Inhoudsopgave

Redactioneel | Populisme in Holland
Kerrewin van Blanken | 17de-eeuws populisme? Over volk, volkssoevereiniteit, democratie en staat in de vroegmoderne tijd
Ruben Ros | Tussen redelijkheid en pragmatisme. Antipopulisten in de polder

Tijdingen – Jaap de Haan  | Populisme in het Catshuis en het Torentje?
Essay – Clemens van Herwaarden | Liefde voor de charismatische leider. Wat Pim Fortuyn ons kan leren over Donald Trump en Geert Wilders
Portret – Peter Altena | ‘Echo’s!?’ Gerrit Paape populist?
Column – Maarten van Rossem | De plaag van de verlosser
Signalementen
Uithoek – 
Marieke Dwarswaard | Pim Fortuyn in Sassenheim


Inhoudsopgave

Redactioneel: Rafelranden van Amsterdam
Ranjith Jayasena | De rafelranden van 16de-eeuws Amsterdam
Janna Coomans | Precariteit, dieven en de middeleeuwse Amsterdamse rafelrand
Bob Pierik | Bomen en palen aan de kust van vroegmodern Amsterdam. De fluïde grens van de stad aan de hand van smokkelpraktijken
Janneke Gemmeken | Gedeelde grond. Volkstuinen als microkosmos voor stedelijke verandering in Amsterdam

Beeldessay – Annemarie de Wildt | Rafelranden verbeeld: verschuivende stadsgrenzen
Column – Jouke Turpijn | Red de rafelrand


Inhoudsopgave

Redactioneel: Molens in Holland: invloedrijke gangmakers
Bart Ibelings | Het vroege Hollandse molenlandschap. Windwater- en korenmolens en de landbouw in de 15de en 16de eeuw
Herman Kaptein | De mechanische revolutie. Windmolens als aanjagers van de Hollandse economie (1600-1900)
Marloes Wellenberg en Ellen Steendam | Altijd iemand thuis. Vrouwen aan het werk op poldermolens in Zuid-Holland

Interview – Molenerfgoed of Instagram-toerisme? In gesprek met molenaar Jippe Kreuning van oliemolen de B0nte Hen
Column – Gerard Troost | Vergeet de dierenwinkel niet
Uithoek – Henk Looijesteijn | De Zwaan, Holland, Michigan


Inhoudsopgave

Els M. Jacobs | Redactioneel – Lees online
Jeroen ter Brugge | Van binnenstadlocaties naar de rivier. Het Hollandse wervenlandschap tussen 1870 en 1914
Judith Siegel | Buitenlandse kennis op een Rotterdamse werf. De bouw van de G.S. Walden in 1935
Mark Straver | Strijd om arbeid in Holland. De Nederlandsche Dok- en Scheepsbouw Maatschappij in tijden van toenemende
concurrentie, 1950-1965

Topstuk – Annette de Wit | Het successchip van de vroegmoderne tijd
Topstuk – Jan Briek | Esso Cambria, een Nederlands reuzenschip
Interview met Richard Velthuizen | Van concurrenten naar concullega’s. Het zoeken naar samenwerking binnen de scheepsbouw na 1983
Column – Bas Buchner | Voorbij de horizon – Lees online
Uithoek – Frank de Hoog | Tussen de kassen

Door Kees Dekker

Van Willem de Veroveraar tot Willem III

De Noordzee over en weer, dat oorspronkelijk is verschenen in het Engels onder de titel North Sea Crossings: The Literary Heritage of Anglo-Dutch Relations 1066-1688 (Oxford, 2021), is een boek met een verhaal, en een weelde aan verhalen. Ten grondslag aan dit uitstekend geschreven en mooi geïllustreerde boek liggen twee projecten (een sociaal-maatschappelijk project getiteld North Sea Crossings en een onderzoeksproject The Literary Heritage of Anglo-Dutch Relations, c. 1050-c. 1600), alsmede een begeleidende tentoonstelling in de Bodleian Library, te Oxford (2021-2022). De schrijvers, tevens redacteuren, Sjoerd Levelt en Ad Putter (werkzaam als senior onderzoeker, resp. hoogleraar aan de Universiteit van Bristol) hebben voor hun werk steun gekregen van een groep experts op deelgebieden van het onderzoeksveld. Elk van de zes hoofdstukken is geschreven door een team van schrijvers aangevoerd door Sjoerd Levelt (1, 4 en 5) of Ad Putter (2 en 4); hoofdstuk 3 is door hen beiden geschreven. De vertaling naar het Nederlands is gemaakt door Thea Summerfield en Esther Putter. De Noordzee over en weer is dus geen duografie en geen bundel artikelen, maar het resultaat van vruchtbare samenwerking door een groep onderzoekers en vertalers. En dat resultaat mag er zijn.

De literaire en culturele betrekkingen tussen Groot-Brittannië en de Nederlanden zijn, zoals het boek aantoont, een fascinerend en heel divers onderwerp. De periode die wordt beschreven, 1066-1688, lijkt bepaald door symboliek: 1066 markeert de verovering van Engeland door Willem van Normandië en 1688 de troonsbestijging in Engeland door Willem III. Er waren bij voorbeeld ook eerder literaire contacten: zo schrijft Altfrid van Hildesheim in het leven van de Friese missionaris Ludger (742-809) dat die laatste een schat aan boeken meenam van York naar Utrecht. Maar, zoals Levelt en Putter terecht betogen, in de latere middeleeuwen wordt het literaire en culturele bewijs van de Engels-Nederlandse betrekkingen talrijker, zichtbaarder en tastbaarder, om uiteindelijk te resulteren in een vloed van documenten en boeken uit de vroegmoderne periode. Een rijke selectie van dit bewijs wordt in De Noordzee over en weer niet alleen beschreven maar ook getoond in de vorm van prachtig uitgevoerde illustraties die het boek een extra dimensie geven.

Diverse thema’s

De zes hoofdstukken laten een mengeling van thema’s zien die op het eerste gezicht wat arbitrair aandoet. Het eerste hoofdstuk bestudeert de geschiedschrijving, een genre, terwijl hoofdstukken 2 en 3 achtereenvolgens handschriften en gedrukte boeken, en dus documenten, behandelen. Vervolgens komt er een hoofdstuk over landkaarten (zowel genre als document), gevolgd door één over mensen (prosopografie). Het zesde en laatste hoofdstuk gaat over een literaire traditie, en wel die van Reinaert de Vos. Echter, bij het lezen van het boek vloeit een en ander vrijwel moeiteloos in elkaar over; in elk hoofdstuk zit ook een stukje chronologie: de geschiedschrijving van de Nederlands-Engelse betrekkingen begint vroeg; handschriften gaan vooraf aan gedrukte boeken; en het hoofdstuk over landkaarten gaat meest over gedrukte exemplaren. Waar het hoofdstuk over ‘mensen’ een geschikte afsluiting voor het boek had kunnen zijn, behandelt het laatste hoofdstuk, over Reinaert de Vos, een literaire traditie die bij uitstek de culturele connecties tussen de Nederlanden en Engeland belichaamt. In dit hoofdstuk, dat eruit springt vanwege de thematische eenheid, laten de auteurs heel mooi zien hoe juist transnationale en transculturele lijnen de katalysator vormen langs welke de continentale Reinaerttraditie in al haar aspecten (tekstueel en pictografisch) een onderdeel is geworden van de Engelse literatuur. Als een soort van case study waarin alle componenten van het boek samenkomen, is dit laatste hoofdstuk terecht een apotheose van De Noordzee over en weer.

De rijke collectie van de Bodleian Library

De inhoud van een overzichtswerk zoals De Noordzee over en weer wordt bepaald door de keuzes die de auteurs en redacteuren maken. Je kunt in een boek als dit immers niet alles behandelen of opnoemen, of naar alle literatuur verwijzen. De rijke collectie van de Bodleian Library heeft, zoals in de introductie wordt aangegeven, een belangrijke rol gespeeld bij de samenstelling, maar dat neemt niet weg dat de auteurs zeer weloverwogen en gebalanceerd te werk zijn gegaan en ook over de grenzen van Oxford heen hebben gekeken. De lezer die geen expert is op dit vakgebied, zal aangenaam worden verrast door de grote variatie aan onderwerpen en documenten en door de toegankelijkheid van de beschrijvingen. Iedere lezer zal ook – dat is onvermijdelijk – eigen desiderata vinden. Zo had men aandacht kunnen besteden aan de vermeende connectie tussen het Engels en het Fries, een topos beschreven door Rolf Bremmer in 1990 (Folia Linguistica Historica 11); ontbreekt een verwijzing naar het werk van Marika Keblusek over de boekcultuur van uitgeweken Engelse royalisten tijdens het interregnum (bij voorbeeld Boeken in de Hofstad, pp. 271–300 (1997); en wordt er niet gerept over het Ormulum: een twaalfde-eeuws handschrift met een Vroegmiddelengelse tekst die van groot belang is voor ons begrip van de ontwikkeling van het Engels, en die in 1659 werd ontdekt in de bibliotheek van de Engelse vluchteling Sir Thomas Aylesbury en in de bagage van Franciscus Junius in 1674 weer naar Engeland verhuisde. Het ontbreken van deze en wellicht andere onderwerpen mag jammer worden gevonden, maar laat juist ook zien dat er nog veel meer te ontdekken valt in de fascinerende wereld van de Nederlands-Engelse literaire en culturele betrekkingen. De Noordzee over en weer is daarbij een onmisbare bron die ik van harte aanbeveel.

Sjoerd Levelt en Ad Putter, De Noordzee over en weer. Het literaire erfgoed van Nederlands-Engelse betrekkingen 1066-1688 (vertaling Thea Summerfield en Esther Putter). Amsterdam: Amsterdam University Press, 2022, 304 p., ill., ISBN 9789463722070, prijs €41,99.

Door Marieke Dwarswaard

Een regiografie                                                                                                       

Het verhaal van de economische crisis van de jaren dertig van de 20ste eeuw, die begon met de Beurskrach in 1929, is bij de meeste Nederlanders bekend. Dat bepaalde regio’s van Nederland veel zwaarder werden getroffen dan andere, is minder algemene kennis. In Stakkers en Stakers wil historicus Bart Lankester, die eerder biografieën schreef van de linkse verzetsstrijdster Trien de Haan en van sixties-icoon Loes Hamel, laten zien hoe de crisis het gebied boven Alkmaar raakte. Hij noemt dit ‘een regionale biografie, een ‘regiografie’’. (p.9).   

Centraal staan de vragen ‘Hoe was het gesteld met de werklozen, armen en opstandigen in Noord-Holland Noord? Wie waren ze, waar woonden ze, wat was hun afkomst en hoe hielden ze zich in de ellende staande?’ (p.9). Om deze vragen te beantwoorden, is Lankester op zoek gegaan naar een combinatie van persoonlijke gegevens en bestuurlijke informatie over de werkverschaffing en het armoedebeleid. Hij heeft deze informatie aangevuld met getuigenissen van nabestaanden van inwoners van het gebied die de crisis hebben meegemaakt.

Interessant gebied                                                                                                                                                      

De kop van Noord-Holland is een interessante case study, en dat weet Lankester overtuigend neer te zetten. Het gebied werd zwaar getroffen vanwege de afhankelijkheid van landbouw als belangrijkste bestaansmiddel: met name de tuinbouw in het oosten en westen van West-Friesland leed enorm onder de crisis. Ook de visserij verkeerde in zwaar weer, maar daar speelden al langer problemen. Een uitzondering was de bollenteelt. Er was in de regio geen sprake van grote industrie die voor veel werkgelegenheid zorgde. De grootste werkgever in het gebied was de marine in Den Helder. De middenstand leed eveneens onder de crisis, doordat mensen steeds minder geld voor levensmiddelen hadden.

De regio is eveneens interessant omdat de rijksoverheid in 1932 begon met een enorm werkverschaffingsproject: de ontginning en het bouwrijp maken van de Wieringermeer. Hier kwamen niet alleen arbeiders uit het gebied zelf te werken, maar ook werklozen uit de rest van Nederland, met name uit de noordelijke provincies. Dat zorgde voor spanningen. Enerzijds vanwege huisvestingsproblemen, anderzijds doordat de arbeiders uit het noorden gewend waren om in opstand te komen als iets hen niet zinde. In de kop van Noord-Holland waren stakingen lang een zeldzaamheid, maar met de komst van met name vrije socialisten uit Groningen en Drenthe veranderde dat.

Schakelen

De werkgelegenheidsprojecten die er waren, vergden fysiek veel van de tewerkgestelden. De crisis duurde daarnaast erg lang. Volgens Lankester zou het ‘tot zeker midden jaren vijftig duren voordat de diepe armoede eindelijk was beteugeld en de grootschalige werkloosheid was teruggedrongen. Al met al had de economische crisis, die in 1929 was begonnen, een hele generatie geduurd.’ (p.141).

Lankester verzamelde veel informatie, prachtige foto’s en persoonlijke anekdotes. Helaas resulteert dat in een enigszins rommelig geheel. In de lopende tekst vertelt de auteur het grotere verhaal, afgewisseld met kaders waarin persoonlijke verhalen van mensen uit het gebied uitgelicht worden. Zo beschrijft hij onder andere het leven van de katholieke tuinder Theodorus Berkhout (p.35), de agent voor arbeidsbemiddeling Piet Commandeur (p.43) en de Drentse anarchist Rense Holtjer (p.116). Ook zijn er kaders over organisaties als de Heidemaatschappij en over relevante wetgeving, zoals het erg nuttige overzicht waarin alle landbouwcrisiswetten kort worden samengevat.

Omdat de persoonlijke anekdotes echter losstaan van de hoofdtekst, moet je als lezer voortdurend schakelen. Samen vormt alle informatie in het boek absoluut een helder antwoord op de centrale vraag: was het slecht gesteld met de armen en werklozen in deze regio? Wellicht was het beter geweest om met twee katernen te werken, of de anekdotes meer in het verhaal op te nemen. Al met al is Stakkers en Stakers als regiografie een genre dat absoluut navolging verdient, maar dat baat had gehad bij andere indeling.

B. Lankester, Stakkers en stakers. Hoe Noord-Holland Noord worstelde met armoede en werkloosheid, 1930-1940, Wormer: Uitgeverij Noord-Holland, 2024, 164 blz., ill., ISBN 9789492335500, €29,95.

Door Romy Beck

Zelfstandige spelers

In Moeders des Vaderlands. De vrouwen die de Nederlanden vormden besteden verschillende auteurs aandacht aan onderbelichte verhalen over vrouwen uit het verleden. Ondanks hun continue aanwezigheid kregen zij in de geschiedschrijving structureel minder aandacht dan hun mannelijke tijdgenoten. En dat terwijl ze een belangrijke rol speelden bij de ontstaansgeschiedenis van het gebied dat we nu kennen als Nederland en België. ‘Niet alleen, zoals lang is aangenomen, door het produceren van nageslacht of als pion op het dynastieke schaakbord, maar ook als zelfstandige speler’. Gelukkig bestrijden historici al enige decennia het traditionele en inmiddels achterhaalde perspectief op vrouwen, en Moeders des Vaderlands is hier een mooie aanvulling op.

Femke Deen en Ineke Huysman, die deze bundel samenstelden, willen met hun boek een aanzet geven om ‘machtige vrouwen in ere te herstellen’. Ze pleiten voor een andere blik op bronnen, zoals correspondenties, gerechtelijke en juridische documenten, gegevens rond rituelen en ceremonies, literaire teksten en materiele cultuur. Op die manier pogen ze de complexiteit en diversiteit van gender te doorgronden en te komen tot een herwaardering van de plaats van vrouwen in de geschiedenis. Zo hadden vrouwen eigen rollen en instrumenten, en waren in staat om invloed uit te oefenen in domeinen die traditioneel worden geassocieerd met mannelijke macht. Ze vormden belangrijke schakels in correspondentienetwerken tussen machtscentra en namen actief deel aan politieke en militaire besluitvorming. De vroegmoderne diplomatie was zelfs in grote mate afhankelijk van vrouwelijke actoren. Daarnaast waren vrouwen betrokken bij het arrangeren van strategische huwelijken en bij het beheren van patronagenetwerken.

Achttien vrouwen

Achttien vrouwen passeren, in chronologische volgorde, de revue, beginnend met de zussen Johanna (1200-1244) en Margaretha (1202-1280) van Constantinopel. Al in de dertiende eeuw hadden zij als leenvrouw van de graafschappen Vlaanderen en Henegouwen de autoriteit om hun ambt uit te oefenen. Via verschillende opvolgende portretten maakt de lezer kennis met dames uit de veertiende tot en met de achttiende eeuw. Wilhelmina van Pruisen (1751-1820), die volgens Edwina Hagen een sleutelfiguur was in het Nederlandse en internationale politieke landschap en zelfs meer aanzien kende dan haar man stadhouder Willem V (1748-1806), sluit het geheel af.

Volgens Deen en Huysman waren genderrollen in de vroegmoderne tijd veel flexibeler en complexer dan vaak wordt aangenomen. In het hoofdstuk ‘Amalia van Solms-Braunfels (1602-1675). Oranjepolitiek in dienst van de Republiek’ laat Huysman bijvoorbeeld zien dat hoognodig is om het beeld van de prinses-gemalin van Oranje als een machtsbeluste en hebzuchtige intrigante bij te stellen. Te lang heeft een stereotype oordeel bestaan over vrouwelijke heersers, terwijl recent onderzoek juist wijst op de onafhankelijke houding en het strategisch inzicht van Amalia van Solms.

Vorstinnen des vaderlands

Het boek richt zich, ook in de andere hoofdstukken, uitsluitend op ‘vorstinnen’, zonder uitzondering allemaal vrouwen van hoge adel. Dit mooie gezelschap verdient zeker herwaardering, maar toch is het jammer dat alleen deze ‘moeders’ zijn geselecteerd. Door hun adellijke afkomst waren zij uitzonderlijk. Ze behoorden tot de elite en waren nauw verbonden met politiek en besluitvorming. Het zou interessant zijn om ook eens de politieke rollen van relatief onbekende vrouwen uit te lichten en te kijken welke rol zij speelden bij de ontstaansgeschiedenis van ons land. Hoe divers is eigenlijk de groep moeders? Dit neemt niet weg dat Moeders des Vaderlands een belangrijke aanvulling vormt op en herziening is van de geschiedschrijving, die decennialang vrouwelijke hoofdrolspelers niet op waarde heeft geschat. Deen, Huysman en alle andere auteurs laten duidelijk zien welke belangrijke rollen vrouwen speelden bij de ontwikkeling van de Nederlanden.

Femke Deen en Ineke Huysman (red.), Moeders des Vaderlands. De vrouwen die de Nederlanden vormden. Amsterdam: Atlas Contact, 2024, ISBN: 9789045050058, prijs € 29,99.

Door Hans Wallage

Internationaal boegbeeld

Hoewel er al veel is geschreven over de filosoof Spinoza, blijft de mens achter zijn ideeën vaak een enigma. Ian Buruma doorbreekt dit mysterie met Spinoza. Filosoof van de vrijheid, waarin hij verschillende historische bronnen samenbrengt om een frisse, toegankelijke kijk te bieden op het leven van een van de meest intrigerende denkers uit geschiedenis. Buruma’s kracht ligt in zijn oog voor detail en soepele schrijfstijl. Spinoza wordt in het boek niet alleen als intellectueel geportretteerd, maar als een mens die geworteld is in zijn tijd en gemeenschap. Door Spinoza in de bredere intellectuele context te plaatsen, laat Buruma zien dat Spinoza niet de enige was die in de 17de eeuw dergelijke denkbeelden koesterde. Wat Spinoza echter onderscheidde, is hoe hij uitgroeide tot een internationaal boegbeeld van universalisme voor diverse gemeenschappen — een symbolische positie die hem dichter bij figuren als Jezus of Mozes plaatst dan hij zelf waarschijnlijk had kunnen bedenken.

Hoewel Spinoza, in de woorden van Buruma, grotendeels ‘geseculariseerd was’, laat de auteur overtuigend zien hoe zijn Joodse culturele identiteit gedurende zijn leven zichtbaar bleef. De spanning tussen Spinoza’s persoonlijke en rationele benadering van het leven enerzijds, en de collectieve, naar binnen gekeerde en vaak religieuze beleving binnen de Joodse gemeenschap anderzijds, vormt een rode draad in het verhaal. Bij het ontleden van de gemeenschap zoomt Buruma terecht uitgebreid in op een van de grootste uitdagingen waarmee Joodse bestuurders in de 17de-eeuwse Republiek werd geconfronteerd. Joden werden door stadsbesturen weliswaar getolereerd, maar stonden onder druk om zich te conformeren aan maatschappelijke normen die waren bedoeld om rust en stabiliteit te waarborgen. Elk openbaar incident kon immers leiden tot verlies van Joodse privileges en, in het slechtste geval, tot verbanning.

Spinoza in de ban

Buruma wijst de plicht van de Joodse bestuurders om rust en orde te bewaren dan ook aan als een belangrijke verklaring voor de levensloop van Spinoza. Volgens hem kan de cherem (banvloek) die Spinoza in 1656 trof, niet los worden gezien van de verantwoordelijkheid van het Joodse bestuur om maatschappelijke onrust te voorkomen. Hoewel Buruma terecht een verband legt tussen deze plicht en de beslissing van de mahamad (de Joodse bestuurders), had hij dit verder kunnen uitwerken door meer aandacht te schenken aan de precaire positie van het Joodse bestuur op dat moment. Dit zou namelijk extra context hebben geboden voor het besluit van de mahamad om Spinoza in de ban te doen.

Ook zonder de uitspraken van Spinoza stond het Joodse bestuur in 1656 namelijk al voor een enorme uitdaging om de interne rust binnen de gemeenschap te behouden. De komst van grote groepen Joden uit Polen-Litouwen legde dat jaar een zware last op het bestuur, dat verantwoordelijk was voor de opvang van deze vluchtelingen. De reeds bestaande spanningen maakten het des te begrijpelijker dat het bestuur besloot Spinoza met de zwaarste straf, cherem, te bestraffen, om verdere onrust te voorkomen.

Toegankelijk boek

Buruma schrijft op een meeslepende en levendige wijze. Hij slaagt erin complexe filosofische concepten helder en toegankelijk uit te leggen, waardoor het boek aantrekkelijk is voor een breed publiek. Bovendien laat hij overtuigend zien dat het samenbrengen van een uitgebreide bronnencorpus waardevolle inzichten biedt in de persoon Spinoza. Zo maakt Buruma gebruik van diverse historische bronnen, zoals overheidscorrespondentie, persoonlijke briefwisselingen en biografieën. In het geval van de biografieën steunt hij wel op werken van auteurs die uitsluitend achteraf kennis hadden van Spinoza’s leven. Omdat de gebruikte bronmateriaal in de tekst niet altijd duidelijk wordt aangegeven, roept dit tijdens het lezen vragen op over de historische betrouwbaarheid van de gebruikte biografieën.

Desondanks is Spinoza. Filosoof van de vrijheid een prachtig en inspirerend werk dat niet alleen Spinoza’s leven en denken belicht, maar ook de lokale Joodse gemeenschap van de 17de-eeuwse Republiek tot leven brengt. Buruma slaagt erin een complex figuur als Spinoza toegankelijk te maken zonder afbreuk te doen aan de diepgang van zijn filosofie. Het boek is een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in filosofie, geschiedenis of de zoektocht naar vrijheid van denken.

Ian Buruma, Spinoza. Filosoof van de vrijheid. Amsterdam: AtlasContact, 2024, 256 blz., ISBN: 9789045051116, prijs: €24,99

Door Mathijs van der Loo

Rotterdam kennen we tegenwoordig als een moderne havenstad van internationale allure. Gedurende de Gouden Eeuw nam het belang van de stad toe en het zou pas echt sprongen gaan maken in de 19de eeuw. In deze periode groeide Rotterdam uit tot de belangrijkste havenstad van Nederland. De focus van historici op deze ontwikkeling lag lang in de tweede helft van de 19de eeuw, maar de stad maakte gedurende de Franse tijd (1806-1813) belangrijke stappen richting haar monopoliepositie.

Johan Joor besteedt juist aan deze periode de nodige aandacht in zijn recente boek Door de mazen van het net. De stad werd gedurende deze periode getekend door het door keizer Napoleon geïntroduceerde continentaal stelsel, waarmee hij door middel van een handelsembargo het Verenigd Koninkrijk trachtte op de knieën te krijgen. Dat dit stelsel effect had op de open handelseconomie van Holland was al langer bekend, maar Joor weet een levendig beeld te schetsen van Rotterdam in Franse jaren.

Napoleon ondermijnde zijn eigen systeem

Het continentaal stelsel kwam in 1806 tot stand, nadat Napoleon tot de conclusie was gekomen dat hij het Verenigd Koninkrijk niet langer militair kon verslaan. In een reeks van decreten zette hij in de loop van een aantal jaar het stelsel op. Joor beschrijft als eerste in zijn boek hoe het continentaal stelsel tot stand kwam in het Franse keizerrijk en met welke bepalingen dit gepaard ging. Waar aanvankelijk de complete handel met het Verenigd Koninkrijk moest worden stilgelegd, vertoonde het systeem in de loop van de jaren toch wat barstjes.

De belangrijkste zet daartoe gaf Napoleon zelf. Doordat het Franse keizerrijk te maken kreeg met een recessie omstreeks 1810, besloot hij om licenties af te geven voor de handel met de Britten. Dit hield in dat handelaars een bedrag moesten betalen aan de Franse overheid om op Britse havens te mogen varen om bepaalde producten te verhandelen. Hiermee voorzag Napoleon zijn schatkist van inkomsten en gaf het enkele Rotterdamse reders de gelegenheid om legaal te handelen met het Verenigd Koninkrijk.

Smokkelen

Een belangrijk element waardoor het continentaal stelsel erodeerde, was de grootschalige smokkelhandel. Vanuit Nederland speelden de vissers uit de verschillende Hollandse vissersdorpen, zoals Noordwijk, Scheveningen en Vlaardingen, hierin een belangrijke rol. Zodoende is het boek breder dan alleen een geschiedenis van Rotterdam, maar behandelt het ook de rol die deze vissers uit de regio in de smokkelaarsnetwerken hadden.

Een van de belangrijkste figuren die ter sprake komt in het boek, is de Franse politiechef Antoine Delacoux de Marivault, die gedurende de periode van de Inlijving van Nederland bij Frankrijk (1810-1813) belast was met de taak om smokkelaars aan te pakken. Uit het boek ontstaat een beeld van een ijverige politiecommandant die druk bezig was om de smokkelaars aan te pakken en hun netwerken op te rollen, maar vaak net achter het net viste door de concurrerende Franse diensten (politie, douane en marine) en door smokkelaars die hem net te slim af waren. Bepaalde passages in het boek hadden zo uit een napoleontische spionageroman kunnen komen.

Amsterdam

Een vergelijking met de economische ontwikkeling van Amsterdam in deze periode passeert ook enkele malen de revue. Zo was bijvoorbeeld de licentievaart vanuit de stad aan het IJ groter dan die van Rotterdam, maar kende Amsterdam in de behandelde periode een grotere krimp qua bevolkingsaantal dan de Maasstad. Soms maakt Joor wel een vergelijking met Amsterdam, maar diept hij deze onvoldoende uit. Zo schrijft hij dat het stadsbestuur van Rotterdam fundamenteel veranderde in de periode ten opzichte van Amsterdam, maar hoe deze ontwikkeling in de andere stad veranderde laat de historicus verder onbenoemd.

Wat Joor vooral weet duidelijk te maken in zijn boek, is dat de voorwaarden voor Rotterdam om de zware economische situatie tijdens de Franse tijd te overleven al voordat deze periode aanbrak al enigszins aanwezig waren. Hier speelde de bestaande visserij in de regio een rol in, maar ook het agrarische achterland en het groeiende belang van Zeeland, Brabant en de Rijnlanden als afzetgebied voor Rotterdamse kooplieden. Bovenal zou Rotterdam zich in deze periode ontwikkelen tot het centrum van de smokkelhandel. Daardoor werd de stad in vergelijking tot Amsterdam veel minder hard geraakt door het continentaal stelsel. Zodoende blijkt Rotterdam een zeer interessante casestudy te zijn voor het continentaal stelsel en zijn werking op lokaal niveau.

Johan Joor, Door de mazen van het net: Crisis en verborgen veerkracht in Rotterdam ten tijde van het napoleontisch continentaal systeem 1806-1813. Amsterdam: Boom, 2022, 526 blz., ill., ISBN 9789024442430, prijs €42,90.