‘Onze geschiedenis ligt op straat’ is een uitspraak die stadsgidsen graag herhalen tijdens hun historische wandelingen. En gelijk hebben ze: wie er oog voor heeft, ziet in het stedelijk landschap talloze sporen van het verleden. De laatste jaren zijn gidsen zich gaan richten op specifieke elementen of gebeurtenissen uit de geschiedenis. In themawandelingen komen deelnemers in aanraking met sporen van bijvoorbeeld het slavernijverleden, de geschiedenis van de Nederlandse letteren of het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar hoe zit het met de geschiedenis van de verharde wegen waarover de geïnteresseerden zich verplaatsen? Welke historische verhalen gaan schuil achter de straten die zij inslaan? En wat is de bredere betekenis van die verhalen? Deze vragen staan in Langs Hollandse straten (2020-2) centraal. De invalshoek van dit themanummer is ‘de straat’ als verbindingsstuk tussen thema’s, methoden en verhalen.
Ik wandel vaak met de hond langs de Schielandse Hoge Zeedijk iets ten westen van Moordrecht. In de nacht van 17 op 18 juni 1489 vond hier een grote veldslag plaats. Het was een koele, regenachtige zomer dus de duisternis zal dik als een deken zijn geweest. De polders een geluidloze, bewegingloze leegte. Ergens vroeg in de nacht van 17 juni moet op dit punt vanuit het niets een schip zijn opgedoemd in de watergang onder aan de dijk. En nog een. En nog een. Uiteindelijk lagen hier ongeveer twintig schepen stil voor een kade. Met aan boord meer dan duizend mannen.
Afb. 1 De Derde Tocht gezien vanaf het gemaal Abraham van Stolk. Hier lag ooit de Jonckerskade. Foto: Myrte van der Meer, 2020.
De vloot kwam uit Rotterdam. Die stad was sinds november in handen van de Hoeken onder leiding van jonker Frans van Brederode. Niet lang daarna was de stad belegerd door troepen van Maximiliaan van Oostenrijk. Na maanden schaarste dreigde hongersnood.
Twee weken daarvoor was een strooptocht in de Krimperwaard door de Kabeljauwen onderschept. Daarbij waren meer dan 200 Hoeken gesneuveld. Vervolgens hadden de Kabeljauwen de wachten verdubbeld bij alle rivieren en doorgaande wegen die naar Rotterdam leidden.
Van de volgende poging voedsel naar de stad te halen, hing veel af. Hoeken in Woerden hadden op grote schaal levensmiddelen gekocht. De overdracht zou die nacht plaatsvinden bij Boskoop. Door met het konvooi door de onbewoonde delen van de polders tussen Rotte, IJssel en Gouwe naar Boskoop te varen, hoopten de Rotterdammers ongezien heen en weer te kunnen
De voortgang stokte bij mijn Thuishoek. Leeg konden de lichte schepen nog wel over de kade naar de andere kant worden getrokken. Op de terugweg zouden de schepen daarvoor te zwaar beladen zijn. De Hoeken waren op deze hindernis voorbereid. Geruisloos en snel werd een geul gegraven. Daarna trokken de schepen in stilte verder en bereikten zonder problemen Boskoop.
Afb. 2 De Derde Tocht. Bij de bomenrij op de achtergrond loopt de A20 tussen Nieuwerkerk en Gouda. Foto: Myrte van der Meer, 2020.
Ook van deze poging waren de Kabeljauwen op de hoogte. Iemand heeft direct ingezien dat mijn Thuishoek de beste plaats vormde voor een aanval op het konvooi. Een grote groep Kabeljauwse manschappen verstopte zich in schuren, hooibergen en huizen in de buurt. Zodra de Rotterdamse schepen in de vroege uren van 18 juni opnieuw de geul door voeren, stormden zij van alle kanten toe.
In een oogwenk werd de stilte verscheurd door het geschreeuw van vechtende manschappen, het geluid van staal op staal en het gekrijs van gewonden. Aanvankelijk hadden de Hoeken de overhand. Zodra de troepenmacht arriveerde, die buiten zicht paraat had gestaan onder leiding van de stadhouder van Maximiliaan van Oostenrijk, keerden de kansen.
Vijf uur lang hakten ruim duizend Hoekse en meer dan tweeduizend Kabeljauwse manschappen verbeten op elkaar in. Uiteindelijk besefte de Hoekse bevelhebber dat het konvooi onmogelijk behouden kon blijven. Met zo’n 350 man probeerde hij zwemmend te ontsnappen. Voordat zij konden verdwijnen in het doolhof van watergangen dieper in de polder, werden zij door Kabeljauwse manschappen ingehaald.
Na het staken van de strijd moeten overal op de weilanden en in watergangen rond mijn Thuishoek meer dan vijfhonderd doden hebben gelegen. Alleen al aan de Hoekse zijde was de helft van de manschappen gesneuveld. De Kabeljauwen voerden de overlevende Hoeken en hun schepen af naar Gouda.
Afb. 3 Kaart van de landen gelegen tussen Gouda, Moordrecht, Zevenhuizen en Waddinxeen. Linksonder in de hoek ligt Gouda. Onder van links naar rechts de rivier de Gouwe. Links midden het dorp Moordrecht. Kaart door onbekende maker, ongedateerd (16e eeuw). Collectie Nationaal Archief, Den HaagVerzameling Binnenlandse Kaarten Hingman, nummer toegang 4.VTH, inventarisnummer 2427.
Deze slag betekende voor de Hoeken het einde. Op 22 juni gaf jonker Frans Rotterdam prijs en in de maanden erna doofden Hoekse en Kabeljauwse Twisten uit als een nachtkaars. De kade aan de voet van de IJsseldijk werd nog eeuwenlang ‘de Jonckerskade’ genoemd. Door turfwinning verdween steeds meer polderland en ontstond een groot watergebied. Toen deze Zuidplas aan het begin van de 19e eeuw werd ingepolderd, verdween ook de Jonckerskade. Niets aan mijn Thuishoek herinnert aan de veldslag waarmee een einde kwam aan een strijd die 140 jaar lang de politiek en het dagelijks leven in Holland bepaalde. Geen monument, geen herdenkingsteken, zelfs geen informatiebordje. Op de IJsseldijk staat het grote gemaal Abraham van Stolk, dat de Zuidplaspolder droog houdt. Waar eens de Jonckerskade lag, loopt nu een breed afwateringskanaal tussen de dijk en de A20, ruim anderhalve kilometer verderop.
De Molensteeg, gezien richting de Oudezijds Achterburgwal. Foto: Laurien van der Werff, 18 mei 2020.
Midden op de Amsterdamse wallen, tussen de Zeedijk en de Oudezijds Achterburgwal, ligt de Molensteeg. Tien jaar geleden nog de meest criminele straat van Amsterdam, zoals te lezen valt in een artikel van Het Parool. Sindsdien lijkt er aan de bestemming van de steeg weinig te zijn veranderd. Het merendeel van de zeventien panden behuist peeskamers en op toeristen gerichte horeca, zoals een paar smoezelig ogende snackbars en het Redlight Casino.
Hoe anders moet het eruitgezien hebben in de 17de eeuw, toen mijn favoriete notaris Laurens Lamberti (1588-1655) er werkte en woonde en het een centraal gelegen steeg in het oude deel van de stad was. In welk pand Lamberti verbleef, is onduidelijk. Misschien bestaat het ook niet meer, want een deel is later gesloopt en vervangen door nieuwere bebouwing. Toch loop ik graag door de steeg en verbeeld ik mij hoe het er toen uit zou hebben gezien en wie er allemaal liepen – iets dat voor de coronacrisis bijna onmogelijk was door de constante toeristendrukte.
Lamberti was begin mei 1619 met zijn echtgenote Saartje Pieters naar de Molensteeg verhuisd en zou er tot zijn dood blijven. Hij had het kantoor en woonhuis overgenomen van zijn voorganger en leermeester Jacob Gijsbertsz, die eind 1618 was overleden. Daarvoor kwam hij er al jaren als klerk. Zijn eigen opvolger en schoonzoon, Jacob de Winter, zou overigens niet het huis in de Molensteeg betrekken.
In die tijd ging men voor veel meer zaken naar de notaris dan tegenwoordig. Na een moord kon de familie van het slachtoffer bijvoorbeeld bij een notaris een zogenaamde zoenbrief opstellen waarin de dader vergiffenis verkreeg in ruil voor financiële compensatie. Als er een buitenechtelijk kind werd geboren, dan konden allerlei regelingen worden opgesteld in een notariële akte. Na een burenruzie of ander geschil kon men getuigen verzamelen en hen een attestatie laten afleggen voor een notaris; om vast te leggen wat er zou zijn gebeurd en bij eventuele vervolgstappen bewijsmateriaal te hebben. Dit zijn slechts een paar voorbeelden. De vele soorten notariële akten geven ons een unieke inkijk in het dagelijks en persoonlijk leven van de 17de-eeuwer.
Wat Lamberti als notaris zo interessant maakt, is dat hij een zeer brede clientèle had. Bekendheden als Pieter Cornelisz. Hooft en Joost van den Vondel, burgemeesters, rijke koopmannen en -vrouwen, maar ook ambachtslieden, vroedvrouwen, zeelui, marktkramers en dienstmaagden hebben in zijn kantoor aan de Molensteeg gestaan. Bovendien had hij een prachtig handschrift, zoals hieronder te zien is.
‘… Ten huijse mijns / Notarij gestaen inde Molenstege…’. Deel van een pagina uit een van Lamberti’s protocollen. Collectie Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Notarissen ter Standplaats Amsterdam.
Ik heb helaas geen 17de-eeuwse afbeelding van de Molensteeg kunnen vinden, maar ook de veel latere tekening van Herman Schouten hieronder geeft weer hoezeer het is veranderd. Wat volgens Lamberti echter nooit zou veranderen – en inderdaad niet is veranderd – is het feit dat mensen (te veel) waarde hechten aan materieel bezit. Op een kladblaadje, boven een akte omtrent een ruzie over de verdeling van een erfenis, dichtte hij in 1635: ‘Soo lang als het sal vloeijen en ebben, sal men scheelen om het houwen en hebben’.
Meer weten over notarissen en het leven in vroegmodern Amsterdam? Kijk dan eens op de website van Alle Amsterdamse Akten: https://alleamsterdamseakten.nl/.
Oudezijds Achterburgwal met daartussen in de Molensteeg. Tekening door Herman Schouten, 1790. Collectie Stadsarchief Amsterdam.
Podcast van VPRO voor NPO Radio 1| Serie Pension Idzerda (duur: 4 afleveringen)
Gesignaleerd door Christoph van den Belt
Een gedramatiseerde historische podcast over radiopionier Hanso Idzerda (1885-1944). Dat klinkt misschien niet aanlokkelijk, maar deze podcast stelt niet teleur. De aanleiding voor deze vierdelige podcastserie was 100 jaar radio. Hieraan is uitgebreid aandacht besteed, onder meer met de bundel De radio. Een cultuurgeschiedenis onder redactie van mediahistoricus Huub Wijfjes. Pension Idzerda vormt de ideale opwarmer om iets te leren over een fascinerend aspect van de mediahistorie.
Idzerda was een Friese dokterszoon die als jong ventje zat te dagdromen over techniek. In zijn eigen woorden: ‘Mijn fascinatie was vanaf het begin alles wat techniek was.’ Een nerd, zouden we nu zeggen. Hij volgde een technische opleiding in Duitsland. In 1913 was hij klaar en vestigde hij zich in Scheveningen. Daar hield hij zich bezig met de ontwikkeling van radiozend- en ontvangstapparatuur. Het leidde vanaf november 1919 tot de eerste radio-uitzendingen van Nederland.
Deze podcast is fascinerend. Vooral vanwege de unieke bron die centraal staat. De ontdekking ervan moet – vergeef me het cliché – een historische sensatie zijn geweest. Een van de podcastmakers vindt vier grammofoonplaten op Marktplaats. De data: 10 en 14 september 1944. Initialen ‘H.H. S.S. Idz.’ Hij koopt ze. Een gokje. Een bejaarde technicus kan het merendeel van het geluid terughalen. ‘En daar klonk de stem van Hanso Idzerda. Soms vaag. Soms vertroebeld door gekraak. Maar vaak heel goed verstaanbaar. En hij vertelde zijn leven.’ Onthullend, aangezien Idzerda geen persoonlijk archief heeft nagelaten.
De afleveringen draaien rondom deze bron. Je hoort Idzerda vertellen. Af en toe schiet op de achtergrond een V1 of V2 de lucht in richting Engeland. Een indrukwekkend geluid, Idzerda valt telkens stil op zo’n moment. Dat de afleveringen ook nog eens gedramatiseerd zijn, stoort echter niet. Het helpt om je aandacht erbij te houden. Tijdens het verhaal vertellen de makers over de unieke vondst (Marktplaats nota bene), over wat eraan ontbreekt, over hoe ze uitspraken interpreteren en waarom. En dat terwijl alleen zijn verhaal al volstrekt uniek is.
Voor mensen die de buurt Buitenveldert niet kennen, grap ik wel eens dat ik officieel in Amsterdam-Zuid woon. Alleen dan aan de arme kant van het spoor. En dan ook niet eens in de buurt met de luxe woontorens waar de expats en topvoetballers wonen, en waar Martin Garrix bezoek krijgt van Justin Bieber. Nee, wel dichtbij, maar toch duidelijk in een ander sociaaleconomisch gedeelte, met gehorige, matig geïsoleerde arbeidersflatjes onder de rook van Schiphol.
‘Buitenveldert, bah!’, Het Vrije volk : democratisch-socialistisch dagblad, 2 september 1969, p. 7.
Aangelegd als tuinstad in de late jaren vijftig huisde de wijk in één van z’n 8000 woningen ooit de politicus Joop den Uyl, ook wel de ‘doctorandus uit Buitenveldert’ genoemd. Kritiek op de nieuwe wijk was er vanaf het begin, zo kunnen we lezen in de historische kranten. Een opmerkelijke criticast was René uit 5a die zich in 1969 beklaagde tegenover het Het Vrije Volk: ‘Al die mensenpakhuizen […] Het lijkt wel alsof er een mensenplaag is. Ik krijg er de kriebels van. En dan die kerken. Het stikt van de kerken. De rommel op straat is ook erg. Die vliegtuigen maken ook ontzettend herrie.’ Zijn klasgenootje Jacqueline vatte het zo samen: ‘Al die nare flatgebouwen. Bah, bah, bah.’
Als Buitenveldert tegenwoordig in het nieuws komt, is het vaak om nog veel minder fraaie redenen. Met mislukte of voltrokken liquidaties op maffialiefjes en advocaten, de toevallige ontdekking van jarenlang voortvluchtige internationale criminelen, de garagebox in mijn flat vol met cocaïne en geld en, toch wel het meest schrijnend, de zware mishandeling van mijn buurvrouw vorig jaar met dood tot gevolg. Het ecologische experiment aan de oever direct achter mijn huis dat twee weken geleden per ongeluk werd plat gemaaid, is er niets bij.
Toch merk je hier doorgaans weinig van. Los van de ambulances die de hele dag af en aan rijden, is Buitenveldert vooral heel rustig. De intelligente lockdown lijkt maar weinig veranderd te hebben aan het ritme van de meeste van mijn buren. De sociale cohesie leek even te verbrokkelen toen één van hen met het corona virus besmet werd, maar nog wel de vuilnis buiten bleef zetten, tot groot ongenoegen van de officieuze buurtopzichter. Maar ook dit evenwicht is sindsdien weer hersteld.
‘Luchtfoto Buitenveldert Oost’. Collectie Stadsarchief Amsterdam. Foto: Archief van de Dienst Ruimtelijke Ordening.
Mijn thuishoek wordt het meest bepaald door de capriolen van mijn buren, waarvan één in het bijzonder. Vanaf mijn balkon kijk ik uit op twee garageboxen die gebruikt worden als uitvalsbasis voor zijn clandestiene garagebedrijf. Barbecues zijn zomers altijd al aan de orde van de dag, maar soms pakt mijn buurman groter uit: voor de verjaardag van zijn zoon verschijnt er jaarlijks een groot springkasteel op de gedeelde parkeerplaats. Als het echt warm is, komt er ook een partytent tevoorschijn. Daar zet hij een best wel groot zwembed onder, waar ik dan vanaf mijn betonnen balkonnetje wegzwetend naar smacht. Vorig jaar breidde hij zijn territorium uit door te beginnen aan de bouw van een houten afdakje aan één van de garages, een constructie die na een week of twee onder toeziend oog van de politie weer moest worden ontmanteld. Ik ben benieuwd wat mijn eigen buurt deze zomer in petto heeft.
‘Rhijnestein 2 en hoger’. Collectie Stadsarchief Amsterdam. Foto: Archief van de Dienst Ruimtelijke Ordening.
Tim en Paul Geschiedenis Podcast | Seizoen 2, Afl. 1: Tim en Paul en Amsterdam (duur: 53:42 min)
Gesignaleerd door Laurien van der Werff
De Tim en Paul Geschiedenis Podcast is wat mij betreft een ideale historische podcast: laagdrempelig en goed te volgen, maar inhoudelijk altijd interessant en op niveau. In ongeveer een uur bespreken hosts Tim Streefkerk en Paul de Jong, beiden publiekshistorici, maandelijks een geschiedkundig onderwerp, meestal met een expert. Door de vorm – het is een gesprek, ze stellen vragen – en een goede dosis humor wordt het bovendien nooit saai. Voor wie meer over het onderwerp wil weten staat altijd een leeslijst klaar in de shownotes. Met inmiddels twee seizoenen met negen korte ‘Isolatietapes’ en twintig gewone afleveringen over uiteenlopende onderwerpen – van de Reconquista, het revolutiejaar 1848 en de Surinaamse Binnenlandse Oorlog tot Ghengis Kahn, ridders en het Songfestival – is er volop keuze, ook voor liefhebbers van de Hollandse geschiedenis.
Zoals de aflevering Tim en Paul en Amsterdam, waar ze met stadshistoricus Clé Lesger onder andere praten over de groei van de stad en woonpatronen door de eeuwen heen. Ook andere Hollandse steden, zoals Alkmaar, Hoorn en Enkhuizen – dat na zijn gloriedagen dermate in verval was geraakt dat de stad in de 19de eeuw bekend stond als een van de ‘dode steden’ aan de Zuiderzee – komen zijdelings aan bod. Evenals Den Haag en Rotterdam, die in tegenstelling tot Amsterdam nog groeiden in de 18de eeuw. Daarbij is ook aandacht voor de eeuwenoude traditie van stadsidentiteit en -trots die samenhangt met de wedijver tussen de Hollandse steden. Al met al een gevarieerde en boeiende aflevering.
Verder zijn er nog genoeg andere leuke afleveringen die aan de geschiedenis van Holland gerelateerd zijn: 2.5 (Tim en Paul en de Compagnie van Verre, met Djoeke van Netten), 2.10 (Tim en Paul en de Walvisjacht, met Anne-Goaitske Breteler), 2.11 (Tim en Paul en de Beeldenstorm, met David de Boer) en 2.12 (Tim en Paul en de Schietpartij op de Dam). Luisteren dus!
Onze redactie bestaat grotendeels uit Hollanders: mensen woonachtig in Noord- of Zuid-Holland. Dat geldt niet voor mij. Geboren in Zwolle en woonachtig in Nijmegen ben ik een verstekeling aan boord van een Hollands schip; een drenkeling die uit puur medelijden aan boord is gehesen en sindsdien stilzwijgend wordt gedoogd. Misschien maakt mijn aanstelling aan de Vrije Universiteit in Amsterdam iets goed.
In Nijmegen is Holland niet ver weg. Zo was het voormalige treinstation ontworpen door de architect Cornelis Hendrik Peters (1847-1932), die een grote invloed heeft gehad op het Hollandse straatbeeld. Dit station ging verloren door een Amerikaans bombardement in 1944. Alleen de ouden van dagen en de plaatselijke historici weten hier nog van.
Peters was een Groninger die een deel van zijn opleiding genoot bij Pierre Cuypers (1827-1921) in Amsterdam. In 1876 verhuisde hij na enige omzwervingen naar Den Haag, waar hij Rijksbouwkundige voor de Gebouwen van Financiën werd. Hij zou het schoppen tot Rijksbouwmeester die talloze gebouwen namens de staat zou ontwerpen, zoals postkantoren. Vanwege het gebruik van rode bakstenen werd zijn stijl, volgens kunsthistoricus Han Timmer, ‘doorgeschoten met natuurstenen speklagen, segmentbogen boven kruisvensters, spitsboogfriezen en klimmende bindvensters, dit alles verpakt in een schilderachtig silhouet’, wel ‘postkantorengotiek’ genoemd.
Station van Nijmegen, 1895. Bron: Wikimedia Commons
Overal in Holland en daarbuiten staan Peters gebouwen. Zo werden onder meer veertig postkantoren in Nederland neergezet door zijn architectenbureau. Het hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam, waar tegenwoordig een winkelcentrum huist, was waarschijnlijk zijn meest extravagante ontwerp. De term postkantorengotiek kwam niet uit de lucht vallen.
Ondanks zijn bouwkundige successen, had Peters ook te maken met tegenslag. Het voordeel, volgens hem hemzelf, was dat hij ‘een Grönninger’ was, ‘die een kop hebben harder dan het flint van den Hondsrug, die doorzetten tegen alle verzet in; die zuinig en spaarzaam zijn, nuchter en zekere zelfbewustzijn bezitten.’ Zijn onverzettelijke werklust leidde ook tot het Nijmeegse treinstation, een bouwwerk dat sterk deed denken aan Amsterdam Centraal, dat was ontworpen door zijn leermeester Cuypers.
Leuk en aardig allemaal, maar hoe Hollands is dit verhaal naar aanleiding van een Nijmeegs gebouw van een Groninger architect dat door de Amerikanen is weggevaagd? Peters verhaal herinnert eraan dat de levensloop van mensen zich niet laat tegenhouden door grenzen. Laat staan de Hollandse. Als verstekeling op een Hollands schip herinner ik daar graag aan.
Bron: Han Timmer, ‘Peters, Cornelis Hendrik (1847-1932)’, in Biografisch Woordenboek van Nederland.
Podcast Focus NPO Radio 1 | Serie Lezen in het Donker; Afl. 16 Gesprek met Carla Hoetink over Macht der gewoonte: regels en rituelen in de Tweede Kamer na 1945 (duur: één uur)
Gesignaleerd door Fons Meijer
In haar politieke memoires uit 2016 blikt Femke Halsema – thans burgemeester van Amsterdam – terug op haar Kamerlidmaatschap. Ze hield van ‘de vele regels en procedures’ die komen kijken bij het Kamerwerk, zo valt te lezen. Immers, zo schrijft ze, ‘elk ervaren Kamerlid weet dat de beheersing van de procedures macht in het debat betekent.’
Net als iedere sociale gemeenschap – school, kantoor, voetbalclub – is de Tweede Kamer een opzichzelfstaand ‘koninkrijk’, een instituut met tal van eigen gebruiken, rituelen, geformaliseerde procedures en informele gewoonten. Wie wil begrijpen hoe de politiek er wordt bedreven en hoe de macht er vorm krijgt, kan er niet aan ontkomen ook tot deze gebruiken van het parlement door te dringen, zo begreep ook Halsema.
Voor haar proefschrift heeft Carla Hoetink, docent politieke geschiedenis aan de Radboud Universiteit, onderzoek gedaan naar de ‘bedrijfscultuur’ van ons parlement. Het lijvige boekwerk Macht der gewoonte. Regels en rituelen in de Tweede Kamer na 1945 is er het indrukwekkende resultaat van. Ze laat zien dat de cultuur van het parlement boven alles het product is van haar geschiedenis, vormgegeven, beïnvloed en bestendigd door onder meer haar bewoners, door Kamervoorzitters, door reglementen en door de komst van televisiecamera’s.
Macht der gewoonte is Hoetinks ‘levenswerk’, zo introduceert Eveline van Rijswijk het boek wanneer ze de historicus interviewt voor de podcastserie ‘Lezen in het donker’ van het Radio 1-programma NPO Focus. Alleen al het feit dat Van Rijswijk – zelf historicus – een nieuwsgierige, geïnteresseerde en bovendien goed geïnformeerde vragensteller is, maakt dit gesprek het terugluisteren waard.
We leren dat de titel van het boek gekozen is om de dubbelzinnigheid. Het typeert niet alleen hoe beheersing van de procedures voor Kamerleden een politiek wapen kan zijn, maar vooral ook dat de alledaagse cultuur zelf eveneens macht uitoefent. Bijna iedere inwoner van het Kamergebouw zal er onderdeel van worden, soms zelfs ongewild, als noodzakelijke voorwaarde om te kunnen overleven in de raadselachtige biotoop van het parlement.
Het interview gaat uiteindelijk niet alleen over geschiedenis, want Hoetink waagt zich zelfs aan tips and tricks voor iedereen die zich vandaag de dag thuis zou willen voelen in de Tweede Kamer. Mocht je politieke ambities hebben, dan raad ik je dus aan het interview terug te luisteren – om daarna Hoetinks levenswerk aan te schaffen, natuurlijk.
Op de eerste dag van het jaar 1871 richtten vier idealistische Amsterdammers een nieuw genootschap op. De oprichters waren piepjong: Louis Blankenberg (secretaris) was met zijn achttien jaar nog niet eens meerderjarig, maar de anderen waren nog jonger. Wat wilden zij bereiken? In het boek Liefdadigheid naar Vermogen. Door en voor Amsterdamse burgers 1871-1941 geven Maarten van der Linde en Ties Limperg een uitgebreid overzicht over de beginjaren van dit bijzondere genootschap. Christianne Smit, hoofddocent en onderzoeker Politieke Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, las dit boek voor ons. Haar recensie is hier te lezen.
Avonden zien er in tijden van crisis steeds hetzelfde uit. Straten zijn leeg, cafés en restaurant zijn gesloten. Ik kom tijdens mijn dagelijkse wandeling in mijn woonplaats Abcoude – ooit gelegen in Holland, nu behorend tot de provincie Utrecht – zelfs bijna geen dorpsgenoten tegen. De Hoogstraat toont treurig zonder de zo gebruikelijke reuring. Bij de afwezigheid van eigentijdse personen, begeef ik mij graag in een historische droomwereld die Woody Allen ons liet zien in zijn Midnight in Paris. Waar ik helaas geen ontmoetingen had met F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway, Gertrude Stein, Pablo Picasso of Salvador Dali, knoopte ik afgelopen avond wel een praatje aan met de in Abcoude geboren Jan Willem Pieneman (1779-1853).
Pieneman, die wordt gezien als de grondlegger van de 19de-eeuwse schilderkunst in Nederland, vertelde dat hij zijn bekendheid voornamelijk te danken heeft aan opdrachten van het Koninklijk Huis. Willem Frederik Prins van Oranje-Nassau (1772-1843), die in 1815 werd gekroond tot koning der Nederlanden, had zelf niet bijzonder veel interesse in kunst. Hij erkende echter wel de waarde die kunstwerken konden hebben bij de waardering van zijn regeren en het koninkrijk in binnen- en buitenland. Veel Nederlandse kunstenaars waren opgegroeid met de propagandistische kunsten rondom Napoleon en verwachtten van de pas gekroonde Willem I dezelfde opdrachten.
De heldenmoed van de prins van Oranje bij Quatre-Bras op 15 juni 1815. Olieverfschilderij door Jan Willem Pieneman in Paleis Soestdijk. Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, objectnummer 520.280. Foto: C.S. Booms, P. van Galen, K. Roderburg.
Pieneman deed dit anders, want hij had grotendeels zelf leren schilderen en was nog geen gevestigde naam in het genre historieschilderkunst. Hij vertelde dat hij veel in contact kwam met de koninklijke familie, omdat hij werkzaam was bij het Koninklijk Kabinet van Schilderijen in Den Haag, en soms zelfs schilderles gaf aan koningin Wilhelmina van Pruisen (1774-1837). Via zijn contacten kwamen, vlak na de Slag bij Waterloo, schetsen van Willem I op zijn paard bij de juiste persoon terecht en kreeg hij de opdracht om de De heldenmoed van de prins van Oranje bij Quatre-Bras op 15 juni 1815 te schilderen. Het enorme doek (400x625cm) werd met veel enthousiasme ontvangen en Pieneman ontpopte zich razendsnel tot een van de populairste kunstenaars van zijn tijd.
“Ik zou je graag alle verhalen over mijn grootste werk De Slag bij Waterloo (1824, 567x823cm) vertellen, maar ik moet helaas verder. Gelukkig kun je het binnenkort zelf weer gaan bekijken in het Rijksmuseum.”
De Slag bij Waterloo. Olieverfschilderij door Jan Willem Pieneman, 1824. Collectie Rijksmuseum, Amsterdam.