Recensie van drie boeken over het ontstaan van Holland

E.H.P. Cordfunke, Een graafschap achter de duinen. Het ontstaan en de vorming van het graafschap Holland (850-1100) Zutphen: Uitgeverij Walburg Pers, 2018, 144 pp, ISBN: 9789462493407. Prijs: € 24,95,- ; Kees Nieuwenhuijsen, Strijd om West-Frisia. De ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland: 900-1100 Utrecht, Uitgeverij Omniboek, 2016, 288 pp, ISBN: 9789401907569. Prijs: 20,99; Henk ‘t Jong, De dageraad van Holland. De geschiedenis van het graafschap 1100-1300 Utrecht: Uitgeverij Omniboek, 2018, 400 pp, ISBN: 9789020534863. Prijs: € 25,-

Henk Looijesteijn, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

E.H.P. Cordfunke, Een graafschap achter de duinen. Het ontstaan en de vorming van het graafschap Holland (850-1100) (Zutphen 2018)

In een meer nationalistisch ingesteld tijdvak moesten schoolkinderen in Nederland leren dat er aan de vele Willems uit het Huis van Oranje de Dirken, Florissen, Willems en Jannen van het graafschap Holland vooraf gingen. Holland was immers het kerngewest van het moderne Nederland. De graven moesten uit het hoofd worden geleerd, en gelukkig kon je er makkelijk ezelsbruggetjes van maken – ‘Dikkie Dikkie Arnoud, Dikkie Dikkie Floor, Dikkie Floor, Dikkie Floor’ enzovoort – maar ondanks al dat namengestamp is de geschiedschrijving over de Hollandse graven toch tamelijk bescheiden. Het beste overzicht van de opeenvolgende graven van Holland is nog vrij recent, van 1995, met een bijgewerkte uitgave in 2016: Graven van Holland. Middeleeuwse vorsten in woord en beeld (880-1580) van Dick de Boer en Erik Cordfunke. Beide uitgaven bieden een kleurrijk geïllustreerd overzicht met beknopte biografieën per graaf. De echtgenotes van de graven uit het Hollandse Huis zijn in 1987 op een rij gezet door Erik Cordfunke: Gravinnen van Holland. Huwelijk en huwelijkspolitiek van de graven uit het Hollandse Huis (Zutphen 1987). Hun opvolgsters uit de huizen Avesnes en Wittelsbach worden daarin buiten beschouwing gelaten.

Aan individuele graven is zelden een boek gewijd: graaf Willem II, die het tot Roomskoning schopte, was het onderwerp van verschillende monografieën, maar de laatste daarvan dateren nog uit de 19de eeuw en zijn geschreven door Duitse historici die vooral in zijn koningschap waren geïnteresseerd. Zijn zoon Floris V is de enige graaf die bij een breder publiek bekend is, en waar in de 20ste eeuw verschillende studies aan zijn gewijd, het laatst in 1996, toen ter gelegenheid van de herdenking van zijn 700ste sterfjaar een fraai naslagwerk over zijn leven werd uitgebracht, bezorgd door onder andere De Boer en Cordfunke: Wi Florens. De Hollandse graaf Floris V in de samenleving van de 13de eeuw (Zutphen 1996). Na Floris is de wat tragische figuur van Jacoba van Beieren wellicht nog het bekendst, en over haar heeft Antheun Janse Een pion voor een dame (Amsterdam 2010) geschreven. Andere Hollandse graven wachten echter nog steeds op een monografie: met name over de Henegouwse en Beierse graven, maar ook over de ondernemende graaf Willem I, zou makkelijk een afzonderlijk boek geschreven kunnen worden.

De laatste jaren zijn er echter een aantal boeken verschenen die in het bijzonder de ontstaans- en wordingsgeschiedenis van het jonge graafschap Holland behandelen – of liever, Holland voordat het Holland werd, want tot het begin van de 12de eeuw heeft men het eerder over graven in Friesland, zoals het gehele kustgebied tussen Zwin en Weser wordt aangeduid. Munthistoricus Dirk Jan Henstra (1927-2016) publiceerde een overzicht van alle graven in dit gebied, waarbij uiteraard ook de West-Friese graven aan de orde kwamen: Friese graafschappen tussen Zwin en Wezer. Een overzicht van de grafelijkheid in middeleeuws Frisia (ca. 700-1200) (Assen 2012). In zekere zin borduurt Kees Nieuwenhuijsen in zijn in 2016 verschenen Strijd om West-Frisia daar op voort. Zijn boek gaat over de tijd waarin de oudste graven van het later als Hollandse Huis aangeduide geslacht hun macht vestigden in wat nu Holland is. Henk ’t Jong zet het verhaal van Holland en het Hollandse Huis voort in een in 2018 uitgebracht vervolgboek, De dageraad van Holland; en Erik Cordfunke heeft in hetzelfde jaar op het boek van Nieuwenhuijsen gereageerd met een eigen versie van de vroegste geschiedenis van het graafschap Holland, Een graafschap in de duinen.

De geschiedschrijving van het graafschap Holland zit duidelijk in de lift, met maar liefst drie boeken. Dat zijn er overigens niet te veel, want al is over de individuele oudste graven vóór de 13de eeuw soms maar heel weinig bekend, uit deze drie boeken blijkt dat er niet alleen veel te vertellen valt over deze vroege tijd, maar ook dat die geschiedenis nog veel vragen doet rijzen, waar toekomstige historici van het graafschap Holland zich over kunnen buigen. Daar kom ik nog op terug.

De geschiedschrijving van het graafschap Holland zit duidelijk in de lift, met maar liefst drie boeken.

Kees Nieuwenhuijsen, Strijd om West-Frisia. De ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland: 900-1100 (Utrecht 2016)

De boeken van Nieuwenhuijsen en ‘t Jong zijn door dezelfde uitgever uitgebracht, Omniboek, en zijn goed verzorgd, rijkelijk voorzien van afbeeldingen, kaartjes en stambomen, met een prettig leesbare letter. De hoofdstukken zijn in de regel betrekkelijk kort en worden onderbroken door kaders waarin bepaalde zaken worden uitgelicht – al is zo’n kader een enkele keer zo groot dat je je afvraagt of het niet beter gewoon onderdeel van de hoofdtekst was geweest. Jammer is wel dat er in beide boeken een bladwijzer naar de individuele afbeeldingen, kaarten en stambomen ontbreekt, zodat men het hele boek moet doorbladeren als men iets wil terugzoeken. Nieuwenhuijsen behandelt zijn stof in zekere zin thematisch, bij ’t Jong is de stof vooral geconcentreerd rond de opeenvolgende graven. De graven van de 12de en 13de eeuw komen namelijk helderder uit de beschikbare bronnen naar voren dan hun voorvaderen in de 10de en 11de eeuw. Nieuwenhuijsen besteedt onder andere een hoofdstuk aan de ontginning van de veengronden die ten grondslag lag aan de oostwaartse expansie van de Hollandse graven, die het mede daarom steeds aan de stok hadden met de Utrechtse bisschoppen; ’t Jong besteedt naast de graven in het bijzonder aandacht aan het ontstaan van de steden.

Cordfunkes boek is van een andere uitgever, eveneens goed verzorgd met afbeeldingen, kaartjes en korte genealogische schema’s, en behandelt een tijdvak van drie eeuwen, van halverwege de 9de tot halverwege de 12de eeuw. De redactie had wel wat beter gekund: soms zijn er letters uit woorden weggevallen, een andere keer te veel, duidelijk verschrijvingen die een tweede lezer eruit had kunnen halen. Ook hier moet men trouwens het boek doorbladeren voor kaartjes en de genealogische schema’s. Cordfunke legt, zoals valt te verwachten, weer andere accenten dan Nieuwenhuijsen – zo gaat hij bijvoorbeeld dieper in op de betekenis van de abdij Egmond voor de vroege graven.

De boeken van Nieuwenhuijsen en ’t Jong zijn omvangrijker dan het boek van Cordfunke en zijn diepgaander. Samen vormen zij een mooi overzicht van wat er nu bekend is over de graven van Holland en de wording van hun graafschap in die cruciale vier eeuwen die het gewest Holland vormden. Het is duidelijk dat er desalniettemin keuzes moesten worden gemaakt: zo zijn de hoofdstukken over Willem II en Floris V in De dageraad van Holland wat kort in vergelijking met wat er over deze graven bekend is, maar dan zou het boek vermoedelijk een keer zo dik worden, en ’t Jong heeft terecht gestreefd naar evenwicht in het behandelen van de graven. Wellicht speelde dat ook voor Nieuwenhuijsen, die bijvoorbeeld weer weinig ingaat op de huwelijkspolitiek van de 11de- en 12de-eeuwse graven, die opmerkelijk vaak met Saksische gravendochters trouwden, zoals Cordfunke al vaststelde in zijn Gravinnen van Holland.

Henk ‘t Jong, De dageraad van Holland. De geschiedenis van het graafschap 1100-1300 (Utrecht 2018).

De drie boeken zijn allen bedoeld als synthetiserend overzicht, waarbij met name de vele nieuwe archeologische inzichten over de vroege geschiedenis van het gebied dat het graafschap Holland ging vormen een plaats krijgen. Nieuwenhuijsen en ’t Jong zijn beiden afkomstig uit de levendige re-enactment wereld die veel praktische kennis heeft opgeleverd over het leven van de middeleeuwers. ’t Jong gaat zo ver dat hij geen afbeeldingen later dan de besproken periode opneemt, hetgeen goed werkt omdat de beeldvorming vaak wordt bepaald door wat gebruikelijk was in de 14de en 15de eeuw. Zijn beslissing om geen bronnen te gebruiken die niet eigentijds zijn, is wellicht een al te strikte toepassing, omdat het onder meer de 14de-eeuwse Utrechtse geschiedschrijving van Johannes de Beke uitsluit. De Beke mag dan niet altijd even betrouwbaar zijn, hij wordt wel degelijk gebruikt door andere historici, zoals bleek uit de vergelijking tussen wat ’t Jong schrijft over Willem II en wat De Boer en Cordfunke over de roomskoning schrijven.

’t Jong legt dat verschil overigens niet uit, en daarmee is meteen gewezen op de nadelen van een synthetiserende aanpak – iets wat geldt voor alle drie de boeken. Lang niet altijd wordt uitgelegd waarom de auteur een bepaald standpunt inneemt. Van discussie met andere historici is weinig sprake, en dat is jammer omdat het de lezer zo niet altijd duidelijk is waarin deze schrijvers nu afwijken van eerdere historici. Cordfunke doet dat nog het meest – en wekt ook de indruk dat zijn boek is geschreven in antwoord op dat van Nieuwenhuijsen – maar met name bij meer prikkelende stellingen blijft de historicus onder de lezers met vragen zitten.

Zo verklaart Nieuwenhuijsen dat Dirk III zijn grafelijke waardigheid deelde met zijn broer Sicco of Siegfried, die dan in het noordelijke deel van het vaderlijk graafschap het gezag zou hebben uitgeoefend. Ook het broederpaar Dirk IV en Floris I zouden samen hebben geregeerd. Die terugkerende broederheerschappij is een boude en prikkelende stelling die ik niet eerder was tegengekomen, maar die echter niet wordt onderbouwd en nadere uitwerking had verdiend. ’t Jong suggereert zoiets voor Dirk VI en diens broer Floris de Zwarte, en het is opmerkelijk dat de latere Willem I blijkbaar verwachtte dat zijn broer Dirk VII hem een belangrijkere rol gaf dan hij aanvankelijk kreeg, hetgeen tot moeilijkheden leidde, en uiteindelijk een grafelijke rol in Friesland. Het lijkt er dus op alsof Nieuwenhuijsen hier iets te pakken heeft dat aan eerdere historici is ontgaan. Cordfunke reageert in zijn boek op Nieuwenhuijsens voorstelling en komt met sterke argumenten waarom het bijvoorbeeld onwaarschijnlijk is dat Sicco de grafelijke waardigheid bezat. Hij verwerpt ook een broederheerschappij voor Dirk IV en Floris I.

De drie boeken zijn allen bedoeld als synthetiserend overzicht, waarbij met name de vele nieuwe archeologische inzichten over de vroege geschiedenis van het gebied dat het graafschap Holland ging vormen een plaats krijgen.

Waar Cordfunke op andere punten afwijkt van Nieuwenhuijsen wordt dat echter niet altijd onderbouwd. Ook ’t Jong laat soms na om zijn mening te beargumenteren, zo stelt hij dat wat een Duitse historicus schreef over het latere leven van gravin Ada hem niet kan overtuigen, maar zonder nadere uitleg. Zo zijn er in alle drie de boeken wel zaken die vragen doen rijzen: waarom zocht Floris III bijvoorbeeld een bruid in Engeland? Wie was Ansfried en waar regeerde hij? Waarom stichtte Godfried met de Bult Delft? Wie was Swithard? Om dan nog maar te zwijgen van de mogelijkheid van broederheerschappij: iets wat wellicht nader in context kan worden geplaatst als men de Hollandse graven zou vergelijken met hoogadellijke families elders.

Welbeschouwd zijn het de voor deze Hollandse graven zo magere bronnen die tot dergelijke afwijkende interpretaties van het Hollandse gravenverleden leiden. Elke bron die er is moet drie keer omgedraaid worden en is zelfs dan nog voor meerdere uitleg vatbaar, waardoor het soms niet eenvoudig is een helder beeld te krijgen van het Hollandse gravenverleden. Zo stelt ’t Jong dat de graven pas een ruiterzegel gebruikten als ze tot ridder waren geslagen, maar Jan I is nooit tot ridder geslagen en gebruikte toch een ruiterzegel. Dat doet de vraag rijzen of dergelijke uitzonderingen op de regel vaker voorkwamen, en hoe sterk die regel dan was. Wat trouwens in alle drie de boeken ontbreekt, is een vergelijking tussen de Hollandse graven en hun standgenoten elders. Wellicht zou dat helpen om de gaten van de bronnen enigszins in te vullen. Welke rol speelde bijvoorbeeld het erfrecht? Uit later tijd is bekend dat het wel eens werd gemanipuleerd om een bepaalde erfopvolging mogelijk te maken. Gebeurde dat vaker? Opvallend is dat vrouwen blijkbaar niet zonder meer waren uitgesloten van de opvolging, maar dat aan de andere kant elke regerende gravin te maken kreeg met mannelijke uitdagers. Geen van deze vrouwen – Ada noch Margaretha, noch Jacoba – kon zich trouwens op de lange duur handhaven. Een andere vraag is waarom sommige gravenmoeders wel regentes konden zijn voor hun zoon, terwijl anderen nooit een politieke rol van betekenis speelden tijdens de minderjarigheid van hun zoon.

Kortom, er blijven vragen te over en er valt nog genoeg te ontraadselen van de geheimen van de middeleeuwse Hollandse gravengeschiedenis. Dat neemt niet weg dat met name de doorwrochte werken van Nieuwenhuijsen en ’t Jong aanwinsten zijn voor de Hollandse geschiedschrijving, en uitgangspunt kunnen zijn voor een nadere bestudering van de graven van Holland. Zoals gezien is er voldoende aanleiding voor meer debat over het Hollandse gravenverleden. Cordfunke’s Graafschap achter de duinen is aanzienlijk beknopter en lijkt vooral te zijn geschreven als reactie op het boek van Nieuwenhuijsen, maar is niettemin nuttig als aanvulling. 

at neemt niet weg dat met name de doorwrochte werken van Nieuwenhuijsen en ’t Jong aanwinsten zijn voor de Hollandse geschiedschrijving, en uitgangspunt kunnen zijn voor een nadere bestudering van de graven van Holland.

Wat wellicht nu de meeste prioriteit zou hebben voor de Hollandse grafelijke geschiedschrijving is een vervolgboek over de graven in de 14de en 15de eeuw. Maar zoals gezegd zullen eveneens tot nu toe uitgebleven vergelijkende studies van groot nut kunnen zijn voor een beter begrip van de mannen en vrouwen die uiteindelijk de grondslagen van het gewest Holland legden. Zo bekend als hun namen met name de ouderen onder ons nog in de oren klinken, het laatste woord over de Hollandse graven is nog lang niet gezegd.

Getagd met