Door Merle Lammers, militair historicus

Het Rampjaar en de totstandkoming van de Oude Hollandse Waterlinie worden in 2022 herdacht en gevierd. Als startschot voor de herdenking gaf WBOOKS in 2021 in samenwerking met de Stichting OHW Het Oude Hollandse Waterlinie Boek uit, geschreven door historicus Sander Enderink. De geschiedenis van de Oude Hollandse Waterlinie, een verdedigingslinie tussen de Zuiderzee en Heusden, wordt op een spannende en pakkende manier verteld. Het boek is bedoeld voor een breed publiek en heeft vooral tot doel om 350 jaar Oude Hollandse Waterlinie op de kaart te zetten. Het boek bevat 245 verhalen over de waterlinie, verdeeld over tien hoofdstukken. Het leeuwendeel – 120 van de 288 pagina’s, verdeeld over vijf hoofdstukken – gaat over het Rampjaar 1672, het geboortejaar van de Oude Hollandse Waterlinie.

Water als verdedigingsmiddel

Het idee van een muur van water om de vijand tegen te houden was niet nieuw; deze praktijk werd al tegen de Spanjaarden ingezet tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Toch kwam pas in 1672 een eerste waterlinie tot stand. Dat wil niet zeggen dat er een goed uitgewerkt plan klaarlag voor wanneer de vijand de Republiek zou binnenvallen. In tegendeel. De totstandkoming van de waterlinie had nogal wat voeten in de aarde. Op levendige wijze beschrijft Enderink het eindeloze getreuzel van de verschillende stadsbesturen bij de totstandkoming van de waterbarrière, die uiteindelijk pas gerealiseerd werd toen de vijand de grenzen van de Republiek al gepasseerd was. Dijken werden doorgestoken en polders liepen onder water. Langs vestingen en schansen kwam een verdedigingslinie tot stand die er uiteindelijk voor zorgde dat de Fransen niet tot Holland door konden dringen. De provincies Gelderland, Utrecht en Overijssel werden bezet.

De Franse Tirannie

Toch was de waterlinie geen ondoordringbare barrière. Het grootse gevaar vormde het weer: wanneer het vroor, zou de vijand wel eens een poging kunnen wagen om over het ijs naar Holland te trekken. De Franse generaal Luxembourg trommelde eind december 1672 een leger bijeen om via Woerden over het ijs bij Zegveld naar Holland te trekken. Toen het begon te dooien en het ijs te zwak bleek, was de Fransman genoodzaakt een deel van zijn leger terug te sturen. Met een ander deel trok hij verder. Het rijke Holland was niet meer te bereiken, maar het lukte om terug te keren naar Woerden door langs de kleine dorpjes Bodegraven en Zwammerdam te trekken. De soldaten vierden hier hun frustraties bot op de bevolking. Er zijn gruwelijke verhalen bekend over verkrachtingen, martelpartijen en plunderingen. Het is jammer dat Enderink de tocht van de Fransman wel beschrijft, maar niet ingaat op de verhalen van tijdgenoten over het bloedbad. Hoewel Enderink wel aandacht besteed aan de lotgevallen van boeren of mensen die in de dorpjes in het frontgebied langs de waterlinie woonden, ligt het accent – zoals in veel militair historische studies – voornamelijk op ‘grote, belangrijke mannen’.

Een plaatje bij een praatje?

Het boek is prachtig vormgegeven: elk venster is voorzien van een afbeelding. Foto’s van (de overblijfselen) van vestingsteden worden afgewisseld met 17de- en 18de-eeuwse prenten en schilderijen. Door de nadruk te leggen op afbeeldingen schuilt tegelijkertijd ook een gevaar. Soms lijkt het alsof er met veel moeite een enigszins geschikt plaatje is gezocht. Daarbij helpt het ook niet dat onderschriften bij de afbeeldingen ontbreken. Het venster over de Slag bij Kruipin (11-12 oktober 1672) wordt bijvoorbeeld voorzien van een ruitergevecht van Jan van Huchtenburg uit ca. 1680-1700. De lezer zou kunnen denken dat het schilderij deze slag verbeeldt. Op de achtergrond van het venster over de (nieuwe) katholieke inwijding van de Domkerk in Utrecht staat de zielenvisserij van Adriaen Pietersz. van de Venne uit 1614. Dit soort kleinigheden zijn jammer, want er bestaan wel degelijk prenten van de slag bij Kruipin, de katholieke inwijding van de Domkerk en de processies in Utrecht. Deze kleinigheden doen echter weinig af aan de spannende, vlot geschreven verhalen. Het boek is dan ook een aanrader voor de lezer die meer wil weten over het water dat ons 350 jaar geleden van de verdrinkingsdood redde.

Sander Enderink, Het Oude Hollandse Waterlinie Boek, WBOOKS: Zwolle 2021, 288 pp., geïllustreerd, ISBN: 9789462584259. Prijs €19,95.

De zielenheilsmarkt in middeleeuws Amsterdam

Door Nico Lettinck, mediëvist

Vóór 1385 was er geen enkel klooster in Amsterdam. In 1435 waren het er zestien. Het religieuze leven is in vijftig jaar tijd blijkbaar sterk veranderd en tegelijkertijd heeft het uiterlijk van de stad een gedaantewisseling ondergaan. Hoe hebben beide ontwikkelingen op elkaar ingewerkt, of: wat was de wisselwerking tussen de metamorfose van de devotie en die van de stad? Dat is de hoofdvraag van het proefschrift waarop Bas de Melker op 17 oktober 2002 cum laude promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Deze grensverleggende studie was weliswaar online beschikbaar, maar de auteur was voornemens zijn dissertatie ook in boekvorm uit te geven. Door zijn overlijden op 16 november 2018 leek dat er niet meer van te komen. Maar dankzij de inspanningen van de door hemzelf opgerichte Stichting Middeleeuwse Archieven Amsterdam (SMAA), een gilde van toegewijde vakbroeders, financiële begunstigers en de sterk betrokken uitgever Thys Verloren is het er gelukkig toch van gekomen.

Voor het persklaar maken van deze studie is veel werk verzet. Er zijn illustraties (ook in kleur), kaarten, tabellen en een register toegevoegd. De verwijzingen naar de archiefstukken in het oude gemeentearchief zijn allemaal omgezet naar hun huidige vindplaats in het stadsarchief, hetgeen een monnikenwerk geweest moet zijn. Waardevol is ook de epiloog van Koen Goudriaan. Daarin worden de onderzoeksresultaten van De Melker aangevuld met relevante bevindingen uit recente publicaties over de kartuizers, de Moderne Devotie en vrouwenkloosters.

Het boek begint met een uitvoerige schets van de ontwikkeling van Amsterdam, van dorp tot stad, in de periode 1300-1390. Dit hoofdstuk is, evenals de rest van het boek, geschreven ‘vanuit de bronnen’, zodat er een levendig beeld ontstaat van de dynamiek die de stad toen in zijn greep kreeg. In sommige gevallen leidt dat tot nieuwe inzichten, bijvoorbeeld dat de moderne koopman die in de 14de eeuw op het toneel verscheen vaak tevens grootgrondbezitter was, of voortkwam uit een familie van grootgrondbezitters. De auteur concludeert droog: ‘Aan de eerste Amsterdamse kapitalisten hing een geur van mest.’

Na deze opmaat worden in de volgende hoofdstukken alle bestaande religieuze instellingen (de ‘oude devotie’) en de talrijke nieuwe kloosters (de ‘nieuwe devotie’) gedocumenteerd beschreven. De Melker hanteert hierbij tevens de begrippen ‘instrumentele devotie’ en ‘participatieve devotie’. In het eerste geval kon iemand religieuze instellingen financieren om zijn zielenheil en dat van zijn familie veilig te stellen. In het tweede geval koos men ervoor zélf een devoot leven te gaan leiden in een klooster (dat uiteraard eerst gesticht moest worden). In beide gevallen stond de zorg om het zielenheil centraal. Beide motieven blijven in deze periode leidinggevend, zodat volgens de auteur van een ware concurrentie op de ‘zielenheilsmarkt’ gesproken kan worden. Onbesproken blijft de vraag in hoeverre de opvattingen over hemel, hel en vagevuur in deze periode van 50 jaar al of niet zijn veranderd.

Aan het begin van de stichting van de vele stadskloosters waarmee Amsterdam overspoeld zou worden, stonden de kartuizers (ca. 1392/93). Daarna volgden er nog vijftien, waaronder opvallend veel vrouwenkloosters. De bouw van deze nieuwe kloosters viel samen met het religieuze elan dat in gang gezet was door Geert Grote (ϯ 1384) en zijn navolgers (de Moderne Devotie). Kenmerk van deze beweging was het streven, bij geestelijken en leken, naar een eigen, persoonlijke devotie, los van de bestaande kerkelijke en politieke structuren. In het snel groeiende en steeds zelfbewuster wordende Amsterdam was daar een goede voedingsbodem voor.

Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is gewijd aan de vraag: welke mensen zaten er achter al die nieuwe kloosterstichtingen? Wat waren hun motieven en hoe werden ze gefinancierd? Anders gezegd: wat waren de geografische, sociale en economische achtergronden van de kloosterlingen? De rode draad in het betoog is dat de stedelijke elite weliswaar steeds het initiatief nam voor een nieuwe stichting, maar dat dit ook gedragen werd door de minder vermogende burgers. Op dit gebied heeft het boek veel nieuws te bieden en laat De Melker zien dat hij de archieven tot in détail overziet. Zo lezen we bijvoorbeeld dat de kartuizer monnik Klaas Roelofsz. om het leven kwam toen hij tijdens het plegen van enig onderhoud in de voorraadkelder van het St.-Andriesklooster bedolven raakte onder het instortende keldergewelf. De auteur verwijst hiervoor naar het Liber benefactorum van het kartuizer klooster, dat hij ook gereed had om uitgegeven te worden. Tom Gaens en Koen Goudriaan hebben deze belangrijke bron klaargemaakt voor publicatie: Bas de Melker (ϯ), ed., Het ‘Liber benefactorum’ van het kartuizerklooster bij Amsterdam, Studia Cartusiana 6 (Leuven, 2021).

Op een bewonderingswaardige manier heeft De Melker laten zien hoe de ontwikkeling van de stad Amsterdam en de explosieve groei van de stadskloosters elkaar wederzijds beïnvloed hebben. Het resultaat was dat Amsterdam in 1435 zich ontwikkeld had tot een grote, brutale stad: ‘rijk, machtig en zelfbewust op de grens van het arrogante’. Voor de bestudering van de geschiedenis van Amsterdam in de middeleeuwen zal dit boek de komende decennia onmisbaar blijven.

Bas de Melker, Metamorfose van stad en devotie. Ontstaan en conjunctuur van kerkelijke, religieuze en charitatieve instellingen in Amsterdam in het licht van de stedelijke ontwikkeling, 1385-1435, Hilversum: Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2021, 550pp., geïllustreerd, ISBN: 9789087049270. Prijs: € 50,-

Hogen Mogen Frogs. De inwoners van de Nederlandse moerasdelta in buitenlandse ogen

Jaap de Haan, redacteur tijdschrift Holland

Nic Frog

De kikkers springen je tegemoet vanaf de eerste bladzijden van het boek Kikkers en kaaskoppen. Al eeuwenlang associëren buitenlanders Nederlanders met kikkers vanwege het drassige landschap in het noorden en het westen van het land. Buitenlandse cartoonisten maakten dankbaar gebruik van de kikker om in tijden van oorlog hun vijand aan de Noordzee belachelijk te maken. Zo noemden de Engelsen de Nederlanders ‘Nic Frog’ en de Staten-Generaal ‘Hogen Mogen Frogs’. Op een van de oudste prenten in het boek wordt de leeuw Belgica (symbool voor de Habsburgse Nederlanden) belaagd door kikkers en muggen die tevoorschijn komen uit het moeras. De kikkers staan voor de opstandige gewesten. De opstandelingen sloegen terug met een prent waarin de Nederlandse leeuw samen met een stel kikkers een groep Spaanse zwijnen de zee weer injaagt.

In Kikkers en kaaskoppen bespreekt samensteller Daniel R. Horst, wetenschappelijke medewerker van de afdeling Geschiedenis van het Rijksmuseum, een keuze uit de ruim 7.000 spotprenten uit de eigen collectie. Hij doet dat aan de hand van vier thema’s: naast kikkers ook kaaskoppen, rokers en de kwalificaties lomp, lui en laf. Nederlanders komen er in deze prenten niet best vanaf. Het is een uit het moeras getrokken volk, grof gebouwd, smakeloos gekleed en in vergelijking met Engelsen of Fransen gespeend van enige beschaving. Op vrijwel alle prenten zijn de Nederlanders afgebeeld als hobbezakken met enorme achterwerken, gehuld in bruine kleding, die roken als ketters en leven op een dieet van kaas. Horst geeft als verklaring dat de prenten veelal zijn gemaakt tijdens een van de vele oorlogen in de 17de en 18de eeuw en dat de ridiculisering van de vijand als doel had om hem minder gevaarlijk en angstaanjagend te maken.

Arrogante moerasbewoners

Wordt de lezer na het bestuderen van al deze buitenlandse prenten wijzer over wat karakteristiek is aan Nederlanders in de vroegmoderne tijd, zoals Taco Dibbits in het voorwoord suggereert? Ten dele. Niet verrassend komt de Nederlandse handelsgeest naar voren in de verwijzing naar alle kaas en Goudse pijpen; in het buitenland waren deze producten zeer bekend. Het grove postuur en de lompe kleding zegt wat over de Nederlanders, maar zeker ook over de Engelsen en de Fransen. Zij vonden respectievelijk hun ooster- en noorderburen weinig geciviliseerd, omdat de samenleving relatief egalitair was, in tegenstelling tot hun eigen gedifferentieerde standen- en klassenmaatschappij. Een onverwachte eigenschap van Nederlanders komt voorbij in een fraaie reeks Franse spotprenten uit het rampjaar. De zon, het symbool van Lodewijk XIV, verdrijft de regenwolken boven de Republiek en droogt het moeras, waarna de Fransen de rijkdommen terugpakken die de Nederlanders zich ten onrechte hebben toegeëigend. De Fransen, zo blijkt uit deze caleidoscoop, vonden de Nederlanders arrogant. Dat is een kwalificatie die menigeen eerder aan de Zonnekoning en zijn onderdanen zou toeschrijven.

Rood haar en grote neuzen

Horst heeft ervoor gekozen de spotprenten eerst thematisch en vervolgens chronologisch te bespreken. Dat heeft als voordeel dat de gebruikte stereotyperingen overtuigend naar voren komen. De chronologisch opzet laat zien hoe de conflicten tussen de Republiek en buurlanden in afbeeldingen terugkomen. Nadeel van deze opzet is dat de nadruk ligt op de 18de-eeuwse Engelse prenten, waardoor veel herhaling van de karakteriseringen van de Nederlanders te zien zijn. De aandacht voor Japanse prenten biedt een tegenwicht. Het is opvallend dat de Nederlanders die op het eiland Decima verbleven door de plaatselijke artiesten zo natuurgetrouw zijn weergegeven. Alleen het rode haar en de geprononceerde neuzen wijzen erop dat de Japanners daarmee niet vertrouwd waren.

Kikkers en kaaskoppen is een fraai geïllustreerd boek, uitgegeven in de bekende lay out van Irma Boom. De vele prenten die in het boek voorbijkomen, zijn ook op internet (en de website van het Rijksmuseum) te vinden, maar de meerwaarde van deze uitgave is dat ze voorziet zijn van een heldere toelichting, die de karikaturen in een historische context plaatst. De meeste Nederlanders hebben de namen kaaskop en kikkerland als geuzennaam omarmd zonder te weten waar ze vandaan komen. Dankzij Horst weten we nu ook waarom.

De gelijknamige tentoonstelling is tot en met 16 mei 2022 te zien in de Prentenkabinetten van het Rijksmuseum.

Daniel R. Horst, Kikkers en kaaskoppen. Nederland en Nederlanders in buitenlandse spotprenten (Boom: Amsterdam 2021) 186 blz., ill., ISBN 978 90 244 4765 7. Prijs: € 24,50  

Mathieu Fannee, zelfstandig onderzoeker

Een bijzondere kerk in beeld

In 2020 verscheen van de hand van bouwhistoricus Michel van Dam het boek “De kerk staat naast den wegh”, gewijd aan de Nederlandse Hervormde kerk van Noordwijk aan Zee. In een voorwoord plaatst de auteur het 17de-eeuwse gebouw direct in zijn historische context, bakent zijn onderzoek af, en vertelt over zijn motivatie: opgegroeid in Noordwijk wordt de auteur sinds zijn jeugd door het gebouw geïntrigeerd. Daar komt bij dat de literatuur daarover schaars en inmiddels ook verouderd is, zodat de tijd rijp is voor een nieuwe studie. Deze heeft nu de vorm gekregen van een monografie, voorzien van een rijk notenapparaat, en met een heldere opbouw.

In de daaropvolgende inleiding geeft Van Dam een kort overzicht van de belangrijkste literatuur over de kerk. Naast de klassiek geworden Jan Kloos – auteur van het standaardwerk Noordwijk in den loop der eeuwen –  publiceerde recenter ook Huig van der Niet een dun boekje over de kerk. Laatstgenoemde schreef Kloos niet zomaar over, maar vulde zijn onderzoek aan met de kerkrekeningen. Waren deze door Van der Niet slechts aangestipt, Van Dam bestudeerde deze nu grondig en vond daarin een goudmijn aan informatie.

Bedoelde kerkrekeningen zijn het onderwerp van het volgende hoofdstuk. Het beeld dat daaruit komt, is dat van een gebouw dat in voortdurende staat van reparatie was. De auteur beperkt zich in zijn observaties niet tot de kerk. Lezend in de rekeningen ontwaart hij namelijk de hele Noordwijkse bouwwereld uit de 17de en 18de eeuw. Boeiend is te constateren hoe een ander aspect van Noordwijk – de visserij en bijbehorende scheepsbouw – hier nieuwe betekenis kreeg. De teerolie van de scheepsbouwers werd – net als de sterke en daardoor zo betrouwbare touwen van de vissers – bij de bouwwerkzaamheden dankbaar gebruikt. En de scheepsbouwer werd timmerman. Hieruit blijkt dat dorpsbewoners destijds van alle markten thuis waren. Zoals Van Dam terecht opmerkt, was van een strikte afbakening tussen beroepen in een dorpscontext immers geen sprake, in tegenstelling tot wat in de steden het geval was.

In de twee volgende hoofdstukken neemt Van Dam tijdelijk afstand van het gebouw. Het ontstaan van het bouwwerk wordt nu beschouwd vanuit de oudere geschiedenis van het dorp, vóórdat de kerk werd opgetrokken. Onvermijdelijk komt men daarbij een middeleeuwse voorganger tegen. Deze werd in 1570 bij een zware storm aangetast, waarna in 1593 al gedeeltelijke sloop volgde. Het siert de auteur dat hij deze middeleeuwse episode – hoewel slechts kort behandeld – zeker niet afraffelt. De exacte locatie van de verdwenen kerk wordt helder aangegeven, en op zoek naar een betrouwbare afbeelding van deze voorganger, worden historische prenten kritisch bestudeerd en vergeleken.

Na dit intermezzo pakt de auteur in de volgende hoofdstukken de draad weer op. Het bestudeerde kerkgebouw is een protestants godshuis, zodat een overzicht over de Reformatie, toegespitst op Noordwijk, hier niet mag ontbreken. Van Dam weet dat levendig neer te zetten. Het merendeel van de dorpsbevolking keerde binnen enkele tientallen jaren het katholicisme de rug toe. Wat sommige inwoners toch niet verhinderden om de oude leer trouw te blijven. De rondreizende priesters die voor hen in de schuilkerken de mis lazen, verschuilden zich onderweg naar Noordwijk achter boerenkledij of – hoe kon het anders – gingen verkleed als vissers!

Anno 1636 kerkten de 200 leden van de protestantse gemeente van Noordwijk aan Zee nog altijd in het bouwvallige restant van de middeleeuwse kerk. Dat voldeed niet meer. Na aankoop van een erfje direct naast het oude bouwwerk kon dit worden gesloopt. Toen begon de bouw van de huidige kerk en bijbehorende pastorie. De naam van de bouwmeester kon niet achterhaald worden. De kerkrekeningen uit de eerste jaren, die zijn naam ongetwijfeld konden prijsgeven, zijn – zo verzucht de auteur – namelijk nog altijd spoorloos. Wel ziet Van Dam een opvallende architectonische verwantschap tussen de Noordwijkse kerk en die van andere plaatsen, waar architect Pieter Post (1608-1669) bij betrokken was.

Zoals te verwachten valt, zoomen de volgende hoofdstukken in op allerlei aspecten van de nieuw opgetrokken kerk. Uiteraard bouwhistorische aspecten, zoals de houtconstructies, waarbij de grootformaat foto’s van de – bijna geheimzinnig verlichte – kapconstructie, het geheel zeer sfeervol en spannend maken om naar te kijken. Net als bij de kerkrekeningen maken we hier op bijna intieme manier kennis met de bouwwereld van vroegere eeuwen, doordat de merken die de timmerlieden op de balken hebben achtergelaten in beeld worden gebracht. Van Dam probeerde via de kerkrekeningen de namen van de personen achter deze graffito’s te achterhalen, wat door het ontbreken van allerlei rekeningen niet altijd lukte. Daar hield het onderzoek niet op, want ook over de orgels, de psalmbordjes, de zitplaatsen, de preekstoel, en zelfs het uurwerk en de klokken maakt de auteur een degelijk en gedetailleerd verslag.

Naast een heldere en vloeiende schrijfstijl onderscheidt dit boek zich door een verbluffend groot aantal prachtige én nuttige afbeeldingen, zoals prenten, schilderijen en bouwtekeningen uiteraard, maar ook zelfgetekende infographics, die veel licht werpen op de gebezigde vaktermen, en meer. Het geheel ademt zeer veel toewijding en liefde voor het onderwerp. Als het kerkgebouwtje aan de Hoofdstraat niet ‘indrukwekkend’ en ook ‘geen meesterwerk’ was, zoals Van Dam in zijn voorwoord citeerde, dan is zijn boek dat daarentegen wel.

Michel van Dam, De kerk staat naast den wegh. De historie van de Nederlands Hervormde Kerk in Noordwijk aan Zee. Noordwijk: Stichting Geschiedschrijving Noordwijk / Bouwhistorie in Nederland, 2020, 148 p., ISBN: 9789090328287. Prijs: €22,50,-.

Karel Davids, emeritus hoogleraar Economische en Sociale Geschiedenis

Paper trails

Over de productie van papier is veel geschreven. De geschiedenis van het boek is grondig in kaart gebracht. De rol van Amsterdam in de handelsgeschiedenis van de vroegmoderne tijd is uitgebreid onderzocht. Daniel Bellingradt, hoogleraar in de boekwetenschap aan de universiteit van Erlangen-Neurenberg, heeft in Vervlechting van de papiermarkt over al deze bekende onderwerpen het nodige te zeggen, maar hij brengt ook iets nieuws. Hij concentreert zich namelijk vooral op die onderdelen van de commodity chain van papier die in het onderzoek tot nu toe relatief weinig aandacht hebben gekregen, namelijk het transport, de groothandel, de distributie, het gebruik en het hergebruik.

De opmars van papier   

Het ‘papiertijdperk’ begon in Europa in de 15de eeuw. Perkament werd sindsdien steeds minder gebruikt. Het merkwaardige is nu, aldus Bellingradt, dat de meeste auteurs de beschikbaarheid van papier als een vanzelfsprekend gegeven beschouwen. Ze vragen zich niet af, hoe dat papier eigenlijk terechtkwam op de plaatsen waar het gebruikt werd. Waar, door wie en hoe werd papier verzonden en geleverd, en tegen welke prijzen en voorwaarden? Dat zijn de vragen die hij in dit boek wil beantwoorden. Dat hij daarbij primair een Amsterdams perspectief kiest, is gezien de vooraanstaande positie die de stad tot het eind van de 18de eeuw in het internationale handelsverkeer genoot niet meer dan logisch. Maar en passant geeft de auteur ook vrij veel informatie over de werking van de papiermarkt elders in Europa.

Het ene papier was het andere niet. Dat wordt duidelijk in het overzicht van het scala aan papiersoorten, waarmee het boek begint. Daarna komen de techniek van de productie, de kosten en de verschillende functies aan de orde. Veel papier werd gebruikt in drukkerijen. Geschat wordt dat papier in de 16de eeuw 50 à 70 procent van de oplagekosten van boeken uitmaakte en in de 17de en 18de eeuw nog altijd zo’n 40 tot 50 procent. Daarnaast bestond er in de vroegmoderne tijd een groeiende vraag naar papier als medium voor administratie en correspondentie en als verpakkingsmateriaal voor allerlei goederen, waarover tot nu toe weinig bekend is. In de volgende hoofdstukken richt de auteur zijn lens op het aanbod van papieren waren in de boekhandel (die in de tweede helft van 18de eeuw bijna een derde van de omzet vormden), de netwerken van kopers, verkopers, producenten en vervoerders, de handel in papiersnippers als recyclewaar en de centrale plaats van Amsterdam in bijna al deze onderdelen van de commodity chain. De enige schakel die in de stad ontbrak, was de productie. Er werd in Amsterdam niet één vel papier gemaakt.

Bellingradt combineert in zijn onderzoek begrippen en benaderingen uit vele disciplines. Boekwetenschap, cultuurgeschiedenis en communicatieonderzoek koppelt hij aan economische geschiedenis, economie en sociologie. Hij heeft ook een grote verscheidenheid aan bronnen gebruikt: van krantenadvertenties, handelsgidsen, schilderijen en, gravures tot en met databanken, notariële archieven, gildearchieven en bedrijfsarchieven in het Amsterdamse stadsarchief. Zo heeft hij veel gegevens over recycling ontleend aan de boekhouding van papierhandelaar Zacharias Segelke uit de jaren 1788-1803. De meest curieuze bronnen die Bellingradt heeft geraadpleegd zijn misschien wel verhalen waarin het papier zelf aan het woord komt. In de roman Simplicissimus uit 1669, bijvoorbeeld, komt een dialoog voor tussen de verteller en een stuk toiletpapier.

Caleidoscopisch perspectief      

Vervlechting van de papiermarkt is oorspronkelijk verschenen in het Duits. De vertaling is op zich helder, maar ze maakt hier en daar wel een wat stijve indruk. De Nederlandse ondertitel dekt trouwens minder nauwkeurig de inhoud dan de Duitse: Einblicke in den Amsterdamer Handel mit Papier im 18.Jahrhundert. Wat Bellingradt pretendeert te bieden, is namelijk niet een synthetisch overzicht van de geschiedenis van de Amsterdamse papierhandel, maar een caleidoscoop van mogelijke perspectieven op die geschiedenis. Elk hoofdstuk is deels beschrijvend, deels programmatisch van aard. De auteur vat telkens in het kort samen wat over een bepaald aspect tot nu toe bekend is en bespreekt daarna wat we graag nog meer willen weten en op welke manier we dat zouden kunnen achterhalen – met welke concepten, methoden en bronnen. De tekst is dus meer hybridisch dan de weidse Nederlandse ondertitel suggereert. Vervlechting van de papiermarkt biedt tegelijk een terugblik en een panorama voor de toekomst. Historici kunnen er niet alleen adequate informatie vinden over de stand van kennis maar ook volop inspiratie opdoen voor verder onderzoek. Dat is Bellingradts hoofddoel met het schrijven van dit boek geweest, en daarin is hij goed geslaagd.

Daniel Bellingradt, Vervlechting van de papiermarkt. De Amsterdamse papierhandel in de achttiende eeuw. Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2021, geïllustreerd, 210 p., ISBN 0789087049140. Prijs: € 25.

Henk Looijesteijn, redacteur Holland. Historisch Tijdschrift

Floris V, eens en voor altijd graaf van Holland

Zeg graaf van Holland, en je zegt Floris – Floris V welteverstaan. Zijn voorvader Dirk III is de laatste jaren aan een aardige comeback bezig, maar toch, van alle graven van Holland blijft Floris V de ster. Dat heeft allerlei redenen, maar de belangrijkste is waarschijnlijk dat zijn gewelddadige levenseinde een traumatische gebeurtenis was voor zijn onderdanen. Zijn dood in 1296 is keer op keer beschouwd als een belangrijk symbolisch punt in de tijd. Er zijn toneelstukken over geschreven, het is talloze malen afgebeeld, en historici hebben zijn dood aangewezen als een belangrijk symbolisch ogenblik, een laatste oprisping van de Hollandse adel die een al te zeer op de opkomende burgerij gerichte graaf ombracht.

‘Der Keerlen God’ zouden de verongelijkte edellieden hem hebben genoemd, ‘de god van de boeren’. En van de Hollandse historici zou je kunnen zeggen, want Floris blijft van tijd tot tijd de gemoederen bezig houden. Toen Henk ’t Jong werd gevraagd om een bijdrage te leveren aan de reeks Tastbaar Verleden van de flink aan de weg timmerende uitgeverij Omniboek, schreef hij dan ook niet alleen over dat tastbare overblijfsel: de Alkmaarse tombe van Floris, waar zijn ingewanden zouden zijn begraven. Hij nam de gelegenheid te baat om ook een nieuwe overzicht te maken van het leven en de regering van de graaf.

Er bestaan nogal wat misverstanden over Floris V, zo blijkt uit ’t Jongs boek. Bijvoorbeeld de uitbreiding van het graafschap naar het oosten en noorden: dat was niet zozeer het gevolg van een doelbewuste politiek, als wel een samenloop van omstandigheden die goed uitpakte voor de graaf en in het voorbijgaan de grenzen van Holland bepaalde omdat de aanwinsten van Floris nadien vrijwel permanent Hollands bleven. ’t Jong rekent ook af met het verhaal van de verongelijkte adel: een groot deel van de Hollandse adel bleef de graaf trouw en had allerminst belang bij de moord. De samenzweerders die zijn ontvoering in gang zetten waren juist de voormalige potentaatjes in het Hollands-Utrechtse grensgebied die de graaf aan zich had onderworpen. De moord was daadwerkelijk het werk van één man, laat ’t Jong zien – de vermaledijde Gerard van Velsen.

De tombe van Floris V gaat dus over veel meer dan dat merkwaardige en vaak wat veronachtzaamde monumentje in de Alkmaarse Grote Kerk, maar biedt ook een handzaam overzicht van het leven van de graaf. ’t Jong schroomt daarbij niet om misvattingen onderuit te schoffelen: het is bijvoorbeeld onwaarschijnlijk dat Floris V zich voor de bouw van zijn dwangburchten liet inspireren door de Engelse kastelenbouw in Wales.

’t Jong gaat ook in op de ontstaansgeschiedenis van de tombe. Hij weet aannemelijk te maken dat de tombe pas uit de late 15de of vroege 16de eeuw komt, onderdeel van het herstel van de Alkmaarse kerk na een brand. Of Floris’ ingewanden er echt lagen is de vraag – ’t Jong wijst er op dat de bronnen die dat zeggen van veel later datum zijn dan bronnen dichterbij in de tijd, en in Holland was het balsemen van een grafelijk lichaam ongebruikelijk. Daartegen zou wel in te brengen kunnen zijn dat de latere geschiedschrijvers natuurlijk bronnen kunnen hebben gebruikt die niet bewaard zijn gebleven – zoals helaas wel vaker voorkomt, en niet alleen in de middeleeuwen. Volledig uitsluitsel lijkt uitgesloten.

De tombe van Floris V is fraai geïllustreerd, met onder andere mooie reconstructies van Floris, zijn vrouw en zijn vader Willem II. Een schoonheidsfoutje is het wegvallen van tekst op bladzijde 139 – daar is wat mis gegaan in de opmaak. Van sommige illustraties wordt niet duidelijk waarom ze zijn opgenomen. Waarom is er twee keer een afbeelding van de Bamberger Ruiter? Is het omdat hij wel wat weg heeft van het portret van Willem II op de Mainzer grafzerk? In de tekst wordt daar verder niets over gezegd.

Grosso modo is De tombe van Floris V echter een zeer waardevolle aanvulling van en correctie op de historische literatuur over deze zo belangrijke Hollandse graaf. Hij mag dan zijn geschrapt uit de zogenaamde ‘canon’ van het Nederlands verleden, hij zal niettemin de bekendste Hollandse graaf blijven, en men mag dan ook aannemen dat het niet de laatste keer zal zijn dat er aan Floris een boek wordt gewijd.

Henk ‘t Jong, De tombe van Floris V. Het tragische einde van de graaf van Holland, Utrecht: Uitgeverij Omniboek, 2021, 224 pp., ISBN: 9789401917469. Prijs: € 20,-

Marieke Dwarswaard, redacteur Holland. Historisch Tijdschrift

Een venster op vrouwenlevens rond 1900

‘Een leuk, sympathiek mens’. Zo omschrijft Jan de Vries de persoon van Betsy Repelius (1848-1921) in een interview (gehouden in april 2021, te zien op het Youtubekanaal van Uitgeverij Verloren). Samen met Tineke van Loosbroek gaf De Vries de brieven van Betsy Repelius aan haar vriendin Marie du Saar (1860-1952) uit. Hoewel we mensen uit het verleden natuurlijk nooit echt kunnen kennen, is dat inderdaad het beeld dat de lezer krijgt op basis de enorme collectie van 350 brieven, geschreven in een periode van twintig jaar (1891-1911).

Repelius en Du Saar zijn beiden in de vergetelheid geraakt. De eerste zal kenners van 19de-eeuwse kunst wellicht nog wel iets zeggen, en de tweede is vooral bekend als eerste vrouw die promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam, maar over hun beider levens wisten we weinig – tot nu. De Vries en Van Loosbroek beschrijven in de inleiding van de brievencollectie dat zij in eerste instantie vooral geïnteresseerd waren in Du Saar, maar dit veranderde toen zij in haar archief op de brieven van Repelius stuitten.

Het feit dat er zo veel brieven van Repelius aan haar beste vriendin Du Saar bewaard zijn gebleven deed hen besluiten de brieven te transcriberen, van een inleiding te voorzien en uit te geven. Zo ontstaat er een inkijkje in het leven van ‘de eerste generatie professionele vrouwen’, en in ‘het milieu, het sociale netwerk, de sociale conventies en de culture smaak van een brede groep uit de Amsterdamse burgerij’.

Repelius was actief als schilder en haar kennissenkring bestond grotendeels uit medekunstenaars. Via het netwerk van Du Saar, die gepromoveerd was als oogarts maar door ziekte moest stoppen met haar praktijk, had Repelius echter ook contacten in de medische wereld. Daarnaast bevatten de brieven een dramatisch plot: Repelius zou haar samenwonen met Du Saar voortzetten in een nieuw, eigen huis, maar die laatste leerde in het buitenland dirigent Heinrich Hammer (1862-1954) kennen. Repelius moest zich schikken in haar rol, wat ze overigens op bewonderingswaardige wijze wist te doen. Ze toont zich een loyale, geïnteresseerde vriendin en een lieve suikertante van de kinderen van Du Saar en Hammer.

In de inleiding beschrijven de auteurs de levensloop van beide vrouwen, en achterin het boek bevindt zich naast een zeer uitgebreide namenindex ook een katern met biografische aantekeningen van ongeveer een alinea over de belangrijkste personen die met enige regelmaat terugkomen in de brieven. De brieven zelf zijn getranscribeerd en omgezet naar moderne spelling. Elk brievencluster (bijvoorbeeld van een reis van Betsy of juist uit een periode dat Marie in het buitenland verblijft) wordt voorafgegaan door een korte contextschets.

Het lijvige boek is een fantastische bron voor ieder die geïnteresseerd is in vrouwenlevens in de late 19de eeuw. De brieven laten zien hoe niet alleen Repelius maar ook de vrouwen in haar netwerk zich staande wisten te houden in de kunstwereld waarin zij een uitzondering waren, en hoe ze zichzelf wisten te ontwikkelen. Daarnaast merken de auteurs op dat de vrouwenkiesrechtstrijd, waar geschiedenissen over 19de-eeuwse vrouwen toch vaak over gaan, helemaal geen onderwerp is in het leven van Repelius en Du Saar. De Vries en Van Loosbroek concluderen dat Repelius een ‘praktisch feministe’ was: haar feminisme draaide ‘niet om kiesrecht, maar om haar beroep’.

Er is wel een aantal kritische kanttekeningen bij het boek te plaatsen. In de eerste plaats is de inleiding, hoewel gedegen, wat vaag op sommige punten. Zo worden weinig woorden gewijd aan de financiële onafhankelijkheid van Repelius en hoe uniek die was (of niet). Daarnaast had er meer geschreven kunnen worden over vrouwenvriendschappen en gezelschapsdames in de late 19de en vroege 20ste eeuw, in relatie tot de aard van de relatie tussen Repelius en Du Saar. Ook is het – hoewel begrijpelijk – jammer dat de auteurs in sommige brieven hebben geschrapt en andere brieven helemaal hebben weggelaten, op basis van hun eigen criteria van wat wel en niet interessant genoeg was. Het zou mooi zijn als het gehele corpus ergens digitaal beschikbaar zou zijn, zodat de lezer daarover zijn of haar eigen oordeel kan vellen.

Tot slot is het boek geen handzame zomervakantieliteratuur: na een pagina of 100 worden de beschrijvingen van Repelius enigszins repetitief. Deze verzameling is vooral geschikt als naslagwerk voor historici van de 19de eeuw, mede dankzij – om met een positieve noot af te sluiten – de zeer uitgebreide namenindex.

T. van Loosbroek en J. de Vries, Betsy Repelius. Brieven aan Marie du Saar, 1891-1911, Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2021, 492 pp., ISBN: 9789087049119. Prijs: € 39,-

Als doden konden spreken

NPO 1 VPRO | The Dead Society (duur: 6 afleveringen van ca. 40-50 minuten)
Gesignaleerd door Isabel Casteels

Begraafplaatsen zijn fascinerende plekken. Al die rijen grafstenen doen denken aan vervlogen tijden, aan geleefde levens en verhalen die niemand meer vertelt. In de podcastserie The Dead Society brengt journalist Carine van Santen hier verandering in. Van Santen verzamelt herinneringen aan de doden die begraven liggen op Soestbergen (Utrecht). Het is op zijn minst opmerkelijk te noemen dat spraakmakende figuren als Gerrit Rietveld, Nicolaas Beets, en de beide naamgevers van museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam hier allen hun laatste rustplaats gevonden hebben. Ook minder bekende Nederlanders komen ter sprake, zoals Gerard, die in 1874 op 7-jarige leeftijd overleed.

Twee van de zes besproken doden hebben een link met Holland. Aflevering 2 stelt ons voor aan Nicolaas Beets (†1903), die zijn Camera Obscura schreef als student in Leiden. Zijn werk was literair maar ook historisch interessant: een inkijkje in de burgerlijke maatschappij van de 19de eeuw. We leren de schrijver zelf kennen als een enigszins ijdele man, die toch een goed hart had en oprecht betrokken was bij zijn medemens. Aflevering 5 vertelt het verhaal van F.J.O Boijmans (†1847), een excentrieke verzamelaar die getrouwd was met zijn collectie. Hoewel van de oorspronkelijke verzameling van zo’n 1200 kunstwerken er nog slechts 127 tot de huidige museumcollectie behoren, was dit toch het fundament waar de rest van het museum op gebouwd is. Over deze verzamelaar is nauwelijks iets bekend, maar toch slaagt Van Santen erin om Boijmans weer tot leven te wekken.

Van Santen gaat op zoek naar de persoonlijke verhalen van de overledenen. Ze gaat in gesprek met de doden zelf, duikt de archieven in en spreekt met experts en eventuele nabestaanden. Het resultaat is een zeer boeiende en vermakelijke serie, waar het enigszins morbide thema verlicht wordt met een goede dosis humor. Een aanrader voor iedereen die van historische onderwerpen en mooie verhalen houdt.

Luister hier naar deze podcast: https://www.nporadio1.nl/podcasts/the-dead-society.

Wouter Linmans, redacteur Holland. Historisch Tijdschrift

Het is juni 2021 en na lange tijd kunnen musea, archieven en andere culturele instellingen hun deuren weer openen voor het publiek, zo ook het Stadsarchief Amsterdam. Tot en met 11 juli werd daar werk van George Hendrik Breitner, Isaac Israels en tijdgenoten tentoongesteld in de expositie ‘Amsterdam in aquarel en pastel, 1860-1925’. Ik kon me dankzij de gelijknamige uitgave, samengesteld door J.F. Heijbroek, de afgelopen weken al vanuit het comfort van de leunstoel vertrouwd maken met de kunstwerken.

Kleurrijk stadsleven

De hier verzamelde aquarel- en pasteltekeningen geven een mooi beeld van de grote bedrijvigheid in de hoofdstad in deze periode, waaronder de geweldige drukte in de Kalverstraat, de fabrieken en bouwplaatsen, de ommelanden en de grachten in de binnenstad, de permanente bewoners en incidentele bezoekers van Artis.

Precies die thema’s en taferelen maakten de hoofdstad rond 1900 aantrekkelijk voor bekende kunstenaars onder wie Breitner, Israels, Leo Gestel, Piet Mondriaan en Willem Witsen. Zodoende getuigt het boek niet alleen van de uiteenlopende facetten van het hoofdstedelijk leven, maar ook van de persoonlijke fascinaties van de kunstenaars en de verschillende technieken waarmee zij hun werk vormgaven. De vlugge, grove krijtstrepen waarmee Israels en Breitner nietsvermoedende Amsterdammers op het papier zetten, steken fel af tegen de zeer gedetailleerde tekeningen die Willem Hekking jr. in 1864 maakte van het zojuist voltooide Paleis voor Volksvlijt (dat in de nacht van
18 april 1929 helaas verloren zou gaan in een grote brand – gelukkig hebben we de tekeningen nog).

Samen geven de kunstwerken een rijk en levendig beeld van de tijd; vaak van heel alledaagse taferelen, soms ook van meer uitzonderlijke gebeurtenissen, zoals het inwijdingsconcert in de Grote Zaal van het Concertgebouw op 11 april 1888. Het gebouw lag toen nog midden in een veenweidegebied, buiten de stadsgrenzen. Twee aquarellen van Nicolaas van der Waay tonen de muzikanten tijdens de pauze (de heren in rokkostuum, de vrouwelijke koorleden in flonkerende witte jurken), en de al even keurig geklede heren en dames die toekijken vanaf het balkon.

Tekst en uitleg

De drukkwaliteit van de afbeeldingen is uitstekend, hoewel ik persoonlijk geen liefhebber ben van afbeeldingen die over twee pagina’s worden gedrukt (waardoor een deel van de afbeelding onvermijdelijk in de naad tussen de pagina’s verdwijnt). De inleiding van het boek bestaat uit een reeks min of meer losstaande notities over het werken met aquarel en pastel, kunstenaars en kunsthandelaars, en Amsterdamse winkels in schilder- en tekenbehoeften. Daarna gaat alle aandacht uit naar de kunstwerken die in thematische hoofdstukken zijn onderverdeeld. Vooral interessant zijn de begeleidende teksten bij de kunstwerken, waarin Heijbroek afwisselend uitleg geeft over de kunstenaar, de locatie of de bredere context van de afbeeldingen. Met dank aan die teksten krijgen de stadsgezichten en momentenopnamen meer diepgang, en komen zij voor de toeschouwer tot leven.

J.F. Heijbroek, Amsterdam in aquarel en pastel 1860-1925; Bussum: Thoth, 2021, 176 pp., geïllustreerd, ISBN: 978 90 6868 824 5. Prijs: €32,50

KRO-NCRV | Tante Jos (duur: 5 afleveringen ca. 30-50 minuten). Gesignaleerd door Jaap de Haan

Mijke van Wijk, podcastmaker bij NPO1, had een bijzondere oudtante. Jos Gemmeke was de zus van haar oma en de enige vrouw, naast prinses Wilhelmina, en de enige burger die onderscheiden werd met de Militaire Willems-Orde (MWO). Omdat Van Wijks oma en haar zus elkaar niet lagen was er geen contact met tante Jos. Van Wijk volgde wel gefascineerd alles wat er over Jos Gemmeke verscheen en het viel haar op dat zij altijd hetzelfde verhaal vertelde, maar nooit sprak over die ene missie die haar de MWO opleverde. De podcast is het verslag van de speurtocht van Van Wijk naar het oorlogsverleden van haar tante.

Tijdens het onderzoek komt Van Wijk er al snel achter dat de fietstocht van Jos Gemmeke met geheime documenten, dwars door de linies heen naar prins Bernhard, niet de reden was voor de MWO. Ze achterhaalt met hulp van Jelle Hooiveld waarom Gemmeke wel deze onderscheiding kreeg, namelijk voor haar rol in Operatie Bonzo, waarbij zij als geheim agent werd geparachuteerd boven bezet gebied. Dat Gemmeke een bijzondere vrouw was illustreert een schitterend interviewfragment met Ron Slaon, de piloot van de ‘vliegmachine’ die haar dropte: ‘She was a big, well-build girl, big smile […] handsom, biggish, particulary when she had this uniform on. She was a huge girl, because she was padded up to take all this weaponry with her, put in everywhere, […] I believe she also had revolvers and heavens knows what stuck in her bosom; she was equipped to fight her way out.’

Jos Gemmeke komt zelf ook veel aan het woord in de podcast. De heel kritische luisteraar zou kunnen opmerken dat het niet altijd duidelijk is wanneer Van Wijk eigen opnames of oudere interviews met Gemmeke gebruikt. Dat geldt ook voor het ‘live’ doorzoeken van de database van Hooiveld in aflevering 4, want de luisteraar wordt daar niet veel wijzer van. Afgezien daarvan heeft Van Wijk een zeer onderhoudende podcast over haar oudtante gemaakt, op wie ze hoorbaar heel trots is. De aflevering zijn zo gemonteerd dat er een echte whodunnit is ontstaan, die nieuwsgierig maakt naar de afloop.

Benieuwd? Luister deze podcast hier: https://www.nporadio1.nl/podcasts/tante-jos.