Door Corien Glaudemans

Dagboeken en brieven

Al eeuwenlang kende Rotterdam een Joodse gemeenschap. Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonden daar ongeveer 13.000 Joden en had de Maasstad – na Amsterdam en Den Haag – de meeste Joodse inwoners van Nederland. Een gemeenschap die na de Tweede Wereldoorlog gedecimeerd bleek te zijn.

Marleen van den Berg onderzocht in haar boek Joods Rotterdam de wijze waarop de vervolging, ontrechting (het ontnemen van alle rechten) en het rechtsherstel van de Joden in Rotterdam verliepen. Eerder deed zij uitgebreid onderzoek naar de ontrechting en het rechtsherstel van Joden in Rotterdam. Een belangrijk deel van het boek is daarop gebaseerd.

Aan de hand van dagboeken en brieven vertelt Van den Berg het verhaal van de Joodse gemeenschap in Rotterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij volgde een aantal Rotterdamse families, zoals de familie Ulreich die uit Oost-Europa afkomstig was. Vooral door de dagboeken van Carrie Ulreich komen de gebeurtenissen in de oorlogsjaren dichtbij. De familie Ulreich behoorde tot de kleine groep migranten uit Oost-Europa in Rotterdam. Deze Joden waren vooral op de vlucht voor de pogroms en het virulente antisemitisme in hun landen. Van den Berg constateerde bij haar onderzoek dat autochtone Joodse Rotterdammers op deze vaak orthodox-religieuze Joodse nieuwkomers neerkeken. Er ontwikkelde zich daardoor een Oost-Europese subcultuur in Rotterdam.

Tweede Wereldoorlog

Het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 had ook voor de Joodse Rotterdammers grote gevolgen: synagogen werden verwoest en velen verloren hun huis en bezittingen. Van sommigen, zoals van de leden van de familie Ulreich, gingen ook emigratiepapieren verloren, en daarmee hun hoop op een uitweg uit bezet Nederland.

Voor Joodse nieuwkomers die zich na 1933 in het westen van Nederland hadden gevestigd, kwamen al in het eerste oorlogsjaar de maatregelen van de bezetter hard aan. Duitse en Oostenrijkse vluchtelingen moesten in september 1940 het kustgebied verlaten. Uit Rotterdam vertrokken onder dwang ongeveer zevenhonderd Duitse en Oostenrijkse Joden.

In de maanden daarna volgden anti-Joodse maatregelen zich steeds sneller na elkaar op. Zwembaden, parken, plantsoenen en bioscopen werdem voor Joden verboden. Ook sporten werd hen onmogelijk gemaakt. Volgens Van den Berg liep voetbalclub Sparta ‘vooruit op het verbod voor Joden om lid te zijn van verenigingen en sportclubs’ en hing zij ‘vrijwillig’ een bord VERBODEN VOOR JODEN bij de ingang van Het Kasteel. Die bewering had Van den Berg zorgvuldiger moeten natrekken. De werkelijkheid was namelijk genuanceerder en ingewikkelder. Nadat de Duitsers op 15 september 1941 hadden bepaald dat Joden niet meer in het openbaar mochten sporten, werd op 27 september een enorm bord over de gehele breedte van de hoofdingang opgehangen. Van vooruitlopen was dus geen sprake, wel viel de grootte van het bord op. De actie leidde overigens tot felle debatten bij de club. Uiteindelijk werd het bord weggehaald.

Allerlei besluiten leidden er ook toe dat Joden uit het economisch leven werden verwijderd. Onroerend goed werd van de Joden afgenomen en na het begin van de deportaties werden ook Joodse inboedels geroofd. 

Joodse kinderen moesten na augustus 1941 naar Joodse scholen. En opmerkelijk, Carry Ulreich schreef in haar dagboek dat zij het Joodsch Lyceum ‘reuzegezellig’ vond. De kinderen waren onder elkaar, waarschijnlijk deden de vriendschappen op school de dreigende buitenwereld even vergeten.

Eind juli 1942 begonnen in Rotterdam de deportaties vanuit Loods 24. Daarvandaan vertrokken de treinen naar Westerbork. Uiteindelijk werden meer dan 6000 Joden uit Rotterdam gedeporteerd. De meesten werden in concentratie- of vernietigingskampen vermoord. Slechts een paar honderd mensen overleefden de deportaties.

Terugkeer

De teruggekeerde Joden kregen in Rotterdam zeker geen warm welkom, maar dat was niet anders dan bij andere repatrianten die terugkwamen naar de Maasstad. Joden werden bij de toewijzing van huizen, samen met verzetslieden en Nederlandse militairen, met voorrang behandeld. En er werd zeker ook hulp aan Joden geboden. Die was weliswaar karig, maar benadrukt Van den Berg, de situatie in Rotterdam was na de beëindiging van de oorlog nog steeds problematisch. De stad had niet alleen een verwoest centrum, maar ook een bevolking die leed onder een grote schaarste aan voedsel.

Verdwenen noten

Dit boek had baat gehad bij een betere eindredactie, want verwijzingen in de paragraaf ‘Joods Rotterdam in de jaren dertig. Opperrabbijn A.B.N. Davids’ zijn door een andere nummering in het notenapparaat slechts met veel moeite terug te vinden. Ook verbaasde het mij dat ik in de literatuurlijst geen publicaties terugvond van Rob Snijders, de geschiedschrijver over Joods Rotterdam, hoewel in de noten regelmatig naar hem is verwezen.

Maar voorop staat dat Joods Rotterdam een boek van belang is. In de geschiedschrijving over de Jodenvervolging ligt de focus vooral op Amsterdam. Van den Berg heeft in haar boek duidelijk aangetoond dat er verschillen zijn tussen de vervolging in de hoofdstad en die in Rotterdam. Met deze publicatie over de indringende geschiedenis van Joods Rotterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft zij een belangrijk boek aan de geschiedenis van Rotterdam toegevoegd.

Marleen van den Berg, Joods Rotterdam. Vervolging ontrechting, terugkeer en rechtsherstel. Amsterdam en Antwerpen: Querido, 2025, 431 blz., ill., ISBN 9789021469096. Prijs €31,99.

Door Nico Lettinck

21 kloosters

Wie denkt dat monniken in de middeleeuwen ietwat wereldvreemde personen waren die de hele dag in verafgelegen oorden stonden te bidden en te zingen, doet er goed aan kennis te nemen van De middeleeuwse kloosters van Amsterdam door Jos Pierik. In dit fraai uitgegeven overzichtswerk worden alle 21 kloosters die vrijwel allemaal op een kluitje binnen de stadsmuren geperst waren uitvoerig beschreven. Daaruit blijkt dat de monniken (veelal vrouwen) een organisch onderdeel van het drukke stadsleven waren. Zij zorgden aanvankelijk als enigen voor de zieken, de wezen en de ontheemden. Op economisch gebied was hun rol aanzienlijk. Tot 1578 besloeg het grondbezit van de kloosters een vijfde van het stadsoppervlak.

De opzet van het boek is systematisch. Aan de orde komen achtereenvolgens de stichting, de patroonheilige(n), de locatie/de gebouwen, de bronnen van inkomsten, de omvang en de teloorgang na de Reformatie tot de opheffing na de Alteratie in 1581. Gelukkig blijft het daar niet bij en worden ook de latere lotgevallen van deze kloosters belicht. Zo weten we nu dat er slechts twee voormalige kloosterkerken nog zichtbaar zijn: de Agnietenkapel (deel van het voormalige Agnietenklooster) en de Waalse kerk (deel van het voormalige Paulusbroedersklooster). Maar het is bij een wandeling door Amsterdam ook relevant om je te realiseren dat de huidige Kalverpassage gebouwd is op de resten van het strenge Clarissenklooster en dat daar tussen 1896 en 1987 het grootste overdekte zwembad van Europa (het Heiligewegbad) heeft gestaan.

Een gebed zonder einde

Indien we proberen een rode draad te ontwaren in de geschiedenis van deze 21 samengeklonterde kloosters valt op dat de meeste, namelijk zestien, door vrouwen bevolkt werden. Zij begonnen vaak als kleine woon- en leefgemeenschappen die geïnspireerd waren door de Moderne Devotie. In deze kringen van beperkte omvang speelden vrome leken een aanjagersrol. Na korte tijd transformeerden zij met financiële steun van lokale weldoeners tot kerkelijk goedgekeurde kloosters die veelal de Regel van Franciscus (of een variant daarvan) aannamen. Hun inkomsten bestonden in eerste instantie uit schenkingen en legaten, maar daarna wisten zij zelf de nodige inkomsten te genereren. Hoe? Door eigen producten te verkopen zoals linnen stoffen en kaarsen, het verpachten van land, het verhuren van woonruimte aan kostgangers (een soort Bed and Breakfast), het verzorgen van zieken (met name pestlijders) en het innen van de ‘bruidsschat’ bij de intrede tot het klooster. In het Nieuwe Nonnenklooster werd ook bier verkocht, een traditie die in veel kloosters tot op heden is blijven bestaan.

Opvallend is ook dat er in het tijdsbestek van anderhalve eeuw zoveel kloosters op zo’n klein oppervlak zijn gesticht. Het gelui van alle afzonderlijke kerkklokken overspoelde de stad zeven keer per etmaal met een geluidsgolf. Was dit niet wat te veel van het goede? Dat vond in ieder geval het Amsterdamse stadsbestuur rond 1460. Veel inwoners vonden dat dit ‘gebed zonder einde’ toch maar eens afgelopen moest zijn. Toch lukte het de initiatiefnemers van het Bethaniënklooster om nòg een klooster erkend te krijgen dat gewijd was aan Maria Magdalena, hoewel er al een klooster met die patroonheilige op het Spui bestond. Zij slaagden in hun opzet door te beloven dat alleen berouwvolle zondaressen (prostituees) toegelaten zouden worden. Deze stichting werd een groot succes, vooral nadat het toelatingsbeleid versoepeld was door ook niet bekeerde vrouwen aan te nemen.

Grote dienst voor Amsterdam

De vraag waarom er in zo korte tijd zoveel kloosters binnen de stad gesticht werden wordt in dit boek niet uitvoerig besproken, maar uit bovenstaand voorbeeld blijkt wel dat het ‘succes’ te danken was aan de gunstige tijdsomstandigheden: een groeiende bevolking, voldoende kapitaal en ruimte bij weldoeners en vooral de aanwezigheid van vrouwen die hun eigen plek zochten. Daarbij komt de laatmiddeleeuwse bekommernis om het zielenheil. Uit angst voor het naderende Laatste Oordeel wilden vermogende burgers hun plek in de Hemel veiligstellen door ruimhartige schenkingen. Men spreekt in dit verband ook wel over ‘de zielenheilseconomie’

Jos Pierik (ICT-manager in ruste) heeft met dit compendium het 750-jarige Amsterdam een grote dienst bewezen. Wat het boek uniek maakt is dat zijn broer Clemens als grafisch ontwerper van elk kloostercomplex een nauwkeurige reconstructietekening heeft gemaakt die tot de verbeelding spreekt. Tekst en beeld laten duidelijk zien dat de kloosters geen wereldmijdende instellingen waren, maar dat zij een integraal onderdeel uitmaakten van de laatmiddeleeuwse stedelijke samenleving.

Jos Pierik, De middeleeuwse kloosters van Amsterdam. Verschenen en weer verdwenen tussen 1389 en 1585. Utrecht: Uitgeverij Matrijs, 2024; 216 blz., ill., ISBN 9789053456101. Prijs € 29,95