Wallage

Internationaal boegbeeld

Hoewel er al veel is geschreven over de filosoof Spinoza, blijft de mens achter zijn ideeën vaak een enigma. Ian Buruma doorbreekt dit mysterie met Spinoza. Filosoof van de vrijheid, waarin hij verschillende historische bronnen samenbrengt om een frisse, toegankelijke kijk te bieden op het leven van een van de meest intrigerende denkers uit geschiedenis. Buruma’s kracht ligt in zijn oog voor detail en soepele schrijfstijl. Spinoza wordt in het boek niet alleen als intellectueel geportretteerd, maar als een mens die geworteld is in zijn tijd en gemeenschap. Door Spinoza in de bredere intellectuele context te plaatsen, laat Buruma zien dat Spinoza niet de enige was die in de 17de eeuw dergelijke denkbeelden koesterde. Wat Spinoza echter onderscheidde, is hoe hij uitgroeide tot een internationaal boegbeeld van universalisme voor diverse gemeenschappen — een symbolische positie die hem dichter bij figuren als Jezus of Mozes plaatst dan hij zelf waarschijnlijk had kunnen bedenken.

Hoewel Spinoza, in de woorden van Buruma, grotendeels ‘geseculariseerd was’, laat de auteur overtuigend zien hoe zijn Joodse culturele identiteit gedurende zijn leven zichtbaar bleef. De spanning tussen Spinoza’s persoonlijke en rationele benadering van het leven enerzijds, en de collectieve, naar binnen gekeerde en vaak religieuze beleving binnen de Joodse gemeenschap anderzijds, vormt een rode draad in het verhaal. Bij het ontleden van de gemeenschap zoomt Buruma terecht uitgebreid in op een van de grootste uitdagingen waarmee Joodse bestuurders in de 17de-eeuwse Republiek werd geconfronteerd. Joden werden door stadsbesturen weliswaar getolereerd, maar stonden onder druk om zich te conformeren aan maatschappelijke normen die waren bedoeld om rust en stabiliteit te waarborgen. Elk openbaar incident kon immers leiden tot verlies van Joodse privileges en, in het slechtste geval, tot verbanning.

Spinoza in de ban

Buruma wijst de plicht van de Joodse bestuurders om rust en orde te bewaren dan ook aan als een belangrijke verklaring voor de levensloop van Spinoza. Volgens hem kan de cherem (banvloek) die Spinoza in 1656 trof, niet los worden gezien van de verantwoordelijkheid van het Joodse bestuur om maatschappelijke onrust te voorkomen. Hoewel Buruma terecht een verband legt tussen deze plicht en de beslissing van de mahamad (de Joodse bestuurders), had hij dit verder kunnen uitwerken door meer aandacht te schenken aan de precaire positie van het Joodse bestuur op dat moment. Dit zou namelijk extra context hebben geboden voor het besluit van de mahamad om Spinoza in de ban te doen.

Ook zonder de uitspraken van Spinoza stond het Joodse bestuur in 1656 namelijk al voor een enorme uitdaging om de interne rust binnen de gemeenschap te behouden. De komst van grote groepen Joden uit Polen-Litouwen legde dat jaar een zware last op het bestuur, dat verantwoordelijk was voor de opvang van deze vluchtelingen. De reeds bestaande spanningen maakten het des te begrijpelijker dat het bestuur besloot Spinoza met de zwaarste straf, cherem, te bestraffen, om verdere onrust te voorkomen.

Toegankelijk boek

Buruma schrijft op een meeslepende en levendige wijze. Hij slaagt erin complexe filosofische concepten helder en toegankelijk uit te leggen, waardoor het boek aantrekkelijk is voor een breed publiek. Bovendien laat hij overtuigend zien dat het samenbrengen van een uitgebreide bronnencorpus waardevolle inzichten biedt in de persoon Spinoza. Zo maakt Buruma gebruik van diverse historische bronnen, zoals overheidscorrespondentie, persoonlijke briefwisselingen en biografieën. In het geval van de biografieën steunt hij wel op werken van auteurs die uitsluitend achteraf kennis hadden van Spinoza’s leven. Omdat de gebruikte bronmateriaal in de tekst niet altijd duidelijk wordt aangegeven, roept dit tijdens het lezen vragen op over de historische betrouwbaarheid van de gebruikte biografieën.

Desondanks is Spinoza. Filosoof van de vrijheid een prachtig en inspirerend werk dat niet alleen Spinoza’s leven en denken belicht, maar ook de lokale Joodse gemeenschap van de 17de-eeuwse Republiek tot leven brengt. Buruma slaagt erin een complex figuur als Spinoza toegankelijk te maken zonder afbreuk te doen aan de diepgang van zijn filosofie. Het boek is een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in filosofie, geschiedenis of de zoektocht naar vrijheid van denken.

Ian Buruma, Spinoza. Filosoof van de vrijheid. Amsterdam: AtlasContact, 2024, 256 blz., ISBN: 9789045051116, prijs: €24,99

Door Mathijs van der Loo

Rotterdam kennen we tegenwoordig als een moderne havenstad van internationale allure. Gedurende de Gouden Eeuw nam het belang van de stad toe en het zou pas echt sprongen gaan maken in de 19de eeuw. In deze periode groeide Rotterdam uit tot de belangrijkste havenstad van Nederland. De focus van historici op deze ontwikkeling lag lang in de tweede helft van de 19de eeuw, maar de stad maakte gedurende de Franse tijd (1806-1813) belangrijke stappen richting haar monopoliepositie.

Johan Joor besteedt juist aan deze periode de nodige aandacht in zijn recente boek Door de mazen van het net. De stad werd gedurende deze periode getekend door het door keizer Napoleon geïntroduceerde continentaal stelsel, waarmee hij door middel van een handelsembargo het Verenigd Koninkrijk trachtte op de knieën te krijgen. Dat dit stelsel effect had op de open handelseconomie van Holland was al langer bekend, maar Joor weet een levendig beeld te schetsen van Rotterdam in Franse jaren.

Napoleon ondermijnde zijn eigen systeem

Het continentaal stelsel kwam in 1806 tot stand, nadat Napoleon tot de conclusie was gekomen dat hij het Verenigd Koninkrijk niet langer militair kon verslaan. In een reeks van decreten zette hij in de loop van een aantal jaar het stelsel op. Joor beschrijft als eerste in zijn boek hoe het continentaal stelsel tot stand kwam in het Franse keizerrijk en met welke bepalingen dit gepaard ging. Waar aanvankelijk de complete handel met het Verenigd Koninkrijk moest worden stilgelegd, vertoonde het systeem in de loop van de jaren toch wat barstjes.

De belangrijkste zet daartoe gaf Napoleon zelf. Doordat het Franse keizerrijk te maken kreeg met een recessie omstreeks 1810, besloot hij om licenties af te geven voor de handel met de Britten. Dit hield in dat handelaars een bedrag moesten betalen aan de Franse overheid om op Britse havens te mogen varen om bepaalde producten te verhandelen. Hiermee voorzag Napoleon zijn schatkist van inkomsten en gaf het enkele Rotterdamse reders de gelegenheid om legaal te handelen met het Verenigd Koninkrijk.

Smokkelen

Een belangrijk element waardoor het continentaal stelsel erodeerde, was de grootschalige smokkelhandel. Vanuit Nederland speelden de vissers uit de verschillende Hollandse vissersdorpen, zoals Noordwijk, Scheveningen en Vlaardingen, hierin een belangrijke rol. Zodoende is het boek breder dan alleen een geschiedenis van Rotterdam, maar behandelt het ook de rol die deze vissers uit de regio in de smokkelaarsnetwerken hadden.

Een van de belangrijkste figuren die ter sprake komt in het boek, is de Franse politiechef Antoine Delacoux de Marivault, die gedurende de periode van de Inlijving van Nederland bij Frankrijk (1810-1813) belast was met de taak om smokkelaars aan te pakken. Uit het boek ontstaat een beeld van een ijverige politiecommandant die druk bezig was om de smokkelaars aan te pakken en hun netwerken op te rollen, maar vaak net achter het net viste door de concurrerende Franse diensten (politie, douane en marine) en door smokkelaars die hem net te slim af waren. Bepaalde passages in het boek hadden zo uit een napoleontische spionageroman kunnen komen.

Amsterdam

Een vergelijking met de economische ontwikkeling van Amsterdam in deze periode passeert ook enkele malen de revue. Zo was bijvoorbeeld de licentievaart vanuit de stad aan het IJ groter dan die van Rotterdam, maar kende Amsterdam in de behandelde periode een grotere krimp qua bevolkingsaantal dan de Maasstad. Soms maakt Joor wel een vergelijking met Amsterdam, maar diept hij deze onvoldoende uit. Zo schrijft hij dat het stadsbestuur van Rotterdam fundamenteel veranderde in de periode ten opzichte van Amsterdam, maar hoe deze ontwikkeling in de andere stad veranderde laat de historicus verder onbenoemd.

Wat Joor vooral weet duidelijk te maken in zijn boek, is dat de voorwaarden voor Rotterdam om de zware economische situatie tijdens de Franse tijd te overleven al voordat deze periode aanbrak al enigszins aanwezig waren. Hier speelde de bestaande visserij in de regio een rol in, maar ook het agrarische achterland en het groeiende belang van Zeeland, Brabant en de Rijnlanden als afzetgebied voor Rotterdamse kooplieden. Bovenal zou Rotterdam zich in deze periode ontwikkelen tot het centrum van de smokkelhandel. Daardoor werd de stad in vergelijking tot Amsterdam veel minder hard geraakt door het continentaal stelsel. Zodoende blijkt Rotterdam een zeer interessante casestudy te zijn voor het continentaal stelsel en zijn werking op lokaal niveau.

Johan Joor, Door de mazen van het net: Crisis en verborgen veerkracht in Rotterdam ten tijde van het napoleontisch continentaal systeem 1806-1813. Amsterdam: Boom, 2022, 526 blz., ill., ISBN 9789024442430, prijs €42,90.

Door Marije Osnabrugge

Een belangrijke zestiende-eeuwse meester

In deze tijden van bezuinigingen op cultuur en wetenschap, worden tentoonstellingen die geworteld zijn in diepgravend wetenschappelijk onderzoek steeds zeldzamer. De tentoonstelling over Maarten van Heemskerck (1498-1574) – van 28 september 2024 tot 19 januari 2025 te zien in het Frans Halsmuseum, Teylers Museum en het Stedelijk Museum Alkmaar – vormt zonder enige twijfel zo’n een fundamentele bijdrage voor onze kennis over deze kunstenaar en de periode waarin hij leefde. Gastconservator Ilja Veldman, emeritus hoogleraar vroegmoderne kunst aan de Vrije Universiteit Amsterdam, doet dan ook al meer dan vijftig jaar onderzoek naar deze zestiende-eeuwse (Noord-)Hollandse kunstenaar. In deze boekrecensie wordt de tentoonstellingscatalogus besproken.

Maarten van Heemskerck zal zeker niet voor iedereen een bekende naam zijn. Onterecht, zo maken de tentoonstelling en publicatie duidelijk. De kunstenaar werd geboren in Heemskerk en bouwde in het nabijgelegen Haarlem een succesvolle carrière op. Hij vervulde belangrijke opdrachten voor Hollandse stedelingen en voor een flink aantal kerken in de Noordelijke Nederlanden. Op advies van tijdgenoten Jan van Scorel en Jan Gossart ondernam hij tussen 1532 en 1536 een studiereis naar Italië. Tijdens die reis bestudeerde hij ijverig antieke overblijfselen en Renaissance kunst. Na terugkomst maakte deze kennis hem tot één van de meest vernieuwende en gevraagde kunstenaars van het land. Het waren roerige tijden, en aan het eind van zijn leven moest Van Heemskerck tijdens de Beeldenstorm de verwoesting van een aantal van zijn altaarstukken in kerken in Amsterdam, Medemblik en Den Haag meemaken. Veldman omschrijft dit artistiek en persoonlijk drama op invoelende wijze: “Niet alleen had hij in die kostbare schilderijen zo veel tijd en moeite gestopt, maar ook werd zijn broodwinning en het bestaansrecht van die schilderijen betwist, en dus in zeker zin het bestaansrecht van het schildersberoep.” (p.218)

Sprekende portretten en Italiaanse vernieuwingen

De catalogus leidt de lezer chronologisch door Van Heemskerck’s carrière en oeuvre. De zorgvuldige analyse van een selectie kunstwerken vormt de leidraad, en geeft aanleiding tot stimulerende uiteenzettingen over kunst en maatschappij. Zo biedt het prachtige ‘Portret van een jonge vrouw’ uit ca. 1528 (Madrid, Museo Nacional Thyssen Bornemisza), dat op de voorzijde van de catalogus prijkt, de auteur gelegenheid tot een bespreking van de mogelijke identificatie van de vrouw, van de bijdrage van het werk aan de Hollandse portretkunst en van ideeën over de deugdzame huisvrouw in vroeg-zestiende-eeuws Nederland. Het is kenmerkend voor Veldmans grondige aanpak dat ook Heemskercks periode voor vertrek naar Italië uitgebreid aan bod komt. We leren dat hij zichzelf al voor die reis stevig in de markt had weten te zetten als vernieuwende schilder van fijnbesnaarde portretten en energieke devotiestukken. De lezer kan zo niet alleen de impact van de Italiëreis (beschreven in hoofdstukken 4 en 9) beter op waarde schatten, maar krijgt ook inzicht in de stand van de Hollandse kunst en het belang van Heemskerck in die minder gekende periode.

Enkele hoofdstukken bespreken een bepaald aspect, zoals Heemskercks bijdrage aan de prentkunst, zijn sociale netwerk, zijn omgang met de klassieke oudheid en zijn erfenis en reputatie tot de dag van vandaag. Het gigantische Laurentiusaltaarstuk, dat tot de Beeldenstorm in de Alkmaarse Grote Kerk stond opgesteld, krijgt ook een apart hoofdstuk. De uitgebreide analyse van de stijl en beeldtaal verduidelijkt de waarde van Heemskercks Italiaanse lessen. In het laatste hoofdstuk beschrijven restauratoren Mireille te Marvelde en Jessica Roeders de spectaculaire restauratie van de memorietafel De heilige Lukas schildert de Madonna (1532). De voorstelling was oorspronkelijk in een voor Heemskerck kenmerkende architectuur geplaatst (i.p.v. tegen de traditionele monotone achtergrond die zijn voorgangers prefereerden) en werd door de kunstenaar niet als één maar als twee panelen bedacht en uitgevoerd.

Uitstekende inleiding op ondergewaardeerde periode

Veldman’s expertise op het gebied van Van Heemskerck en de zestiende-eeuwse Hollandse kunst en maatschappij spat van de pagina’s. Gelukkig gaat dit nergens ten koste van de toegankelijkheid van al deze informatie. Steeds weer worden de relevante aspecten van de kunst en zestiende-eeuwse maatschappij helder, nauwkeurig en enthousiast uitgelegd. Daarbij bouwt Veldman niet alleen op haar eigen onderzoek, maar neemt ze ook het werk van vele collega’s mee in haar analyse – tot de meest recente publicaties aan toe. Het boek is daarom een belangrijk handboek voor experts, maar ook een uitstekende inleiding of verdieping op deze ondergewaardeerde periode in de Nederlandse kunst en geschiedenis. Wbooks leverde een rijk geïllustreerde catalogus met prachtige detailfoto’s, waarbij de kleine thumbnails van elders in het boek besproken kunstwerken een fijne handreiking voor de lezer vormen.

Ilja M. Veldman, met een bijdrage van Mireille van Marvelde en Jessica Roeders, Maarten van Heemskerck 1498-1574, Tentoonstellingscatalogus Frans Halsmuseum en Teylers Museum, Haarlem en Stedelijk Museum, Alkmaar. Zwolle: Wbooks, 2024, ISBN: 9789462586550, prijs € 39,95.

Marloes Wellenberg

Dat de Nachtwacht de Tweede Wereldoorlog veilig doorstond door een verblijf in de Sint-Pietersberg zal veel mensen bekend voorkomen. Dat deze verhuizing onderdeel was van een grootschalige operatie om het Nederlandse erfgoed te beschermen is veel minder bekend. Kunstbunkers en cultuurkaravanen vertelt het verhaal van de ambtelijke organisatie die hiervoor verantwoordelijk was, de Rijksinspectie Kunstbescherming. Deze organisatie legde zich van oktober 1939 tot oktober 1946 toe op het beschermen van Nederlands cultureel erfgoed.

Vergeten archief

Onderzoeker en tentoonstellingsmaker Andrea Kieskamp, de initiatiefnemer van deze uitgave, kwam de Rijksinspectie op het spoor bij de voorbereidingen van een expositie op Slot Loevestein, waar in de oorlog ook collecties waren ondergebracht. Aanvankelijk was onduidelijk om welke kunst het ging en wie er verantwoordelijk was voor de organisatie. Bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed trof ze het archief van de Rijksinspectie, bestaande uit meer dan twintig dozen met brieven, telegrammen, notulen en rapporten. ‘Een bijzondere historische sensatie’, aldus Kieskamp in de inleiding. Het boek dat zij met bijdragen van andere auteurs samenstelde, gaat in op het ontstaan van de Rijksinspectie en de drijvende kracht erachter: Jan Kalf. Deze secretaris van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg bracht in 1938 een rapport uit waarin werd geadviseerd al in vredestijd maatregelen te nemen om cultuurgoederen te beschermen in tijden van oorlog. Musea en archieven zouden topstukken uit hun collectie moeten inventariseren en als zodanig herkenbaar maken. Ook zouden kluizen of andere opslagplaatsen aangewezen moeten worden of moeten worden gebouwd. Naast de Noord-Hollandse duinen werd de Pietersberg als geschikte locatie geselecteerd. Betrouwbare ‘padvinders’ en kunststudenten zouden de kunst moeten gaan vervoeren als de nood aan de man kwam.

Bomvrije bergplaatsen

Toen Nederland in het najaar van 1939 overging tot mobilisatie, ging de operatie in de hoogste versnelling en mocht Kalf een nieuwe organisatie optuigen: de Rijksinspectie. Er werden uiteindelijk bomvrije bergplaatsen gebouwd in Castricum (gereed maart 1940), Heemskerk (gereed in november 1940), Zandvoort (mei 1941), Maastricht (maart 1942) en Paasloo (Overijssel, mei 1943). De data laten het al zien. De Rijksinspectie werkte, in overleg met de Duitse bezetter, gewoon door tijdens de oorlog.  De aanleg van de Atlantikwall had tot gevolg dat de bergplaatsen in de duinen niet langer geschikt waren, maar de bouw van de schuilplaatsen in de Pietersberg en in Overijssel gebeurde in nauw overleg met de nazi’s, die, als de gelegenheid zich voordeed, graag een kijkje kwamen nemen in de kunstbunkers.

Het zijn de praktische voorbeelden in het boek die de meeste indruk maken. Gesteggel over musea die alvast op eigen houtje herkenningstekens willen aanbrengen op het dak, aanplakbiljetten die op monumenten konden worden aangebracht om militairen (ongeacht welk leger) er op te attenderen dat deze gebouwen niet als uitvalsbasis konden worden gebruikt en de zoektocht naar tijdelijke depots en opslagplaatsen, in parochiehuizen, kerken en dorpshuizen. De Nachtwacht, die eerst in kasteel Medemblik werd ondergebracht, toen naar Castricum werd verplaatst, en pas daarna een definitief onderkomen vond in de Pietersberg. Bijzonder is dat ook particuliere collecties werden verplaatst, zoals de bibliotheek van sociëteit De Witte in Den Haag en die van het Delftsch Studentencorps. Schrijnend zijn details over het personeel van het Rijksmuseum, dat tijdens de Hongerwinter dermate verzwakt raakte dat ze nauwelijks meer in staat waren om kisten met voorwerpen op te tillen die verplaatst moesten worden.

Oproep tot voorbereiding

In afzonderlijke hoofdstukken worden de wederwaardigheden van het Rijksmuseum, het Openluchtmuseum en Slot Loevestein (waar de collecties van het Nationaal Archief onderdak vonden) beschreven, door verschillende auteurs. Dat levert hier en daar de nodige overlap op en maakt deze uitgave meer een bundel dan een samenhangend geheel. Desondanks geeft deze publicatie een verrassend inkijkje in het archief van een relatief onbekende organisatie en doet dat heel verdienstelijk. Kunstbunkers en cultuurkaravanen slaat ook een brug naar de actualiteit. Het voorwoord van Kathleen Ferrier, voorzitter van de Nederlandse Unescocommissie windt daar geen doekjes om. Het boek is een nadrukkelijk pleidooi om ook nu – juist nu – voorbereidingen te treffen, voor het geval dat.

Andrea Kieskamp (red.), Kunstbunkers en cultuurkaravanen. De bescherming van cultureel erfgoed in de Tweede Wereldoorlog. Zutphen: Uitgeverij WalburgPers 2024. 248 blz., ill., ISBN 9789464562408, prijs €29,99

Door Jaap de Haan

Marmeren heldenverering

In de Verenigde Staten werd kort voor de Tweede Wereldoorlog een spectaculaire ontdekking gedaan: er dook een tot dan toe onbekende buste van Spinoza op, gesigneerd door Rombout Verhulst. Ondanks de spectaculaire vondst – van Spinoza bestaan nauwelijks portretten die tijdens zijn leven zijn gemaakt – was er direct twijfel aan de authenticiteit en niet ten onrechte. In de jaren zestig van de 20ste eeuw bleek dat de Zwitser Ernest Durig  de buste had vervaardigd. De vervalsing laat in ieder geval zien dat de 17de-eeuwse beeldhouwer Verhulst een internationale reputatie verworven had, die nog lang na zijn dood aanhield.

Rombout Verhulst is één van de belangrijkste beeldhouwers uit de Nederlandse kunstgeschiedenis. Hij is bekend geworden als beeldhouwer van openbare gebouwen in Holland, zoals het nieuwe stadhuis van Amsterdam en de Boterhal en de Schuttersdoelen in Leiden. Daarnaast was hij de vormgever van de marmeren heldenverering in de Republiek. In vrijwel alle grote Hollandse steden – Amsterdam, Delft, Rotterdam en Den Haag – zijn praalgraven of epitafen te vinden voor zeehelden die sneuvelden in de vele 17de-eeuwse zeeslagen.

De carrière van Verhulst in de Republiek begon als medewerker van Arthus Quellinus bij het decoratieprogramma van de het nieuwe Amsterdamse stadhuis (nu het Paleis op de Dam). Net als Quellinus kwam Verhulst uit de Zuidelijke Nederlanden, waar hij in 1624 werd geboren in Mechelen. Volgens auteur Stefan Glasbergen – in het dagelijks leven lerarenopleider geschiedenis – is het niet duidelijk waarom Verhulst als tweeëntwintigjarige zijn geboortestad verliet en naar het noorden trok. Vermoedelijk doordat er teveel concurrentie van andere beeldhouwers was, maar misschien had hij al contact met Quellinus en wist dat er werk in Amsterdam op komst was.

Zeehelden op een stromat

In Rombout Verhulst gaat Glasbergen alle beeldhouwwerken van Verhulst langs, waarvan fraaie afbeeldingen zijn opgenomen in de tekst. Van de marmeren decoratie in het Paleis op de Dam is niet altijd met zekerheid bekend of ze door Quellinus of door zijn medewerker Verhulst zijn gemaakt. Glasbergen beargumenteert uitvoerig bij alle twijfelgevallen of ze van de meester of de leerling zijn. Met dezelfde nauwgezetheid bespreekt hij de praalgraven van onder andere Maarten Tromp, Egbert Kortenaer en Michiel de Ruyter. Het is opvallend dat Verhulst de doden op al zijn grafmonumenten min of meer hetzelfde heeft afgebeeld, namelijk slapend op een stromat. Volgens de auteur was dat geïnspireerd op het grafmonument van Willem van Oranje en refereert de mat aan boetdoening. Verder betoogt hij dat de slapende houding verwijst naar de tijd die de overledene moet wachten op het laatste oordeel. Een aardig detail is dat Jacob van Wassaenaer Obdam op zijn praalgraf, een van de weinige die niet door Verhulst is gemaakt, rechtop is afgebeeld, wellicht omdat hij bij een explosie om het leven kwam en zijn lichaam niet is teruggevonden.

De ondertitel van het boek, Beeldhouwer van de Lage Landen, is goed gekozen. De meeste werken van Verhulst zijn in Holland te vinden, zowel in grote als kleine plaatsten, maar hij heeft ook grafmonumenten gemaakt in Utrecht, Katwijk, Stavenisse, Stedum, Aagtekerke en Midwolde – sommige zijn zelfs zeer exuberant, zoals het praalgraf van Anna van Ewsum en haar twee echtgenoten in Midwolde.

Wie was Verhulst?

Het is wel jammer dat de lezer bij gebrek aan bronnen weinig te weten komt over het leven van Verhulst. Veel persoonlijker dan een verslag van Verhulsts reis in 1658 van Leiden naar Brussel om stenen te kopen voor de nieuwe Waag en de Boterhal wordt het niet. Glasbergen weet overigens te vermelden dat de Verhulst in een Brusselse herberg verbleef en daar de meestersteenhouwer van een 40 kilometer verderop liggende groeve ontbood om te onderhandelen over de prijs van stenen. Na twee dagen waren ze eruit en na afronding van de koop trakteerde hij de steenhouwer en de notaris op een maaltijd met wijn.

In de epiloog kijkt Glasbergen terug op Verhulst en op zijn werk. Helemaal bevredigend is deze terugblik niet. Hij constateert dat Verhulsts talent vanaf het moment dat hij zich in Leiden vestigde tot een hoogtepunt kwam, maar dat hij dit niveau niet tot het einde heeft vast gehouden. Over Verhulsts verhouding tot de barok en andere kunststromingen laat de auteur zich niet of nauwelijks uit en iets dergelijks valt ook te zeggen over de invloed van de politieke en religieuze ontwikkelingen in de Republiek en Europa op diens werk. Dat Verhulst door de vele zeeoorlogen en het Rampjaar extra werk had mag een open deur heten. Desalniettemin heeft Stefan Glasbergen een fraai geïllustreerd standaardwerk afgeleverd, dat Rombout Verhulst uit de schaduw haalt van de veel bekendere Quillinus. Zowel de liefhebber van 17de-eeuwse beeldhouwkunst als de vakspecialist kan aan dit boek haar of zijn hart kan ophalen.

Stefan Glasbergen, Rombout Verhulst 1624-1698. Beeldhouwer van de Lage Landen. Zwolle: Uitgeverij WBooks 2024. 384 blz. ill., ISBN 9789462586215, prijs €49,95.