recensie Komossa websiteSusanne Komossa, Hollands bouwblok en publiek domein. Model, regel, ideaal Van Tilt, Nijmegen, 2010, 224 p., geïll., ISBN 9789460040405, prijs €39,95

door Sandra Smets

Als de berg niet naar Mohammed komt, dan moet Mohammed maar naar de berg. Zoiets dacht de directie van een supermarkt in een van die rottige Parijse banlieus, uit het raam kijkend en beseffend dat de winkel geen enkel contact had met die anonieme mensenmassa’s in die rijen woonflats. Maar toen kregen ze een idee: als we nou eens een informeel marktje beginnen op het buitenterrein, dan kunnen de flatbewoners daar hun eigen waar aanbieden. Een brug slaan, zorgen dat het kale buiten een levendige openbare ruimte wordt en mensen elkaar ontmoeten. Zoals dat zou moeten in een stad, maar vaak niet gebeurt.

En dat geldt zeker ook voor Nederland. Nergens ter wereld worden steden zo uitgedokterd als hier. Waar te wonen, waar te werken, vooral sinds de wederopbouw hebben planologen dit met graagte voor stadsbewoners voorgekauwd. Een uitgangspunt daarbij was en is het bouwblok: de behuizingen en bebouwingen tussen de straten en stoepen door.

Susanne Komossa schreef er een boek over: Hollands bouwblok en publiek domein, grijs, vierkant, schreefloos en kleurloos vormgegeven, de moderne stijl die ook onze steden bepaald heeft. Net zo schreefloos en kleurloos begint haar verhandeling over de rol van het bouwblok daarin. Haar voorbeeld is architect Saverio Muratori, die vorige eeuw op zoek ging naar eenheid en die vond in de oude stad. Verbreek niet de band met de geschiedenis, zei hij, en Komossa zegt dat met hem.

Waar te wonen, waar te werken, vooral sinds de wederopbouw hebben planologen dit met graagte voor stadsbewoners voorgekauwd

Zijn voorbeeld is Venetië met zijn stadsmorfologie, Komossa zoekt het vooral in Amsterdam dat in de Gouden Eeuw opbloeide als handelsstad. Bouwblokken waren toen nog verzamelingen huisjes, elk blok een eigen microkosmos, een buurtje. Wonen, werken, alles gebeurde daar. Lang zou dat zo blijven, tot de ingeslapen steden in de 19de eeuw werden opgeschrikt door allerhande ontwikkelingen. Het spoor, telegrafie, gasleidingnetten, fabrieken maakten de wereld groter. Functies gingen zich concentreren in het centrum – hotels, cafés, banken – en daarbuiten begonnen de bouwblokken monofunctioneler te worden, zoals woonwijk Jordaan.

Ook Rotterdam werd in deze ‘tweede gouden eeuw’ enthousiast volgebouwd, wat leidde tot cholera en musea. Wie niet na Komossa’s eerste hoofdstukken in slaap is gevallen, wordt vanaf dan in het boek beloond met mooie parallelle stadsgeschiedenissen. In Rotterdam en Amsterdam – andere steden laat ze buiten beschouwing – worden stadsplanningen uitgetekend, met bouwblokken waarvan het formaat afhangt van hoe deftig de wijk is. Sociale arbeiderswijken worden paradepaardjes, zoals Spangen en de Spaarndammerbuurt.

Hollands bouwblok en publiek domein: grijs, vierkant, schreefloos en kleurloos vormgegeven, de moderne stijl die ook onze steden bepaald heeft

Burgers worden geherhuisvest, het staat er zonder de pijn die erbij gevoeld moet zijn, en de scheiding tussen wijken in de periferie is vooral groot in Rotterdam. De woningwet van 1921 maakt een eind aan de chaotische uitbreidingen van de 19de eeuw, er moeten collectieve voorzieningen en scholen en groen bij, verderfelijkheden als cafés worden geweerd uit de wijken, maar de roaring twenties feesten gaan wel door in de centra, met volop horeca. In Amsterdam wordt het Berlijnse idee van het superblok, 200 bij 400 meter, elk een eigen buurteenheid, door Berlage in praktijk gebracht. De bouwblokken in het Rotterdamse Spangen worden half open, met collectieve wasruimtes en liftjes voor de boodschappen zorgen dat huisvrouwen de straat niet meer op hoeven. Privé wordt veilig, buiten wordt stil, en daarmee ook onveilig.

Al waren in Rotterdam sociale hervormers actief, de meeste aandacht ging uit naar de haven en economie, waardoor het publieke leven erbij in schoot. De stad krijgt er Zuid bij, een eigen stad vol rijtjeshuizen, waar de gegoede burgers van Noord zo ver mogelijk vandaan bleven. Nieuwkomers bleven komen en dus ontstonden spierballenplannen – de Bijlmer, Almere, Zoetermeer. Intussen was het in Amsterdam beter toeven dan in het ongezellige Rotterdam, waar mensen in woonwijken zaten voorbij de al even ongezellige zesbaanssnelweg die de stad bruut opsplitst. En bedrijven verlieten de stad richting snelweglocaties – de straten werden nog stiller.

Uitstekend beschrijft Komossa die verandering van steen naar idealen, en dan de deceptie dat juist die stadsuitbreidingen – Rotterdam Zuid – rotbuurten zijn

In die functiescheidingen zit voor een groot deel de ellende, beschrijft Komossa. Woonwijken als woonfabrieken zijn vol idealisme ontworpen, maar als alles functioneel bedacht is, waar laat je dan het échte leven – ontdekken, lanterfanten, verliefd zijn? Komossa keert zich tegen woonenclaves, tegen monofunctionalisme, en haalt heel gedegen mythes over gentrificatie onderuit: ergens wat kunstenaars droppen werkt niet, je moet kijken naar het echte leven. Dat pleidooi is geïnspireerd door het bottom-up denken van Jane Jacobs, maar doet ook denken aan Charles Landry met het verschil dat Landry zijn altijd praktische adviezen doorspekt met kleurrijke voorbeelden. Komossa’s voorbeelden over vrijdenkende Franse supermarkten zijn te spaarzaam. En dat terwijl haar foto’s zo nieuwsgierig maken – studenten die hun meubels op straat zetten in Ljubljana, de trappen van het Pergamonmuseum die als publieke tribune functioneren – ‘vertel!’ denk je. Maar helaas.

Wel beschrijft ze uitstekend die verandering van steen naar idealen, naar het naoorlogse geloof dat je de wereld en de burger kunt ontwerpen, en dan de deceptie dat juist die stadsuitbreidingen – Rotterdam Zuid – rotbuurten zijn. Vooral Le Corbusier slaat ze flink om de oren: ze noemt zijn steden non-negotiable. Door dat soort historische mislukkingen is de architect van nu onzeker geworden en gaan architectuurbiënnales nu vooral over onderzoek, bouwen is zo passé. Die onzekerheid weerspiegelt zich in Komossa’s terughoudendheid over het nu. Ze beschrijft de Kop van Zuid en de Zuidas, het GWL-terrein, alles binnenstedelijk, met één alinea over vinexwijk IJburg. Dat is jammer, want vinexwijken waren dé grote bouwprojecten van de laatste jaren. Misschien dat Komossa die negeert vanwege wat ze ‘vertrutting’ noemt. Ze vindt dat je vanuit historisch besef vitaliteit en openbaar leven moet terugbrengen, niet nepgeveltjes bouwen. Tja. Dat is een kwestie van smaak. Als duizenden de binnensteden ontvluchten richting vinexranden, dan verdient dat ook een serieuze analyse.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-1).

Verwijzing: Historisch Tijdschrift Holland, Sandra Smets, 24 april 2013.

recensie Schokkenbroek websiteIrene Jacobs en Joost Schokkenbroek (red.), Nederland-Engeland. Reflecties over zee Jaarboek 2011 Maritieme Musea Nederland Walburg Pers, Zutphen, 2011, 128 p., geïll., ISBN 9789057307737, prijs €24,95

door David Onnekink, Universiteit Utrecht

Rond 1700 kwam er in de Europese diplomatieke taal een nieuwe term op: de Zeemogendheden. Britse diplomaten in het buitenland merkten op dat deze term vaak gebruikt werd door continentale machten om Engeland en de Republiek aan te duiden. Het was evident dat zij gezamenlijke belangen hadden die voornamelijk handel en zeevaart betroffen. Het is opmerkelijk dat de nadruk gelegd werd op datgene wat de twee naties verbond, niet aan wat hen scheidde. Immers, diezelfde zeevaart en handel hadden in het derde kwart van de 17de eeuw juist geleid tot felle commerciële zeeoorlogen. Maar het een sloot het ander niet uit: de verhouding tussen de twee maritieme mogendheden was juist paradoxaal en complex. Ook tijdens de Engelse Zeeoorlogen bleef er wederzijds respect en sympathie, en ook na de oorlogen waren de verhoudingen vaak zeer gespannen.

Het is precies deze complexiteit die Geert Janssen in kaart brengt in de introductie van Nederland-Engeland. Reflecties over zee, het jaarboek 2011 van de Maritieme Musea Nederland. In navolging van historici als Lisa Jardine benadrukt hij dat de rijke geschiedenis van Engels-Nederlandse verhoudingen te lang gedomineerd is door simpele sjablonen van samenwerking of conflict. De werkelijkheid, zo meent Janssen, was er een van voortdurende interactie op politiek, economisch, cultureel en religieus gebied. De redacteuren, Irene Jacobs (Maritiem Museum Rotterdam) en Joost Schokkenbroek (Scheepvaartmuseum Amsterdam) zijn er in geslaagd deze fascinerende relatie te presenteren in een zeer gevarieerd jaarboek.

De bundel is uitzonderlijk fraai geïllustreerd. Op bijna elke pagina is een (kleuren-)illustratie te vinden, uiteenlopend van schilderijen van 17de-eeuwse zeegevechten door Van de Velde tot vroeg 20ste-eeuwse affiches van rederijen die op Engeland voeren en foto’s van bibliotheekinterieurs van luxe oceaanstomers. De bundel laat zich gemakkelijk doorbladeren en biedt een schat aan visuele informatie. De redacteuren verdienen een compliment voor de beeldredactie.

Het jaarboek biedt als geheel een fascinerend panoramisch overzicht van Engels-Nederlandse verhoudingen door de eeuwen heen waarbij uiteraard het thema zeevaart centraal staat

De samenstelling van de artikelen had echter wel wat selectiever mogen zijn. Sommige stukken zijn uitstekend opgebouwd en interessant, zoals de mooie bijdrage over de affiches van rederijen of het artikel over bibliotheken op luxeschepen, andere zijn wat oppervlakkig (bijvoorbeeld het artikel over de Armada) of vooral een losse flodder (bijvoorbeeld het artikel over aardewerk). Dat is jammer en onnodig, omdat het jaarboek voldoende materiaal bevat om ervoor te kiezen magere stukken weg te laten. Niettemin biedt het jaarboek als geheel een fascinerend panoramisch overzicht van Engels-Nederlandse verhoudingen door de eeuwen heen en op verschillende terreinen, waarbij uiteraard het thema zeevaart centraal staat.

Het jaarboek laat een duidelijke clustering van thema’s zien; het was misschien handig geweest als de redacteuren die thema’s wat beter gegroepeerd hadden. Het thema oorlog komt er wat bekaaid af (Joost Schokkenbroek over de Armada). Meer aandacht is er voor visserij (Jeroen ter Brugge over Engelse en Nederlandse visserij en Joost Schokkenbroek over walvisvangst) en pleziervaart (Irene Jacobs over reclame van rederijen, Elisabeth Spits over jachten en Ron Brand over bibliotheken op passagiersschepen). Culturele banden spelen door deze artikelen heen, maar staan meer centaal in de artikelen over geografie (Diederik Wildeman over reisverhalen en Sjoerd de Meer over atlassen) en kunst (Remmelt Daalder en Cecile Bosman over zeeschilders en Sjoerd de meer over aardewerk). Terecht wordt er ook aandacht besteed aan technische innovatie (Wouter Heijveld over stoommachines en Henk Dessens over motoren). De meeste artikelen houden zich aan de opdracht om culturele en wetenschappelijke kruisbestuiving centraal te stellen. Daardoor heeft het jaarboek meer focus dan op basis van de lange lijst artikelen lijkt.

De bundel laat zich gemakkelijk doorbladeren en biedt een schat aan visuele informatie

Nederland-Engeland. Reflecties over zee is een mooie bundeling artikelen geworden die voor een breed geïnteresseerd publiek de moeite waard is om in te grasduinen. Voor wie geen zin heeft het jaarboek te lezen is het visuele spektakel reden genoeg de bundel ter hand te nemen.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2013-1)

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, David Onnekink, 24 april 2013.

Jacques Moerman, ’t Woudt. De rijke geschiedenis van het kleinste dorp van Nederland Historische Reeks Midden-Delfland deel 1, Historische Vereniging Oud-Schipluiden, Schipluiden, 2012, 256 p., geïll, ISBN 9789075938616, prijs €24,95 (te koop in Delftse en regionale boekhandels)

door Anne Petterson, Universiteit Leiden

Een groot boek over het kleinste dorp van Nederland, ga er maar aan staan. Jacques Moerman deed het en schreef ruim 250 pagina’s over de geschiedenis van ’t Woudt, een kerkdorp met vandaag de dag ongeveer 40 inwoners, ingeklemd tussen Naaldwijk, Den Haag en Delft.

Terwijl alle plaatsen in de omgeving uitbreidden, bleef ’t Woudt een kleine gemeenschap. Bereikbaar via de Kerklaan, en lange tijd ook langs de zogenaamde kerkenpaden: onverharde, openbare paden door het weiland, zo nu en dan onderbroken door een plank over een sloot en met natuurlijk de kerk als eindbestemming. Begin 20ste eeuw zijn de meeste van deze routes verdwenen, maar in 1970 is er een prachtig fietspad door de polder voor in de plaats gekomen.

De belangrijkste reden voor het uitblijven van iedere groei van ’t Woudt was het systeem van grondbeheer. De boeren in het dorp en de omgeving verdeelden hun land liever niet. Bij overlijden of pensionering nam de oudste zoon het bedrijf over en kreeg de rest van de kinderen het erfdeel uitbetaald in geld. Op deze manier kwam er nauwelijks land vrij voor extra bebouwing. Ook vandaag de dag heeft ’t Woudt, met de aanwezigheid van twee moderne veebedrijven, nog steeds een voornamelijk agrarisch karakter.

Ruim 250 pagina’s over de geschiedenis van ’t Woudt, een kerkdorp met vandaag de dag ongeveer 40 inwoners, ingeklemd tussen Naaldwijk, Den Haag en Delft

Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel beschrijft Moerman het ontstaan en de geschiedenis van ’t Woudt. Hier komen de vroegste bewoningsgeschiedenis (vanaf 3600 voor Christus), de lokale economie en de belangrijkste huizen en hun bewoners aan de orde. In het middendeel besteedt Moerman ruim aandacht aan de geschiedenis en invloed van de kerk in het dorp. De jongste geschiedenis van ‘t Woudt komt er in het derde en laatste deel wat bekaaid van af. In kort bestek bespreekt Moerman het opkomend verenigingsleven, de impact van de Tweede Wereldoorlog en de uitdagingen van de moderne tijd.

Zoals de ondertitel van het boek al zegt: ’t Woudt heeft een rijke geschiedenis. Moerman heeft dan ook oog voor details. De uitgebreide beschrijvingen van bijvoorbeeld kerk- of boerderijarchitectuur zijn voor de niet-ingewijde misschien soms iets teveel van het goede, maar de balans keert terug met bijvoorbeeld heerlijke anekdotes over de bewoners en sociale verhoudingen in het dorp. In het middendeel levert bijvoorbeeld het samenleven van protestant en katholiek in de kleine gemeenschap mooie verhalen op.

Met de levensbeschrijvingen van een meester Schipper, ‘hebbende ’s morgens bij eene roomschgezinde reets op eene alleronmatigste en gulsige wijze genever gedronken’,  brengt Moerman de bewoners van ’t Woudt tot leven

Zo bevat tot op de dag van vandaag de oostelijke buitenmuur van de protestantse kerk nog een katholiek wijdingskruis; één van de oorspronkelijk twaalf markeringen van de plaatsen waar het gebouw bij de inwijding door de bisschop of zijn plaatsvervanger gezegend was. Volgens het katholieke verhaal kwamen de kruizen steeds onder de kalklaag tevoorschijn, wat natuurlijk werd geïnterpreteerd als een verwijzing van hogerhand naar de katholieke oorsprong van de kerk. In werkelijkheid loste het zout in de steen langzaamaan de kalklaag op. In de 17de eeuw gebruikten de katholieken verschillende boerderijen in de omgeving als schuilplaats, maar in de Franse tijd werden de godsdiensten in Nederland gelijkgesteld en maakten zij opnieuw aanspraak op ‘hun’ kerkgebouw. Wethouder Loncq wist het goed gemaakt: hij stelde voor om de kerk met een muur in tweeën te delen, zodat de 105 gereformeerden het schip van de kerk zouden behouden en de 118 katholieken in het koor bijeen konden komen. Het plan ging uiteindelijk toch niet door.

Maar ook binnen de protestantse gemeenschap was het niet altijd koek en ei. In 1588 trad de eerste predikant van ’t Woudt aan, Johannes Martini. Zijn werk werd echter bemoeilijkt door een roddelzieke lidmaat, ene Heyltghen Mertens. De vrouw verspreidde allerlei geruchten over de niet onberispelijke levenswandel van de predikant en zijn echtgenote in hun vorige standplaats Tholen. Maar Martini liet zich niet uit het veld slaan en bracht de zaak voor het gerecht, waarop Heyltghen zich met het echtpaar verzoende en openlijk schuld beleed. Met de levensbeschrijvingen van de predikanten en niet te vergeten de schoolmeesters (meester Schipper, ‘hebbende ’s morgens bij eene roomschgezinde reets op eene alleronmatigste en gulsige wijze genever gedronken’) brengt Moerman de bewoners van ’t Woudt tot leven.

De eerste uitgave in de Historische Reeks van Midden-Delfland is uitgegeven op groot formaat, met prachtige kleurenafbeeldingen

Aandacht voor de wereld buiten ’t Woudt is er ook. De Woudtse boter en kaas kende afzet in het gehele land, en in de 14de eeuw zelfs bij het hof van de graaf. Belangrijke lokale families als de Van der Burchs namen in de 16de en 17de eeuw in Delft en andere Hollandse steden belangrijke posities in. En de ontwerpen voor de gravures van de Leidse universitaire instellingen door de 17de-eeuwse schilder Jan Cornelisz. van ’t Woudt, beter bekend als Woudanus, zijn nu internationaal bekend. Maar Moerman toont ook de bordjes afkomstig uit de inboedel van de boerderij van Maritgen de Voecht waarop keizer Karel V, Philips en de hertog van Kleef waren afgebeeld. Zijn er tastbaarder voorbeelden van de wereld waarin ’t Woudt functioneerde?

Naast de inhoud verdiend ook de vormgeving lof: het boek is uitgegeven op groot formaat, met prachtige kleurenafbeeldingen op stevig papier. ’t Woudt. De rijke geschiedenis van het kleinste dorp van Nederland is de eerste uitgave in wat een Historische Reeks van Midden-Delfland moet worden. Een fraai begin, dat doet hopen op meer publicaties over de geschiedenis van deze regio.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Anne Petterson, 24 april 2013.

recensie Fransen websiteAlfons Fransen, Dijk onder spanning. De ecologische, politieke en financiële geschiedenis van de Diemerdijk bij Amsterdam, 1591-1864 Hilversum, Verloren, 2011, 404 p., geïll., ISBN 9789087041915, prijs €40,-

door Piet van Cruyningen, Huygens ING

Dijk onder spanning is de handelseditie van het proefschrift waarop Alfons Fransen in 2009 promoveerde aan de Vrije Universiteit. Historiografisch past het in een recente trend in de waterstaatsgeschiedenis om meer aandacht te besteden aan de economische en ecologische aspecten van waterbeheer. Het onderwerp van zijn studie is de financiering van het onderhoud van de Diemerdijk, die zich uitstrekt van Amsterdam tot aan de Vecht. Hoewel dus niet bijzonder lang, beschermde deze dijk een belangrijk gebied in Holland en Utrecht. Als de dijk doorbrak, kregen ook de Amsterdammers natte voeten.

Fransen wil weten hoe de financiering van deze dijk zich in de loop van de tijd ontwikkelde en hoe die ontwikkeling kan worden verklaard. Hoeveel het onderhoud van een dijk kost en hoeveel de ingelanden daar voor over hebben, wordt volgens Fransen bepaald door een keten van factoren: het milieu (inklinking van het veen, klimaat en weer), de stand van de techniek (dijkbouw), de economie (pachtprijzen, prijzen van landbouwproducten), en bestuurlijke omstandigheden. Hoe elk van die factoren invloed uitoefende op de hoogte van de kosten, wordt uiteengezet in zeven hoofdstukken, die in chronologische volgorde de periode van de late Middeleeuwen tot 1864 behandelen.

Fransen laat zien dat het met de kosten van het onderhoud in het algemeen meeviel. Er waren natuurlijk wel perioden waarin er veel geïnvesteerd moest worden, zoals na stormvloeden of na de paalwormepidemie van 1732. Dit diertje verwoestte de palen waarmee de Diemerdijk en andere dijken langs de Zuiderzee waren versterkt. Het milieu had dus zeker invloed. Toch blijkt in Dijk onder spanning dat juist institutionele factoren hier het belangrijkst waren. Het Hoogheemraadschap van de Diemerdijk was een interprovinciaal waterschap. Holland en Utrecht waren beide vertegenwoordigd in het bestuur. Omdat deze gewesten tegengestelde belangen hadden, bleek het vaak uitermate moeilijk om tot besluitvorming te komen.

Het belangrijkste probleem was dat de kosten van het onderhoud grotendeels voor rekening kwamen van enkele kleine zogeheten dijkplichtige districten, die allemaal in Holland gelegen waren

Het belangrijkste probleem was dat de kosten van het onderhoud grotendeels voor rekening kwamen van enkele kleine zogeheten dijkplichtige districten, die allemaal in Holland gelegen waren. Daarnaast waren er waalplichtige districten, die alleen in buitengewone omstandigheden, zoals na een stormvloed, bijdroegen in de kosten. Die districten besloegen meer dan tachtig procent van het grondgebied van het hoogheemraadschap en lagen grotendeels in Utrecht. De kosten waren daardoor zeer ongelijk verdeeld en het zou verstandig geweest zijn om het onderhoud ‘gemeen te maken’, waardoor ze gelijkmatiger over de ingelanden verdeeld konden worden. Het zal duidelijk zijn dat Utrecht daar geen belang bij had en zich er met hand en tand tegen verzette. Gemeenmaking werd als gevolg daarvan uitgesteld tot 1864.

Vooral aan het begin van de 18de eeuw, toen de lasten hoog waren en de landbouw zich in een depressie bevond, leidde die ongelijke verdeling ertoe dat veel ingelanden in de dijkplichtige districten ‘spade staken’. Daarmee deden ze afstand van hun land en van de daarmee verbonden dure dijkplicht. Opvallend was dat niet alleen kleine boeren dit deden, maar ook rijke grootgrondbezitters uit steden als Amsterdam. Dat komt overeen met de uitkomsten van het onderzoek van Tim Soens, De spade in de dijk (2009), naar laatmiddeleeuws Vlaanderen, waar grootgrondbezitters er ook de voorkeur aan gaven hun bezit op te geven in plaats van te blijven voldoen aan een in hun ogen te dure en uitzichtloze dijkplicht.

Alfons Fransen heeft een degelijke studie geschreven, die niet alleen inzicht geeft in de financiering van waterstaatswerken, maar ook in bestuurspraktijk van de Republiek

Uiteindelijk werd in de 18de eeuw een oplossing voor het probleem van de ongelijke verdeling van de kosten gevonden door het onderhoud niet juridisch, maar wel feitelijk voor een groot deel gemeen te maken. Die creatieve oplossing vormt een deel van de basis waarop Fransen tot een van zijn voornaamste conclusies komt: het institutionele onvermogen van de Republiek was minder ernstig dan vaak aangenomen. Als het echt nodig was, bleek het mogelijk om institutionele klippen te omzeilen en tot oplossingen te komen.

In het geval van de Diemerdijk speelde de politieke en financiële macht van Amsterdam daarbij een grote rol. De stad bleek vaak bereid om belangrijke investeringen vooruit te financieren. Het bestel van de Republiek blijkt inderdaad soepeler dan vaak gedacht, dat toont Fransen wel aan. Maar toch … het bleek pas mogelijk om de sluis bij Muiden aan te leggen toen Utrecht in 1673 uit de Unie was gezet omdat het door de Fransen was bezet en dus een eind kwam aan decennialang verzet van Utrecht tegen deze noodzakelijke investering. En hoe ging het in gebieden waar er geen rijke en machtige stad als Amsterdam was die zijn geld kon inzetten als smeermiddel? Ik ben hier wat sceptischer over dan Fransen. Dat neemt niet weg dat Alfons Fransen een degelijke studie heeft geschreven, die niet alleen inzicht geeft in de financiering van waterstaatswerken, maar ook in bestuurspraktijk van de Republiek.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Piet van Cruyningen, 24 april 2013.

recensie Jansen websiteG.A. Bredero, Proza. Uitgegeven, vertaald en toegelicht door Jeroen Jansen Hilversum, Verloren, 2011, 299 p., geïll., ISBN 9789087042608, prijs €25,-

door Johannes Müller, Universiteit Leiden

Dat de begeleidende prozateksten bij Gerbrandt Bredero’s toneelstukken van grote waarde voor de analyse van zijn werk kunnen zijn, is uit studies naar deze auteur steeds opnieuw gebleken. Maar behalve als sleutels tot het ‘eigenlijke’ werk hebben de, toegegeven schaarse, prozateksten van de Amsterdamse dichter en toneelschrijver tot nu toe op weinig belangstelling kunnen rekenen.

De onderhavige becommentarieerde tekstuitgave van Jeroen Jansen probeert daar verandering in te brengen en de literaire en cultuurhistorische waarde van juist deze teksten te onderstrepen. De uitgave omvat naast de voorredes en opdrachten van Bredero’s toneelstukken ook de zes brieven die van de dichter bekend zijn.

Dat dit boek door een grote kenner is geschreven en samengesteld staat buiten kijf. De specifieke functie van deze editie blijft echter onduidelijk. Jansen verantwoordt zijn publicatie met een beroep op toekomstig onderzoek waarin hij “dit proza vanuit een ander invalshoek wil gaan bestuderen”. Ook zou dit boek voor het onderwijs gebruikt kunnen worden. Wat die “andere invalshoek” ook moge inhouden, de geïnteresseerde onderzoeker kon natuurlijk al terugvallen op de bestaande tekstuitgaven, die sinds enige tijd ook digitaal te raadplegen zijn via de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

De, toegegeven schaarse, prozateksten van de Amsterdamse dichter en toneelschrijver hebben tot nu toe op weinig belangstelling kunnen rekenen

Ook al zijn de tot de toneelstukken behorende voorredes en opdrachten van Bredero’s toneelstukken zeker op zichzelf interessant, met name voor onderzoeksdoeleinden is de gebruikswaarde van deze prozateksten toch hoger als ze in combinatie met de toneelteksten te raadplegen zijn. Hetzelfde geldt ook voor het onderwijs: omdat het schaarse proza van deze auteur daar vooral behandeld zal worden in combinatie met zijn toneel- en dichtwerk zijn integrale uitgaven van de verschillende werken mijns inziens vele malen bruikbaarder.

Over de behoefte waarin dit boek voorziet had dan ook beter nagedacht moeten worden. Met name de keuze voor een vertaling van de teksten naar hedendaags Nederlands vraagt om een verantwoording. De opdrachten en voorredes zullen los van de toneelteksten nauwelijks op belangstelling van een groter algemeen geïnteresseerd publiek kunnen rekenen.

Uit het uitgebreide commentaar waarvan Jansen de prozateksten teksten voorziet blijkt de deskundigheid en de scherpe analytische blik van de auteur

De beoogde doelgroep moet dus onder de specialisten gezocht worden, wat de keuze voor een hertaling niet begrijpelijker maakt. Zelfs beginnende studenten Nederlands zouden met een geannoteerde tekstuitgave uit de voeten moeten kunnen, en omdat Bredero’s proza als studiedoel op zichzelf toch vooral voor gespecialiseerdere ouderejaarsstudenten interessant is, zal dit boek nauwelijks als propedeusestof aan bod komen. Als een dergelijke uitgave dan in tijden van de voortschrijdende digitalisering in de geesteswetenschappen ook nog juist in deze vorm verschijnt, blijven de mogelijkheden die de nieuwe media en onderzoekstechnieken bieden helaas onbenut. Voor studenten en onderzoekers was een doorzoekbare digitale tekst bruikbaarder geweest en zouden tabellen over de woordaantallen van de afzonderlijke teksten zoals op pagina 38 overbodig zijn.

Het doel van het boek, namelijk Bredero’s proza meer onder de aandacht te brengen, had effectiever bewerkstelligd kunnen worden

Uit het uitgebreide commentaar waarvan Jansen de prozateksten teksten voorziet blijkt de deskundigheid en de scherpe analytische blik van de auteur. En ook al beschikken we al over verschillende biografische schetsen van Bredero, de biografische inleiding en de contextualisering van de teksten in proza door inbedding in 17de-eeuwse prozagenres zijn inderdaad verhelderend.

Het doel van het boek, namelijk Bredero’s proza meer onder de aandacht te brengen, had mijns inziens effectiever bewerkstelligd kunnen worden door de specialisten in een echte vakpublicatie aan te spreken, waarin Jansens analyses beter tot hun recht hadden kunnen komen. Zoals Jansen suggereert, kunnen we deze publicaties echter nog verwachten. De breder geïnteresseerde lezers hebben daarentegen meer aan een integrale en hertaalde uitgave van de teksten, waarin toneeltekst én voorredes zijn opgenomen.

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Johannes Müller, 24 april 2013.

Ronald Prud’Homme van Reine, Moordenaars van Jan de Witt. De zwartste bladzijde van de Gouden Eeuw De Arbeiderspers, Amsterdam, 2013, 224 p., ISBN 9789029587419, prijs €21,95

door Serge ter Braake, Vrije Universiteit

Raad pensionaris Johan de Witt (1653-1672) is zonder twijfel een van de boeiendste en meest besproken figuren uit de Gouden Eeuw. Enigszins in zijn schaduw, zoals maar weer blijkt uit de titel van dit boek, maar altijd aanwezig, is Johans oudere broer Cornelis. De broers werden op 20 augustus 1672, in het rampjaar, vermoord en hun lichamen op afgrijslijke wijze verminkt. Er is al eeuwenlang een debat gaande over hoe deze dubbelmoord heeft kunnen plaatsvinden. De dubieuze rol van stadhouder Willem III is daarbij vooral een onderwerp van de nodige controverse geweest, hoewel in de populaire tv-serie De Gouden Eeuw (aflevering 13, 5 maart 2013) die hele discussie niet wordt genoemd, vermoedelijk omdat dat niet in lijn zou zijn met de bijna onsmakelijke verheerlijking van Willem III in de rest van de aflevering.

In 2009 organiseerde de Nederlandse Vereniging Vrienden van de Witt (opgericht in 2005) een symposium over de moord op de gebroeders, waar ook de auteur van dit boek,  historicus (van vooral de Gouden Eeuw) en publicist Ronald Prud’Homme van Reine, een lezing gaf. Op het symposium stelde de auteur de vraag waarom niemand ooit serieus onderzoek had gedaan naar de achtergronden van de moordenaars van de gebroeders De Witt. Hij besloot uiteindelijk zelf dat onderzoek te doen, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in dit boek.

Bij de moordenaars gaat het om de circa tien mannen die aanwijsbaar de trekker hebben overgehaald en op de broers hebben ingehakt en geslagen, voordat ze werden overgeleverd aan de woedende menigte. De gebeurtenissen die voorafgingen aan de dubbelmoord zijn in grote lijnen genoeg bekend. Cornelis de Witt werd door de louche barbier Willem Tichelaar ervan beschuldigd een moordaanslag te beramen op stadhouder Willem III. Ondanks het complete gebrek aan bewijs werd Cornelis schuldig bevonden door de raadsheren van het Hof van Holland. Toen broer Johan, die kort daarvoor onder druk van de publieke opinie al was afgetreden als raadpensionaris, hem op de dag van het vonnis kwam bezoeken,  werden de broers belaagd door een woedende, opgehitste volksmenigte en uiteindelijk ook door een deel van de schutters. Het einde is bekend.  Stadhouder Willem III reageerde door de daders te belonen, waardoor hij verdacht is geworden als opdrachtgever van de moord.

Ronald Prud’Homme van Reine vroeg zich af waarom niemand ooit serieus onderzoek had gedaan naar de achtergronden van de moordenaars van de gebroeders De Witt. Hij besloot dat onderzoek uiteindelijk zelf te doen

De sleutelhoofdstukken van dit boek zijn hoofdstukken 5 (‘De moord’) en 6 (‘De moordenaars en hun medeplichtigen’). De rest van het boek biedt een verdienstelijke synthese van de bestaande literatuur, maar levert weinig nieuws en had wat mij betreft sterk ingekort kunnen worden. De auteur heeft in hoofdstuk 6 genoeg interessants te melden over de moordenaars. Het waren grotendeels onbetrouwbare types, die vrijwel allen voor hun aandeel in de moord werden beloond en ook in latere jaren onbetrouwbare lieden bleken te zijn. De auteur maakt aannemelijk dat hun optreden was gedirigeerd door oude vijanden van de gebroeders: Tromp, Kievit en Zuylestein. Spectaculairder is de vondst van de auteur (hoofdstuk 5) van een brief waaruit blijkt dat Willem III een aantal dagen voor de moord in Den Haag was. De enige tijdgenoot die dat had beschreven was procureur Copmoijer, wiens vermelding daarvan tot dusver weinig serieus was genomen. De auteur toont niet alleen aan dat Copmoijer wat betreft de aanwezigheid van Willem gelijk had, maar ook dat hij verder als een betrouwbaar getuige mag gelden.

Het waren grotendeels onbetrouwbare types, die vrijwel allen voor hun aandeel in de moord werden beloond en ook in latere jaren onbetrouwbare lieden bleken te zijn

Wat deed Willem III daar in Den Haag? En wat waren de ‘zaken van zeer groot belang’ waarover hij zijn verwant Johan Maurits van Nassau daar schreef? Volgens de auteur, die zich daarbij baseert op het verslag van Copmoijer, overlegde Willem met de belangrijkste complotteurs in het huis van de Oranjegezinde Odijk.  Als dat waar is, dan is het bijzonder aannemelijk dat Willem op zijn minst van de moordplannen op de hoogte was en misschien zelfs heeft geïnitieerd.  De auteur hangt voor zijn constructie veel op aan de identificatie van de mannen met wie Willem gesproken zou hebben, die door Copmoijer ‘heeren uyt ‘’t Hof’ worden genoemd. De auteur identificeert ze als hovelingen (p. 93), waartoe in ieder geval Zuylestein en misschien ook Albrantswaard behoord zouden hebben. Tromp en Kievit zouden daar dan waarschijnlijk ook aanwezig zijn, als hebbende connecties met die twee. Op p. 183 staat het voor de auteur zelfs vast dat Willem III met deze mannen overleg heeft gepleegd. Hoewel het zeker mogelijk is dat het zo is gebeurd, is er minder aanleiding om dat te denken dan de auteur doet voorkomen.

Een dubieuze rol van Willem III bij de veroordeling van Cornelis de Witt is  aannemelijker dan een rol bij de daadwerkelijke moord

Het is volgens mij veel waarschijnlijker dat de ‘Heeren uyt ’t Hof’ leden waren van het Hof van Holland. Het was immers een bijeenkomt in Den Haag, waar het Hof van Holland zetelde, en procureur Copmoijer werkte bij dat zelfde hof. ‘Het Hoff’ was ook gewoon een gebruikelijke aanduiding voor het college van raadsheren van het Hof van Holland. Willem III had als stadhouder van Holland en Zeeland toegang tot de Raadkamer en mocht zich ambtshalve bemoeien met de rechtspraak van het Hof. Bovendien noemt Copmoijer even later in zijn verslag de heren Zuylestein en Tromp wel bij naam, dus waarom zou hij dat eerder met een dergelijke cryptische beschrijving doen?  De bijeenkomst vond plaats kort voor de marteling en veroordeling van Cornelis de Witt. Het lijkt er daarom op dat Willem juist zijn stempel heeft willen drukken op het vonnis dat de raadsheren zouden vellen, door een paar dagen daarvoor overleg te plegen met een aantal van hen. Een dubieuze rol van Willem III bij de veroordeling van Cornelis de Witt is daarmee aannemelijker dan een rol bij de daadwerkelijke moord.

Wat er uiteindelijk precies gebeurd en bekokstoofd is, zal waarschijnlijk altijd in nevelen gehuld blijven. Met dit boek is de moord zeker niet opgelost, zoals wel beweerd wordt door de NOS, maar het is zeer de vraag of dat ooit met sluitend bewijs zal lukken. Prud’Homme van Reine schept met zijn benadering van het onderwerp en enkele mooie vondsten wel meer licht in de duisternis, waardoor zijn boek een geslaagd exemplaar is in de nog altijd aanzwellende historiografie over de gebroeders De Witt.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Serge ter Braake, 24 april 2013.

Cor Smit, Het Leiden boek Waanders, i.s.m. Regionaal Archief Leiden en Stedelijk Museum De Lakenhal, 2010, 383 p., geïll., ISBN 9789040077524, prijs € 14,95

Els van den Bent (e.a.), De geschiedenis van Rotterdam. De canon van het Rotterdams verleden Walburg Pers, Zutphen, 2011, 200 p., geïll., ISBN 9789057307621, prijs € 34,50

Johan Knoester (e.a.), Canon van Zuid-Holland. De geschiedenis van Zuid-Holland in vijftig verhalen Erfgoedhuis Zuid-Holland, 2011, 155 p., geïll., ISBN 9077842591, prijs € 16,95

door Reinard Maarleveld, Geschiedenis.nl

recensie canon Rotterdam website recensie canon Zuid-Holland website

Er zijn historici die niets van een canon moeten hebben. Het zou leiden tot heiligverklaring van bepaalde onderwerpen en tot een star beeld van het verleden. Voorstanders prijzen de discussie die voortkomt uit de noodzaak tot het kiezen van markante gebeurtenissen uit het verleden.

Voor beide standpunten is veel te zeggen. Feit is dat de canonisering zich sneller verspreidt dan menig computervirus. Wat begon als een poging het verleden van de natie in kaart te brengen voor het voortgezet onderwijs is uitgegroeid tot een koortsachtige zoektocht naar de historische identiteit van de eigen gemeenschap. Schaatsers, medici, liefhebbers van de misdaadliteratuur, kenners van de tv-geschiedenis en kenners van de meteorologie hebben hun canon. Ook beoefenaars van regionale geschiedenis en stadsgeschiedenis verzamelen kralen voor het richtsnoer.

Het Leiden boek lijkt een handzaam fotoboek volgens de beproefde formule ‘een plaatje met een praatje’. Maar de inhoud volgt de lijn van de in 2008 verschenen Historische Canon van Leiden, zonder rigide vast te houden aan het concept van vijftig vensters. Daarmee ontstijgt het boek het ‘praatjes-niveau’. Dat betekent dat het boek te gebruiken is als een beknopte maar rijk geïllustreerde overzichtsgeschiedenis van de stad. Door het kleine formaat is het boek ook goed te mee te nemen op een wandeling door de historische binnenstad. Het Leiden boek bevat een literatuuropgave voor verdere studie. Helaas ontbreekt een index met namen van personen en gebouwen. Al met al een prachtige uitgave waarin beeld en tekst elkaar versterken.

Het Leiden boek is een handzaam fotoboek maar ontstijgt de beproefde formule ‘een plaatje met een praatje’

Uitgeverij Walburg Pers kwam in samenwerking met het stadsarchief Rotterdam tot een uitgave waarin de canon van het Rotterdams verleden wordt gepresenteerd. De auteurs hebben hier wel vijftig vensters gekozen om het verhaal van de stad te vertellen. Het richtsnoer is hier niet verworden tot keurslijf want de inhoud van de vensters is ondergebracht in thema’s die betrekking hebben op doorlopende lijnen in de Rotterdamse geschiedenis. Zo komt het thema ‘stad in aanwas’ terug in zes verschillende vensters die de periode van prehistorie tot 2010 omvatten. Per venster zijn gemiddeld vier bladzijden beschikbaar, die gevuld zijn met tekst en mooi beeldmateriaal uit verschillende Rotterdamse archieven. Een register ontbreekt, maar per venster is een kader opgenomen met een literatuuropgave en een verwijzing (‘er-op-uit’) naar plekken in de stad die verbonden zijn met het behandelde onderwerp.

De canon van Rotterdam is fraai vormgegeven en zijn de teksten vlot geschreven zonder concessies te doen aan historisch-wetenschappelijke uitgangspunten

In tegenstelling tot Het Leiden boek (dat met enige moeite in een ruime binnenzak mee kan) is gekozen voor een flink formaat. Dat maakt het boek misschien minder handzaam maar geeft het wel meer uitstraling (wat terug te zien is in de prijs). Daarbij is het fraai vormgegeven en zijn de teksten vlot geschreven zonder concessies te doen aan historisch-wetenschappelijke uitgangspunten. Zo wordt de ontsnapping van de gorilla Bokito uit zijn verblijf in diergaarde Blijdorp ingebed in een bijdrage over ‘de natuur als leermeesteres van de kunst 1790 – 2007’ binnen het thema ‘habitat Rotterdam’. De geschiedenis van Rotterdam. De canon van het Rotterdams verleden is een mooi boek geworden dat ook notoire tegenstanders van het canoniseren aan het twijfelen zal brengen.

Vanuit het Erfgoedhuis Zuid-Holland werd in 2009 een digitale canon samengesteld. In 2011 werd op basis van de digitale versie een boekje gemaakt: Canon van Zuid-Holland. De geschiedenis van Zuid-Holland in vijftig verhalen. Onderwerpen en thema’s uit de provinciale geschiedenis van Trijntje (ca. 5500 V. Chr.) tot de Maeslantkering (1997) worden in beknopte, heldere, teksten besproken en voorzien van fraaie illustraties. Elk venster wordt afgesloten met adressen van relevante musea en verwijzingen naar literatuur en websites. De uitgave lijkt vooral bedoeld voor het voortgezet onderwijs en ‘een breed publiek’ als een kennismaking met de geschiedenis van de eigen omgeving.

De Canon van Zuid-Holland lijkt vooral bedoeld voor het voortgezet onderwijs en ‘een breed publiek’ als een kennismaking met de geschiedenis van de eigen omgeving

De samenstellers hebben hier en daar geprobeerd zich te ontworstelen aan het keurslijf van de canon. Zo gaat venster 16 over ‘De Opstand’ en venster 44 over ‘Zuid-Holland in de Tweede Wereldoorlog’. In het laatste geval zie je in twee pagina’s het bombardement op Rotterdam, de Geuzen, de jodenvervolging, de Atlantikwall en het Oranjehotel passeren. Dat komt ervan als je niet wilt kiezen… Verrassende vensters zijn er ook: de trekvaart tussen Haarlem en Leiden (25), Fort Wierickschans en de Oude Hollandse Waterlinie (28) en Naar het strand, het eerste badhuis (35). We lezen dat rond 1650 de trekschuiten tussen Delft en Leiden jaarlijks zo’n 200.000 passagiers vervoerden. Het uitgebreide stelsel van trekvaarten in Nederland (rond 1700 zo’n 650 kilometer) is voor een deel nog intact. Wie met de fiets van Schiedam naar Leiden gaat, langs de Delftse Schie, de Oude Delft en de Vliet volgt de oude trekschuitroute.

Kiezen is ook weglaten. Hier en daar leidt dat tot verbazing. Bij het venster over ‘De moord op de gebroeders De Witt’ (27) wordt wel verwezen naar ‘de tong en de duim’, maar het Haags Historisch Museum (waar deze bizarre objecten te bekijken zijn) wordt niet genoemd in de verwijzing. Maar dat zijn details. Canon van Zuid-Holland is een aangename kennismaking met de provinciale geschiedenis voorzien van fraai beeldmateriaal en nuttige verwijzingen.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2012-4)

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Reinard Maarleveld, 30 maart 2013.

recensie Buijnsters websiteLeontine Buijnsters-Smets, Straatverkopers in beeld. Tekeningen en prenten van Nederlandse kunstenaars circa 1540 – 1850 Van Tilt, Nijmegen, 2012, 305 p., geïll., ISBN 9789460040894, prijs €34,95

door Marion Boers, Universiteit Leiden

Straatverkopers waren tot niet zo heel lang geleden een algemeen verschijnsel in Europese steden waar ze, vaak tot ongenoegen van de bevolking, luidkeels hun waar aan de man brachten. Marskramers en andere ‘leurders’ zijn veelvuldig uitgebeeld door bekende en minder bekende kunstenaars, niet in de laatste plaats vanwege de schilderachtige armoede die ermee kon worden weergegeven.

Leontine Buijnster-Smets bracht de Noord- en Zuid-Nederlandse  prenten en tekeningen met dat onderwerp uit de periode van 1540 tot 1850 bijeen in een rijk geïllustreerd boek. Weliswaar was er door Jeroen Salman al aandacht besteed aan de mobiele handel in drukwerk afgebeeld op centsprenten, maar de Buijnster-Smets beoogt met dit boek ‘dit vergeten aspect van onze cultuurgeschiedenis’ in haar totaliteit de volle aandacht te geven.

Buijnster-Smets beoogt met dit boek over straatverkopers ‘dit vergeten aspect van onze cultuurgeschiedenis’ de volle aandacht te geven

In de inleiding stelt zij zich daarbij ten doel om van zo veel mogelijk Nederlandse  afbeeldingen van straatverkopers te analyseren in welke vorm ze zijn overgeleverd en in welke sociale en artistieke context ze kunnen worden geplaatst. Als definitie van ‘straatverkoper’ wordt in het boek aangehouden: rondgaande mannen of vrouwen, die om de kost te verdienen, hun producten en diensten te koop aanbieden. Binnen die groep vallen dus lieden die levensmiddelen en allerlei andere kramerei verkopen, maar ook de scharensliep en de kwakzalver, hoewel er toch moet worden geconstateerd dat een eerlijke koopman van huishoudelijke artikelen of een scharensliep met hun ‘leurderij’ andere oogmerken moeten hebben gehad dan een kwakzalver die zijn brood verdiende met bedrog. Dat dit implicaties heeft voor de benadering van het materiaal is door de auteur onvoldoende onderkend. In het boek zijn prenten en tekeningen opgenomen van enkele figuren, maar ook van uitbeeldingen waarin de straatverkoper met anderen in een gezamenlijke handeling te zien is, zo lang hij of zij maar het hoofdonderwerp is.

Allereerst worden de prenten en tekeningen in een internationale context geplaatst door in de eerste hoofdstukken van het boek in te gaan op de belangrijkste publicaties die onder meer over de beeldtradities in Frankrijk, Italië en Engeland zijn verschenen. Deze samenvatting van de bestaande literatuur is aan de lange kant en in het vervolg van het boek wordt er helaas slechts sporadisch naar verwezen. De auteur maakt bovendien onvoldoende duidelijk wat de verbanden zijn tussen deze buitenlandse voorbeelden en de Nederlandse prenten en tekeningen die het hoofdonderwerp van dit boek vormen. Alvorens aan haar bespreking van de Noord- en Zuid-Nederlandse prenten en tekeningen te beginnen, wordt in hoofdstuk twee ingegaan op ‘de roep van de straatverkopers in de Nederlandse literatuur en muziek’. De verdienste van dit hoofdstuk is vooral dat daarin bestaande literatuur over het onderwerp op een rijtje wordt gezet.

Het opsommende karakter maakt van de publicatie eerder een naslagwerk dan een boek waarin, in de vorm van een boeiende argumentatie, onderzoeksresultaten worden gepresenteerd

Coherentie blijkt in de hoofdstukken drie en vier, die de kern van het boek vormen, niet de sterkste kant van de publicatie te zijn. Opvallend is bijvoorbeeld de volgorde van kunstenaars die worden behandeld. Die lijkt aanvankelijk chronologisch, maar is dat niet, want iemand als Cornelis Saftleven (1607-1681) wordt besproken ná Cornelis Dusart (1660-1704). Er zal ongetwijfeld een reden zijn geweest om die chronologie meer dan eens te doorbreken, maar de auteur geeft die zelf niet.  Soms worden prenten uitgebreid één voor één besproken, maar in andere gevallen, zoals in de paragraaf over Salomon Savery, is gekozen voor een opsomming met bullits die nogal uit de toon valt bij de overigens fraaie opmaak van het boek.

Her en der worden in de tekst belangrijke vragen gesteld, maar die worden lang niet altijd beantwoord, of het antwoord doet geen recht aan de complexiteit van de materie. De auteur stelt bijvoorbeeld dat de Italianisanten een voorkeur hadden voor het weergeven van de lagere volksklassen in Rome. Ze sluit de alinea vervolgens af met de zin: ‘en hoewel dit genre in de hiërarchie van de schilderkunst laag werd gewaardeerd, vond het toch geïnteresseerde kopers en aristocratische patroons die het werk van deze kunstenaars bewonderden’. (p.103) Welke hiërarchie hier wordt bedoeld, en hoe het dan toch kon dat verzamelaars belangstelling hadden voor kunstwerken waarop paupers zijn uitgebeeld, wordt verder aan de verbeelding van de lezer overgelaten.

Het boek is zeer zorgvuldig uitgegeven en de illustraties zijn van hoge kwaliteit

Het boek biedt vooral een reeks van beschrijvingen van kunstwerken. Het zou daarbij verstandig zijn geweest als de auteur niet had gestreefd naar volledigheid, maar had gekozen voor het bespreken van representatieve werken. Exemplarisch is in dit geval de paragraaf over Jan van Goyen, als landschapsschilder een vreemde eend in de bijt, waarin verschillende prenten worden beschreven, waarvan er geen enkele in het boek is afgebeeld. Het is daardoor niet mogelijk om ze met werk van anderen te vergelijken, dus men kan er vraagtekens bij plaatsen of het zinvol was om Van Goyen in deze vorm op te nemen.

Dat opsommende karakter maakt van de publicatie eerder een naslagwerk dan een boek waarin, in de vorm van een boeiende argumentatie, onderzoeksresultaten worden gepresenteerd. De leesbaarheid wordt bovendien niet verhoogd door de soms onbeholpen manier van formuleren als: ‘Het hangt in elk geval een negatief etiket aan de leurder’(p.105) of, even verderop, ‘uit allerlei verzamelingen is er hier een aantal [tekeningen] bijeengebracht zodat haast kan worden gesproken van een serie’. (p.106) Pas nadat ik deze passage enkele malen had herlezen, werd duidelijk dat de auteur na onderzoek van een aantal tekeningen die zich nu in verschillende collecties bevinden zelf  tot de conclusie is gekomen dat ze deel moeten hebben uitgemaakt van een serie.

Het boek is zeer zorgvuldig uitgegeven en de illustraties zijn van hoge kwaliteit. Het beeldmateriaal biedt een goed uitgangspunt voor diepgaand kunsthistorisch onderzoek, bijvoorbeeld naar de wederzijdse beïnvloeding tussen kunstenaars, veranderingen in beeldtradities, maar bovenal naar de context waarin deze prenten en tekeningen zijn ontstaan in samenhang met het publiek waarvoor ze bestemd waren. Het boek geeft daartoe wel enkele aanzetten, maar de belofte uit de inleiding wordt helaas niet nagekomen.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2012-4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Marion Boers, 30 maart 2013.

recensie Vroomen websiteIngmar Vroomen, Taal van de Republiek. Het gebruik van vaderlandsretoriek in Nederlandse pamfletten, 1618-1672 dissertatie uitgegeven in eigen beheer, Rotterdam 2012, hier te downloaden

door Gijs Rommelse, redactiesecretaris van Holland Historisch Tijdschrift

Pamfletten zijn ‘hot’. Decennialang zijn deze bronnen slechts incidenteel benut voor geschiedkundig onderzoek, maar de laatste jaren maken historici systematisch gebruik van de door W.P.C. Knuttel gecatalogiseerde pamflettenverzameling in de Koninklijke Bibliotheek en van pamflettencollecties in universiteitsbibliotheken.

Deze toegenomen aandacht heeft recentelijk geresulteerd in twee boeken met vroegmoderne pamfletten als onderwerp, te weten Roeland Harms zijn dissertatie De uitvinding van de publieke opinie (2010) en een bundel van Femke Deen, David Onnekink en Michel Reinders getiteld Pamphlets and politics in the Dutch Republic (2011). Daarnaast zijn op basis van pamfletten verschillende studies verschenen die een nieuw licht werpen op de politieke cultuur van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Een voorbeeld hiervan is het eerder in dit tijdschrift door Wout Troost besproken proefschrift van Michel Reinders Printed Pandemonium (2008).

In deze tweede categorie past ook de in mei 2012 aan de Erasmus Universiteit verdedigde en in eigen beheer uitgegeven dissertatie van Ingmar Vroomen getiteld Taal van de Republiek. Het gebruik van vaderlandsretoriek in Nederlandse pamfletten, 1618-1672. Aan de hand van honderden pamfletten uit de crisisjaren 1618, 1619, 1650 en 1672 analyseert Vroomen de betekenis van vaderlandsretoriek (en dan met name de termen ‘vaderland’ en ‘patriot’), de context waarbinnen dit vocabulaire retoriek werd gehanteerd en de bedoelingen van de gebruiker.

Aan de hand van honderden pamfletten uit de crisisjaren 1618, 1619, 1650 en 1672 analyseert Vroomen de betekenis van vaderlandsretoriek

In zijn inleiding stelt Vroomen dat dergelijke patriottistische retoriek tot nu toe op twee manieren is uitgelegd. Mediëvisten en vroegmodernisten hebben geconcludeerd dat er in de premoderne tijd sprake was van een soort proto-nationalisme, terwijl modernisten deze bronnen vrijwel hebben genegeerd omdat nationalisme in hun ogen per definitie een fenomeen is van de moderne tijd. Vroomen, die terecht opmerkt dat deze beide interpretaties voortvloeien uit een ‘twintigste of eenentwintigste-eeuwse preoccupatie met nationale grenzen’, kiest voor een alternatieve benaderingswijze door ‘de nationale bril’ af te zetten en in plaats daarvan de functie en het doel van de retoriek centraal te stellen.

Vroomen kiest voor een alternatieve benaderingswijze door ‘de nationale bril’ af te zetten en in plaats daarvan de functie en het doel van de retoriek centraal te stellen

Dit doet hij aan de hand van de ideeën van de Australische geleerde Conal Condren, die stelt dat dergelijke vaderlandsretoriek moet worden beschouwd vanuit de context van de ‘ambten’ die mensen in vroegmoderne samenlevingen vervulden. Ieder ambt, zowel binnen de overheid als daarbuiten, kende bepaalde rechten, plichten en verantwoordelijkheden, en verschafte de bekleder een zekere machtspositie. Door te appelleren aan het niet-geformaliseerde maar wel geclaimde ambt van patriot konden mensen politieke of bestuurlijke misstanden aan de kaak stellen zonder direct het risico te lopen als oproerkraaier of rebel te worden bestempeld. Met een beroep op het nationale belang kon commentaar of kritiek op overheden of beleid worden gepresenteerd als een uiting van trouw en betrokkenheid. Vaderlandsretoriek verschafte de gebruiker dus een zekere immuniteit. Met de gekozen insteek borduurt Vroomen voort op het werk van zijn promotor Robert von Friedeburg, die eerder onderzoek deed naar vaderlandsretoriek in het Duitse Rijk.

Willem van Oranje introduceerde volgens Vroomen tijdens de Opstand vaderlandsretoriek in de Nederlandse politieke cultuur om hiermee zijn verzet tegen Filips II te legitimeren. Zijn plichten ten opzichte van het bedreigde vaderland gingen zijn eed aan de Habsburgse vorst te boven, zo betoogde de prins. Als gevolg van het gedecentraliseerde politieke bestel van de Republiek bleef dezelfde vaderlandsretoriek in de 17de eeuw prominent aanwezig in de Nederlandse politieke taal. Er deed zich een aantal hevige binnenlandse crises voor waarbij de politieke en/of religieuze identiteit van de Republiek de inzet was en waarbij van verschillende kanten gebruik werd gemaakt van patriottistisch vocabulaire.

Vroomens prettig leesbare en op degelijk bronnenonderzoek gebaseerde boek voegt belangrijke inzichten toe aan onze kennis van en inzichten in de politieke cultuur van de Republiek

Zo beriepen de contraremonstranten zich tijdens de Bestandstwisten op hun vaderlandsliefde om Johan van Oldenbarnevelt, de arminiaanse stadsbestuurders en hun beleidsmaatregelen weg te zetten als staatsgevaarlijk. Van Oldenbarnevelt en de remonstranten presenteerden zich in de publieke sfeer eveneens als ‘goed patriot’, maar dit mocht hen uiteindelijk niet baten. Na de aanslag van Willem II op Amsterdam in 1650 ontbrandde een hevige pamflettenstrijd tussen voor- en tegenstanders van de prins waarin van beide kanten het vaderlandsbelang werd aangeroepen. In het rampjaar 1672 waren de oranjegezinde pamfletten en die van de zogenaamde burgerbeweging zozeer in de meerderheid dat staatsgezinde tegengeluiden nauwelijks meer te horen waren. De staatsgezinde geschriften appelleerden evenzeer aan patriottistische kwaliteiten, maar door de getalsmatige verhouding leek het alsof de orangisten de vaderlandsretoriek hadden gemonopoliseerd.

Vroomens prettig leesbare en op degelijk bronnenonderzoek gebaseerde boek voegt belangrijke inzichten toe aan onze kennis van en inzichten in de politieke cultuur van de Republiek. Het zou daarom voor de hand liggen dat hij in de toekomst een Engelstalige handelseditie van zijn proefschrift zou uitbrengen bij een gerenommeerde academische uitgeverij. Met zijn keuze om de ‘nationale bril af te zetten’ blijven er vooralsnog echter enkele vragen onbeantwoord. Zo kan men zich afvragen hoe het gebruik van vaderlandsretoriek in binnenlandse politiek-maatschappelijke contexten, zoals Vroomen dit analyseert, zich verhield met het zich ontwikkelende natiegevoel in de Republiek of met het gebruik van soortgelijk vocabulaire tijdens interactie met andere staten. Wellicht kan het lopende VIDI-onderzoeksproject van Lotte Jensen (Proud to be Dutch. The role of war and propaganda literature in the shaping of an early modern Dutch identity (1648-1815)) in de komende jaren meer duidelijkheid verschaffen op dit gebied.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2012-4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Gijs Rommelse, 30 maart 2013.

recensie Klooster websiteVincent A.J. Klooster en Dirk H.A. Kolff, Driftig van spraak, levendig van gang. Herinneringen van marineofficier D.H. Kolff (1761-1835) Werken uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging, CX, Walburg Pers, Zutphen, 2011, 222 p., geïll.,  ISBN 9789057307249, prijs €29,95

door Alan Lemmers, Nederlands Instituut voor Militaire Historie

Weer een prachtige blauwe band erbij! Met plezier heb ik mogen constateren dat deel 110 van de Linschoten reeks, de zoveelste aanwinst voor al wie in de maritieme geschiedenis van ons land geïnteresseerd is, niet onderdoet voor zijn illustere voorgangers, temeer daar men zou vrezen dat de voorraad leesbare bronuitgaven op dit gebied toch onderhand uitgeput raakt.

Kolffs memoires aan zijn marinetijd van de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) tot de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden (1813-1815) bewijzen het tegendeel: zij vormen een lust voor de lezer, zowel door de persoonlijke betrokkenheid van de auteur bij tal van spraakmakende episodes in deze woelige periode, als door zijn geheel eigen perikelen en zijn leesbare, niet van humor gespeende verteltrant.

Kolffs memoires aan zijn marinetijd van de Vierde Engelse Oorlog vormen een lust voor de lezer

Het relaas begint bij zijn eerste eskaderreis in november 1782, waarbij de ramp met de Unie zich voor zijn ogen voltrekt, om vervolgens meteen over te gaan op de gedenkwaardige tocht van het eskader van Willem van Braam naar Oost-Indië in 1783-1785, compleet met olifantenjacht op Ceylon en terugkeer met het zo beroemd geworden olifantenkoppel voor prins Willem V. Na de ‘belaggelijkheedens’ van de Patriotse Opstand en de Pruisische veldtocht in 1787 patrouilleert Kolff enige jaren in de Middellandse Zee, om vervolgens buiten Vlissingen in het ijs verzeild te raken tijdens de Franse verovering van de Republiek. Zijn overstap naar de Bataafse zeemacht kost hem weinig gewetenswroeging, wat hem later niet in dank zal worden afgenomen. Hij bedwingt twee muiterijen, voert het commando over de Mars tijdens de slag bij Kamperduin (1797) en over de Utrecht tijdens de overgave van de vloot bij de Vlieter (1799). Voor zijn rol bij dat laatste debacle wordt hij langdurig in Den Haag gevangen gezet, maar weet na de terechtstelling van ‘den ongelukkiegen, schuldeloose Capitijn Lieutenant Connio’ te ontsnappen. Tot de val van Napoleon trekt hij zich in Duitsland terug. Na de restauratie van het Huis van Oranje in 1813 probeert Kolff zijn marinecarrière weer op te pakken, maar het nieuwe bewind is hem niet welgezind. Na één commando over ’s Lands schip Van der Werff, waarmee hij onder meer een reis naar Suriname onderneemt, wordt hij met pensioen gestuurd. Geheel aan het eind voegt Kolff dan nog een aantal bijzondere voorvallen uit zijn loopbaan toe.

Als zeeofficier achtte hij zichzelf boven de politiek verheven en had hij zijn vaderland steeds trouw gediend. Dat hij daarom enige malen de waarheid geweld aandeed, is de verzorgers van deze uitgave gelukkig niet ontgaan

De onbetwistbare meerwaarde van een Linschoten-uitgave zit hem echter, zoals gewoonlijk, in de voortreffelijk wijze waarop de brontekst wordt bezorgd. Ieder detail van de memoires wordt in het uitgebreide notenapparaat door V.A.J. Klooster en D.H.A. Kolff nader toegelicht. Het geheel wordt voorafgegaan door een indringende inleiding van de hand van D.H.A. Kolff, een ver familielid van de schrijver. In dit geval is dat zeker geen overbodige luxe, omdat het egodocument an sich de lezer toch met veel vragen zou laten zitten. Over zijn jeugd, zijn twee huwelijken en zijn privéleven schreef de oude Kolff nagenoeg niet, waarvoor de inleiding een welkome, zelfs noodzakelijke aanvulling vormt.

Verder beperkte de auteur zich nadrukkelijk tot zijn persoonlijke herinneringen, zodat hij aan veel zaken als ‘genoegzaam bekend’ voorbij gaat. Meestal gaat het hier om onschuldige algemeenheden, zoals de beschrijving van een havenstad, maar de oude Kolff wilde met zijn relaas ook en vooral zijn eigen handelen verschonen. Bovenal wilde hij niet afgerekend worden op zijn eed van trouw aan de oude Republiek voor 1795 en aan die aan de Bataafse Republiek daarna. Als zeeofficier achtte hij zichzelf boven de politiek verheven en had hij zijn vaderland steeds trouw gediend. Dat hij daarom enige malen de waarheid geweld aandeed, is de verzorgers van deze uitgave gelukkig niet ontgaan.

De verzorgers van deze bronnenuitgave zijn er niet alleen in geslaagd om de brontekst op tal van punten aan te vullen en te verhelderen, maar ook om van Dirk Hendrik Kolff een man van vlees en bloed te maken

Zo beweerde Kolff zowel na de Bataafse Omwenteling als na de overgave van het eskader bij de Vlieter tevergeefs zijn diensten aan het huis van Oranje te hebben aangeboden, wat in beide gevallen aantoonbaar onjuist is. Over zijn gevangenschap in Den Haag verzweeg Kolff niet alleen zaken die hem in een minder gunstig daglicht stelden, maar ook de cruciale rol die zijn elfjarig dochtertje bij zijn ontsnapping heeft gespeeld. Dat hij sowieso geen boodschap had aan de politieke context van zijn belevenissen wordt zonneklaar met het verhaal over C.J. Prediger. Voor Kolff was Prediger niet meer dan een curiosum, iemand die hij door louter toeval op totaal verschillende momenten in zijn loopbaan tegen het lijf liep: een ‘wonderlijke loop’. Maar over de rol van deze ultraradicaal tijdens het schrikbewind van het ‘bloeddorstige Comité van Herstel’ in 1796 in Friesland, waar hij hem nota bene tegenkomt, rept hij met geen woord: ‘genoeg bekend’!

De verzorgers van deze bronnenuitgave zijn er niet alleen in geslaagd om de brontekst op tal van punten aan te vullen en te verhelderen, maar ook om van Dirk Hendrik Kolff een man van vlees en bloed te maken, met hebbelijkheden en onhebbelijkheden, sterke kanten en menselijke zwakheden. Deskundig, moedig, doortastend en gerespecteerd, maar ook kwetsbaar, feilbaar en zo grootmoedig om dat van zichzelf te zien: met Kolff ’s memoires heeft het roerige tijdperk van de Vierde Engelse Oorlog tot de vestiging van het Koninkrijk er weer een eersteklas historisch document bij.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2012-4)

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Alan Lemmers, 30 maart 2013.