Recensie Herman Kapitein, Nijverheid op Windkracht

Herman Kaptein, Nijverheid op Windkracht. Energietransities in Nederland, 1500-1900, Hilversum: Verloren, 2017, ill. 512 pp., ISBN 9789087046835, Prijs: €39,-.

Door Jan Luiten van Zanden, Universiteit Utrecht

Energietransitie is een actueel onderwerp. We staan aan de vooravond van de overgang naar een nieuwe energie-economie, waarin het duurzaam opwekken en gebruiken van wind- en zonne-energie een centrale rol speelt. Dit roept bij historici de vraag op hoe dergelijke energietransities in het verleden verlopen zijn. Tegen deze achtergrond handelt het nieuwe boek van Herman Kaptein over de opkomst, bloei en ondergang van een grotendeels op windkracht draaiende industrie over een belangwekkend thema. Al vanaf het begin van de 15de eeuw werd windkracht gebruikt in het waterbeheer. Deze techniek werd al veel langer ingezet voor het malen van granen, maar pas aan het eind van de 16de eeuw verspreidt de windmolen zich over een breed scala van industrieën. Tussen de eerste decennia van de 17de eeuw en het midden van de 19de eeuw, speelt windkracht een grote rol in de Nederlandse – en vooral de Hollandse – industrie. Maar in de loop van de 19de eeuw wordt de windmolen  geleidelijk aan overvleugeld door de stoommachine. Kortom, deze twee energietransities lenen zich voor een historische analyse.

Het boek van Kaptein is vooral vernieuwend waar het gaat om de eerste transitie – de opkomst van de windmolen in een breed front van industriële activiteiten vanaf ongeveer 1600.

Het boek van Kaptein is vooral vernieuwend waar het gaat om de eerste transitie – de opkomst van de windmolen in een breed front van industriële activiteiten vanaf ongeveer 1600. Fraai is de manier waarop wordt aangetoond dat molenbouwers uit Alkmaar daar in eerste instantie een grote rol in hebben gespeeld, voordat de windmolen verder uitwaaierde en zich vooral in de Zaanstreek verder ontwikkelde. Niet zonder reden wordt Alkmaar de bakermat van de (verdere) industriële toepassing van windkracht genoemd, al waren de pioniers daar, zoals altijd, ook sterk afhankelijk van voorbeelden van elders, o.a. Vlaanderen. Maar de sleutel tot het Alkmaarse (en later het Zaanse) succes was de grote groep innovatieve timmerlieden annex molenmakers, die de nieuwe mogelijkheden van de windkracht zag en in de praktijk wist te brengen. Interessant is ook dat enkelen onder hen goede contacten hadden met wetenschappers, waaronder zelfs grote namen als Huygens en Descartes. De pioniersarbeid van deze molenmakers, eerst vooral in Alkmaar, later in geheel Holland actief, is een goed voorbeeld  van de  ‘collective invention’ waar Davids eerder over geschreven heeft.

Het afsluitende hoofdstuk bevat veel nieuwe informatie over aantallen windmolens, maar, en dat is een beetje de gemiste kans van dit boek, geen echte reflectie op het fenomeen energietransitie (terwijl daar ook in theoretisch opzicht de laatste tijd veel om te doen is) en de lessen die op dit punt uit de twee bestudeerde transities te trekken zijn.

Het verhaal over de overgang naar stoomkracht in de loop van de 19de eeuw is minder vernieuwend. Kaptein kiest om dit te illustreren wel interessante voorbeelden, maar de hoofdstukken over Schiedamse moutmolenaars, Leidse lakenfabrikanten, Zaanse papierfabrikanten en Groningse oliemolens levert een veel meer diffuus beeld op van deze tweede transitie. Misschien breekt het de auteur op dat hier al veel meer over gepubliceerd is – zoals in het bekende overzichtswerk over de geschiedenis van de techniek in de 19de eeuw. Er worden veel persoonlijke details verteld over de betrokken ondernemers en hun families; details die lang niet altijd relevant lijken te zijn. Conclusies als die getrokken worden over een van de pioniers van de stoomkracht, die als ‘creatieve waaghals’  te weinig rekening hield met ongunstige omstandigheden, dragen ook niet veel bij aan een beter begrip. Het afsluitende hoofdstuk bevat veel nieuwe informatie over aantallen windmolens, maar, en dat is een beetje de gemiste kans van dit boek, geen echte reflectie op het fenomeen energietransitie (terwijl daar ook in theoretisch opzicht de laatste tijd veel om te doen is) en de lessen die op dit punt uit de twee bestudeerde transities te trekken zijn. Veel vragen blijven vooralsnog onbeantwoord. Wat dreef nu deze twee transities? Waarom was Nederland in de ene pionier en in de andere een relatieve achterblijver? En welke rol speelde in de 19de eeuw de staat, en rond 1600 de stad en de gewestelijke overheid?

Al met al is het een mooi boek over twee belangrijke energietransities geworden – alle lof voor het onderliggende historische onderzoek. Maar ook een beetje een gemiste kans om niet in te spelen op het maatschappelijk debat hierover.

Getagd met