Recensie Rudolf Dekker, De Van Breestraat in Amsterdam 1900-2000

Rudolf Dekker, De Van Breestraat in Amsterdam 1900-2000. Van Mata Hari tot Pistolen Paul Panchaud; Amsterdam 2017, ill., 164 p., ISBN 9789082077995 prijs €17,50 (incl. verzending)

door Anne Petterson, Universiteit Leiden

De titel laat weinig aan de verbeelding over: dit is een boek over de Van Breestraat in Amsterdam. Vernoemd naar de componist en dirigent Johannes van Bree (1801-1857), gelegen in de negentiende-eeuwse elitebuurt, en met het Concertgebouw letterlijk om de hoek, is dit een van de chicste straten van onze hoofdstad.

Rudolf Dekker, tot 2010 verbonden als docent aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, is zelf opgegroeid in de Van Breestraat. Het dankwoord maakt duidelijk dat de aanleiding voor dit boekje deels voortkomt uit nostalgische overwegingen. Dat wordt ook door de inhoud weerspiegeld. De nadruk ligt vooral op een opsomming van wie er allemaal in de straat hebben gewoond. Daarmee is De Van Breestraat in Amsterdam bovenal interessant voor (oud-)bewoners, die hier kunnen ontdekken wie hun historische buren waren. Voor de buitenstaander blijft het vaak iets te veel een opeenvolging van namen, waarbij steeds net iets te weinig context wordt geboden om de afzonderlijke verhalen echt interessant te maken.

De bewoners van de Van Breestraat in de twintigste eeuw nemen in het boek de belangrijkste plaats in. De bekendste onder hen worden al in de ondertitel prijsgegeven: Paul Wilking, beter bekend als ‘Pistolen Paul’, was een beruchte crimineel en wapenhandelaar

Dat gezegd hebbende: het is duidelijk dat Dekker een ervaren verteller is. Het boek is zeer prettig geschreven, met veel oog voor detail. De opbouw is deels chronologisch: we beginnen bij de aanleg van de wijk eind negentiende eeuw, volgen de eerste ‘modernisering’ van de straat, maken de Tweede Wereldoorlog mee, en zien vanaf 1985 het herstel van de ietwat vervallen straat. De hoofdstukken volgen met titels als ‘Huisdieren’ of ‘Verenigingsleven’ echter een thematische logica. Het tweede hoofdstuk over straatgeluid is een mooi voorbeeld van Dekkers creatieve omgang met de historische bronnen: uit ‘stille’ teksten en beeldmateriaal wordt de soundscape van de straat gereconstrueerd. De geluiden varieerden hierbij van het wekelijkse bezoek van een straataccordeonist tot de rondrit van een gemechaniseerde tapijtenklopper. Het boek is bovendien rijk geïllustreerd, met uiteraard portretfoto’s van bewoners, maar ook originele kijkjes op het straatleven (bijv. het huldebetoon in 1928 aan hoofdcommissaris Versteeg, op pagina 32).

De bewoners van de Van Breestraat in de twintigste eeuw nemen in het boek de belangrijkste plaats in. De bekendste onder hen worden al in de ondertitel prijsgegeven: Paul Wilking (1924-2005), beter bekend als ‘Pistolen Paul’, was een beruchte crimineel en wapenhandelaar. Toen Prins Bernhard jr. van Oranje en zijn echtgenote prinses Annette eind jaren negentig in de straat kwamen wonen, werd Wilking hun buurman. Een verslaggever van Story noteerde maar al te graag hoe Pistolen Paul zich als beschermer van het prinselijke paar opwierp: aan wapens was in huis geen gebrek, ‘wie mij of mijn vrienden en naasten bedreigt, pak ik aan!’ (p.60-61). Een andere bekende bewoonster was de spionne Margaretha Zelle (1876-1917), oftewel Mata Hari. Ook heel wat van haar familieleden woonden in de Van Breestraat. Andere in het boek besproken bewoners doen echter niet onder voor deze namen: de zenuwarts A.W. van Renterghem (1845-1939), uitgever A.B. van Holkema, pianist en componist Dirk Schäfer (1873-1931), de journalist G.B.J. Hiltermann (1914-2000), dichteres Elisabeth Eybers (1915-2007), Ed van Thijn (geb. 1934) – om er slechts een paar te noemen.

Het tweede hoofdstuk over straatgeluid is een mooi voorbeeld van Dekkers creatieve omgang met de historische bronnen: uit ‘stille’ teksten en beeldmateriaal wordt de soundscape van de straat gereconstrueerd

Voor wie verder wil lezen is aan het eind van het boek een literatuurlijst toegevoegd, bronverwijzingen in de tekst zelf zijn er niet. Het ontbreken van een notenapparaat verhoogt de leesbaarheid zondermeer, maar is ergens ook wel jammer. Dekker moet zijn kennis over de straat met veel geduld op allerlei plekken hebben verzameld. Dit blijkt soms uit de tekst, wanneer uit romans of memoires wordt geciteerd. In het dankwoord worden ook interviews met (oud-)bewoners genoemd. Juist iemand als Dekker die veel met Nederlandse egodocumenten heeft gewerkt,*  had in de tekst iets meer op de herkomst van zijn materiaal kunnen reflecteren. Niet zozeer uit academische overwegingen, maar om de lezer te laten zien op welke manieren de bewoners hun sporen nalieten en daarmee meer diepte te geven aan hun verhalen. Mijn vermoeden is daarnaast dat veel van de informatie gebaseerd is op historisch krantenmateriaal, verzameld in de online database Delpher. De reconstructie die Dekker in dit boek maakt van het dagelijks leven in de Amsterdamse Van Breestraat vormt een perfecte illustratie van hoe essentieel de digitalisering van dit rijke bronnenmateriaal is, om meer te weten te komen over het leven van ‘gewone’ mensen uit het verleden.

* Zie bijvoorbeeld zijn inventarisatie van Nederlandse egodocumenten en het bekroonde boek Kind van de toekomst. De wondere wereld van Otto van Eck (1790-1798) uit 2005, geschreven samen met Arianne Baggerman.

Verwijzing: Historisch Tijdschrift Holland, Anne Petterson, 19 april 2017.

Getagd met