Door Jaap de Haan

Mooie man

Het Algemeen Dagblad organiseerde begin 1975 een verkiezing wie de mooiste man van Nederland was. Ruud Lubbers eindigde op de vierde plek, achter acteur Willem Nijholt, schaatser Ard Schenk en prins Claus. Deze anekdote illustreert een van de vele kanten van wellicht de meest invloedrijke naoorlogse Nederlandse politicus. Zo is Lubbers de geschiedenis ingegaan als no-nonsense-politicus, Rotterdammer, probleemoplosser, één-na-langst zittende premier en womanizer. Al deze kanten passeren de revue in het boek Ruud Lubbers. Een slag anders.

Een uitdaging voor zijn biografen Johan van Merriënboer en Lennart Steenbergen is dat Lubbers vrijwel niets bewaarde. Brieven werden verscheurd zodra een kwestie was afgehandeld en boeken gaf de oud-politicus door als hij ze goed vond of hij gooide ze weg. Lubbers liet geen archief na en in zijn memoires stelde hij de zaken bovendien vaak een ‘slag anders voor’ dan ze werkelijk waren geweest. De auteurs onderzoeken in deze biografie hoe hun hoofdpersoon twaalf jaar aan de politieke top kon blijven en ze vragen zich af hoe zijn persoon heeft bijgedragen aan de nieuwe zakelijkheid die de kabinetten-Lubbers hebben ingezet vanaf de jaren tachtig van de 20ste eeuw.

Lubbers in Den Haag

Lubbers werd geboren in een katholiek, Rotterdams ondernemersgezin. Na zijn middelbare schooltijd ging hij op kostschool bij de jezuïeten in Nijmegen, waar de wat verlegen, maar pientere jongeman werd klaargestoomd voor de universiteit. Lubbers koos voor economie in Rotterdam. Na de plotselinge dood van zijn vader nam hij samen met zijn broer het constructiebedrijf Hollandia over. Als mededirecteur kwam Lubbers in aanraking met christelijke werkgeversorganisaties en via deze contacten raakte hij in beeld bij de formateurs van het kabinet-Den Uyl. De als progressieve christen bekendstaande Rotterdammer werd minister van Economische Zaken. De auteurs laten zien dat de politiek onervaren minister een steile leercurve doormaakte en hard werkte om het wantrouwen tegen hem weg te nemen van zowel de werkgevers als de werknemers. Na de val het kabinet en de formatie Van Agt-Wiegel werd Lubbers, ondanks zijn ijverige lobby, gepasseerd als minister. Hij was hier verbolgen over, maar toonde zich een loyaal Kamerlid. Na het terugtreden van Willem Aantjes werd hij fractievoorzitter van het net opgerichte CDA.

Rotterdamse minister-president?

Een van de interessantste hoofdstukken gaat over Lubbers als de eerste van de echte minister-presidenten. Toen Lubbers het Torentje binnenstapte was het alsof hij zijn bestemming had gevonden. Bij de Haagse topambtenaren had hij de reputatie een weifelaar te zijn, maar dit beeld schudde de nieuwbakken premier snel van zich af. Hij ontpopte zich tot de echte leider van het kabinet. Bij zijn ambtenaren en ministers dwong Lubbers respect af door de enorme hoeveelheid mondelinge en schriftelijke informatie die hij in korte tijd tot zich kon nemen. Problemen zag hij al van verre aankomen en veel zaken wist hij op te lossen door ze ‘net een slag anders’ te benaderen. Van Merriënboer en Steenbergen citeren staatssecretaris Joop van der Reijden: ‘Ruud zou rustig op vrijdagmorgen – alleen – in de Trêveszaal kunnen gaan zitten met zestien stapels dossiers op tafel, op de plaats waar de ministers en staatssecretarissen gewoonlijk zitten, en dan evengoed als, in een aantal gevallen zelfs beter dan, zijn collegae van verschillende departementen met zichzelf in debat kunnen gaan over de voor- en nadelen van een beslissing.’ (p. 214)

Kan Lubbers als een Rotterdamse premier gezien worden? Het imago van een Rotterdamse ondernemer liet de minister-president zich graag aanleunen, maar hij liep er zelf niet mee te koop. Feit is wel dat een aantal ministers uit zijn kabinetten, zoals Onno Ruding, Frits Korthals Altes, Gijs van Aardenne en Neelie Smit-Kroes, een relatie met de havenstad hadden. De no nonsense-aanpak van het kabinet werd door velen in verband gebracht met de spreekwoordelijke Rotterdamse zakelijkheid. De auteurs delen deze opvatting niet en citeren instemmend een NRC-journalist, die vond dat de premier teveel op consensus gericht was en dat ‘no nonsense en de persoon Lubbers helemaal niet’ bij elkaar passen. (p.232)

Flinke pil

Ruud Lubbers. Een slag anders is een flinke pil, maar wel van een formaat dat past bij een invloedrijke minister-president. Het kan niet anders dan dat zo’n omvangrijk werk ook mindere stukken heeft, waar de wolligheid van de hoofdpersoon af en toe ook in de tekst is geslopen, zoals in het hoofdstuk over kruisrakketten en Lubbers’ affaire als VN-commissaris. Daar staan vele fraaie stukken tegenover, zoals de heldere analyse van Lubbers als premier en over zijn relatie met koningin Beatrix. In ‘Aan de hand van Lubbers’ nemen de auteurs hem de maat en benadrukken zij wat hij als premier in Nederland en in Europa voor elkaar heeft gekregen. Het laatste woord in deze recensie is voor Ria Lubbers, die haar man met beide benen op de grond hield. Ruud een mooie jongen? Niet volgens Ria. Als haar man ’s avonds laat vermoeid thuiskwam met een afgezakte stropdas ‘dan is hij niet zo erg een playboy meer.’

Johan van Merriënboer en Lennart Steenbergen, Ruud Lubbers. Een slag andersAmsterdam: Uitgeverij Boom, 2024, 800 blz., ill., ISBN 9789024426669. Prijs €49,50

Door Corien Glaudemans

Dagboeken en brieven

Al eeuwenlang kende Rotterdam een Joodse gemeenschap. Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonden daar ongeveer 13.000 Joden en had de Maasstad – na Amsterdam en Den Haag – de meeste Joodse inwoners van Nederland. Een gemeenschap die na de Tweede Wereldoorlog gedecimeerd bleek te zijn.

Marleen van den Berg onderzocht in haar boek Joods Rotterdam de wijze waarop de vervolging, ontrechting (het ontnemen van alle rechten) en het rechtsherstel van de Joden in Rotterdam verliepen. Eerder deed zij uitgebreid onderzoek naar de ontrechting en het rechtsherstel van Joden in Rotterdam. Een belangrijk deel van het boek is daarop gebaseerd.

Aan de hand van dagboeken en brieven vertelt Van den Berg het verhaal van de Joodse gemeenschap in Rotterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij volgde een aantal Rotterdamse families, zoals de familie Ulreich die uit Oost-Europa afkomstig was. Vooral door de dagboeken van Carrie Ulreich komen de gebeurtenissen in de oorlogsjaren dichtbij. De familie Ulreich behoorde tot de kleine groep migranten uit Oost-Europa in Rotterdam. Deze Joden waren vooral op de vlucht voor de pogroms en het virulente antisemitisme in hun landen. Van den Berg constateerde bij haar onderzoek dat autochtone Joodse Rotterdammers op deze vaak orthodox-religieuze Joodse nieuwkomers neerkeken. Er ontwikkelde zich daardoor een Oost-Europese subcultuur in Rotterdam.

Tweede Wereldoorlog

Het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 had ook voor de Joodse Rotterdammers grote gevolgen: synagogen werden verwoest en velen verloren hun huis en bezittingen. Van sommigen, zoals van de leden van de familie Ulreich, gingen ook emigratiepapieren verloren, en daarmee hun hoop op een uitweg uit bezet Nederland.

Voor Joodse nieuwkomers die zich na 1933 in het westen van Nederland hadden gevestigd, kwamen al in het eerste oorlogsjaar de maatregelen van de bezetter hard aan. Duitse en Oostenrijkse vluchtelingen moesten in september 1940 het kustgebied verlaten. Uit Rotterdam vertrokken onder dwang ongeveer zevenhonderd Duitse en Oostenrijkse Joden.

In de maanden daarna volgden anti-Joodse maatregelen zich steeds sneller na elkaar op. Zwembaden, parken, plantsoenen en bioscopen werdem voor Joden verboden. Ook sporten werd hen onmogelijk gemaakt. Volgens Van den Berg liep voetbalclub Sparta ‘vooruit op het verbod voor Joden om lid te zijn van verenigingen en sportclubs’ en hing zij ‘vrijwillig’ een bord VERBODEN VOOR JODEN bij de ingang van Het Kasteel. Die bewering had Van den Berg zorgvuldiger moeten natrekken. De werkelijkheid was namelijk genuanceerder en ingewikkelder. Nadat de Duitsers op 15 september 1941 hadden bepaald dat Joden niet meer in het openbaar mochten sporten, werd op 27 september een enorm bord over de gehele breedte van de hoofdingang opgehangen. Van vooruitlopen was dus geen sprake, wel viel de grootte van het bord op. De actie leidde overigens tot felle debatten bij de club. Uiteindelijk werd het bord weggehaald.

Allerlei besluiten leidden er ook toe dat Joden uit het economisch leven werden verwijderd. Onroerend goed werd van de Joden afgenomen en na het begin van de deportaties werden ook Joodse inboedels geroofd. 

Joodse kinderen moesten na augustus 1941 naar Joodse scholen. En opmerkelijk, Carry Ulreich schreef in haar dagboek dat zij het Joodsch Lyceum ‘reuzegezellig’ vond. De kinderen waren onder elkaar, waarschijnlijk deden de vriendschappen op school de dreigende buitenwereld even vergeten.

Eind juli 1942 begonnen in Rotterdam de deportaties vanuit Loods 24. Daarvandaan vertrokken de treinen naar Westerbork. Uiteindelijk werden meer dan 6000 Joden uit Rotterdam gedeporteerd. De meesten werden in concentratie- of vernietigingskampen vermoord. Slechts een paar honderd mensen overleefden de deportaties.

Terugkeer

De teruggekeerde Joden kregen in Rotterdam zeker geen warm welkom, maar dat was niet anders dan bij andere repatrianten die terugkwamen naar de Maasstad. Joden werden bij de toewijzing van huizen, samen met verzetslieden en Nederlandse militairen, met voorrang behandeld. En er werd zeker ook hulp aan Joden geboden. Die was weliswaar karig, maar benadrukt Van den Berg, de situatie in Rotterdam was na de beëindiging van de oorlog nog steeds problematisch. De stad had niet alleen een verwoest centrum, maar ook een bevolking die leed onder een grote schaarste aan voedsel.

Verdwenen noten

Dit boek had baat gehad bij een betere eindredactie, want verwijzingen in de paragraaf ‘Joods Rotterdam in de jaren dertig. Opperrabbijn A.B.N. Davids’ zijn door een andere nummering in het notenapparaat slechts met veel moeite terug te vinden. Ook verbaasde het mij dat ik in de literatuurlijst geen publicaties terugvond van Rob Snijders, de geschiedschrijver over Joods Rotterdam, hoewel in de noten regelmatig naar hem is verwezen.

Maar voorop staat dat Joods Rotterdam een boek van belang is. In de geschiedschrijving over de Jodenvervolging ligt de focus vooral op Amsterdam. Van den Berg heeft in haar boek duidelijk aangetoond dat er verschillen zijn tussen de vervolging in de hoofdstad en die in Rotterdam. Met deze publicatie over de indringende geschiedenis van Joods Rotterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft zij een belangrijk boek aan de geschiedenis van Rotterdam toegevoegd.

Marleen van den Berg, Joods Rotterdam. Vervolging ontrechting, terugkeer en rechtsherstel. Amsterdam en Antwerpen: Querido, 2025, 431 blz., ill., ISBN 9789021469096. Prijs €31,99.

Door Nico Lettinck

21 kloosters

Wie denkt dat monniken in de middeleeuwen ietwat wereldvreemde personen waren die de hele dag in verafgelegen oorden stonden te bidden en te zingen, doet er goed aan kennis te nemen van De middeleeuwse kloosters van Amsterdam door Jos Pierik. In dit fraai uitgegeven overzichtswerk worden alle 21 kloosters die vrijwel allemaal op een kluitje binnen de stadsmuren geperst waren uitvoerig beschreven. Daaruit blijkt dat de monniken (veelal vrouwen) een organisch onderdeel van het drukke stadsleven waren. Zij zorgden aanvankelijk als enigen voor de zieken, de wezen en de ontheemden. Op economisch gebied was hun rol aanzienlijk. Tot 1578 besloeg het grondbezit van de kloosters een vijfde van het stadsoppervlak.

De opzet van het boek is systematisch. Aan de orde komen achtereenvolgens de stichting, de patroonheilige(n), de locatie/de gebouwen, de bronnen van inkomsten, de omvang en de teloorgang na de Reformatie tot de opheffing na de Alteratie in 1581. Gelukkig blijft het daar niet bij en worden ook de latere lotgevallen van deze kloosters belicht. Zo weten we nu dat er slechts twee voormalige kloosterkerken nog zichtbaar zijn: de Agnietenkapel (deel van het voormalige Agnietenklooster) en de Waalse kerk (deel van het voormalige Paulusbroedersklooster). Maar het is bij een wandeling door Amsterdam ook relevant om je te realiseren dat de huidige Kalverpassage gebouwd is op de resten van het strenge Clarissenklooster en dat daar tussen 1896 en 1987 het grootste overdekte zwembad van Europa (het Heiligewegbad) heeft gestaan.

Een gebed zonder einde

Indien we proberen een rode draad te ontwaren in de geschiedenis van deze 21 samengeklonterde kloosters valt op dat de meeste, namelijk zestien, door vrouwen bevolkt werden. Zij begonnen vaak als kleine woon- en leefgemeenschappen die geïnspireerd waren door de Moderne Devotie. In deze kringen van beperkte omvang speelden vrome leken een aanjagersrol. Na korte tijd transformeerden zij met financiële steun van lokale weldoeners tot kerkelijk goedgekeurde kloosters die veelal de Regel van Franciscus (of een variant daarvan) aannamen. Hun inkomsten bestonden in eerste instantie uit schenkingen en legaten, maar daarna wisten zij zelf de nodige inkomsten te genereren. Hoe? Door eigen producten te verkopen zoals linnen stoffen en kaarsen, het verpachten van land, het verhuren van woonruimte aan kostgangers (een soort Bed and Breakfast), het verzorgen van zieken (met name pestlijders) en het innen van de ‘bruidsschat’ bij de intrede tot het klooster. In het Nieuwe Nonnenklooster werd ook bier verkocht, een traditie die in veel kloosters tot op heden is blijven bestaan.

Opvallend is ook dat er in het tijdsbestek van anderhalve eeuw zoveel kloosters op zo’n klein oppervlak zijn gesticht. Het gelui van alle afzonderlijke kerkklokken overspoelde de stad zeven keer per etmaal met een geluidsgolf. Was dit niet wat te veel van het goede? Dat vond in ieder geval het Amsterdamse stadsbestuur rond 1460. Veel inwoners vonden dat dit ‘gebed zonder einde’ toch maar eens afgelopen moest zijn. Toch lukte het de initiatiefnemers van het Bethaniënklooster om nòg een klooster erkend te krijgen dat gewijd was aan Maria Magdalena, hoewel er al een klooster met die patroonheilige op het Spui bestond. Zij slaagden in hun opzet door te beloven dat alleen berouwvolle zondaressen (prostituees) toegelaten zouden worden. Deze stichting werd een groot succes, vooral nadat het toelatingsbeleid versoepeld was door ook niet bekeerde vrouwen aan te nemen.

Grote dienst voor Amsterdam

De vraag waarom er in zo korte tijd zoveel kloosters binnen de stad gesticht werden wordt in dit boek niet uitvoerig besproken, maar uit bovenstaand voorbeeld blijkt wel dat het ‘succes’ te danken was aan de gunstige tijdsomstandigheden: een groeiende bevolking, voldoende kapitaal en ruimte bij weldoeners en vooral de aanwezigheid van vrouwen die hun eigen plek zochten. Daarbij komt de laatmiddeleeuwse bekommernis om het zielenheil. Uit angst voor het naderende Laatste Oordeel wilden vermogende burgers hun plek in de Hemel veiligstellen door ruimhartige schenkingen. Men spreekt in dit verband ook wel over ‘de zielenheilseconomie’

Jos Pierik (ICT-manager in ruste) heeft met dit compendium het 750-jarige Amsterdam een grote dienst bewezen. Wat het boek uniek maakt is dat zijn broer Clemens als grafisch ontwerper van elk kloostercomplex een nauwkeurige reconstructietekening heeft gemaakt die tot de verbeelding spreekt. Tekst en beeld laten duidelijk zien dat de kloosters geen wereldmijdende instellingen waren, maar dat zij een integraal onderdeel uitmaakten van de laatmiddeleeuwse stedelijke samenleving.

Jos Pierik, De middeleeuwse kloosters van Amsterdam. Verschenen en weer verdwenen tussen 1389 en 1585. Utrecht: Uitgeverij Matrijs, 2024; 216 blz., ill., ISBN 9789053456101. Prijs € 29,95

Door Arjan Nobel

In 2019 deed genealoog Robbert Jan van der Maal in een Belgisch familiearchief een spectaculaire ontdekking: een memorieboek van ruim tweehonderd pagina’s, geschreven door de Alkmaarse Maria van Nesse (1588-1650). Samen met Judith Noorman schreef hij hierover een boek dat eind 2022 verscheen, tegelijk met een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Alkmaar. De titel speekt over een ‘unieke’ bron en belooft ‘nieuwe perspectieven op huishoudelijke consumptie’. In hoeverre zijn de auteurs hierin geslaagd?

Een zelfstandige vrouw

‘In de zeventiende eeuw verwees het woord ‘memorieboek’ naar een notitieboek waarin iemand opschreef wat hij of zij niet wilde vergeten’, zo omschrijven de auteurs hun bron (pag. 79). Het manuscript van Maria van Nesse was veel meer dan een kasboek, huishoudboek, rekeningboek of journaal. Ze noteerde hierin niet alleen aankopen, maar ook belangrijke gebeurtenissen, recepten, huishoudtips, medische adviezen en afspraken met haar dienstmeisjes. Samen geven deze tweehonderd pagina’s een gedetailleerd inkijkje in het leven van een katholieke vrouw uit de vroegmoderne tijd.

Noorman en Van der Maal portretteren Maria van Nesse als een zeer zelfstandige vrouw. Dat doen ze in vier hoofdstukken over haar leven, memorieboek, huishoudelijke consumptie en religie. De ongetrouwde Maria stamde uit een rijke familie en kreeg haar inkomsten uit bezittingen van huizen en landerijen in de wijde omgeving. Ze besteedde veel tijd aan het regelen van het huishouden en het aansturen van haar personeel.

Dankzij Maria’s memorieboek en enkele andere bronnen was het voor de auteurs mogelijk om haar huis aan de Alkmaarse Langestraat te reconstrueren. De lezer wandelt als het ware door een 17de-eeuws huis, en komt daar allerlei prachtige details tegen. Zo schrijft Maria over de keuken, waar een haardvuur brandde waarop werd gekookt. De schouw erachter was blauw geverfd, terwijl Maria in 1630 achter de haard een tegeltableau met Hannibal en Scipio liet aanbrengen. Achter de keuken was een toilet te vinden. Hier toonden de tegeltjes op de muren verschillende beroepen. Een dienstmeisje was in 1637 bijzonder onfortuinlijk toen ze een schaats in dit secreet liet vallen.

Een religieuze vrouw

Voor Maria stond, net als voor veel tijdgenoten, haar familie centraal. Familieverbanden maakten je reputatie, terwijl ook rijkdommen via deze route werden doorgegeven. Maar wat haar dagelijks leven misschien wel het meest stempelde, was de religie. Maria was een zeer katholieke vrouw, en beschouwde zichzelf als een geestelijke maagd. Dergelijke ongehuwde vrouwen, ook wel kloppen genoemd, zetten zich buiten het klooster in voor de gemeenschap. Ze namen dus volop deel aan het sociale en economische leven van alledag, maar zetten zich tegelijk ook in voor de katholieke kerk.

Haar taken waren zeer divers. Zo versierde ze bijvoorbeeld de kerk en het altaar, naaide kerkelijke gewaden, verspreidde stichtelijke werken en devotionalia en deed, incidenteel, aan zieken- en armenzorg. Een vrouw als Maria was een aantrekkelijke bondgenoot voor lokale geestelijken. Ze beschikte over een uitgebreid netwerk en gebruikte haar kapitaal om de kerk te helpen. Daarbij liepen religie en reputatie vaak naadloos in elkaar over. Niet voor niets liet zij haar familiewapen soms toevoegen aan haar schenkingen.

Een unieke vrouw?

Het memorieboek van Maria van Nesse geeft zonder twijfel een spectaculair inkijkje in het leven van een vrouw uit de 17de eeuw. De studie van Noorman en Van der Maal over deze bron doet denken aan de tentoonstellingscatalogus Huisraad van een molenaarsweduwe uit 1986. Daarin staat het leven Maria Dircksdochter (voor 1530-1578) uit Leiden centraal, en wordt onder andere uitvoerig ingegaan op haar woning, huisraad en boekenbezit. Die reconstructie werd gedaan aan de hand van een boedelinventaris. Noorman en Van der Maal laten echter zien dat Maria’s memorieboek veel meer informatie biedt. Het is geen momentopname maar biedt gegevens over een langere periode, die ook nog eens veel preciezer zijn. Bedragen van bijvoorbeeld schilderijen zijn in boedelinventarissen altijd geschatte waarden, terwijl in het memorieboek niet alleen precieze getallen te vinden zijn, maar ook informatie wordt gegeven over de omstandigheden waaronder de kunst werd gekocht. Het unieke memorieboek van Maria van Nesse biedt dus zeker nieuwe perspectieven op huishoudelijke consumptie en details die ons beeld van het huiselijk leven in de vroegmoderne tijd verfijnen.

Tegelijkertijd krijgt de lezer een beetje een eilandgevoel. De focus ligt helemaal op Maria en haar leven in het huis aan de Langstraat, terwijl de wereld eromheen niet echt uit de verf komt. Een goed voorbeeld vormt het overlijden van pastoor Bartholomeus Pauw in 1636, die werd begraven in het koor van de Sint-Laurenskerk. Maria deelde, samen met haar zwager Jacob Nobel, de kosten voor de met katholieke rituelen omgeven uitvaart. ‘We mogen ons afvragen of de gereformeerde predikanten die de kerk in gebruik hadden blij waren met het voortleven van deze katholieke traditie’, schrijven de auteurs (pag. 85-86). Het antwoord op die vraag is, met een klein beetje zoekwerk in de literatuur, gemakkelijk te geven. De Alkmaarse kerkenraad keurde dit inderdaad ten zeerste af en drong regelmatig bij het stadsbestuur aan op maatregelen tegen ‘paapse superstitiën’ bij begrafenissen en vieringen van heiligendagen. Soms had dit effect: in 1600 werd verboden om tijdens Driekoningen zingend langs de huizen te trekken, een jaar later werd de verkoop van snoepgoed tijdens Sinterklaas aan banden gelegd.

Door de enorme gerichtheid op de bron blijft de vraag hoe uniek Maria’s memorieboek nu echt is. Een bredere inbedding in de lokale, regionale en gewestelijke context had wellicht meer duidelijkheid gegeven. Maar dat is misschien ook niet de insteek geweest van de auteurs en was, binnen de korte tijd dat ze eraan hebben gewerkt, wellicht lastig te realiseren. In de conclusie schrijven ze zelf dat ze hun boek vooral zien als een opstap voor verder onderzoek. Mogelijkheden te over: kostuumhistorici, genealogen en liefhebbers van historische recepten kunnen er veel van hun gading vinden. En dat kan gewoon vanuit huis: Noorman en Van der Maal lieten het memorieboek transcriberen door de transcriptiegroep van het Regionaal Archief Alkmaar, waar het nu online is ontsloten en te doorzoeken. Op die manier bewijzen zij onderzoekers een grote dienst en, misschien wel het belangrijkste, leeft Maria van Nesse voort.

Judith Noorman en Robbert Jan van der Maal, Het unieke memorieboek van Maria van Nesse (1588-1650). Nieuwe perspectieven op huishoudelijke consumptie, Amsterdam University Press, 2022, 328 p., ISBN 978 94 6372 599 6. Prijs: €36,99.

Door Matthijs van der Loo

Ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van het Historisch Gezelschap te ’s-Gravenhage verscheen er in 2024 een nieuwe jubileumbundel over de Haagse geschiedenis bij Amsterdam University Press: Onrust in Den Haag: Vier eeuwen oorlog, conflict en protest. In veertien bijdrages staan diverse auteurs stil bij verschillende vormen van onrust waarbij Den Haag min of meer een rol speelde.

Een rijkelijk versierde bundel

Ondanks de ondertitel van de bundel is het lastig om een rode draad te vinden in de verschillende bijdrages van de bundel. Soms speelt Den Haag slechts een minimale rol in de achtergrond van enkele artikelen. In de allereerste bijdrage van de bundel, over de verschriftelijking van het Staatse leger rondom 1600, is dat het geval. Dat de stad Den Haag soms naar de achtergrond van enkele artikelen verdwijnt, wordt gelukkig wel benoemd in de inleiding van de bundel. De verschillende artikelen beslaan de periode tussen 1600 en 1977, waarbij het zwaartepunt overduidelijk in de 20ste eeuw ligt met zes bijdrages en de 17de eeuw met vier.

De bundel is rijkelijk geïllustreerd met kleurenafbeeldingen en dat komt ten goede van de vele kunsthistorische artikelen die het boek rijk is. Zo wordt in een tweetal bijdragen enkele historische prenten van Adriaen van de Venne (1590-1662) besproken. Boekwetenschapper Marieke van Delft gebruikt het dagboek van N.J. Blaake (1781-1816) over de Omwenteling van 1813 om de tekeningen bij het dagboek te bespreken en kunsthistorica Claudine Chavannes-Mazel belicht enkele onbekende werken van de in Den Haag woonachtige illustratrice Rie Cramer (1887-1977).

Godsdienstige twisten

Oorlog, conflict en protest zijn begrippen die vaak een politieke dimensie hebben. In een tweetal bijdrages komen religieuze twisten ook aan de orde. Zo behandelt hoogleraar Eric Jorink de vervolging van de spinozisten Petrus van Balen en Anthony van Dalen voor de kerkenraad. In een andere bijdrage zoomt Paul Gerrritsen in op het leven van zijn voorvader dominee J.H. Gerritsen (1867-1923), die in zijn preken uithaalde naar enkele Europese staatshoofden en daarmee de nodige beroering veroorzaakte.

De meeste stukken in de bundel hebben betrekking op conflicten die met name bij de elite speelden, slechts een enkele bijdrage heeft ook oog voor de werkende klasse. Historicus Henk den Heijer belicht de rellen van de Scheveningse vissers tegen hun reders. De bundel wordt afgesloten door historicus Herman Rosenberg die aandacht besteedt aan de acties van de Rote Armee Fraktion (RAF) in Den Haag in 1977.

Stilzwijgend verzet

Een van de meest fascinerende artikelen wordt geleverd door historicus Ronald Prud’homme van Reine. Hij staat stil bij de zeeheldenpostzegels die tijdens de bezettingstijd het levenslicht zagen. In opdracht van de Duitse bezetters koos de algemeen secretaris van de PTT voor een reeks van Nederlandse zeehelden. Voor het vervaardigen van de afbeeldingen hiervoor koos hij voor een reeks kunstenaars waartoe ook een tweetal Joodse kunstenaars behoorde. Een van hen was Sem Hartz (1912-1995). Het proces voor het vervaardigen van de zegels nam de nodige jaren in beslag. Zo bepaalde de Duitse bezetter in 1942 dat de PTT geen Joodse kunstenaars meer in dienst mocht hebben en in plaats van te accommoderen besloot de leiding om hun kunstenaars toch te houden en te huisvesten op enkele onderduikadressen vanwaar ze konden werken. Zodoende weet Prud’homme van Reine een geschiedenis te schetsen van wat gezien kan worden als collaboratie met de bezetter, maar waar ook een vorm van stilzwijgend verzet in naar voren komt.

De bundel Onrust in Den Haag geeft een rijkgeschakeerd beeld van politieke en religieuze turbulentie in de Hofstad door de eeuwen heen. Hoewel de twintigste eeuw sterk vertegenwoordigd is, zorgt de variëteit aan onderwerpen ervoor dat diverse vergeten onderdelen van de Haagse geschiedenis belicht worden.

Marieke van Delft, Herman Rosenberg, Onno Sinke en Lex van Tilborg (red.), Onrust in Den Haag: Vier eeuwen onrust in Den Haag. Amsterdam University Press, Amsterdam 2024, 237 p, ISBN 9789048567133. Prijs: €24,99.

Door Henk Looijesteijn

Gravinnen van Holland

De laatste jaren zijn er verschillende boeken verschenen over de graven van Holland (zie de recensies op de website), maar de aandacht voor de vrouwen om hen heen is daar nog wat bij achtergebleven. Gelukkig is er recent een levensbeschrijving van gravendochter Aleid van Holland (c. 1231-1284) verschenen. Aleid, dochter van Floris IV, zuster van Willem II en tante van Floris V, staat onder verschillende benamingen bekend. De auteur, bestuurskundige en historicus Jeroen Rodenberg geeft de voorkeur aan de vorm Aleida van Henegouwen, en legt zo de nadruk op haar voormoederschap van de Henegouwse graven, die tussen 1299 en 1345 ook over Holland en Zeeland regeerden.

Aleida staat in de Hollandse geschiedschrijving vooral bekend als regentes voor, en opvoedster van, haar neefje Floris V in de jaren 1258-1263. Dat was maar een deel van haar veelbewogen leven. Als zuster van Willem II speelde ze uiteraard een rol in diens politiek: Willem liet haar trouwen met Jan van Avesnes (1218-1257), oudste zoon van de gravin van Vlaanderen en Henegouwen, die echter op voet van oorlog verkeerde met zijn moeder en halfbroers. Jan overleed jong en werd nooit graaf. Rodenberg verduidelijkt dat Aleid zich nooit anders noemde dan weduwe van ‘heer Jan’. Wel werd ze moeder van een graaf, drie bisschoppen, een abdis en een vorst van het Griekse Achaia, haar jongste zoon Floris (1255-1297), die eveneens heer van Schiedam was. Rodenberg heeft uiteraard en terecht veel aandacht voor de band van Aleida en Floris met Schiedam. De Henegouwse Floris had aanvankelijk ook een goede band met de Hollandse Floris, die hem belangrijke ambten gaf.

Stichteres van Schiedam

Aleida bouwde vanaf ongeveer 1260 een machtsbasis op langs de Schie, gaf het opkomende Schiedam een kerk en een begijnhof, voltooide de Hoge Zeedijk van Schieland en bouwde er een kasteel. Volgens Rodenberg was dit het eerste rechthoekige kasteel in Holland. De schenking van het stadsrecht aan Schiedam in 1275 door Aleida is de reden voor de grootscheepse viering van 750 jaar Schiedam dit jaar en blijkbaar – het wordt verder niet genoemd in het boek – ook de aanleiding voor dit overzicht van haar leven. Deze schenking was de bekroning van een doelbewuste politiek een aanzienlijke heerlijkheid te scheppen in Zuid-Holland. Het liep uiteindelijk anders: Floris V zette in 1277 zijn tante en zijn wat al te eerzuchtige neef het graafschap uit. Vier jaar later verzoenden de Florissen zich en kreeg Aleida Schiedam terug, maar haar Floris zocht uiteindelijk zijn heil in Zuid-Europa.

Dit deel van Aleida’s leven is goed uitgewerkt door Rodenberg, die aannemelijk maakt dat spanningen en concurrentie binnen het grafelijk hof bijdroegen aan het gedwongen vertrek van de Henegouwers. Hij heeft oog voor de schriftcultuur aan Aleida’s hof en besteedt ruimschoots aandacht aan haar testamenten en wat die zeggen over haar godsdienstigheid en liefdadigheid. Verder kijkt hij in bijzonderheden naar haar zegels en de titulatuur in door haar afgegeven oorkonden, kortom, aan de wijze waarop zij zich presenteerde. Het is een visueel fraai verzorgd boek, gegrondvest op veel literatuuronderzoek en op het archiefmateriaal uitgegeven in het Oorkondenboek van Holland en Zeeland.

Kardinaal Capaccio

Helaas schiet Rodenbergs levensbeschrijving af en toe tekort. Hij graaft soms te weinig door. Zo meent hij bijvoorbeeld dat Aleida uit het Schotse graafschap Ross, door haar broer Willem II geschonken als weduwgoed, aanzienlijke inkomsten zal hebben gehad. Maar dit ooit door haar overgrootmoeder ingebrachte graafschap was al in de eerste helft van de 13de eeuw in handen van een Schotse edelman, ook al bleven de Hollandse graven er een claim op leggen (p. 30, 95). Het was dus een geschenk waar ze financieel niet veel aan zal hebben gehad.

Het boek wekt de indruk te zijn geschreven onder hoge tijdsdruk, gezien tekstuele slordigheden en merkwaardige verschrijvingen. Zo spreekt Rodenberg bijvoorbeeld van ‘Arkadiërs’ waar hij de Ascaniërs bedoelt (p. 50) en geeft hij kardinaal Pietro Capocci de tamelijk culinair klinkende maar niet bestaande naam ‘Capaccio’ (p. 54). Bevreemdend is dat in Rodenbergs uitvoerige literatuuropgave Dageraad van Holland van Henk ’t Jong ontbreekt, toch het meest recente overzicht van de gravengeschiedenis inzake de 13de eeuw. ’t Jong vermeldt dat Aleida nog in 1262 door de roomskoning werd bevestigd als regentes. Een belangrijk feit gezien haar moeilijke positie als vrouwelijke bestuurder in een mannenwereld, maar niet genoemd door Rodenberg.

Het is een sympathiek streven om van Aleida van Henegouwen nu eens de hoofdpersoon in plaats van een bijfiguur te maken, en Rodenbergs Aleida is een mooi vormgegeven aanzet daartoe, maar het boek doet toch verlangen naar meer.

Jeroen Rodenberg, Aleida. Aleida van Henegouwen en de stichting van Schiedam. Schiedam, dr. K. Heeringa Stichting, 2025, 234 blz., ill., ISBN 978907377371. Prijs €39,95.

Door Jaap de Haan

In de Grotekerksbuurt in Dordrecht werd op 24 september 1625 een jongentje geboren, dat de beroemdste zoon van deze stad zou worden: Johan de Witt. Zijn 400ste geboortejaar wordt momenteel in de stad groots herdacht met de tentoonstelling De wereld van Johan de Witt. Kunst uit het hart van de 17de eeuw in het Dordrechts Museum en met een bijbehorend boek.

Het boek De wereld van De Witt | 1625-1672 is een aangename kennismaking met Johan de Witt. Het boek wil een nieuwere, completere Johan de Witt bieden, en ‘je kennis laten maken met de Johan áchter de politicus’. Dat doen de auteurs door aandacht te besteden aan Johans vader Jacob, als stichter van de De Wittdynastie (Marianne Eekhout), aan Wendela Bicker, ‘de tweede ziel van Johan’ (Ineke Huysman), aan De Witt tussen Oranje en Stuart (Jean-Marc van Tol) en aan het zogenaamde naleven van de raadpensionaris (Eekhout en Huysman). Luc Panhuysen schreef het biografisch portret van de raadpensionaris.

De lezer die de afgelopen jaren de De Witt-literatuur heeft gevolgd ziet hier veel bekende namen staan. Huysmans is namens NL-Lab de drijvende kracht achter de inventarisatie van de brieven van Johan de Witt in het Nationaal Archief en de brievenboeken van De Witt, zoals De Witt en Engeland en Vrouwen rondom Johan de Witt. Van Tol is bekend van zijn De Witt-trilogie (Musch en Buat) en Panhuysen schreef over Johan en zijn broer Cornelis De Ware Vrijheid.

Voor de De Witt0volgers zijn de hoofdstukken over Johans vader en vrouw het interessantst. Marianne Eekhout zet Jacob de Witt neer als een houtkoopman, die zich opwerkte van Dordts regent en ambachtsheer en tot een Hollands bestuurder. Opvallend is de wending in zijn politieke lot die hij maakte tussen 1618 en 1650. Tijdens de Bestandstwisten stond Jacob de kant van contraremonstranten en was penningmeester van de Dordtse synode, maar 32 jaar later werd hij door stadhouder Willem II gevangengezet op slot Loevestein. Van prinsgezind werd hij republikein. Ondanks zijn steun voor de Ware Vrijheid verloor Jacob het familiebelang nooit uit het oog. Als pater familias probeerde hij met gunstig gesloten huwelijken de invloed van zichzelf en zijn familie in de Republiek te vergroten.

Ineke Huysman draagt bij aan de rehabilitatie van Wendela Bicker. Door 19de-eeuwse historici is Bicker neergezet als een bescheiden, volgzame en weinig ontwikkelde vrouw, die haar man hem niet tegen durfde te spreken. Bij iedereen die met Johan de Witt vergeleken wordt ligt deze gemakzuchtige interpretatie overigens op de loer, iets waar zijn broer postuum ook last van heeft gehad. Op basis van brieven en andere archiefstukken van Wendela toont Huysman aan dat Johans ‘tweede ziel’ allesbehalve onderontwikkeld was. Ze was uitstekend in staat leiding te geven aan het huishouden dat paste bij de machtigste politicus van de Republiek. In de brieven van Johan is ze misschien niet erg zichtbaar, maar als manager van het huishouden voor hem wel heel belangrijk.

De vele afbeeldingen maken van De wereld van De Witt een toegankelijk boek en gunnen de lezer een blik op de 17de eeuw waarin de raadpensionaris leefde. Bij nadere beschouwing valt op dat veel afbeeldingen er dubbel instaan en dat niet bij elke (detail)afbeelding een bijschrift staat. Dat is jammer, want waar de schilderijen op de tentoonstelling dankzij de bijschriften goed tot hun recht komen, lukt dat in het boek minder.

Eekhout en Huysman sluiten af met het naleven (Nachleben) van De Witt. Direct na de dood van de broers probeerde de familie de herinnering aan hen levendig te houden, onder andere door het verzamelen van memorabilia. De gouden Chathambeker van Cornelis de Witt, het pronkstuk van de collectie, zorgde in de 18de eeuw nog voor een familievete waar de Staten van Holland aan te pas moesten komen. De tegenstelling tussen Oranje en De Witt werd langzaam minder pregnant. Koning Willem I besteedde in 1825 een vermogen aan de portretten van de broers (en hun vrouwen) om hun rol in de Gouden Eeuw te eren.

De meest recente ontwikkeling in het naleven van De Witt gaat over het Nederlandse slavernijverleden, waarvan Johan weliswaar geen initiatiefnemer was, maar die wel onder zijn politieke leiding plaatsvond. Elke tijd, zo sluiten Eekhout en Huysman af, doet zijn eigen beroep op Johan de Witt en daar is De Wereld van De Witt ook een mooi voorbeeld van.

De tentoonstelling De wereld van Johan de Witt. Kunst uit het hart van de 17de eeuw in het Dordrechts Museum  loopt tot en met 7 december 2025.

Marianne Eekhout, Ineke Huysman en Carolyn Mensing (red.), De wereld van De Witt | 1625-1672. Zwolle: Wbooks 2025, 205 blz., ill., ISBN 978946258692. Prijs: €29,95.

Door Klazina D. Botke

Schetsen en tekeningen van de Gouden Eeuw

Gedurende de 17de eeuw is er in de Nederlanden een grote hoeveelheid tekeningen vervaardigd. Deze werken op papier hadden verschillende functies: men tekende om te leren en te oefenen, om ideeën te ontwikkelen en uit te werken, maar tekeningen werden ook gemaakt als voorstudies voor schilderijen en prenten. Daarnaast namen kunstenaars schetsboeken mee naar buiten, waarin zij het landschap en de wereld om hen heen vastlegden. Hoewel de schoonheid en het vakmanschap van deze tekeningen niet onderdoen voor de schilderijen uit dezelfde periode, zijn ze minder bekend bij het grote publiek. Het is dan ook prijzenswaardig dat Jeroen Giltaij, oud-conservator bij Museum Boijmans Van Beuningen, na Het Grote Gouden Eeuw Boek. De Hollandse Schilderkunst (2013), een tweede deel heeft gemaakt over de tekenkunst. Bestaande publicaties over dit onderwerp zijn bijna altijd tentoonstellingscatalogi of specialistische collectiecatalogi, waarbij de verzameling de kaders bepaalt. Door vrij te kunnen kiezen uit belangrijke collecties in Nederland, Europa en Noord-Amerika, heeft Giltaij een overzicht van de meest mooie, representatieve én uitzonderlijke werken kunnen samenstellen. Het boek geeft daardoor niet alleen een overzicht van de Hollandse tekenkunst, maar brengt vooral de grote artistieke kwaliteit van de werken voor het voetlicht, niet in de laatste plaats door de prachtige paginagrote kleurenafbeeldingen.

125 kunstenaars en 167 werken

In de inleiding stipt Giltaij de context van de getekende werken aan. Hierbij komen het tekenonderwijs en de contemporaine literatuur kort aan bod, waaronder Karel van Manders Schilder-boeck, Crispijn de Passe’s ’t Light der teken en schilder konst en Samuel van Hoogstratens Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst. De verschillende technieken, de functies van de werken, en het verzamelwezen worden ook kort benoemd. Hoe en waarom deze tekeningen sinds de 18de eeuw verder verspreid zijn geraakt over de wereld, zou hier een mooie aanvulling op zijn geweest.

Na de inleiding volgen achttien hoofdstukken waarin 125 kunstenaars en 167 werken worden besproken. Ze zijn onder verschillende thema’s geordend, waaronder Rembrandt en zijn leerlingen, Het landschap, Architectuur, en Dagelijks leven. Elk hoofdstuk heeft dezelfde opbouw: een inleiding over het thema gevolgd door een groep tekeningen met korte begeleidende tekstjes. Daarin is voornamelijk aandacht voor de biografie van de kunstenaars. Giltaij zet helder de banden tussen de verschillende makers uiteen, in welke werkplaats zij zijn opgeleid en met wie zij samenwerkten. Af en toe komt hij met een nieuwe ontdekking, zoals de identificatie van het vrouwenportret door Cornelis Visscher II als Anna Westerbaen (p. 87).

De veelzijdigheid van de 17de-eeuwse tekenkunst komt ook duidelijk naar voren, vooral door de interessante selectie van bekende en onbekendere kunstenaars waaronder Cornelis Symonsz. van der Schalcke, Leonaert Bramer en Leendert van der Cooghen, wiens indringende zelfportret op de voorkant prijkt. Zij krijgen hier de aandacht die zij verdienen. Vrouwelijke kunstenaars, waar de afgelopen tijd veel aandacht naar uitgaat, komen er iets bekaaider van af; de enige die een plek in dit overzicht heeft gekregen is Maria Sybilla Merian.

Prachtige selectie, beknopte uitleg

Het boek geeft een overzicht van de Hollandse tekenkunst in de 17de eeuw, maar enkele vragen blijven onbeantwoord. In het hoofdstuk De bakermat in Haarlem passeren bijvoorbeeld een aantal Haarlemse kunstenaars de revue, maar er wordt niet inzichtelijk gemaakt waarom Haarlem nu zo belangrijk was. De functie van specifieke werken of wat bepaalde tekeningen onderscheidt, blijft ook vaak onbenoemd; waarom was er bijvoorbeeld een grote interesse in landschappen? En voor wie of waarvoor werden dit soort landschapstekeningen gemaakt? Uit de afbeeldingen blijkt dat de tekenkunst veelzijdig, inventief en technisch zeer goed was. Dit vraagt ook om meer aandacht voor de verschillende technieken en het kleurgebruik, bijvoorbeeld bij de bijzonder subtiele landschapstekeningen van Roelant Savery (p. 43), of het verschil tussen de blauwgewassen tekening van Paul van Vianen (p. 44) en de stippelige bruine pentekeningen van Hendrick Goltzius (p. 45) die ernaast is afgebeeld. Door de chronologische ordening wil het boek mogelijk een ontwikkeling laten zien, maar ook deze wordt amper geduid. Het is dus aan de lezer zelf om vergelijkingen te maken en conclusies te trekken. Het zou waardevol zijn geweest als hiervoor iets meer handvatten werden gegeven.

De Hollandse tekenkunst is duidelijk niet bedoeld om in één keer uit te lezen. Het is een boek om er af en toe bij te pakken, om in te bladeren, en vooral om van te genieten. De publicatie geeft inzicht in de rijkdom aan tekeningen en zal zeker bijdragen aan een grotere waardering voor zeventiende-eeuwse werken op papier.

Jeroen Giltaij, Het Grote Gouden Eeuw Boek. De Hollandse Tekenkunst. Zwolle: Waanders, 2024, 240 blz., ill., ISBN 9789462586437. Prijs € 49,95.

Door Marloes Wellenberg

Het roerei van Güray

Amsterdamse aannemers stonden aan het eind van de 19de eeuw voor een raadsel toen het bij de aanleg van het Westerdok, het Stationseiland en het Zeeburgereiland niet lukte om heipalen vast te zetten. Ook waren zulke grote hoeveelheden zand nodig bij het opspuiten van de nieuwe eilanden – veel zand verdween in zinkgaten in het IJ – dat betrokken bedrijven vreesden failliet te gaan. Het zou tot halverwege de 20ste eeuw duren voordat duidelijk werd dat deze problemen veroorzaakt werden door een oude zee-arm. Die liep duizenden jaren geleden tussen de monding van de Vecht en Castricum, waardoor de bodem op deze plek afwijkt en in plaats van zand – dat destijds door de getijden is weggespoeld – bestaat uit instabiel veenmoeras. Het was de Turkse landbouwkundige Ali Riza Güray die in 1951 het bestaan van het ‘Oer-IJ’ aantoonde door bodemmonsters en luchtopnames. De Wageningse promovendus deed onderzoek naar de onverklaarbare verschillen in de opbrengsten van de suikerbietenteelt tussen de IJpolders en de Haarlemmermeerpolder.

Het verhaal over het ‘roerei van Güray’ – zoals de bewuste bodem in de jaren zestig en zeventig van de 20ste eeuw wel werd genoemd door bouwkundigen – is een van de 75 verhalen in de Historische Wateratlas NL die laten zien dat de geschiedenis van het water er een is van lange lijnen en dat water al van oudsher een allesbepalende rol speelt in ons land, ‘de grootste rivierdelta van West-Europa’.

Kaartmannetjes

De atlas, met als ondertitel De drijvende kracht van Nederland, is de vierde atlas van de hand van Martin Berendse en Paul Brood, die samenwerken onder de naam Kaartmannetjes. Eerder verschenen al de Historische Atlas NL, de Historische Streekatlas NL en de Historische Stadsatlas NL. De auteurs stellen in hun inleiding dat ‘de Nederlanders’ er rotsvast van overtuigd zijn dat we ‘ons gevecht met het water voor altijd hebben gewonnen’, om vervolgens de vraag te stellen: ‘Zou de Schepper (of de natuur) werkelijk de hele wereld kunnen beheersen en willens en wetens een uitzondering voor Nederland hebben gemaakt? Of doen we er verstandig aan om de relatie tussen Nederland en het water in iets breder perspectief te zien?’

Het zijn niet per se verrassende vragen. Dat neemt niet weg dat de Historische Wateratlas een fijn bladerboek is. In grote stappen wordt de lezer op enthousiaste wijze – met hier en daar een uitroepteken – mee op reis genomen langs bekende en minder bekende korte verhalen die een inkijkje geven in de watergeschiedenis van ons land. Van Doggerland en het Oer-IJ, via het ontstaan van de hoogheemraadschappen, de oudste sluizen, droogmakerijen, molens en watersnoodrampen naar hedendaagse onderwerpen als de Marker Wadden en de dijkbreuk in het Utrechtse Wilnis in 2003, toen een middeleeuwse veendijk het plotseling begaf door extreme droogte. De kracht van het boek zit in het beeldmateriaal: beeldschone oude kaarten en andere topstukken uit de archieven die deze geschiedenis op aansprekende wijze in beeld brengen.

Martin Berendse en Paul Brood, Historische wateratlas NL. De drijvende kracht van Nederland (2e druk). Zwolle: Wbooks 2025, 224 p., ill., ISBN 9789462585072, prijs 39,95

Door Marieke Dwarswaard

In De strijd om de stembus bundelen drie politiek historici en één politicoloog hun inzichten over Nederlandse verkiezingscampagnes vanaf de grondwetsherziening van 1848 tot de verkiezingen van 2023. Dat leverde een vuistdik, rijk geïllustreerd boek op. Tegelijk is dit ‘koffietafelboek’ een zeer gedegen wetenschappelijk werk geworden.

Tijdvakken

De auteurs hebben er voor gekozen om de afgelopen anderhalve eeuw aan verkiezingscampagnes op te delen in vier tijdvakken, te weten 1848-1917, 1918-1963, 1967-1989 en tot slot 1994-heden. Het eerste tijdvak beslaat de verkiezingen ten tijde van het districtenstelsel. Het tweede tijdvak is dat van de stabiele verzuiling, waarbij de campagnes gericht waren op het mobiliseren van de eigen achterban. In de derde fase spelen twee grote ontwikkelingen: de ontzuiling en de opkomst van televisie. In de laatste periode die het boek bestrijkt heeft de ingehuurde deskundige een prominente plek gekregen in de campagne en zetten partijen alles op alles om via traditionele en sociale media zo veel mogelijk kiezers voor zich te winnen. Aan het eind van het boek wordt stilgestaan worden alle hoofdstukken samengebracht in een conclusie, waarin de zeven belangrijkste ontwikkelingen in de beschreven periode worden benoemd. Denk daarbij aan professionalisering, nationalisering en een verschuiving van standpuntgebonden naar persoonsgebonden campagnes. De vier hoofdstukken zijn opgedeeld door middel van tussenkopjes, die voor een deel in meerdere hoofdstukken terugkomen – ‘Campagnefinanciering’, ‘Uitslagenavond’ en ‘Institutioneel kader van de campagne’ – en voor een deel uniek zijn per hoofdstuk. Voorbeelden daarvan zijn ‘Onpartijdigheid en standsbesef’ in hoofdstuk 1 en ‘Sociale media’ in hoofdstuk 4.

Voor wie?

De tekst is doorwrocht en, opvallend voor een geschiedkundig werk, voorzien van verwijzingen in APA-stijl. Dat kan door de niet-ervaren lezer als een barrière worden ervaren. Dit brengt me tot een kritiekpunt op het boek: het is niet duidelijk wie het beoogde publiek is. De auteurs stellen zelf: ‘Hoewel dit boek geen uitputtende kijk op de campagnes biedt, beoogt het als overzichtswerk wel een bijdrage te leveren aan het onderzoek naar de Nederlandse verkiezingsstrijd.’ (p.22) Dat doet het zeker, want de makers hebben een grote hoeveelheid bronnen bijeengebracht en de samenwerking tussen drie historici en een politicoloog levert een prettige balans tussen kwantitatieve en kwalitatieve geschiedenis op. Een onderzoeker zal hier dankbaar gebruik van maken, maar toch vooral als startpunt van verdiepend onderzoek. Álle informatie over de verkiezingscampagne van een bepaald jaar zul je in dit boek niet vinden. Tegelijk wekt de grote hoeveelheid beelden de indruk dat dit een boek voor een breder publiek bedoeld is. Het formaat draagt daar aan bij. Je moet echter wel héél geïnteresseerd zijn in het onderwerp om dit boek er ’s-avonds na een lange werkdag nog bij te pakken. De vele APA-verwijzingen ontnemen je mogelijk al snel de lust tot verder lezen.

Al met al is De strijd om de Stembus een belangrijk boek, dat het politicologische vraagstuk ‘wat is een goede verkiezingscampagne’ terecht historiseert. Door zo veel informatie bijeen te brengen, worden trends over de afgelopen tweehonderd jaar zichtbaar. De auteurs doen dat op een leesbare manier, voorzien van vele illustraties. Het is alleen de vraag of de gemaakte keuzes een resultaat opleveren waar iedereen tevreden mee is, of een resultaat waar eigenlijk niemand zich helemaal in kan vinden.

R. de Jong et al., De strijd om de stembus. Verkiezingscampagnes voor de Tweede Kamer vanaf 1848, WBooks: Zwolle, 2025, 224 blz., ill., ISBN9789462586611, €39,95.