Romy Beck, redacteur Holland. Historisch Tijdschrift

Historicus Anne Doedens en Vice-admiraal b.d. Matthieu Borsboom presenteren in het recent verschenen werk De canon van de Koninklijke Marine. Geschiedenis van de zeemacht een palet aan aspecten en thema’s uit het Nederlandse maritieme verleden. Het is geen lopend en compleet geschiedverhaal, maar een verzameling van hoofdzaken die je ‘zou moeten kennen’. In vijftig vensters – ‘patrijspoorten’ – besteden de auteurs aandacht aan het belang van de zeemacht, vanaf de 15de eeuw tot nu. Ieder venster bestaat uit een hoofdtekst, die is voorzien van een groot aantal visuele bronnen (foto’s, schilderijen, prenten, kaarten, etc.). De stukken sluiten af met enkele tips voor meer informatie en een Lieu de Mémoire, een plaats waar herinneringen blijven leven.

Het verhaal van de marine begon volgens Doedens en Borsboom in 1488, het geboortejaar van de ‘Nederlandse’ marine. Een ordonnantie van keizer Maximiliaan (1459-1519), telg uit de Habsburgse familie en machthebber over de Nederlanden, bracht centralisatie aan in de tot dan toe door de verschillende steden en overheden zelf georganiseerde oorlogsvaart. Halverwege de 16de eeuw, tijdens de Nederlandse Opstand, verspreidden de admiraliteiten zich weer over verschillende locaties, namelijk Zeeland (Middelburg), de Maze (Rotterdam), Amsterdam, Friesland (Dokkum) en het Noorderkwartier (afwisselend Hoorn en Enkhuizen), maar behielden wel een centraal bestuur: de Staten-Generaal.

Een verzameling hoofdzaken

In de eerste vensters komen onderwerpen aan bod tot aan de 19de eeuw. Voorbeelden zijn de zeeslagen op het Haarlemmermeer en de Zuiderzee (1573), de Vierdaagse Zeeslag (1666), de Tocht naar Chatham (1667), de Slag bij Soleby (1672) en de Slag bij de Doggerbank (1781). Ook is er aandacht voor belangrijke maritieme personages als Maarten Harpertszoon Tromp, Cornelis Tromp, Michiel de Ruyter, Witte de With en Jan van Speijk. Hoewel de auteurs in de introductie spreken over ‘overwinningen en nederlagen’ en voorzichtig willen zijn met de verering van helden, benadrukt de Canon toch veelal succesvolle momenten.

Naast vensters over zeeslagen en belangrijke personen, bevat deze canon ook thematische stukken, zoals een vergelijking tussen Den Helder, – het ‘Gibraltar van het noorden’ – en de rots Gibraltar (Spanje). Bovendien analyseren de auteurs hoe onderwerpen zich door de tijd heen hebben ontwikkeld, zoals ‘De marinehistorie, vele beoefenaren’ en ‘De zeemacht in beeld, zeeschilders toen en nu’. De tweede helft van het boek richt zich op de periode van ongeveer 1900 tot nu. Hierbij is er vooral aandacht voor de grote conflicten in deze eeuw, de technologische ontwikkelingen en de verschillende operaties van de vloot, kustwacht, mijnendienst, de marine luchtvaardienst en de onderzeedienst.

Divers en inclusief?

Doendens en Borsboom ‘wilden, al selecterend, een Canon maken die geen heldenverering wilde stimuleren of donkere bladzijden overslaan, maar waarin wel de aandacht, positief of negatief, werd gegeven die personen en zaken verdienden, mannen en vrouwen’. Na dit citaat uit de inleiding verwacht je als lezer een divers en inclusief boek, maar niets is minder waar. Het gekozen perspectief is hoofdzakelijk mannelijk en wit. De auteurs bespreken in venster 20 kort dat vanaf de 16de eeuw tot 1863 Nederland en ook de zeemacht betrokken was bij slavernij: ‘Nederlanders speelden een niet onbelangrijke rol bij de handel in met name Afrikaanse slaven en de bescherming van die handel’. Maar daar blijft het bij. Ook een andere zwarte bladzijde – de koloniale oorlogen – komt er bekaaid vanaf. Het onderwerp wordt vooral besproken vanuit het oogpunt van instituties. Hoewel de auteurs wel aandacht besteden aan de honderdduizenden doden en gewonden, hebben zij zelf geen stem.

De belofte om ook aandacht te schenken aan vrouwen wordt pas ingelost in venster 49 (van de 50). Onder de kop ‘Daar was laatst een meisje loos’ benadrukken de auteurs dat vrouwen die aan wal bleven ‘de zeemacht onschatbare diensten verleenden’. Des te merkwaardiger is het dat ze niet aan bod komen in de andere vensters. Vrouwen zouden anno 2021 niet meer apart genoemd moeten worden, maar geïntegreerd in verhalen over het verleden. De Canon van de Koninklijke Marine. Geschiedenis van de zeemacht biedt de lezer een divers overzicht, maar omvat helaas niet alle hoofdzaken die je ‘zou moeten kennen’.

Anne Doedens en Matthieu Borsboom, De Canon van de Koninklijke Marine. Geschiedenis van de zeemacht, Zutphen: Walburg Pers, geïllustreerd, 2020, 192 pp. ISBN 9789462494879. Prijs: €29,99

Simone Nieuwenbroek, conservator van Kasteel Duivenvoorde in Voorschoten

Stelt u zich voor: Lisse in het midden van de zeventiende eeuw. Het riante stadspaleis aan de Amsterdamse grachtengordel was al gerealiseerd, compleet met een omvangrijke kunstcollectie, een batterij rijtuigen en een eigen prominente plaats in de kerk. Het was tijd de pijlen te richten op een eigen landelijk gelegen buiten, waar de familie zich kon terugtrekken op een manier zoals dat voor ‘ons soort mensen’ nu eenmaal gewoon was. Volgens oudadellijk recept kochten zij in 1640 de eerste percelen op Lissense grond. Drie generaties later was de familie niet meer weg te denken uit de bollenstreek en reikte hun invloed tot in alle lagen van de gemeenschap. Dit moet wel gaan over een oudadellijk geslacht, nietwaar?

Amsterdamse adel en de ‘trek naar het platteland’

Niets is minder waar. Als Zuid-Nederlandse migranten had de familie Six zich in de late zestiende eeuw in rap tempo opgewerkt tot grote speler in de Hollandse textielnijverheid. Met het vermogen dat zij hier opbouwden en de contacten die zij in de decennia erna aanlegden, lieten zij niet alleen sporen na aan de Amsterdamse grachten. De familie kocht diverse bezittingen in de rurale regio en drukte haar stempel op het landschap, de economie en culturele bedrijvigheid van onder andere Lisse, Hillegom en Noordwijkerhout.

Dit stempel, of zoals de auteurs zelf zeggen ‘handel en wandel’, vormt de rode draad in de bundel Sporen van Six in Lisse. Vanaf het moment dat Anna Wijmer (1584-1654), weduwe van Jean Six (c.1575-1617), in 1640 de eerste percelen – mét hofstede – kocht, tot het overlijden van Pieter Six III en zijn echtgenote ruim 120 jaar later. In 1662 vulde Pieter Six I het familiebezit aan met het Keukenduin.

In de decennia die volgden, werd het duin afgegraven wat zorgde voor werkgelegenheid voor de regio en nieuw ontgonnen weiland. Met de adel als voorbeeld bouwden de Sixen hun bezittingen in de regio uit tot een kleine 150 hectare, tot een eigen hofje aan toe. De familie liet zelfs het hek van het kerkhof verbreden zodat zij met het eigen rijtuig tot aan de kerk kon komen. De auteurs laten zien dat deze ‘trek naar het platteland’ geen louter adellijke gewoonte was, maar dat de Sixen een van de schoolvoorbeelden zijn van de vele patriciërsfamilies die hun sporen nalieten op lokaal niveau.

Sporen van Six in Lisse begint met een aandoenlijk voorwoord waaruit blijkt dat deze rode draad niet het enige lokale is aan dit boek. De burgemeester had een ‘balletje opgegooid’ bij de lokale cultuurhistorische vereniging voor het onderzoeken van de sporen van de Sixen in Lisse. Zes lokale professionele en amateurhistorici pakten dit als ‘Werkgroep Six’ op. En het eindproduct: een rijkelijk geïllustreerde en degelijk uitgevoerde inventarisatie van een deel van de rurale bezittingen van de Amsterdamse patriciërsfamilie, compleet met wandelroute door het dorp. Lokaler dan dit zie je niet vaak.

Handel en wandel

Wie nog denkt dat alleen de adel een dergelijke functie in dorpse gemeenschappen vervulde, heeft het dus goed mis. Aan de hand van een complex bronnencorpus van kaarten, rekeningen, resolutieboeken en eigendomsakten wordt de band van de familie met Lisse besproken en wordt in elf hoofdstukken betoogd hoe de Sixen als politiek-bestuurlijke, financieel-economische en sociaal-culturele elite opereerden in de rurale regio. De auteurs tonen aan dat de verbondenheid van de familie met het dorp niet op zichzelf stond en pogen vanuit politieke, financiële en sociale netwerken te verklaren ‘hoe de Sixen in Lisse verzeild raakten’.

Toch moet hier een kanttekening bij worden geplaatst. De paragrafen over de aard van de contacten van de familie worden bijeengehouden door onzekere conclusies en losse flodders over netwerken en contacten met diverse andere elites. Het strooien met frases als ‘het lijkt erop dat’, ‘hopelijk’ en ‘wellicht’ zorgen voor een waas van schoolse onzekerheid die zich optrekt in de eerste hoofdstukken. En dat terwijl de auteurs zich baseren op een ogenschijnlijk zeer gedegen onderzoek in de lokale en regionale archieven.

De auteurs voelen zich daarentegen duidelijk een stuk beter thuis daar waar het de relatie van de Sixen met de Lissense bezittingen aangaat. Juist door deze eerste inventarisatie van de contacten van de Sixen en het gebruik van een divers scala aan bronnen vormt dit boek een goede inleiding op de lokale geschiedenis van de regio. Het vormt een mooi vervolg op de Levens van Jan Six van Geert Mak, die zich toch met name richtte op de Amsterdamse wapenfeiten van de familie. Daarbij is het door de losse pen, de overzichtelijke tabellen en grafieken en vele illustraties zeer toegankelijk voor een breed en historisch geïnteresseerd publiek. De handel en wandel van een Amsterdams zwaargewicht op microniveau.

Henk Schaap e.a., Sporen van Six in Lisse. De voetafdruk van een Amsterdamse familie op een dorpsgemeenschap in de jaren 1640-1763. Uitgeverij Verloren: Hilversum 2020, 240 p, ISBN 9789087048891. Prijs: € 25,-.

Schilderkunst en de vorming van nationale identiteiten voor en na het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden

Charlotte Vromans, kunsthistoricus

Cultuurhistorica Anna Rademakers poogt in haar onderzoek te beoordelen in welke mate er in Nederland tussen 1815 en 1839 een nationale identiteit binnen de kunstwereld ontstond. Deze duidelijk afgebakende periode omvat vele politieke veranderingen, in het bijzonder de eenwording van het Verenigd Koninkrijk (1815-1830) onder koning Willem I en de afscheiding van België van het Verenigd Koninkrijk, die duurde van 1830 tot de staatkundige bekrachtiging in 1839.

In haar onderzoek richt Rademakers zich voornamelijk op de ontwikkelingen in de twee handelssteden Amsterdam en Antwerpen en de hofsteden Brussel en Den Haag. Rademakers doorloopt per stad chronologisch verschillende aspecten van de kunstwereld, zoals de institutionele context, het museumwezen, de kunstmarkt, kunstverenigingen, en opvattingen van kunstenaars, verzamelaars of kunstcritici. Zo bestudeert ze hoe de steden verschillend omgingen met de veranderende politieke situaties en hoe deze van invloed waren op de opvattingen over de schilderkunst en de kunstwereld. Zo valt haar onderzoek binnen de kaders van de New Art History.

Het Verenigd Koninkrijk (1815-1830)

Rademakers concludeert dat in de tijd van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden het nationale samengaan wel degelijk terugkwam in het kunstleven. Nederlandse en Belgische kunstenaars kwamen samen in de Tentoonstelling van Levende Meesters of verenigingen. Het aankoopbeleid van Koning Willem I en de overheid voor nationale openbare kunstcollecties was vooral gericht op ‘de geschiedenis van ons vaderland’. Zo werden de kunsten ingezet voor de promotie van de nieuwe natie. Bovendien trachtten verschillende academies een gemeenschappelijk curriculum op te zetten volgens het beleid van de Vierde Klasse. Deze zoektocht naar eenheid wordt besproken in Rademakers onderzoek naar de visies van Jeronimo de Vries en Cornelis Apostool.

Toch was dit slechts één zijde van het kunstleven in het Koninkrijk. De hofsteden Brussel en Den Haag waren namelijk meer internationaal georiënteerd, vanwege de daar heersende hofcultuur met invloeden vanuit het Franse hof en het neoclassicisme. Verschillende academies hielden daarnaast vast aan de eigen lokale kunsttraditie. Zo bleef de Academie van Amsterdam trouw aan het Hollands realisme van de grote meesters uit de 17de eeuw, voornamelijk Rembrandt, en was er meer aandacht voor oude genres, zoals de landschapsschilderkunst.

Na de Belgische onafhankelijkheid (1830-1839)

De Belgische Revolutie van 1830-1831 had grote gevolgen voor de schilderswereld. Het scheiden van de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden leidde tot een nationaal collectivistisch kunstklimaat binnen de twee landen afzonderlijk. Leopold I stimuleerde de kunsten in België ter bevordering van de natie. In Antwerpen werd een versterking van cultuur uit het eigen verleden gezocht met name in de Vlaamse school en Rubens. De kunstwereld in voormalige hofstad Brussel bleef desondanks internationaal georiënteerd.

In Nederland heerste eveneens een versterkt gevoel van nationalisme, maar hier werden de kunsten niet gesteund door de overheid of het koningshuis. Met name in Amsterdam ontstond een wat vijandige houding tegenover België. Belgische kunstenaars werden uitgesloten van deelname aan tentoonstellingen. Veel samenwerkingen kwamen ten einde. Amsterdam hield vast aan de focus op het eigen culturele verleden, het realisme van de Hollandse 17de eeuw. Dit uitte zich ook in onderwerpen van historiestukken, die veelal gingen over de recente vaderlandse geschiedenis.

In Den Haag vond een artistieke opleving plaats, omdat de koning en zijn hofhouding zich hier permanent vestigden. Schilders wilden de eigen nationaliteit versterken door aansluiting te vinden bij internationale tendensen. Dit hield in dat kunstenaars overgingen van het neoclassicisme naar de romantiek of de Franse school van Barbizon, naast een focus op nationale onderwerpen. Geleidelijk verdwenen de negatieve gevoelens ten opzichte van de Belgen en waren zij vanaf 1839 weer welkom op tentoonstellingen.

Conclusie

Rademakers’ onderzoek geeft een breed opgezet en gedetailleerd beeld van de toenmalige kunstwereld. Door vier steden afzonderlijk te bespreken, krijgt de lezer een goed beeld van de overeenkomsten en verschillen en doet het onderzoek goed recht aan de uniciteit van het lokale. Zo blijkt dat er in de steden steeds nationalistische tendensen wedijveren met lokale trots en tradities of internationale oriëntaties. Het is interessant om te lezen hoe een nationale identiteit in de kunstwereld werd voorgesteld, maar steeds in beperkte mate van de grond komt als gevolg van de bestaande politieke, culturele en economische omstandigheden. De culturele identiteit is niet iets dat helemaal geconstrueerd kan worden, maar is veeleer verbonden met de voorgeschiedenis van de stad. Tevens kwam deze niet altijd voort uit ideologische motieven, maar vaker uit pragmatisme.

Anna Rademakers, Moederstad en vaderland, Nationale identiteit en lokale trots in de schilderswereld van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1839). Uitgeverij Verloren, Amsterdam, 2020, 314 p, ISBN: 978 90 8704 839 6. Prijs:€29.

Leidse schatten | Leidse onruststokers (duur: 6 afleveringen van ca. 25-30 minuten). Gesignaleerd door Marieke Dwarswaard

De podcast Leidse Onruststokers is gemaakt door het duo Leidse Schatten, in samenwerking met de Historische Vereniging Oud Leiden. De Leidse Schatten zijn Fenna en Mariska, twee net afgestudeerde studenten geschiedenis en journalistiek. In elk van de zes afleveringen die nu online staat trekken ze met een historicus door Leiden, in de voetsporen van de onruststoker die in de aflevering centraal staat.

Een onruststoker was volgens de Leidse Schatten iemand die de stad op zijn kop zette en daarmee het gesprek van de dag was. De besproken onruststokers leefden zowel in de vroegmoderne als de moderne tijd. Zo spreken Fenna en Mariska bijzonder hoogleraar Ariadne Schmidt over de zeventiende-eeuwse Johanna de la Court, maar interviewen ze ook George Knotterus over de stichter van de brand in de Rijksdag, Marinus van der Lubbe. In elke aflevering worden drie à vier plekken bezocht. Dat is voor mensen die bekend zijn met Leiden heel leuk, omdat je de locatie gelijk voor je ziet (en in mijn geval vaak helemaal niet wist wat er zich op die locatie had afgespeeld). Maar ook voor niet-Leidenaren is de podcast een leuke aansporing om door de stad te wandelen. Elke aflevering kan afzonderlijk beluisterd worden.                

De geïnterviewde historici zijn duidelijk deskundigen en je merkt als luisteraar dat de sessies goed zijn voorbereid. Toch voelt de podcast nergens gekunsteld of stijfjes. Het wisselen van locaties maakt het geheel dynamisch, en de toegevoegde geluidseffecten die bij een locatie horen zijn een leuk extraatje. Rondom 4 en 5 mei zullen nog twee speciale afleveringen verschijnen, en in het najaar van 2021 komt er een nieuw seizoen met weer zes afleveringen. Het eerste seizoen beloofde al veel goeds, en de Leidse geschiedenis kent vast nog veel meer interessante onruststokers die een aflevering verdienen!

Beluister hier de podcast van Leidse schatten: https://open.spotify.com/show/6t0s4PKMMubvGVCL2XfDCh?si=-U6vgJ7ER0qtSu8lWf6_zA


Wees moedig! Over drie Februaristakers, en de familie die ze achterlieten

Het Parool | Wees moedig! (duur: 6 afleveringen van ca. 30 minuten)
Gesignaleerd door Merel van der Vaart

Welke impact had (en heeft) de Februaristaking en de represailles die erop volgden op de families van de stakers? Dat is het uitgangspunt van de podcast Wees moedig! Een samenwerking tussen het Verzetsmuseum en Het Parool. Het is een interessante vraag die een gebeurtenis van 80 jaar geleden direct verbindt met het heden.

De zes afleveringen bestaan uit interviews van Ronald Ockhuysen met nabestaanden van drie Februaristakers: Willem Kraan, Coba Veltman en Joop IJisberg. Doordat verschillende familieleden het woord krijgen, ontstaat er ruimte voor meerstemmigheid. Elk van hen worstelt met de manier waarop het dappere, maar ook tragische, verhaal van hun schoonmoeder, opa of vader vervlochten is met hun eigen levensverhaal.

Wat mij opviel is dat alle betrokkenen de status van de Februaristaking als iconische gebeurtenis in de Nederlandse geschiedenis niet zo interessant lijken te vinden, of ze de herdenking nu trouw bezoeken of niet. De meesten zijn trots op hun familieleden, maar niet omdat ze aan de Februaristaking deelnamen. Ze zijn trots omdat ze in protest kwamen, verzet toonden. Eén van de nabestaanden benadrukt meerdere malen dat meer mensen binnen de familie in het verzet zaten, implicerend dat hun verhalen het net zo goed waard zijn om verteld te worden. Het legt de vinger op de zere plek. Hoeveel families in Nederland worstelen nog steeds, ongezien, met de gebeurtenissen die hun dierbaren in de oorlog hebben meegemaakt?

Met de insteek van deze podcast en de kwaliteit van de geïnterviewden hadden de makers goud in handen. Helaas lijken ze net niet genoeg vertrouwd met de specifieke kwaliteiten van een podcast. Het is een intiem medium, maar ook een verhalend medium. De luisteraar moet meegenomen worden in het verhaal en dat gebeurt in deze podcast te weinig. De interviewer probeert iets te vaak mensen woorden in de mond te leggen en vraagt vaak net niet genoeg door wanneer het gesprek een onverwachte wending neemt. De eerste anderhalve minuut van elke aflevering is hetzelfde. Dat is echt te lang, helemaal als je een paar afleveringen na elkaar luistert. Er is geen voice-over die verbanden legt tussen de verschillende afleveringen of de ervaringen van nabestaanden expliciet naast elkaar zet. Daardoor blijven de interviews een beetje los zand, in plaats van dat ze samen een verhaal vertellen. Jammer, want de nabestaanden van de stakers vertellen ontroerend en alleen daarom is deze podcast toch de moeite waard.

Beluister de podcast ‘Wees moedig’ hier: Wees moedig – Wees moedig! – Omny.fm

Bijzondere gasten voor het hotel

Marleen van den Berg, promovenda bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en genocidestudies en de Universiteit van Amsterdam

Fokko Weerstra, hotelier in Amsterdam, raakte geïntrigeerd toen twee Duitse toeristen in zijn portiek stonden om een foto te maken van zijn pand. Vooral het huisnummer moest zichtbaar zijn. Hij raakte met het stel in gesprek en kwam erachter dat hun moeder, eveneens Duits, tijdens de oorlog in het huis gewoond had.

Het bleef niet bij dat ene gesprek. Een aantal weken later had Weerstra de moeder aan de telefoon. Zij vertelde dat haar gezin het huis van ene Mozes Henriques Pimentel had gehuurd, en dat haar vader op een gegeven moment tijdens de oorlog geen huur meer betaalde.

Na een online zoektocht naar de naam Pimentel, sprongen er drie namen uit: Mau (Mozes), Jet (Henriëtte) en Bram Pimentel. Fokko vertelde Henk Dijkman over de ontmoeting en zijn zoekresultaten. Het verhaal liet hen niet meer los en ze besloten samen verder onderzoek te doen. Dit resulteerde in het boek 1943. Het lot van de familie Pimentel.

Een beslissend jaar?

1943 duidt op het jaar waarin verschillende leden van de Joodse familie Pimentel te maken kregen met de uiterste consequentie van de antisemitische nazipolitiek: deportatie en vervolgens moord. Volgens de auteurs was 1943 een ‘beslissend’ jaar voor de Portugees-joodse familie. Dit jaar en het beslissende karakter ervan worden in het boek echter niet uitgewerkt.

Het boek hanteert een prosopografisch perspectief: het is in zekere zin een collectieve biografie waarbij verschillende leden van de familie Pimentel afzonderlijk voor het voetlicht komen. Hoewel de auteurs in de verschillende hoofdstukken soms naar een ander hoofdstuk verwijzen, bouwen ze niet op elkaar voort. Ook het jaar 1943 krijgt niet expliciet de aandacht. Gezien de titel en het beslissende karakter dat de auteurs aan dit jaar toeschrijven, is dat een tegenvaller.

12 biografieën in 1

Zoals gezegd is het boek opgebouwd uit biografische schetsen van verschillende leden van de familie Pimentel. Het gaat allereerst om Mozes (Mau) Pimentel en zijn broers en zussen, voor zover zij aan het begin van de Tweede Wereldoorlog nog leefden. Zes broers en zussen waren eind negentiende eeuw al overleden. Daarnaast komen in totaal vijf kinderen van zijn broers en zussen in beeld.

De biografische schetsen gaan over het leven van de Pimentels voor, tijdens en, indien nog in leven, ook na de Tweede Wereldoorlog. Over sommige leden van de familie is relatief veel bekend. Dit geldt onder andere voor Mau Pimentel, die een gewaardeerd arts was in de hoofdstad. Evenzo voor zijn zus Henriëtte Pimentel, die bekend werd als een van de drijvende krachten achter het wegsmokkelen van Joodse kinderen uit de crèche die tegenover de ‘Joodse Schouwburg’ lag. Tegelijk met 1943 verscheen bij Amphora Books Wacht maar, een biografie over Henriëtte Pimentel, geschreven door Esther Shaya en Frank Hemminga. Maar ook over de levens van de minder bekende familieleden hebben de auteurs veel weten te achterhalen.

Weerstra en Dijkman beschrijven de verschillende levenslopen in de context van de  familie, waarvan de oorsprong in Amsterdam lag, maar die hen ook buiten Amsterdam voerde. Het boek leidt de lezer zo van Hilversum, naar een veldhospitaal tijdens de Eerste Wereldoorlog in Parijs, en ook naar het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger in het toenmalige Nederlands-Indië.

Persoonlijk betrokken

De persoonlijke betrokkenheid van de auteurs bij het onderwerp wordt in het boek op meerdere manieren zichtbaar. Allereerst door het uitgebreide onderzoek dat zij gedaan hebben en de mooie portretten die zij van de familieleden schreven. Zo hebben ze archieven in binnen- en buitenland geraadpleegd om te achterhalen hoe de verschillende Pimentels opgroeiden en carrière maakten om vervolgens hun lotgevallen tijdens de Tweede Wereldoorlog en daarna te reconstrueren.

Ook hebben ze de nazaten van verschillende Pimentels gesproken. De betrokkenheid van de auteurs blijkt verder uit zinnen als: “Daardoor is nu nergens een grafsteen waaruit op te maken valt dat Nico Maurits Pimentel niet ouder werd dan veertig jaar.” Dit blijkt ook uit hun pleidooi om een Amsterdamse brug naar Henriëtte Pimentel te vernoemen, waarbij ze meteen vermelden welke brug ze daarvoor in gedachten hebben. Mede door deze betrokkenheid is 1943 een zeer lezenswaardig boek geworden en een monument voor de familie Pimentel.

Monument

Het boek past daarmee binnen een bredere beweging om Joden die het slachtoffer werden van de Holocaust hun naam en geschiedenis terug te geven, om zo als het ware een monument ter nagedachtenis op te bouwen. Bijvoorbeeld de Stolpersteine die in heel Europa gelegd worden, de Nederlandse serie Joodse Huizen, over het vooroorlogse Joodse leven in Nederland en de online database ‘Joods Monument’. Voor ieder die geïnteresseerd is in deze van oorsprong Joodse familie of in een van zijn leden is het boek zeker aan te raden!

Henk Dijkman en Fokko Weerstra, 1943. Het lot van de familie Pimentel, Amsterdam: Amphora Books, geïllustreerd, 2020, 320 pp. ISBN N/A. Prijs: €22,50.

Ook in Leiden was het lijden

Koen Marijt, historicus en redacteur historisch tijdschrift Holland

Het jaar 2020 stond in het teken van 75 jaar bevrijding. Jarenlang hebben historici, historische verenigingen en andere organisaties zich voorbereid om dit speciale moment te vieren. Zij keken er reikhalzend naar uit. Naast lezingen, defilés en bevrijdingsritten met militaire voertuigen uit de Tweede Wereldoorlog, zouden ook de grote bevrijdingsfeesten ons herinneren aan de vrijheid die wij nog elke dag mogen beleven.

Helaas gooide ook hier het welbekende en minstens zo gehate coronavirus roet in het eten. De meeste activiteiten werden afgelast. De toespraak op 4 mei van onze koning op een lege Dam in Amsterdam herinnerde ons pijnlijk hoe kostbaar die vrijheid is. Maar gelukkig kende het jaar ook hoogtepunten! En een daarvan was de publicatie Bang voor mooi weer. Oorlogssporen in Leiden en omgeving van Ruurd Kok.

Slag om vliegveld Valkenburg

Kok laat in 33 korte hoofdstukken de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Leiden en omstreken tot leven komen. Van de mobilisatieperiode tot aan de komst van de Canadese bevrijders: alle passages van de bezettingstijd komen voorbij. De regio kende aan het begin van de oorlog een heftige strijd. Tijdens de mobilisatieperiode kwam Leiden en haar omgeving vol te liggen met Nederlandse soldaten van infanterie, artillerie en cavalerie. Op 10 mei 1940 begon de oorlog even heftig als elders in Nederland. Met name op en rondom het vliegveld Valkenburg werd door beide partijen hard gevochten.

Na de Nederlandse overgave werden door de Duitsers enkele bunkers op het vliegveld gebouwd. Deze bunkers, die Kok beschrijft, herinneren aan de oorlogstijd. Ook bij de Haagsche Schouw staat nog altijd een monument dat ons herinnert aan de strijd om het vliegveld en de aldaar omgekomen Nederlandse soldaten. Als eerbetoon aan deze helden legden leden van de herensociëteit ‘Lokaal Gezellig’ op 4 mei vorig jaar bloemen op de plek waar in de Meidagen 34 Nederlandse jongens voor hun vaderland sneuvelden.

De veiligste plek van Leiden

Kok beschrijft in zijn boek ook andere tastbare sporen van de oorlog. Deze komen op een zeer levendige manier in zijn boek naar voren. Sporen waarvan je op het eerste oog niet eens ziet dat ze er zijn. Wat te denken van de witte ‘T’ die op veel plekken in de stad te zien is? De letter ‘T’ naast een voordeur van een huis moest ervoor zorgen dat leden van de Luchtbeschermingsdienst in een oogopslag konden zien waar een telefoonaansluiting was. Zo konden zij bij eventuele luchtaanvallen direct melding maken en hulp inschakelen. 

Daarnaast zijn de overblijfselen van de Duitse bezetting veelvuldig in het boek beschreven. Zo was men in Warmond, in het Bos van Krantz, begonnen met de aanleg van een V-1 installatie. De fundamenten zijn nog altijd zichtbaar. Ook de contouren van een loopgraaf in Leimuiden en de antitankmuur in het Panbos te Wassenaar ontbreken niet in Bang voor mooi weer.

Tenslotte heeft een van de boeiendste verhalen uit de oorlog geleid tot de titel van Koks boek. De spoorbrug bij De Vink werd veelvuldig gebombardeerd en bestookt door de geallieerden. Een inwoonster, die sinds haar kindertijd in de buurt woont, vertelde dat ze gedurende de oorlog altijd ‘bang voor mooi weer’ was.

Ze wist dat op zulke momenten de geallieerde vliegtuigen zouden komen en de hel zou losbarsten. Met goed weer werden er namelijk meer vluchten uitgevoerd dan met slecht weer. Overigens werd juist de spoorbrug bij De Vink zelf als een van de veiligste plekjes van Leiden bestempeld, omdat daar de geallieerde vliegeniers nimmer doel troffen.

Het mooie aan dit boek is dat de beschreven plekken daadwerkelijk bezocht kunnen worden. Zo komt de geschiedenis heel dichtbij. Zeker in deze coronatijd waarbij de Nederlanders massaal de regio per voet of te fiets verkennen, kan het boek als routeboek dienst doen. Alhoewel er geen officiële fiets- of wandelroute is opgenomen, is het middels de genummerde locaties die op het voor- en achterblad staan, heel gemakkelijk om zelf een route te maken.

De publicatie kent slechts één groot nadeel: het telt ‘maar’ 33 hoofdstukken. Talloze sporen van de Tweede Wereldoorlog in dit deel van het land blijven buiten beschouwing. Maar Kok kennende komt er een vervolg. Daar kijken we met veel plezier naar uit.

Ruurd Kok, Bang voor mooi weer. Oorlogssporen in Leiden en omgeving. Leiden: Uitgeverij Gingko, 2020, 152 pp. ISBN 978 90 71256 79 0, €19,50,-.

Heerlijkheden in Zuid-Holland na de Franse Tijd

Arjan Nobel, Universiteit van Amsterdam

‘Monnikenwerk’, zo schrijft Van Dale, is ‘werk dat veel geduld, tijd en nauwkeurigheid vergt’. Beter kunnen we het nieuwste boek van Peter de Jong, Van macht naar folklore. Heerlijkheden in Zuid-Holland na de Franse Tijd, niet typeren. Want je moet er maar aan durven te beginnen: een vuistdik naslagwerk met een overzicht van alle 250 Zuid-Hollandse heerlijkheden en biografieën van de opeenvolgende heren en vrouwen vanaf ongeveer 1800 tot heden. En dat alles verlucht met ruim 1300 afbeeldingen. Het onderwerp was voor De Jong, jarenlang werkzaam als civiel ingenieur, overbekend. In 2001 schreef hij een studie over de heerlijkheid Spijk. Negen jaar later volgde een boek over de 46 heerlijkheden rond Gorinchem, en nu ligt er dus een boek over de bezitters van heerlijkheden in de provincie Zuid-Holland in de 19de en 20ste eeuw.

Overzicht

In het eerste hoofdstuk gaat De Jong kort in op het ontstaan en de geschiedenis van heerlijkheden en heerlijke rechten. Degene die een heerlijkheid in leen had, mocht in een nauwkeurig omschreven gebied het rechterschap uitoefenen. Daarnaast beschikte de heer of vrouw vaak over enkele heerlijke rechten, bijvoorbeeld het jacht-, tol- veer- of windrecht. Met de komst van de Fransen in 1795 kwam er een einde aan dit leenstelsel. In 1814 volgde een gedeeltelijk herstel en kregen de ambachtsheren en -vrouwen onder andere het recht terug om bepaalde ambtenaren aan te stellen. Die situatie duurde tot 1848, toen de nieuwe grondwet definitief een einde maakte aan deze benoemingsrechten. Wat overbleef waren enkele zakelijke rechten die nog steeds werden aangeduid als een heerlijkheid.

Na het inleidende hoofdstuk komen alle Zuid-Hollandse heerlijkheden en hun bezitters aan bod. De Jong beperkt zich tot een korte omschrijving van het gebied en vermeldt bij iedere heer of vrouw de belangrijkste biografische gegevens en hun bemoeienissen met de betreffende heerlijkheid. Portretten en foto’s completeren het geheel. Al dit materiaal wordt niet ondersteund door noten. Die keus valt te rechtvaardigen; anders was het boek waarschijnlijk dubbel zo dik geworden – terwijl het boek nu al behoorlijk omvangrijk is. Wel biedt de auteur per heerlijkheid een kort overzicht van de gebruikte archivalia en literatuur.

Continuïteit

De ongelofelijke hoeveelheid gegevens in het boek vormt een uitstekend startpunt voor nadere analyse. Het is bijvoorbeeld opvallend dat zich in de Bataafs-Franse tijd (1795-1813) allerlei grote politieke en institutionele veranderingen voordeden, maar dat tegelijkertijd veel bij het oude bleef. Verschillende rechten bleven gehandhaafd, terwijl ook tradities vaak in ere werden gehouden. Zo was in tal van heerlijkheden de heer of vrouw nog steeds nauw betrokken bij het kerkelijk leven, bijvoorbeeld omdat ze een predikantsberoep moesten goedkeuren. Ook de inhuldiging van een nieuwe ambachtsheer of -vrouw gebeurde vaak nog op de oude voet. Daarbij werden kosten noch moeiten gespaard. Een goed voorbeeld vormt de intocht van Leopold graaf van Limburg Stirum in Noordwijk in 1906, compleet met 72 ruiters, rijtuigen, erepoorten, vlaggen, muziek en toespraken. Het feest werd vijf jaar later nog eens dunnetjes overgedaan, ter gelegenheid van het huwelijk van Leopold met Johanna Ida Randebroek.

Adellijk bezit

Naast de continuïteit is er nog een tweede punt dat in het oog springt: de rol van de adel. Wie de Zuid-Hollandse heerlijkhedenbezitters in de 19de en 20ste eeuw analyseert, vindt onder hen een groot aantal adellijke families. Juist deze groep is in de historiografie nog steeds onderbelicht. Van macht naar folklore laat zien dat verschillende adellijke families in de 19de eeuw investeerden in heerlijkheden en in sommige gevallen ook grote betrokkenheid toonden. Ze droegen bijvoorbeeld financieel bij aan het onderhoud van de kerk, of ondersteunden de armen. Tijdens het eerdergenoemde huwelijk van Leopold graaf van Limburg Stirum en Johanna Ida Randebroek 1911 werd maar liefst 2100 pond rundvlees verdeeld onder de armen, terwijl de kinderen uit het dorp zich tegoed deden aan 700 pond bruidssuikers. Twee jaar later schonk de gravin een inrichting voor behoeftige gezindten in Noordwijk. Toch blijft de vraag in hoeverre deze families daadwerkelijk een machtspositie in hun heerlijkheid bezaten. Of was het vooral folklore? Deze en andere vragen behoeven nadere bestudering.

Van macht naar folklore is een prachtig naslagwerk voor (lokale) historici en genealogen. Het is te hopen dat Peter de Jong zijn monnikenwerk voortzet. Heerlijkheden kwamen ook in andere provincies voor en om het beeld compleet te maken, zouden ook die moeten worden onderzocht. Voorlopig vormt dit boek over de Zuid-Hollandse heerlijkheden na de Franse Tijd echter een prachtige opstap voor verder onderzoek.

Peter de Jong, Van macht naar folklore. Heerlijkheden in Zuid-Holland na de Franse Tijd, Woudrichem: Pictures Publishers, 2018, 576 pp., ISBN 978-94-92576-15-6. Prijs: €39,95.

Susan Suèr | De Cipierster (duur: 8 afleveringen van ca. 20 minuten)

Gesignaleerd door Isabel Casteels

Iedereen die weleens archiefonderzoek doet, weet dat er genoeg fiction in the archives ligt om bibliotheken mee te vullen. Misschien zouden meer historici het voorbeeld moeten volgen van Susan Suèr, historica en projectleider educatie bij Erfgoed Leiden & Omstreken. Tijdens haar onderzoek in de rechterlijke archieven naar de 18de-eeuwse cipierster Maria van Nispen kwam ze veel materiaal tegen dat ze niet direct kon gebruiken, maar toch te leuk was om in het archief te laten verstoffen. Dit materiaal heeft ze verwerkt in deze mooie podcastserie, met ondertussen al twee seizoenen met ieder vier afleveringen van ongeveer 20 minuten.

Elke aflevering vertelt Suèr een ander verhaal. Onderwerpen variëren van gewelddadige kermisgangers en wantrouwende molenaars tot het huwelijk van Liesbeth met Cornelia, die zich voor de gelegenheid verkleedde als Cornelis. Maar overeenkomsten zijn er ook. Het gaat hier eens een keer niet over grote namen en belangrijke gebeurtenissen, maar over hele normale vroegmoderne vrouwen en mannen en de dagelijkse beslommeringen waar zij zich mee bezighielden. Daarbij is het bijzonder om te horen hoe goed deze vrouwen en mannen hun weg wisten te vinden binnen het rechtssysteem. Haast terloops noemt Suèr hoe Teuntje, een Leidse wijnkoopster, verschillende keren haar testament laat opmaken en getuigenverklaringen bij de rechter laat vastleggen om haar goede naam te zuiveren.

Omdat Suèr gebonden is aan de informatie die ze in de archieven kan vinden, zijn de verhalen soms wat fragmentarisch en moeilijk te volgen. De grote hoeveelheid namen en leeftijden die voorbijkomen in de archiefstukken helpt hier ook niet aan mee. Maar de quotes in het vroegmodern Nederlands maken dat dan weer ruimschoots goed. De podcast slaagt er uitstekend in om het dagelijks leven van 18de-eeuwse Hollanders heel dichtbij te brengen.

Luister hier naar de podcast ‘De Cipierster’ is: https://anchor.fm/de-cipierster.

In het bed van de keizer: Napoleons nalatenschap

Lauren Lauret, Universitair Docent Universiteit Leiden

Op 18 juni 2015 herdachten meer dan 60.000 bezoekers de slag bij Waterloo door getuige te zijn van een grootschalige re-enactement van deze veldslag. Napoleon stierf zes jaar later in ballingschap, ver verwijderd van een Europees slagveld op St. Helena. De mis-en-scène van Napoleons sterfbed is eerder meelijwekkend dan indrukwekkend en bovendien veel te perifeer en kleinschalig voor een lucratief spektakel. Maar blijkbaar mocht het tweehonderdjarig jubileum van de laatste ademteug van Napoleon niet ongemerkt voorbijgaan. De nalatenschap van Napoleon intrigeert de lezende Nederlander, getuige ook een recent artikel in Elsevier Weekblad (2 januari jl.).

Een kantelend beeld

In de bundel Napoleons nalatenschap leggen maar liefst vijftien specialisten onder redactie van hoogleraar Nederlandse taal en cultuur Lotte Jensen verslag van hun vondsten. In samenwerking met uitgeverij De Bezige Bij hebben zij er een feest voor het oog van gemaakt door tal van prachtige kleurenafbeeldingen op te nemen. De bijdragen zijn onderverdeeld in vier thema’s: materiële sporen, kunst en cultuur, eenwording van de staat, en tenslotte leger en veiligheid. In de bundel als geheel loopt een interessante spanning tussen afschuw en bewondering voor Napoleon.

De bundel begint bewonderend en plaatst geleidelijk aan steeds meer kritische kanttekeningen. In de bijdragen over de geschenken die Napoleon aan Nederlandse burgers gaf of de invloed van de empirestijl in de Nederlandse paleizen ligt de nadruk op de barmhartige keizer of de positieve invloed op de Nederlandse kunstwereld. Jos Gabriëls daarentegen verklaart in zijn bijdrage over de optische telegraaf van Chappe tussen Amsterdam en Zeeuws-Vlaanderen hoe deze seintoestellen op kerktorens uitgroeiden tot gehate symbolen van de bezetter rond 1813.

Tegenwoordig spannen lokale historische verenigingen zich echter in om met enige trots te herinneren aan de rol van hun stad of dorp als onmisbare schakel in de informatieketen van Napoleon. Rick Honings dateert de kanteling van het beeld van Napoleon in 1840, het jaar waarin Napoleons gebeente naar Parijs werd overgebracht. Vanaf dat jaar is het beeld van de keizer in de Nederlandse literatuur zuiver positief, terwijl daarvoor Bilderdijk en Da Costa naast hun bewondering voor Napoleons genie tegelijkertijd kritisch bleven. Uit de bijdrage van Lotte Jensen heb ik geleerd waarom Napoleon bij mij niet meteen sterke gevoelens van afkeer of Oranjeliefde oproept. Vanaf 1990 nam de belangstelling voor de napoleontische tijd onder kinderboekenschrijvers namelijk af om pas in 2015 weer op te laaien onder invloed van de grote Waterloo-herdenking.

Een kwestie van perspectief

Uit de verschillende hoofdstukken blijkt dat de beoordeling van Napoleons nalatenschap afhangt van wie op welk moment een oordeel velt. De Rotterdamse lezer zal zich door de bijdrage van Johan Joor over het continentaal stelsel vooral verheugen over de verschuiving van de Amsterdamse naar de Rotterdamse haven als leidend commercieel centrum van het latere Nederland. In tegenstelling tot de Amsterdammers wisten de Noordzeevissers en Engels georiënteerde koopmansgemeenschap in Rotterdam, ondanks het continentaal stelsel, wel in bedrijf te blijven. Als vrouwelijke lezer keek ik dan weer vreemd op toen Barend Jan van Spaendonck een vooruitziende blik prees als ‘het geniale van Napoleon’ op maatschappelijk vlak, nadat Van Spaendonck net had aangetoond hoe (de erfenis van) de Code civil de Nederlandse vrouw tot diep in de twintigste eeuw achter de man stelde.

En de tijdgenoten?

Minder aandacht is er voor de vraag welke gevolgen de afkeer van het Franse bewind onder tijdgenoten heeft gehad voor het voortbestaan van bestuurspraktijken uit het ancien régime direct na 1813. Er wordt gerefereerd aan de inefficiënte decentrale bestuursvormen van voor 1795, maar als Willem I zich publiekelijk afzet tegen Lodewijk Napoleon komt niet ter sprake dat hij zich wellicht wel gedroeg zoals zijn vader stadhouder Willem V hem had opgevoed. Bart Verheijen sluit zijn bijdrage af met de constatering dat vanaf 1813 de actieve vorm van nationaal orangisme actief door de staat werd verspreid en voormalige vrienden en vijanden van Napoleon toetraden tot de nieuwe regering. Beatrice de Graaf bespreekt een van de gevolgen van een napoleontische leerschool van deze bestuurders. Onder het mom van nationale veiligheid kregen kritische geesten of vrijbuiters in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden te maken met het politienetwerk van Justitieminister Van Maanen en zijn procureur-generaal bij het Hooggerechtshof Philipse. Daarmee vormt deze bijdrage een belangrijke aanvulling op de besprekingen van de talrijke steunbetuigingen aan het Huis van Oranje die de Franse tijd uitlokte, zowel voor als na 1813.

Knap overzicht

De bundel verdient een breed lezerspubliek, want bij elkaar opgeteld vormen de hoofdstukken een indrukwekkende vlootschouw van de kennis over Napoleons nalatenschap in Nederland. Aan het einde weet de lezer tot op de nagel nauwkeurig hoe het gevleugelde napoleontische bed eruitzag – zowel fysiek als administratief – en zelfs waar Napoleons bedje stond bij zijn bliksembezoek aan de nieuwe uithoek van zijn rijk. Het boek heeft mij daarom ook op een idee gebracht om Napoleon in bed alsnog op grotere schaal te gedenken. Misschien zet ik deze zomer de route uit het kader ‘Waar sliep Napoleon?’ om in een fietsvakantie langs de keizerlijke pleisterplaatsen van weleer.

Lotte Jensen (red.), Napoleons nalatenschap. Sporen in de Nederlandse samenleving. De Bezige Bij, Amsterdam, 2020, 272 p, ISBN: 9789403109817, €29,99,-.