Juryrapport MA Scriptieprijs 2012

De scriptieprijs van Holland. Historisch Tijdschrift voor de beste masterscriptie van 2012 is toegekend aan Monica Verhoog voor haar onderzoek Met roe en bodebus door stad en land. Het bodennetwerk van Amsterdam, Leiden en Haarlem tussen 1531-1555.

Lees het artikel van Monica Verhoog over het bodennetwerk van Amsterdam, Leiden en Haarlem in Holland 46:4 (2014) 

Jaarlijks schrijven tientallen studenten aan universiteiten of hogescholen een scriptie over een historisch onderwerp. Op basis van grondig literatuur- of archiefonderzoek brengen zij het historisch veld in kaart en toetsen zij prikkelende hypotheses. Veel van dit materiaal verdwijnt uiteindelijk in de spreekwoordelijke lade. Met deze scriptieprijs biedt Holland een podium voor originele, inspirerende en gedegen scripties over de geschiedenis van Noord- of Zuid-Holland. De jury, bestaande uit redactieleden van het tijdschrift, heeft de scriptieprijs 2012 toegekend aan Monica Verhoog.

Verhoog analyseert in haar onderzoek, dat is verricht aan de Universiteit van Amsterdam, het 16de-eeuwse bodennetwerk van Amsterdam, Leiden en Haarlem op snelheid, reikwijdte en multifunctionaliteit. Begin 16de eeuw voltrok zich een belangrijke verandering in de organisatie van de brievenpost, het communicatiemedium bij uitstek. Er ontstond een geregeld postsysteem waarin afstanden kleiner en tijd belangrijker werden. En belangrijk, beide eenheden konden nu ook in geld worden uitgedrukt. Verhoog stelt echter dat in Holland het stedelijk bodesysteem zodanig goed functioneerde, dat het nieuwe systeem van de (Duitse) Rijkspost geen concurrent was.

Met deze these nuanceert Verhoog het onderzoek van de historicus Wolfgang Behringer, welke de politieke en sociale macht van de stadsboden in de lokale gemeenschap als enige verklaring ziet voor het voortbestaan van het stadsbodensysteem na de oprichting van de Rijkspost. Verhoog biedt met haar onderzoek een nauwgezette reconstructie van het Hollandse postbedrijf. Het stadsbodensysteem in Amsterdam, Haarlem en Leiden bestond uit losse werknemers, maar functioneerde als instituut met een enorme reikwijdte. De stadsboden waren goedkoop, konden voor zowel schriftelijke als mondelinge communicatie ingezet worden, maar verrichten net zo goed spionagepraktijken of het vervoer van een karrenvracht vis. ‘Zowel de reikwijdte als flexibiliteit van het stedelijk bodennetwerk is een groot voordeel voor de steden tegenover de Rijkspost,’ noteert Verhoog in haar conclusie.

Verhoog baseert zich voor haar onderzoek op de administratie van bodelonen in de stedelijke rekeningen van Amsterdam, Haarlem en Leiden. De basis van de scriptie vormt dan ook een kwantitatief onderzoek naar dit primaire bronnenmateriaal. Verhoog geeft zich rekenschap van de beperkingen van haar onderzoeksmethode: het werken met steekproeven kan om verschillende redenen een vertekend beeld van de werkelijkheid geven. Toch heeft zij de jury weten te overtuigen van het aanzienlijke historische belang van het onderzoek. Zo geeft bijvoorbeeld de – vergeefse – zoektocht van een Amsterdamse bode in Utrecht en Haarlem ‘omme te hebben eenen biechtvader die Spaensche tael kennende omme biecht te hebben drie Spaengaerts, alhier van die neije gevangen’ een mooi inkijkje in het gebruik van het systeem voor politiek-religieuze kwesties. Door deze details, haar prettige schrijfstijl en naast de kwantitatieve gegevens ook de inzet van afbeeldingen en objecten als historische bron weet Verhoog het stedelijke bodennetwerk van Holland voor de lezer concreet en levendig te maken.

Naar het functioneren van vroegmoderne communicatiestructuren kan nog volop onderzoek verricht worden en Verhoogs scriptie biedt dan ook een welkome aanvulling op de bestaande literatuur. Daarbij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat de relevantie van het onderwerp in de scriptie verduidelijkt had kunnen worden door het onderzoek nadrukkelijker in te bedden in de bestaande historiografie. In het laatste deel van haar scriptie maakt Verhoog echter op een professionele manier gebruik van aanvullende, secundaire literatuur over andere steden en regio’s en plaatst de reikwijdte van het bodennetwerk in een internationale, historische context. Met behulp van prachtige overzichtskaarten maakt zij het brede werkterrein van de Hollandse stadsboden aanschouwelijk. Hiermee tilt Verhoog haar casus boven het lokale niveau uit en biedt zij een verrassend inzicht in de activiteiten van Holland buiten de regionale en ‘nationale’ grenzen.