Coolsingel, Kalverstraat, Dorpsstraat of de Hoogstraat. Wie kent ze niet? De één ontmoet er zijn idolen, de ander gaat er winkelen. Straten zijn vaak onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van een stad of een dorp. Soms leiden ze ook tot controverses. J.P. Coenstraat, kan dat nog wel? 

In samenwerking met de Gemeente Vlaardingen en Museum Vlaardingen duikt Holland. Historisch Tijdschrift op woensdag 29 juli van 10 tot 11 uur in de fascinerende geschiedenis van Hollandse straten. Tijdens een online webinar te volgen via Facebook vertellen drie sprekers hoe specifieke straten in Amsterdam, Schiedam en Vlaardingen ons meer kunnen vertellen over de geschiedenis van deze drie steden. Klik hier voor het programma.

Frank de Hoog

Afb. 1 Gezicht op Ter Heijde aan Zee. Foto: Frank de Hoog, 2020

Ter Heijde (of ‘De Heij’ voor Westlanders) is vrijwel tegen het strand aangebouwd. In het verleden werd dit vissersdorp herhaaldelijk door de natuur bedreigd. Enkele keren heeft de zee het oude vissersdorp in zijn geheel verzwolgen. Maar geregeld wisten de dorpsbewoners dit te voorkomen door de bedreigde delen van het dorp af te breken en verder landinwaarts weer op te bouwen. Ter Heijde staat daarom ook bekend als een wandelend dorp. [1]

Niet alleen door de natuur maar ook door het handelen van de mens moest Ter Heijde herhaaldelijk opnieuw worden opgebouwd. In 1943 gaven de Duitsers het bevel om het oude vissersdorp in zijn geheel te slopen voor de aanleg van de Atlantikwall. Deze plaquette uit 1946 aan de gevel van het eerste huis aan de enige toegangsweg naar Ter Heijde herinnert aan de vierde keer dat het dorp zal opbloeien.

Afb. 2 Plaquette ter herinnering aan de herrijzenis van het dorpje Ter Heijde aan Zee. Foto: Frank de Hoog, 2020

In 2019 kreeg dit verhaal een bijzonder vervolg. Via Twitter schonk de Nederlandse zanger en auteur Bastiaan Ragas aan de gemeente Westland een plaquette ter herinnering aan het heuglijke feit dat Ter Heijde aan Zee voor de vierde maal herrezen was. Het bord hing in de voormalige burgemeesterswoning in Lisse toen de ouders van Ragas dit huis kochten. De vorige bewoner, burgemeester Berends, had deze plaquette op 7 december 1960 gekregen van de inwoners van Ter Heijde toen hij burgervader was van de gemeente Monster, waar het vissersdorpje onder viel.[2]

De boodschap van beide herinneringsplaquettes is in elk geval duidelijk: deze Hollandse plek komt er altijd weer bovenop.

Meer lezen over deze kustplaats? In 2010 verscheen een artikel in Holland over de teloorgang van de visserij in dit dorp. https://tijdschriftholland.nl/wp-content/uploads/Holland2010_2web.pdf


[1] https://www.hvmonsterterheijde.nl/over-monster-en-ter-heijde

[2] https://www.ad.nl/westland/hoe-een-historische-plaquette-uit-ter-heijde-in-de-verzameling-van-bastiaan-ragas-terechtkomt~a3f84b5c/

In het Zuid-Hollandse Gouda liggen inmiddels niet minder dan 258 struikelstenen. Drijvende kracht achter de lokale organisatie is de jazz-zangeres Soesja Citroen, die hiervoor recent het ereburgerschap van haar woonplaats verkreeg. Zij besloot om de struikelstenen, waarop slechts naam, geboortejaar, deportatie en plaats en datum van moord vermeld staan, toe te lichten in een boek van eigen hand. Per adres wordt het verhaal verteld van de bewoners, hun familiare en professionele achtergrond en hun lotgevallen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bart Wallet heeft het boek voor ons gerecenseerd. Zijn bevindingen leest u hier.

Valika Smeulders

Als kind verslond ik verhalen over leeftijdsgenoten in verre streken en situaties die mij vreemd waren. Ik begon met sprookjesboeken waarin kinderen terechtkwamen bij heksen, reuzen en boze stiefmoeders. Dat werd levensechter: ik volgde Remi die Alleen op de wereld rondzwierf en liet me meevoeren door Anne Frank naar Het Achterhuis. Zij namen mij mee naar een wereld van onrecht, waarin zij ondanks alles bleven doorzetten en hopen. Wat zij meemaakten was verdrietig, maar hun verhalen wekten ook bewondering en riepen op tot zelfoverstijgende moed.

Verhalen over onrecht blijken ook veel bezoekers te trekken. Zo wordt Het Achterhuis jaarlijks bezocht door 1.250.000 mensen. Maar ook het Dickens Festijn in Deventer, dat ondanks de vrolijke naam draait om weeskinderen die met kerst in de kou staan, telt jaarlijks 125.000 bezoekers Omdat ik mij beroepshalve bezighoud met ‘moeilijke geschiedenis’, onder meer verbeeld in musea, maak ik mee hoe deze op bezoekers overkomt. In gastenboeken en tijdens gesprekken lees en hoor ik regelmatig hoe belangrijk zij het stilstaan bij onrecht vinden, vanwege de tijdloze en universele relevantie. De confrontatie met onrecht aangaan is geen zelfkastijding, maar inspireert tot empathie, het relativeren van ‘je eigen sores’ en dromen over een betere wereld. Daarvan getuigen bezoekers, afkomstig uit India tot Zweden en Ecuador tot Nederland, van slavernijmusea in Ghana tot Curaçao.

Afb. 1 Ontwerp voor een beeld van Anton de Kom. Model van hout van Jikke van Loon, 2005. Collectie Rijksmuseum.

Tegelijkertijd gaan in het publieke debat stemmen op die ervoor pleiten het Nederlandse slavernijverleden op de achtergrond te houden. Met een benaming als ‘de Gouden Eeuw’ wordt in een schitterende vermomming in feite een grote grijze schim geworpen over een deel van de nationale geschiedenis.

Een schim waarin veel kansen verloren gaan. De kans om te analyseren waarom een systeem gebaseerd op ontmenselijking ingevoerd kon worden en zo lang kon bestaan. De kans voor zelfreflectie, die onze politieke hoofdstad Den Haag, tegenwoordig Stad van Vrede en Recht, zou versterken. De kans om te onderzoeken wie er onder het systeem hun weg moesten zien te vinden, wie er vrijwillig en onvrijwillig deel van uitmaakten en wie ertegen in verzet kwamen. Zonder in de valkuil van het veralgemeniseren van heldendom te stappen, denk ik dat er gedurende die eeuwen veel meer stemmen tegen slavernij bestonden dan nu gedacht wordt, zowel onder slaafgemaakten als niet-slaafgemaakten. En daarmee gaat in deze schim ook de kans verloren ons te laten boeien en inspireren door al die mensen over wiens doen en laten we nu nog veel te weinig weten.

In 2020 richt het Rijksmuseum in Amsterdam de schijnwerpers op tien van deze individuen in een tentoonstelling over slavernij met een biografische opzet. Dit is niet het enige museum dat steeds meer aandacht besteedt aan een complexer narratief over ons koloniale verleden. In die complexiteit verliezen sommige vertrouwde namen iets van hun glans, doordat schimmige praktijken voor het voetlicht komen, maar worden we ook een aantal nieuwe helden rijker.

Deze column verscheen eerder in Schimmige zaken in Holland (2019). Dit nummer, met daarin ook een interessant artikel over slavenverzekeringen, is te koop in onze webwinkel.

Roosje Peeters

Afb. 1 De toegangspoort van de burcht van Leiden, met rondom de poort familiewapens van Leidse burggraven. Foto: Roosje Peeters, 2020.

Midden in het centrum van Leiden ligt een eeuwenoude burcht. Deze bevindt zich op een strategisch punt: op de plek waar de Oude en de Nieuwe Rijn samenstromen. Reeds in de loop van de 9de en 10de eeuw is op deze locatie een motte opgeworpen, een kunstmatige heuvel, die werd gebruikt als toevluchtsoord in tijden van nood. Waar eerst houten gebouwen stonden, is waarschijnlijk in de 13de eeuw een tufstenen versterking aangelegd op bevel van de graven van Holland. In volgende eeuwen hebben verschillende verbouwingen, uitbreidingen en restauraties plaatsgevonden. Net zoals de jaarringen van een boom wijzen de verschillende steensoorten in de ringmuur op de ouderdom van het bolwerk en de verschillende stadia in haar bestaan.


Afb. 2 Gezicht op de burcht van Leiden, met links het hertenkamp en vooraan de fontein. Ets door Abraham Delfos, 1763-1770. Collectie Rijksmuseum.

Tegenwoordig is de burcht bijna volledig omgeven door een krans van woningen (die een prachtig uitzicht moeten hebben!) en slechts toegankelijk via een steeg en een poort. Al in de 14de eeuw is de burcht ingesloten door bebouwing en verliest zij haar eigenlijke militaire functie. Sindsdien heeft zij vele andere bestemmingen gekend. Zo is eind 17de eeuw een ware lusthof aangelegd in en rondom de burcht, compleet met doolhof, fontein, volière en hertenkamp. In de 21ste eeuw is daar geen spoor meer van te bekennen, maar de burcht is nog steeds een van de belangrijkste monumenten van Leiden en nog immer welbezocht. Studenten ontspannen in het gras op de heuvel en genieten van de avondzon. Toeristen lopen er langs de vele informatiebordjes en bewonderen de familiewapens van Leidse burggraven bij de poort. En menig Leidenaar beklimt met familie en vrienden de ringmuur om tussen de kantelen te genieten van het mooie uitzicht in alle richtingen.

Afb. 3 Uitzicht vanaf de kantelen op het weeshuis (links) en de Hooglandse kerk (rechts) in Leiden. Foto: Roosje Peeters, 2020.

Arjan Nobel

Oud-Beijerland, 1977 Ambtenaren ruimen de kluis op van het gemeentehuis. Naast rommel vinden ze ook allerlei waardevolle spullen. In een hoek liggen twee sleutelbossen. ‘A. Rood Molendijk Oud-Beijerland’, valt te lezen op het bruine kaartje aan de ene bos. ‘Huissleutels van den Jood Mozes van Tijn Huidenkoopman Kerkstraat’, meldt het papiertje dat aan de andere sleutels hangt. Ambtenaar Koos Schipper twijfelt even, maar kan het niet over zijn hart verkrijgen de bossen weg te gooien. Hij typt een briefje met wat achtergrondinformatie en brengt ze naar het Streekmuseum Hoeksche Waard in Heinenoord.[1]

Huissleutels van de familie Rood en Van Tijn in Oud-Beijerland. Collectie Museum Hoeksche Waard, Heinenoord.

Oud-Beijerland, 11 augustus 1942 De Molendijk ziet zwart van de mensen. Het lijkt wel alsof het hele dorp is uitgelopen. Verschillende mensen – op hun kleding een gele ster – banen zich een weg door de menigte. Onder hen bevinden zich slager Abraham Rood, zijn vrouw Betje Rood-den Hartog en hun kinderen Elias en Vrouwtje Sara. Vandaag moeten enkele Joden uit Oud-Beijerland zich melden in Rotterdam. Ze zullen tewerk worden gesteld in Duitsland. Iedereen weet ervan. Slager Rood – volgens Oud-Beijerlanders een ‘goede slager’ – heeft het zelf verteld aan zijn klanten. Het woord ‘onderduiken’ is gevallen, maar Rood is een optimist: ‘Ik ga wel werken’. Daar komt de tram. De Joden en enkele Oud-Beijerlanders die hun dorpsgenoten een stukje zullen vergezellen, stappen in. Arie Duifhuizen, een vriend van Elias Rood, maakt stiekem een paar foto’s. Hij kiekt een lachende Abraham Rood, terwijl deze in de tramopening staat. ‘Ik ben zo weer terug’ en ‘Tot gauw’, roept Rood nog. Langzaam zet de tram zich in beweging in de richting van Rotterdam.

Oud-Beijerland, september/oktober 1942 Het leven in het dorp heeft weer zijn gewone gang genomen. Slagerij A. Rood aan de Molendijk is nog steeds gesloten, maar er is een teken van leven in de vorm van twee korte briefjes. Het ene is geschreven door Betje, het andere door Vrouwtje Sara. De toon is optimistisch: ‘met ons gaat het best’. Betje doet de groeten aan ‘alle Beijerlanders’ en in het bijzonder aan ‘de buren’ van de Molendijk. ‘Indien het mogelijk is schrijven we later maar als het niet aankomt is het nog geen reden om ongerust te zijn.’ Ongerust of niet, ook andere Joodse Oud-Beijerlanders melden zich in Rotterdam. Eind oktober vertrekt huidenkoopman Mozes van Tijn, samen met zijn zussen Rijntje en Matje en de tachtigjarige Jetje van Leeuwen die bij de familie is ingetrokken. Met zijn vieren bewonen zij een huis in de Kerkstraat, naast de synagoge waar Van Tijn koster is. Ook dit huis komt leeg te staan.

Een lachende Abraham Rood in de tramopening, 11 augustus 1942. Collectie Museum Hoeksche Waard, Heinenoord. Foto: Arie Duifhuizen.

Heinenoord, 2007 Medewerkers ruimen de kluis op van het Streekmuseum Hoeksche Waard. In een hoek ligt een papieren zak met daarin twee sleutelbossen. Allebei zijn ze voorzien van een kaartje, met daarop een tekst. Nieuwsgierig laten ze de sleutels door hun handen gaan. Wat is dit precies? Onder in de zak zit een brief van een zekere ‘J. Schipper’. Die verschaft meer duidelijkheid. Het gaat om de huissleutels van twee Joodse families die in de oorlog zijn omgekomen. Vergast in Auschwitz. Abraham, Betje, Elias en Vrouwtje Sara Rood op 30 september 1942, Mozes en Rijntje van Tijn op 2 november van dat jaar. De zieke Matje van Tijn overleed op 5 december 1942 in Rotterdam; de laatste rustplaats van Jetje van Leeuwen is onbekend. Wat rest zijn twee sleutelbossen. Een herinnering aan een inktzwarte periode. Vandaag de dag worden zij permanent geëxposeerd in Museum Hoeksche Waard, ter nagedachtenis van het gezin Rood van de Molendijk en de familie Van Tijn uit de Kerkstraat in Oud-Beijerland.

Deze bijdrage is eerder als ‘Topstuk’ verschenen in Holland 52.2 (2020).


[1] Achtergrondinformatie over de sleutels is te vinden in: Gerda den Hartog, ‘De Joden’ in: Loek Dekker e.a., Oorlog in de Hoeksche Waard 1940-1945 (Heinenoord 2015) 83-101, aldaar 84 en 86-89.

Goede scriptie geschreven? Holland. Historisch Tijdschrift vraagt alle studenten die in 2019-2020 een historische bachelor- of masterscriptie hebben geschreven (of dit jaar nog zullen voltooien) mee te dingen naar de scriptieprijs 2020. Lees hier meer over de voorwaarden en hoe je mee kan doen.

Podcast ‘In het Rijks’ van het Rijksmuseum | Serie Middeleeuwen en renaissance, Aflevering 22: Pleurants (duur: 31 min.)

Gesignaleerd Henk Looijesteijn

Ooit waren het er 24, nu zijn er nog 10 van over, sinds 1885 gekoesterd in het Rijksmuseum. Sinds 1691 zijn ze kunstbezit van de stad Amsterdam, dat ze ooit aankocht omdat het zou gaan om beelden van de graven van Holland. De bronzen beelden van ongeveer een halve meter hoog zijn echter pleurants, ‘weners’, geplaatst in nissen van de graftombe van Isabella van Bourbon (c. 1436-1465), geliefde echtgenote van Karel de Stoute. De pleurants stellen haar voorouders voor, onder wie enkele Hollandse graven. Zelf was Isabella nooit gravin van Holland, want ze stierf voordat Karel graaf werd.

Het zal niet verbazen dat het Rijksmuseum vol in de podcastmode is gedoken, want in de nationale schatkamer staan tal van kunstwerken die een nadere introductie verdienen. De pleurants zijn nauwelijks bekend, en dat is jammer, want het zijn werkelijk prachtige beelden. De eerste voorbeelden van bronsgietkunst in de Nederlanden, aldus conservator Frits Scholten, die al jaren onderzoek doet naar deze beelden. De aflevering over de pleurants maakt deel uit van een serie, waarin radiomaker Janine Abbring de conservatoren middeleeuwen en renaissance interviewt over topstukken uit de collectie.

‘Een familiereünie in brons en steen’, noemt Scholten de tien beelden. Helaas is onbekend wie wie is: ooit waren de beelden voorzien van sokkeltjes met wapenschilden, maar die zijn verloren gegaan. Het bronzen grafbeeld van Isabella is tegenwoordig in Antwerpen; de veertien andere beelden zijn sinds Beeldenstorm en Revolutie zoek. Wel is er een lijst van wie er ooit Isabella stonden te bewenen, en er staan merkjes achter op de beelden. Maar Scholten heeft de code daarvan nog niet kunnen kraken.   

Scholten spreekt rustig en helder, met een wat deftige dictie; Abbring klinkt wat jachtig, en onderbreekt Scholten regelmatig, wat ik hinderlijk vond. Niettemin is het een heel informatief tweegesprek, dat ervoor zorgde dat ik zin had om meteen naar het museum te gaan en de pleurants te bezoeken. Merkwaardig is overigens dat Scholten zwijgt over de twee die wel zijn geïdentificeerd, althans volgens de museumwebsite: een van de twee is graaf Albrecht van Holland.

Met ruim 31 minuten is deze aflevering iets langer dan de andere afleveringen, hetgeen ook geldt voor de andere podcastseries van het Rijksmuseum (gemiddeld zo’n 20 à 25 minuten). Dat maakt dat de afleveringen goed geschikt zijn voor bijvoorbeeld de afwas of een korte wandeling. Tip: wie via een laptop luistert, kan een ander scherm openen en tijdens het luisteren de foto’s van de beelden op de museumwebsite bekijken.

Beluister hier aflevering 22 ‘Pleurants’ uit de serie Middeleeuwen en renaissance: https://www.rijksmuseum.nl/nl/podcast/middeleeuwen-en-renaissance/pleurants

Rosa de Jong

Ik woon al jarenlang naast de Transvaalbuurt in Amsterdam. Er is daar een dubbel straatnaambordje waar ik mij van kinds af aan over verwonderde. Als tiener las ik de prachtige biografie Biko over Steve Biko en dit leidde tot een klein onderzoek in het Stadsarchief van Amsterdam. De geschiedenis van de straatnamen van de Transvaalbuurt in Amsterdam is niet in deze Thuishoek geheel te vatten, dus stip ik enkele grote gebeurtenissen aan.   

Afb. 1 Medewerker van Publieke Werken en Stadsontwikkeling hangt het nieuwe naambord op. Het Vrije Volk, 22-08-1978, geraadpleegd via Delpher.

Op 9 november 1977 dienden twee raadsleden een voorstel in: zij wilden een plein in Amsterdam vernoemen naar Steve Biko. Biko was wereldwijd bekend om zijn verzet tegen de apartheid in Zuid-Afrika en was twee maanden daarvoor onder verdachte omstandigheden in de gevangenis overleden. Er werd gekozen voor het Pretoriusplein, met als belangrijkste overwegingen: er was ook een Pretoriusstraat en Biko zou passen binnen de andere namen in de Transvaalbuurt. Ondanks een boze ondernemer die zat opgescheept met briefpapier, stempels, folders, enveloppen met het oude adres en geen vergoeding voor een aanpassing hierin kreeg, stemde de gemeenteraad met het voorstel in zonder inwinning van advies van de Commissie voor Straatnamen. Sommige raadsleden ijverden voor striktere regels omtrent ‘politieke statements bij straatnamen’.

In 1982 probeerden bewoners van de Transvaalbuurt, verenigd in een antiracisme buurtcomité, zelfstandig alle andere straatnamen te veranderen. Ze plakten naamborden over en riepen iedereen op de nieuwe namen te gebruiken. Het zou niet baten: de straten bleven hun oude naam dragen.

Afb. 2 Beeld van Pépé Grégoire. Foto: Rosa de Jong.

Slechts vijf jaar later ontstaat er weer een discussie over een straatnaam in de wijk: de Louis Bothastraat. Kunstenaar Pépé Grégoire maakte een beeld tegen apartheid en uitsluiting (later tegen apartheid en racisme) dat geplaatst zou worden in de wijk. Het monument zou op het Krugerplein komen te staan, daar waar het plein de Louis Bothastraat kruist. Volgens enkele leden van de werkgroep, die was opgericht om een plek te vinden voor het monument, was de straatnaam aanstootgevend. De naam deed te veel denken aan de Zuid-Afrikaanse president Pieter Botha: hij was voor velen het gezicht van het apartheidsbeleid. De gemeente had in 1982 toegezegd geen straatnamen meer te zullen wijzigen. Er ontstond hevige onenigheid, die eindigde in een juridische strijd. Het kwam tot een compromis: de straat zou wel worden omgedoopt tot de Albert Luthulistraat (naar de Nobelprijs-winnende president van het Afrikaans Nationaal Congres), maar de vermelding ‘Voorheen Louis Bothastraat’ zou onder het nieuwe naambordje worden geplaatst.

Afb. 3 Dubbele straatnaamborden in de Transvaalbuurt: Albert Luthulistraat, voorheen Louis Bothastraat. Foto: Rosa de Jong.

Dit thema zou actueel blijven: vorig jaar botste burgemeester Halsema met de Commissie van Straatnamen over namen voor een nieuwe wijk op IJburg. Zij wilde graag eer doen aan de multiculturele stad en ging niet akkoord met het themavoorstel Slag om de Zuiderzee uit 1573, vervolgens deed ze de daaropvolgende suggestie van internationale dansstijlen af als oubollig en folkloristisch. Het KITLV, waaraan ik verbonden ben, mocht advies uitbrengen en maakte een lange lijst met antikoloniale verzetshelden. Zo dragen de straten en pleinen in de nieuwe wijk namen van hoofdrolspelers uit een nog te onbekende geschiedenis.

Tot twee week geleden plaatsten we wekelijks een bespreking van een historische podcast of vlog in de online rubriek Hollandse Podcast Parade. Dit was een experiment dat wat ons betreft geslaagd is. Daarom gaan we deze besprekingen een vaste plaats geven. Iedere maand zal er een aflevering van de Hollandse Podcast Parade op onze website verschijnen, waarin wij vlogs en podcasts (of de combi van vlogcasts) over de Hollandse geschiedenis onder de aandacht brengen.

Lees meer »