Door Doreen van den Boogaart, freelance historisch onderzoeker

Slavenhandelaren aan de Prinsengracht

In 18de-eeuws Amsterdam en Suriname stonden koopmannen Jochem Matthijs en Coenraad Smitt van de Prinsengracht bekend om hun handel in koffie, suiker én slaafgemaakte mensen. Ramona Negrón en Jessica den Oudsten schrijven in hun recent gepubliceerde boek over de ontdekking dat deze vader en zoon de grootste slavenhandelaren van Amsterdam waren. De firma Jochem Matthijs en Coenraad Smitt komt veelvuldig voor in het archief van het Amsterdamse notariaat, dat de afgelopen jaren door het Stadsarchief Amsterdam is gedigitaliseerd en geïndexeerd met de hulp van ruim duizend vrijwilligers. De firma bleek de meeste private slavenschepen vanuit Amsterdam uitgereed te hebben in de 18de eeuw en tussen de 11.000 en 13.000 West-Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen verhandeld te hebben.

Aan de hand van de reis van een van de eerste slavenschepen van de Smitts, ‘t Gezegende Suikerriet (1745), vertellen de auteurs de geschiedenis van de firma Jochem Matthijs en Coenraad Smitt. Door hun gedetailleerde analyse van de akten wordt de werkwijze van de Smitts zichtbaar, evenals hun grootste drijfveer: economisch gewin. Dit staat in schril contrast met de ervaringen van de slachtoffers, wier lotgevallen richting het einde van het boek steeds meer aandacht krijgen.

Kennismaking met de slavenhandel

De eerste kennismaking tot de private slavenhandel kreeg Jochem Matthijs Smitt mogelijkerwijs door het lezen van een advertentie van de Sociëteit van Suriname in de Amsterdamse Courant. De grootste slavenhandelaren van Amsterdam begint dan ook met hoofdrolspeler Jochem Matthijs die de Amsterdamse Courant openslaat. Op deze verhalende wijze brengen Negrón en Den Oudsten aan de start van elk hoofdstuk de geschiedenis dicht bij de lezers. Ook de toegankelijk manier waarop de inleiding op de Nederlandse slavenhandel, de opkomst van koopmannen als de Smitts en de kolonie Suriname is opgesteld, laat zien dat het rijk geïllustreerde boek is geschreven voor een breed publiek.

Ondertussen levert dit boek een belangrijke aanvulling op de kennis van de situatie op Nederlandse slavenschepen en de Amsterdamse private slavenhandel tussen 1730 en 1779. Het vernieuwende gebruik van notariële akten levert een completer beeld van de organisatie rond de slavenhandel op. Notarissen waren namelijk betrokken vanaf het moment dat de Smitts op zoek gingen naar investeerders voor hun schepen tot aan de evaluatie van de reizen bij terugkeer in Amsterdam.

De vele verklaringen van de bemanning van ’t Gezegende Suikerriet en andere slavenschepen van de Smitts schetsen een beeld van structureel geweld aan boord. Hiermee weerleggen de auteurs de stelling van verschillende historici dat dit incidenteel gebeurde en tot slaafgemaakten op slavenschepen goed behandeld werden. Die intentie was wel vastgelegd bij de notaris in contracten voorafgaand aan de reis, maar het overlijden van verscheidene gevangenen tijdens de reis en de rechtszaken na afloop vanwege het gewelddadige beleid van de kapitein, laten zien dat de realiteit anders was.

Stemmen uit notariële akten

Dankzij het diepgravende onderzoek van de auteurs wordt de betrokkenheid van de notarissen, bemanningsleden en plantage-eigenaren in Suriname zichtbaar. Daarnaast is er aandacht voor de stiltes in de bronnen, aangezien alleen de bemanning gehoord is en de stemmen van de verhandelde West-Afrikaanse mensen ontbreken. Toch weten de Negrón en Den Oudsten door de reis van het ‘t Gezegende Suikerriet te beschrijven vanuit twee perspectieven. Ze reconstrueren de ervaringen van de mannen, vrouwen en kinderen die onvrijwillig verscheept werden, evenals het leven op de plantages in Suriname waar ze terecht zouden komen. 

Echter, er had in het boek meer aandacht besteed mogen worden aan de impact van de vrijheidsberoving, ontmenselijking, mishandeling en brandmerking die plaatsvond op de slavenschepen. In het voorwoord wordt kort de keuze voor het gebruik ‘slaafgemaakten’ en ‘slaafgemaakte mensen’ aangestipt. De afgelopen jaren is dit woordgebruik steeds gangbaar geworden, omdat zo het proces van ‘tot slaaf maken’ zichtbaar gemaakt wordt. Negrón en Den Oudsten spreken al vanaf het moment van aankoop op de West-Afrikaanse kust over ‘slaafgemaakten’. Dat het tot slaaf maken ook op zee plaatsvond, had duidelijker naar voren kunnen komen, juist om zo de betekenis van het woordgebruik te onderstrepen.

Ramona Negrón en Jessica den Oudsten laten met De grootste slavenhandelaren van Amsterdam veel meer zien dan alleen de werkwijze van Amsterdams grootste slavenhandelaren. De overvloed aan (ontstellende) kennis die ontsloten kan worden in de Nederlandse (stads)archieven brengen zij voor het voetlicht. Dat geldt ook voor de betrokkenheid op verschillende niveaus, verschillende locaties en in alle lagen van de Nederlandse bevolking bij het tot slaaf maken van duizenden mensen.

Ramona Negrón en Jessica den Oudsten, De grootste slavenhandelaren van Amsterdam. Over Jochem Matthijs en Coenraad Smitt, Zutphen: Walburg Pers, 2022, 264 pp., ISBN 9789462499270, prijs €29,99.

Door Merle Lammers, militair historicus en redacteur Holland

Naar aanleiding van de landelijke Rampjaarherdenking – in 2022 exact 350 jaar geleden – zijn diverse boeken verschenen over deze roerige periode, waaronder veel regionale studies. Eén van deze studies is Een Ramp voor de Vechtstreek van auteur Daan Wolfert. Wolfert kwam erachter dat er helemaal geen overzichtswerk bestond over de Vechtstreek in de periode 1672-1673, terwijl de streek destijds frontgebied was. De Oude Hollandse Waterlinie liep er dwars doorheen en zette hele landbouwgebieden onder water. Wolfert besloot zelf dan maar een boek over het Rampjaar in de Vechtstreek te schrijven.

Leuntje Chielen

Vrijwel meteen na het Rampjaar verscheen allerlei drukwerk over de verschrikkingen in de Republiek, het ene verhaal nog gruwelijker dan het andere. Eén van deze verhalen speelt zich af in Waverveen. In Waverveen was een jonge vrouw, die luisterde naar de naam Leuntje Chielen, net bevallen van een zoontje toen Franse troepen het kleine dorpje in de Vechtstreek binnenvielen. De militairen hielden volgens de overlevering verschrikkelijk huis in Waverveen. De echtgenoot van Leuntje, Cornelis Martensz., besloot samen met haar en de zuigeling te vluchten. Eenmaal op weg, via een roeibootje, werd Cornelis geraakt door een schot. Leuntje roeide verder. Uiteindelijk kwamen ze aan in de buurtschap De Rijke Waver (Amstelveen). Cornelis overleed nog dezelfde avond. Kort daarop vertrok Leuntje naar Amsterdam, waar ze twaalf dagen later haar zoontje in de Zuiderkerk ten doop hield. Het jongentje vernoemde ze naar zijn vader.

Volgens Wolfert is het verhaal van Leuntje Chielen illustratief voor het optreden van de Franse soldaten tijdens het Rampjaar. Helaas heeft de auteur geen archiefonderzoek gedaan om het verhaal over Leuntje Chielen te verifiëren. Uit DTB-boeken blijkt namelijk dat Leuntje écht heeft bestaan en dat zij in november 1672 haar kindje heeft laten dopen in de Zuiderkerk. Het kindje kreeg inderdaad de naam Cornelis.

Het Rampjaar en de Vechtstreek

De auteur gaat in de tweede helft van het boek uitgebreid in op de gebeurtenissen in de Vechtstreek tijdens het Rampjaar. Het eerste deel van het boek beslaat voornamelijk de achtergrond en het verloop van de Hollandse Oorlog (1672-1678) en biedt daarmee op een overzichtelijke manier context bij de tweede helft. De gebeurtenissen in de Vechtstreek worden geschetst aan de hand van plaatsen in de Vechtstreek. Bij sommige dorpen en steden bleef de last beperkt tot inkwartiering en plunderende militairen, terwijl andere werden compleet afgebrand. Het eerste geldt vooral voor de plaatsen in het door de Fransen bezette deel, het tweede voor de plaatsen in het Hollandse deel. De dorpen en steden in deze provincie konden namelijk geen aanspraak maken op een Franse sauvegarde. Zo werd Loosdrecht in het najaar van 1672 met de grond gelijkgemaakt. Baby’s en ouderen werden niet gespaard. Ongeveer vierhonderd inwoners kwamen om het leven, de rest vluchtte naar Amsterdam.

De Vechtstreek na het Rampjaar

Wolfert concludeert dat de boeren het meest hebben geleden: zij konden immers op ieder moment beroofd worden door Franse of Staatse militairen, landlopers of vluchtelingen. Na het Rampjaar werd de Vechtstreek weer langzaam opgebouwd. Het kostte tijd om het verzilte boerenland te herstellen en de kastelen en buitenhuizen van de rijke Amsterdammers te herbouwen. Begin 18de eeuw was de Vechtstreek weer in zijn vooroorlogse luister hersteld.
Een ramp voor de Vechtstreek is rijk geïllustreerd met onder meer afbeeldingen van vestingen en verwoeste kastelen en biedt een integraal overzicht van de gebeurtenissen in deze omgeving in 1672-1673. Wel blijft de lezer achter met vragen. In hoeverre zijn de in het boek geschetste gruwelen écht gebeurd? Uit de voetnoten blijkt dat de auteur veel informatie kritiekloos uit de contemporaine geschiedwerken uit de periode vlak na het Rampjaar heeft overgenomen. Verder is het boek voornamelijk gebaseerd op secundaire literatuur. De meest interessante hoofdstukken zijn dan ook de hoofdstukken waarvoor archiefstukken geraadpleegd zijn, zoals het hoofdstuk over Breukelen en Kockengen. Zo blijkt uit een archiefstuk dat er in de voormalige gemeente Breukelen-Nijenrode veel huizen ‘door de moetwil van de Francen […] zijn afgebrocken ende oock verbrant’. Wolfert heeft met zijn boek een gedegen eerste aanzet gegeven om het lot van de Vechtstreek tijdens 1672-1673 integraal te beschrijven, maar het is jammer dat de vele ‘gruwelverhalen’ niet door archiefonderzoek geverifieerd of ontkracht zijn.

Daan Wolfert, Een Ramp voor de Vechtstreek – 1672-1673, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2022, 248 pp., ISBN: 9789087049980, prijs: €25,-

Door Corien Glaudemans, historicus

Bourgondië en Beieren

Gravin Jacoba van Beieren spreekt al eeuwenlang tot onze verbeelding. Over deze vorstin en haar strijd om de opvolging in Holland, Zeeland en Henegouwen verschenen tal van biografieën. Veel minder is bekend over haar moeder Margaretha van Bourgondië. Margreet Brandsma heeft deze middeleeuwse vorstin uit de vergetelheid gehaald.

Margaretha van Bourgondië was de oudste dochter van hertog Filips de Stoute van Bourgondië. Het beroemde dubbelhuwelijk van 1385 van Margaretha met Willem van Beieren, de oudste zoon van graaf Albrecht van Holland, Zeeland en Henegouwen, en haar broer Jan met Margaretha van Beieren bezegelde een alliantie tussen het Beierse en het Bourgondische huis. De huwelijken vormden een politiek bondgenootschap tussen de Bourgondische en de Beierse dynastie, met een centrale rol voor Margaretha van Bourgondië.

Aan de grafelijk hoven in Den Haag en in Le Quesnoy in Henegouwen had Margaretha van Bourgondië een functie die meer dan alleen maar ceremonieel was. Zij had een eigen vorstelijke hofhouding van meer dan 160 personen, van hofdames en biechtvader tot koks en stalknechten. Regelmatig trad de vorstin op als plaatsvervanger van haar echtgenoot of onderhield contacten tussen het Beierse en het Bourgondische hof. Tussendoor werd er ook gelezen. Aan de hand van manuscripten weet Brandsma de interessante bibliotheek van Margaretha te reconstrueren. De vorstin, die in Den Haag en in Henegouwen een eigen hofkapel had en vele pelgrimages maakte, las niet alleen religieuze werken. In het kasteel in Le Quesnoy stonden historiografische en Franstalige literaire werken naast Het boek van de stad der vrouwen van Christine de Pizan op de plank. Uit de bronnen blijkt ook dat Margaretha gefascineerd was door verhalen over haar koninklijke, Franse voorgeslacht.

Loyaliteit bij Jacoba van Beieren

De politieke rol van Margaretha van Bourgondië veranderde drastisch in mei 1417. Die maand stierf haar echtgenoot. Na zijn overlijden werd de positie van hun enige kind, Jacoba van Beieren, aangevochten. In de machtsstrijd om de opvolging koos Margaretha openlijk de zijde van Jacoba als erfopvolgster van het Beierse huis. Ook al hadden edelen en steden van de graafschappen aan haar overleden echtgenoot toegezegd dochter Jacoba als rechtmatige opvolgster te erkennen, de praktijk bleek anders. Jan van Beieren, jongste zoon van Albrecht van Beieren, probeerde de macht te grijpen. Deze strijd zorgde in Holland en Zeeland voor een heropleving van de conflicten tussen de Hoeken en Kabeljauwen, waarbij Jacoba en Margaretha Hoekse steun kregen en Jan van Beieren steun van Kabeljauwse zijde. Tijdens de strijd was Margaretha jarenlang de belangrijkste adviseur van haar dochter.

De douarie in gevaar

Een wapen in de opvolgingsstrijd waarover Margaretha beschikte, waren de inkomsten uit haar douarie of weduwgoed. Veel geld kwam binnen uit haar domeinen, die zich uitstrekten van Henegouwen tot aan het eiland Texel. Deze inkomsten waren voldoende om in vredestijd zelfstandig te kunnen handelen. Maar de conflicten verstoorden haar inkomen.

De machtige mannelijke leden van zowel de Beierse als de Bourgondische dynastie stonden tijdens de opvolgingsstrijd vijandig tegenover Margaretha en gebruikten financiële maatregelen als wapen. Eigendommen werden in beslag genomen en uitkeringen geannuleerd. Toen de financiële nood van de gravin te hoog werd moest zij zich neerleggen bij het feit dat Filips de Goede de macht overnam, zowel in Holland als in Henegouwen. De Bourgondische hertog bleek een te sterke tegenstander. Daarna speelde Margaretha nauwelijks meer een rol in de internationale politiek. Na het overlijden van haar dochter Jacoba in 1436 verbleef Margaretha tot aan haar dood in 1441 vrijwel voortdurend in Henegouwen. Daar is zij in een grafkapel bij de kerk van Le Quesnoy begraven.

Margreet Brandsma heeft in haar interessante boek duidelijk aangetoond dat Margaretha van Bourgondië geen voetnoot was in de geschiedenis, maar dat zij een belangrijke rol heeft gespeeld in de politieke verwikkelingen aan het begin van de 15de eeuw. Er komt een beeld naar voren van een intelligente en vooral strijdvaardige middeleeuwse vorstin. De 15de-eeuwse chroniqueur Georges Chastellain schreef over de vorstin: ‘Want men moet weten dat er op aarde geen dame zo onverschrokken was als zij….’. Misschien was deze kwalificatie niet bedoeld als een compliment, maar moedig was zij zeker.

Margreet Brandsma, Tussen twee dynastieën Margaretha van Bourgondië, 1374-1441, gravin van Henegouwen, Holland en Zeeland, Middeleeuwse Studies en Bronnen 181, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2022, 304 pp., ISBN: 9789087049843. Prijs: €29,-

Door Jaap de Haan, historicus Universiteit Utrecht en redacteur Holland

Een maand na de Franse inval in de Republiek drongen woedende boeren de burgermeesterkamer van het Goudse stadhuis binnen om te protesteren tegen het plan de sluizen in de stad verder open te zetten (pp. 82-87). Het idee was afkomstig van een aantal Hollandse regenten, die belast waren met de verdediging van het gewest. Het onderwater zetten van de polders rond Gouda moest een verdere Franse opmars beletten. Daaraan had  de plattelandsbevolking geen boodschap, want de inundaties zouden hun land ruïneren. Willem III moest eraan te pas komen om het boerenverzet te beëindigen. De prins dreigde met lijfstraffen als zij de verdediging van het land bleven traineren.

Deze episode is een goed voorbeeld van de strekking van Regenten en de Waterlinie. Auteur Leen Ouweneel beschrijft op basis van nieuw archiefonderzoek het optreden van de Hollandse regenten in de tweede helft van 1672. Zijn voornaamste conclusie is dat het bekende gezegde over het Rampjaar, namelijk dat het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos was, niet opgaat voor de Hollandse, stedelijke bestuurders.

Al ruim voor de invasie stelden de Gecommitteerde Raden van Holland – het dagelijks bestuur van de gewestelijke Staten – een commissie in die inventariseerde welke polders geïnundeerd konden worden. De successen die honderd jaar eerder dankzij het water waren behaald tegen de Spanjaarden, waren de basis voor dit idee. Aanvankelijk probeerden de Hollanders met het buurgewest een gezamenlijke verdedigingslinie aan te leggen in de Gelderse vallei, maar de Franse invasie maakte aan deze plannen een einde. Holland besloot toen op de grens met Utrecht de landerijen onder water te zetten.

Op 13 juni – vier dagen voor de terugtocht van het Nederlandse leger van de IJssellinie – werden de eerste sluizen opengezet en dijken doorgestoken. Hoewel de plannen dus klaar lagen, had het nog heel wat voeten in aarde voordat de linie echt gereed was. Er was verzet van boeren en het kostte moeite voldoende mannen op de been te brengen voor noodzakelijke graafwerkzaamheden. Toch werd de Waterlinie een succes. Toen Lodewijk XIV eind juni na mislukte vredesonderhandelingen zijn opmars wilde voorzetten, stuitte zijn leger immers op een onneembare hindernis.

Ouweneel geeft een overzicht van de Hollandse Waterlinie aan de hand van de vijf hoofdposten, die de belangrijkste accessen (doorgangen) in de watervlakte verdedigden. Dat zijn Muiden aan de Zuiderzee, Nieuwerbrug aan de Oude Rijn, Goejanverwellesluis aan de Hollandse IJssel, Schoonhoven aan de Lek en Gorinchem aan de Merwede. In deze hoofdstukken staat hij stil bij de activiteiten van de Hollandse gedeputeerden, de (problemen met de) inundaties en het verzet van de lokale bevolking. De belangrijkste gevechtshandelingen komen ook aan bod, zoals de tocht over het ijs van het Franse leger onder leiding van de hertog van Luxemburg aan het eind van 1672, die uitmondde in de plundering en verwoesting van Zwammerdam en Bodegraven. Opmerkelijk is overigens dat de stad Amsterdam door de Staten van Holland geautoriseerd werd om de verdediging rond de hoofdpost Muiden en Weesp te organiseren.

De laatste jaren is het belang van lokale geschiedenis toegenomen. Niet zelden vullen amateurhistorici op basis van onderzoek in regionale archieven de algemene, nationale geschiedenis aan en soms stellen ze die ook bij. Dat doet Ouweneel ook. Hij laat in Regenten en de Waterlinie overtuigend zien dat de Hollandse regenten allerminst lamgeslagen Lodewijks verovering van de Republiek gadesloegen. De auteur is jammer genoeg erg bescheiden over de resultaten van zijn onderzoek en daarmee doet hij de lezer en zichzelf tekort. In de inleiding formuleert hij losjes de invalhoek van zijn boek en in de summiere epiloog stipt hij kort de uitkomsten aan. Aangezien de hoofdstukken meer feitelijk dan analytisch van aard zijn moet de lezer zelf aan het werk om een algemene conclusie uit het boek te halen. Gezien de bijdrage van dit boek aan de geschiedschrijving van het Rampjaar had Ouweneel zichzelf in het boek een groter podium mogen geven.

Leen Ouweneel, Regenten en de Waterlinie in het Rampjaar. Hoe de Hollandse Waterlinie tot stand kwam. Uitgeverij: Historische Uitgaven Schoonhoven, Schoonhoven, 2022, 267 p., ill., ISBN 97890 8230 9553. Prijs: €24,95.

Door Laura van Hasselt, docent publieksgeschiedenis aan de UvA

Een historische canon kan een effectief middel zijn om grip te krijgen op de onoverzichtelijke brei die het verleden is. Het genre is de afgelopen vijftien jaar zeer populair geworden in ons land. Sinds de introductie van de Canon van Nederland in 2006 regent het lokale en regionale varianten. Blijkbaar is de behoefte aan een behapbaar overzicht van hoogte- en dieptepunten uit de eigen geschiedenis groot. Toch is het geen onomstreden genre. Elke canon is immers een soort machtsgreep ten aanzien van de geschiedenis. Wie is er bevoegd om te bepalen welke historische gebeurtenissen en personen iedereen zou moeten kennen? Belangrijker: wie mag bepalen welke mensen en verhalen niet tot de canon behoren? Op grond waarvan? Doen we met zo’n beknopt overzicht de rijkdom en complexiteit van de geschiedenis niet per definitie tekort?

Bij elke historische canon zijn er vanzelfsprekend talloze ontbrekende vensters, waarover historici, liefhebbers en activisten zich niet zelden stevig opwinden. Soms doen ze dat met succes. Zo werd de nationale geschiedeniscanon in 2020 gedeeltelijk herzien. Mede dankzij allerlei lobbygroepen kwam er vooral meer aandacht voor koloniale geschiedenis en voor historische vrouwen, ten koste van oude (manlijke) bekenden als Floris V, Karel V en Willem Drees.

De Canon van de Hoeksche Waard, die eind 2021 door Museum Hoeksche Waard werd uitgebracht, is een geslaagde, maar ook uitzonderlijke variant op het thema. Maar liefst zesentwintig auteurs schreven samen de vijftig vensters. Allemaal hebben ze hun sporen verdiend in de lokale of regionale geschiedschrijving, maar slechts een minderheid werkt professioneel als historicus. De redactie werd gevoerd door Willy Spaan en Rein van der Waal, die ook enkele vensters schreven en beiden betrokken zijn bij Museum Hoeksche Waard in Heinenoord.

De vijftig canonvensters zijn opvallend ruim gekozen. Slechts enkele vensters zijn gewijd aan één persoon, zoals Suze Groeneweg (door Willy Spaan). Het beroemde eerste vrouwelijke lid van de Tweede Kamer (in 1918) blijkt afkomstig te zijn uit Strijensas. Maar de meeste vensters hebben bredere thema’s, met titels als ‘Politiek en bestuur in een nieuw land’ (Arjan Nobel), ‘Ontwikkelingen in de land- en tuinbouw’ (Jan Zevenbergen) of ‘Epidemische ziekten bij mens en dier’ (Rein van der Waal).

Deze ruime opzet gaat enigszins ten koste van de aantrekkingskracht van de klassieke canon, namelijk de suggestie dat de kern van de geschiedenis in een overzichtelijk aantal namen en jaartallen is te vangen. Maar daarin schuilt juist ook de kracht van dit lijvige, prachtig geïllustreerde boek. De vensters zijn stuk voor stuk grondig onderzochte, genuanceerde geschiedverhalen, die vanuit zeer verschillende invalshoeken zijn geschreven. Samen geven ze een rijk beeld van de geschiedenis van de Hoeksche Waard, van de oudste sporen van bewoning (2500 v.Chr.) tot de vorming van de gemeente Hoeksche Waard in 2019. Dit is geen boekje om even snel door te bladeren, maar een stevige historische studie om rustig voor te gaan zitten.

Mooi is onder meer het venster van Simon M. Brand over het Verzet in de Tweede Wereldoorlog (nr. 37), waarin de auteur onder andere een spannende overval op een distributiebureau in Oud-Beijerland beschrijft, maar ook stilstaat bij de onbedoelde tragische gevolgen van verzetsdaden. Ook het venster van Conno Bochoven over Buitenlandse nieuwkomers (nr. 46) is vernieuwend, in die zin dat hij daarin onder meer aandacht besteedt aan de geschiedenis van asielzoekers. Hij probeert daarbij de protesten tegen de komst van een nieuw asielzoekerscentrum niet weg te poetsen. Deze canon is bepaald geen eenzijdig juichverhaal, terwijl de liefde voor de eigen streek er toch vanaf spat. Redactie en auteurs hebben een knappe balans weten te vinden.

Des te opvallender is het, dat het koloniale verleden er wel erg bekaaid vanaf komt. Het woord slavernij valt zelfs geen enkele maal. Heeft geen van de invloedrijke (vroeg-)moderne inwoners van de Hoeksche Waard daarmee zijn of haar kapitaal verdiend? Dat zou pas echt uitzonderlijk zijn. Gelukkig is geen enkele canon in beton gegoten, zoals onder meer de herziening van de nationale canon heeft laten zien. De Canon van de Hoeksche Waard heeft nu al zijn tweede druk bereikt. Misschien past er in de derde druk nog een venster bij?

Willy Spaan en Rein van der Waal ed., De Canon van de Hoeksche Waard. 50 vensters op de eilandgeschiedenis (Museum Hoeksche Waard; Heinenoord 2021) 376 blz., ill., ISBN 9789082417630. Prijs: € 34,50.

Door Kerrewin van Blanken, promovendus project The Invention of Public Diplomacy in Early Modern Europe (UvA/KNAW)

Hiëronymus van Beverningk tijdens het rampjaar 1672 is een boek met twee gezichten. Enerzijds is het een politieke biografie van een invloedrijke, maar nauwelijks bekende staatsman, die ooit werd gezien als mogelijke opvolger van Johan de Witt. Anderzijds blijft de persoon van Hiëronymus van Beverningk in het verhaal vaak ondergeschikt aan een algemenere beschrijving van de politieke en militaire gebeurtenissen in en rondom 1672.

Als publieksboek in het kader van de herdenking van het rampjaar is de uitgave in ieder geval zeer geslaagd. Het is vlot geschreven, en de citaten in het 17de-eeuws Nederlands zijn voorzien van heldere duiding. De lange stoet aan historische personages en gebeurtenissen is makkelijk te volgen door de vele portretten die in het boek zijn opgenomen en door kruisverwijzingen naar eerdere optredens. De analyse van het politiek en diplomatiek gekonkel rondom 1672 is grotendeels gebaseerd op secundaire literatuur en biedt daardoor weinig verrassende inzichten. De auteur Wout Troost slaagt erin de complexe stof helder uit te leggen, waardoor het boek voor zowel de geïnteresseerde leek als voor gespecialiseerde historici een handig overzicht biedt.

De eerste twee hoofdstukken beschrijven de levensloop van Van Beverningk vóór 1672, de geopolitieke opmars naar de oorlog van 1672, en Van Beverningks driehoeksverhouding met raadpensionaris Johan de Witt en Willem III. Zijn relatie tot deze twee mannen loopt als een rode lijn door het boek. Van Beverningk zat in het kamp van de republikeinse raadpensionaris, maar zag nog wel een rol weggelegd voor de jonge Willem III in het staatsbestel op het moment dat deze volwassen zou worden. Hoe dichter die dag naderde en hoe meer functies werden toegekend aan de jonge prins, hoe groter de kloof tussen Van Beverningk en De Witt werd.

Dit is een belangrijk punt voor Troost. Van Beverningk is door tijdgenoten en historici vaak verweten dat hij na de val van De Witt opportunistisch van kamp wisselde. Voorstanders van De Witts Ware Vrijheid zagen hem als een verrader, terwijl Orangisten hem bestempelden als een onbetrouwbare Wittiaan, die tijdens de vredesonderhandelingen van 1676-1678 nog probeerde het gezag van Willem III te ondermijnen. Troost laat overtuigend zien dat Van Beverningk eigenlijk een vrij consistente middenweg bewandelde. Vanwege zijn kwaliteiten als diplomaat en politicus namen zowel De Witt als Willem III hem in vertrouwen.

De volgende vier hoofdstukken behandelen de gebeurtenissen in het jaar 1672 in min of meer chronologische volgorde, met de focus op de militaire manoeuvres (hoofdstukken 3 en 6) en de binnenlandse politieke ontwikkelingen (hoofdstukken 4 en 5). Het laatste hoofdstuk bespreekt in vogelvlucht de rest van de oorlog, de vredesbesprekingen in Keulen (1673-1674) en Nijmegen (1676-1678) en eindigt met een heel summiere beschrijving van Van Beverningks laatste levensjaren.

Troost weet handig de grote gebeurtenissen binnen de Nederlandse en Europese politiek uit de doeken te doen aan de hand van Van Beverningks verschillende politieke rollen als diplomaat, thesaurier-generaal van de Staten Generaal, als gedeputeerde ter velde in het Staatse leger en als schepen in de vroedschap van Gouda. Hoewel deze uitweidingen over de binnen- en buitenlandse politiek soms de aandacht enigszins afleiden van de hoofdpersoon, weet Troost op de sterkste momenten in het boek Van Beverningks verschillende rollen in te zetten om inzicht te geven in de dynamiek tussen deze politieke niveaus. Zo stelde Van Beverningk als gedeputeerde ter velde – de facto opperbevelhebber van het Staatse leger – in juni 1672 de Hollandse waterlinie in werking, terwijl hij als lid van de Goudse vroedschap zijn eigen stad van de noodzaak van de inundaties moest overtuigen. Tegelijk besprak hij met Willem III en de Nederlandse gezanten de diplomatieke tactieken voor de onderhandelingen met Lodewijk XIV.

Juist op dit punt had Troost naar mijn inzien meer kunnen toevoegen aan het bekende verhaal van het Rampjaar. De debatten rondom het huidige herdenkingsjaar lijken namelijk grotendeels te worden bepaald door een spanning tussen het oude nationale verhaal over 1672 en de roep om meer regionale (en ook vooral niet-Hollandse) en internationale perspectieven. De vraag wat de biografische insteek van dit boek ons kan vertellen over de verwevenheid van lokale, landelijke en internationale belangen en hoe Van Beverningk zich in al zijn verschillende hoedanigheden profileerde komt niet aan bod. Desondanks heeft Troost een spannend en overzichtelijk boek afgeleverd, met een interessante herwaardering van de politicus die nog voor enige politieke continuïteit kon zorgen tussen de regimes van De Witt en Willem III.

Wout Troost, Hiëronymus van Beverningk tijdens het rampjaar 1672 (Uitgeverij Walburg Pers: Zutphen 2021), 160 blz., ill., ISBN 9789462497900. Prijs €19,99.

Door Ron Brand, conservator Maritiem Museum Rotterdam

Jaap R. Bruijn, emeritus hoogleraar zeegeschiedenis aan de Universiteit van Leiden, stond aan de wieg van de Zeven Provinciën Reeks, die al sinds 1990 wordt uitgegeven door uitgeverij Verloren. Zelf werkte Bruijn mee aan verschillende deeltjes, die in een beknopte vorm informatie bieden over een bepaald aspect van de Nederlandse geschiedenis en cultuur van de 16de, 17de en 18de eeuw. Veel van de tot nu toe verschenen delen hebben een maritiem onderwerp en dat zal ongetwijfeld door Bruijn zijn gestimuleerd.

In het nu als deel 41 verschenen deel gaat Bruijn zelf in op een specifieke periode in de geschiedenis van de Rotterdamse admiraliteit. De marine van de Republiek was in de 17de en 18de eeuw niet een eenheid, maar bestond uit vijf admiraliteitscolleges: Amsterdam, Zeeland, West-Friesland, Zeeland en de Maze (Rotterdam). De voornaamste taken van de admiraliteiten waren het beheer en de uitrusting van de oorlogsvloot en de inning van belastingen, de zogenaamde convooien en licenten.

Veel archiefstukken van de admiraliteiten gingen verloren of raakten zwaar beschadigd op de avond van 8 januari 1844, toen brand uitbrak in het Ministerie van Marine. Gelukkig werden veel van de stukken gered door ze uit het raam te gooien. Half verbrand, doorweekt door het bluswater, bevroren, met slijk, sneeuw en ijs overdekt werden ze overgebracht naar het Algemeen Rijksarchief om te worden gerestaureerd. Van de notulenboeken van de Maze, 1588-1795, die 234 banden telden, waren er nog 90 over. Wat betreft de eerste helft van de 17de eeuw zijn de resoluties van de admiraliteiten van Amsterdam en Rotterdam allesbehalve compleet, maar de Rotterdamse archiefstukken uit de periode 1625-1644 zijn grotendeels nog intact.

In de jaren 1980 maakte viceadmiraal A. de Booy b.d. transcripties van de overgebleven Rotterdamse resoluties. Hij gaf zelf een aanzet tot onderzoek van de Rotterdamse admiraliteit met een artikel over de Maze in de periode 1626-1628. Bruijn borduurt hierop voort. Aan de hand van enkele beeldbepalende aspecten, zoals het bestuur, de vergaderingen, de belastinginning, de financiën, de scheepswerf, de schepen, de officieren en zeelieden, biedt hij een zeer waardevol inkijkje in het reilen en zeilen van de Rotterdamse admiraliteit. Rode draden in deze periode zijn het gebrek aan daadkracht in het bestuur en het voortdurende gebrek aan geld. Oorzaken waren de bijdrage van de Staten-Generaal, die vaak niet tijdig of volledig werd uitbetaald, alsmede de inkomsten uit belastingheffingen, die achterbleven. Ook werd veelvuldig gefraudeerd en werden allerlei regels ontdoken. Leveranciers, zeelui en anderen moesten soms jaren op hun geld wachten. Opmerkelijk genoeg was er voor de aankoop van allerlei zeemansgidsen en prenten wél altijd geld beschikbaar.

De Rotterdamse admiraliteit had voortdurend te kampen met (te) weinig geld en toch veel verplichtingen en je vraagt je dan ook af hoe de Maze dit systeem zo lang in stand heeft weten te houden. Een vergelijking met de periode vanaf 1650, als diverse zeeoorlogen met Engeland worden uitgevochten, en ook met de gang van zaken bij een andere admiraliteit kunnen interessant zijn. Misschien is dat iets voor een volgend deel in de reeks.

Bruijns heldere betoog leest plezierig. De passages waarin problemen ter sprake worden gebracht, hebben een hoog anekdotisch gehalte. Soms geeft Bruijn onderkoeld commentaar, zoals in de inleiding bij twee citaten over de slechte financiële toestand in 1627 in vergelijking tot 1641. Hij stelt dan droogjes dat er in deze jaren niets was veranderd.

Jammer genoeg komt de wisselwerking tussen de Maze en de stad Rotterdam niet zo goed uit de verf. Er waren enkele pestepidemieën in de jaren 1634-1636, maar wat die betekenden voor de admiraliteit blijft onbekend. De notulen noemen niets hierover en bronnen over de stedelijke ontwikkelingen moeten deze gegevens dus aanvullen.

Het is een grote verdienste van Bruijn dat hij na zijn emeritaat in 2003 niet stil is gaan zitten en onderzoek is blijven doen naar tal van maritiem-historische onderwerpen. Bruijn is van zeer vele markten thuis met publicaties over de marine, handel, walvisvaart, maar ook de grote zeevaarders als ook de gewone zeelieden. Over de geschiedenis van de oorlogsvloot in de Republiek schreef hij al een overzichtswerk (ook vertaald in het Engels), maar in het hier besproken boek gaat hij specifiek in op één van de vijf admiraliteiten. Het boek biedt heel veel nuttige informatie voor iedereen die onderzoek doet naar de Nederlandse zeegeschiedenis.

Jaap R. Bruijn, Reilen en zeilen van de admiraliteit van Rotterdam in de jaren 1630-1640. Zeven Provinciën Reeks, nr. 41. (Uitgeverij Verloren: Hilversum 2022) 114 blz., ill., ISBN 9789087049812. Prijs: € 15,-

Door Merle Lammers, militair historicus

Het Rampjaar en de totstandkoming van de Oude Hollandse Waterlinie worden in 2022 herdacht en gevierd. Als startschot voor de herdenking gaf WBOOKS in 2021 in samenwerking met de Stichting OHW Het Oude Hollandse Waterlinie Boek uit, geschreven door historicus Sander Enderink. De geschiedenis van de Oude Hollandse Waterlinie, een verdedigingslinie tussen de Zuiderzee en Heusden, wordt op een spannende en pakkende manier verteld. Het boek is bedoeld voor een breed publiek en heeft vooral tot doel om 350 jaar Oude Hollandse Waterlinie op de kaart te zetten. Het boek bevat 245 verhalen over de waterlinie, verdeeld over tien hoofdstukken. Het leeuwendeel – 120 van de 288 pagina’s, verdeeld over vijf hoofdstukken – gaat over het Rampjaar 1672, het geboortejaar van de Oude Hollandse Waterlinie.

Water als verdedigingsmiddel

Het idee van een muur van water om de vijand tegen te houden was niet nieuw; deze praktijk werd al tegen de Spanjaarden ingezet tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Toch kwam pas in 1672 een eerste waterlinie tot stand. Dat wil niet zeggen dat er een goed uitgewerkt plan klaarlag voor wanneer de vijand de Republiek zou binnenvallen. In tegendeel. De totstandkoming van de waterlinie had nogal wat voeten in de aarde. Op levendige wijze beschrijft Enderink het eindeloze getreuzel van de verschillende stadsbesturen bij de totstandkoming van de waterbarrière, die uiteindelijk pas gerealiseerd werd toen de vijand de grenzen van de Republiek al gepasseerd was. Dijken werden doorgestoken en polders liepen onder water. Langs vestingen en schansen kwam een verdedigingslinie tot stand die er uiteindelijk voor zorgde dat de Fransen niet tot Holland door konden dringen. De provincies Gelderland, Utrecht en Overijssel werden bezet.

De Franse Tirannie

Toch was de waterlinie geen ondoordringbare barrière. Het grootse gevaar vormde het weer: wanneer het vroor, zou de vijand wel eens een poging kunnen wagen om over het ijs naar Holland te trekken. De Franse generaal Luxembourg trommelde eind december 1672 een leger bijeen om via Woerden over het ijs bij Zegveld naar Holland te trekken. Toen het begon te dooien en het ijs te zwak bleek, was de Fransman genoodzaakt een deel van zijn leger terug te sturen. Met een ander deel trok hij verder. Het rijke Holland was niet meer te bereiken, maar het lukte om terug te keren naar Woerden door langs de kleine dorpjes Bodegraven en Zwammerdam te trekken. De soldaten vierden hier hun frustraties bot op de bevolking. Er zijn gruwelijke verhalen bekend over verkrachtingen, martelpartijen en plunderingen. Het is jammer dat Enderink de tocht van de Fransman wel beschrijft, maar niet ingaat op de verhalen van tijdgenoten over het bloedbad. Hoewel Enderink wel aandacht besteed aan de lotgevallen van boeren of mensen die in de dorpjes in het frontgebied langs de waterlinie woonden, ligt het accent – zoals in veel militair historische studies – voornamelijk op ‘grote, belangrijke mannen’.

Een plaatje bij een praatje?

Het boek is prachtig vormgegeven: elk venster is voorzien van een afbeelding. Foto’s van (de overblijfselen) van vestingsteden worden afgewisseld met 17de- en 18de-eeuwse prenten en schilderijen. Door de nadruk te leggen op afbeeldingen schuilt tegelijkertijd ook een gevaar. Soms lijkt het alsof er met veel moeite een enigszins geschikt plaatje is gezocht. Daarbij helpt het ook niet dat onderschriften bij de afbeeldingen ontbreken. Het venster over de Slag bij Kruipin (11-12 oktober 1672) wordt bijvoorbeeld voorzien van een ruitergevecht van Jan van Huchtenburg uit ca. 1680-1700. De lezer zou kunnen denken dat het schilderij deze slag verbeeldt. Op de achtergrond van het venster over de (nieuwe) katholieke inwijding van de Domkerk in Utrecht staat de zielenvisserij van Adriaen Pietersz. van de Venne uit 1614. Dit soort kleinigheden zijn jammer, want er bestaan wel degelijk prenten van de slag bij Kruipin, de katholieke inwijding van de Domkerk en de processies in Utrecht. Deze kleinigheden doen echter weinig af aan de spannende, vlot geschreven verhalen. Het boek is dan ook een aanrader voor de lezer die meer wil weten over het water dat ons 350 jaar geleden van de verdrinkingsdood redde.

Sander Enderink, Het Oude Hollandse Waterlinie Boek, WBOOKS: Zwolle 2021, 288 pp., geïllustreerd, ISBN: 9789462584259. Prijs €19,95.

De zielenheilsmarkt in middeleeuws Amsterdam

Door Nico Lettinck, mediëvist

Vóór 1385 was er geen enkel klooster in Amsterdam. In 1435 waren het er zestien. Het religieuze leven is in vijftig jaar tijd blijkbaar sterk veranderd en tegelijkertijd heeft het uiterlijk van de stad een gedaantewisseling ondergaan. Hoe hebben beide ontwikkelingen op elkaar ingewerkt, of: wat was de wisselwerking tussen de metamorfose van de devotie en die van de stad? Dat is de hoofdvraag van het proefschrift waarop Bas de Melker op 17 oktober 2002 cum laude promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Deze grensverleggende studie was weliswaar online beschikbaar, maar de auteur was voornemens zijn dissertatie ook in boekvorm uit te geven. Door zijn overlijden op 16 november 2018 leek dat er niet meer van te komen. Maar dankzij de inspanningen van de door hemzelf opgerichte Stichting Middeleeuwse Archieven Amsterdam (SMAA), een gilde van toegewijde vakbroeders, financiële begunstigers en de sterk betrokken uitgever Thys Verloren is het er gelukkig toch van gekomen.

Voor het persklaar maken van deze studie is veel werk verzet. Er zijn illustraties (ook in kleur), kaarten, tabellen en een register toegevoegd. De verwijzingen naar de archiefstukken in het oude gemeentearchief zijn allemaal omgezet naar hun huidige vindplaats in het stadsarchief, hetgeen een monnikenwerk geweest moet zijn. Waardevol is ook de epiloog van Koen Goudriaan. Daarin worden de onderzoeksresultaten van De Melker aangevuld met relevante bevindingen uit recente publicaties over de kartuizers, de Moderne Devotie en vrouwenkloosters.

Het boek begint met een uitvoerige schets van de ontwikkeling van Amsterdam, van dorp tot stad, in de periode 1300-1390. Dit hoofdstuk is, evenals de rest van het boek, geschreven ‘vanuit de bronnen’, zodat er een levendig beeld ontstaat van de dynamiek die de stad toen in zijn greep kreeg. In sommige gevallen leidt dat tot nieuwe inzichten, bijvoorbeeld dat de moderne koopman die in de 14de eeuw op het toneel verscheen vaak tevens grootgrondbezitter was, of voortkwam uit een familie van grootgrondbezitters. De auteur concludeert droog: ‘Aan de eerste Amsterdamse kapitalisten hing een geur van mest.’

Na deze opmaat worden in de volgende hoofdstukken alle bestaande religieuze instellingen (de ‘oude devotie’) en de talrijke nieuwe kloosters (de ‘nieuwe devotie’) gedocumenteerd beschreven. De Melker hanteert hierbij tevens de begrippen ‘instrumentele devotie’ en ‘participatieve devotie’. In het eerste geval kon iemand religieuze instellingen financieren om zijn zielenheil en dat van zijn familie veilig te stellen. In het tweede geval koos men ervoor zélf een devoot leven te gaan leiden in een klooster (dat uiteraard eerst gesticht moest worden). In beide gevallen stond de zorg om het zielenheil centraal. Beide motieven blijven in deze periode leidinggevend, zodat volgens de auteur van een ware concurrentie op de ‘zielenheilsmarkt’ gesproken kan worden. Onbesproken blijft de vraag in hoeverre de opvattingen over hemel, hel en vagevuur in deze periode van 50 jaar al of niet zijn veranderd.

Aan het begin van de stichting van de vele stadskloosters waarmee Amsterdam overspoeld zou worden, stonden de kartuizers (ca. 1392/93). Daarna volgden er nog vijftien, waaronder opvallend veel vrouwenkloosters. De bouw van deze nieuwe kloosters viel samen met het religieuze elan dat in gang gezet was door Geert Grote (ϯ 1384) en zijn navolgers (de Moderne Devotie). Kenmerk van deze beweging was het streven, bij geestelijken en leken, naar een eigen, persoonlijke devotie, los van de bestaande kerkelijke en politieke structuren. In het snel groeiende en steeds zelfbewuster wordende Amsterdam was daar een goede voedingsbodem voor.

Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is gewijd aan de vraag: welke mensen zaten er achter al die nieuwe kloosterstichtingen? Wat waren hun motieven en hoe werden ze gefinancierd? Anders gezegd: wat waren de geografische, sociale en economische achtergronden van de kloosterlingen? De rode draad in het betoog is dat de stedelijke elite weliswaar steeds het initiatief nam voor een nieuwe stichting, maar dat dit ook gedragen werd door de minder vermogende burgers. Op dit gebied heeft het boek veel nieuws te bieden en laat De Melker zien dat hij de archieven tot in détail overziet. Zo lezen we bijvoorbeeld dat de kartuizer monnik Klaas Roelofsz. om het leven kwam toen hij tijdens het plegen van enig onderhoud in de voorraadkelder van het St.-Andriesklooster bedolven raakte onder het instortende keldergewelf. De auteur verwijst hiervoor naar het Liber benefactorum van het kartuizer klooster, dat hij ook gereed had om uitgegeven te worden. Tom Gaens en Koen Goudriaan hebben deze belangrijke bron klaargemaakt voor publicatie: Bas de Melker (ϯ), ed., Het ‘Liber benefactorum’ van het kartuizerklooster bij Amsterdam, Studia Cartusiana 6 (Leuven, 2021).

Op een bewonderingswaardige manier heeft De Melker laten zien hoe de ontwikkeling van de stad Amsterdam en de explosieve groei van de stadskloosters elkaar wederzijds beïnvloed hebben. Het resultaat was dat Amsterdam in 1435 zich ontwikkeld had tot een grote, brutale stad: ‘rijk, machtig en zelfbewust op de grens van het arrogante’. Voor de bestudering van de geschiedenis van Amsterdam in de middeleeuwen zal dit boek de komende decennia onmisbaar blijven.

Bas de Melker, Metamorfose van stad en devotie. Ontstaan en conjunctuur van kerkelijke, religieuze en charitatieve instellingen in Amsterdam in het licht van de stedelijke ontwikkeling, 1385-1435, Hilversum: Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2021, 550pp., geïllustreerd, ISBN: 9789087049270. Prijs: € 50,-

Hogen Mogen Frogs. De inwoners van de Nederlandse moerasdelta in buitenlandse ogen

Jaap de Haan, redacteur tijdschrift Holland

Nic Frog

De kikkers springen je tegemoet vanaf de eerste bladzijden van het boek Kikkers en kaaskoppen. Al eeuwenlang associëren buitenlanders Nederlanders met kikkers vanwege het drassige landschap in het noorden en het westen van het land. Buitenlandse cartoonisten maakten dankbaar gebruik van de kikker om in tijden van oorlog hun vijand aan de Noordzee belachelijk te maken. Zo noemden de Engelsen de Nederlanders ‘Nic Frog’ en de Staten-Generaal ‘Hogen Mogen Frogs’. Op een van de oudste prenten in het boek wordt de leeuw Belgica (symbool voor de Habsburgse Nederlanden) belaagd door kikkers en muggen die tevoorschijn komen uit het moeras. De kikkers staan voor de opstandige gewesten. De opstandelingen sloegen terug met een prent waarin de Nederlandse leeuw samen met een stel kikkers een groep Spaanse zwijnen de zee weer injaagt.

In Kikkers en kaaskoppen bespreekt samensteller Daniel R. Horst, wetenschappelijke medewerker van de afdeling Geschiedenis van het Rijksmuseum, een keuze uit de ruim 7.000 spotprenten uit de eigen collectie. Hij doet dat aan de hand van vier thema’s: naast kikkers ook kaaskoppen, rokers en de kwalificaties lomp, lui en laf. Nederlanders komen er in deze prenten niet best vanaf. Het is een uit het moeras getrokken volk, grof gebouwd, smakeloos gekleed en in vergelijking met Engelsen of Fransen gespeend van enige beschaving. Op vrijwel alle prenten zijn de Nederlanders afgebeeld als hobbezakken met enorme achterwerken, gehuld in bruine kleding, die roken als ketters en leven op een dieet van kaas. Horst geeft als verklaring dat de prenten veelal zijn gemaakt tijdens een van de vele oorlogen in de 17de en 18de eeuw en dat de ridiculisering van de vijand als doel had om hem minder gevaarlijk en angstaanjagend te maken.

Arrogante moerasbewoners

Wordt de lezer na het bestuderen van al deze buitenlandse prenten wijzer over wat karakteristiek is aan Nederlanders in de vroegmoderne tijd, zoals Taco Dibbits in het voorwoord suggereert? Ten dele. Niet verrassend komt de Nederlandse handelsgeest naar voren in de verwijzing naar alle kaas en Goudse pijpen; in het buitenland waren deze producten zeer bekend. Het grove postuur en de lompe kleding zegt wat over de Nederlanders, maar zeker ook over de Engelsen en de Fransen. Zij vonden respectievelijk hun ooster- en noorderburen weinig geciviliseerd, omdat de samenleving relatief egalitair was, in tegenstelling tot hun eigen gedifferentieerde standen- en klassenmaatschappij. Een onverwachte eigenschap van Nederlanders komt voorbij in een fraaie reeks Franse spotprenten uit het rampjaar. De zon, het symbool van Lodewijk XIV, verdrijft de regenwolken boven de Republiek en droogt het moeras, waarna de Fransen de rijkdommen terugpakken die de Nederlanders zich ten onrechte hebben toegeëigend. De Fransen, zo blijkt uit deze caleidoscoop, vonden de Nederlanders arrogant. Dat is een kwalificatie die menigeen eerder aan de Zonnekoning en zijn onderdanen zou toeschrijven.

Rood haar en grote neuzen

Horst heeft ervoor gekozen de spotprenten eerst thematisch en vervolgens chronologisch te bespreken. Dat heeft als voordeel dat de gebruikte stereotyperingen overtuigend naar voren komen. De chronologisch opzet laat zien hoe de conflicten tussen de Republiek en buurlanden in afbeeldingen terugkomen. Nadeel van deze opzet is dat de nadruk ligt op de 18de-eeuwse Engelse prenten, waardoor veel herhaling van de karakteriseringen van de Nederlanders te zien zijn. De aandacht voor Japanse prenten biedt een tegenwicht. Het is opvallend dat de Nederlanders die op het eiland Decima verbleven door de plaatselijke artiesten zo natuurgetrouw zijn weergegeven. Alleen het rode haar en de geprononceerde neuzen wijzen erop dat de Japanners daarmee niet vertrouwd waren.

Kikkers en kaaskoppen is een fraai geïllustreerd boek, uitgegeven in de bekende lay out van Irma Boom. De vele prenten die in het boek voorbijkomen, zijn ook op internet (en de website van het Rijksmuseum) te vinden, maar de meerwaarde van deze uitgave is dat ze voorziet zijn van een heldere toelichting, die de karikaturen in een historische context plaatst. De meeste Nederlanders hebben de namen kaaskop en kikkerland als geuzennaam omarmd zonder te weten waar ze vandaan komen. Dankzij Horst weten we nu ook waarom.

De gelijknamige tentoonstelling is tot en met 16 mei 2022 te zien in de Prentenkabinetten van het Rijksmuseum.

Daniel R. Horst, Kikkers en kaaskoppen. Nederland en Nederlanders in buitenlandse spotprenten (Boom: Amsterdam 2021) 186 blz., ill., ISBN 978 90 244 4765 7. Prijs: € 24,50