Recensie Diederick Klein Kranenburg, ‘Samen voor ons eigen’

Diederick Klein Kranenburg, ‘Samen voor ons eigen’. De geschiedenis van een Nederlandse volksbuurt: de Haagse Schilderswijk 1920-1985 Verloren, Hilversum, 2013, 420 p., geïll., ISBN 9789087043759, prijs €25,-

door Stefan Couperus, Universiteit Utrecht

De huidige Minister van Veiligheid en Justitie Ivo Opstelten heeft al enkele malen voorgesteld om er met drones de aanwezige jeugdbendes in de gaten te houden. Eerder waarschuwden enkele bewoners en journalisten voor de aanwezigheid van een vermeende islamistische enclave – de zogenaamde shariadriehoek – in de ‘armste wijk van Nederland’. De Haagse Schilderswijk belichaamt in de beeldvorming bijna alles wat er mis zou zijn in de ‘oude volkswijken’. Tegelijkertijd bestaat het nostalgische beeld van de volkswijk waar lange tijd solidariteit en nabuurschap een hechte gemeenschap smeedden, die bestand bleef tegen het (klein)burgerlijke beschavingsoffensief van buitenaf.

Maar lijden deze waarderingen niet te zeer onder mythe- en beeldvorming – denk aan de fictieve Schilderswijkse politici Jacobse en Van Es? In hoeverre is aan de Schilderswijk werkelijk een eigen karakter toe te schrijven? Was de gemeenschap wel zo hecht als doorgaans verondersteld? Hebben de huidige problemen in de wijk niet een veel langere ontstaansgeschiedenis dan gedacht? Diederick Klein Kranenburg zocht in ‘Samen voor ons eigen’ het antwoord in de geschiedenis van de wijk en – bovenal – in de lotgevallen van haar bewoners in de twintigste eeuw.

De wetenschappelijke waarde van deze studie ligt ontegenzeglijk in de eclectische methodologie die aan het onderzoek ten grondslag ligt. Archiefmateriaal van publieke (gemeentelijke instanties) en particuliere (het clubhuis De Mussen) instanties, afgenomen interviews met (oud)bewoners (76 in totaal), primaire en secundaire literatuur (historisch en sociologisch), worden door Klein Kranenburg zeer (bronnen)kritisch en op een vruchtbare wijze ingezet. Daarnaast combineert hij kwantitatieve analyses (huurprijzen, leegstand of gezinssamenstelling) met kwalitatieve uitspraken over bijvoorbeeld de per straat verschillende moraal rondom prostitutie (p. 69-75) of criminaliteit (p. 85-89) in de vooroorlogse periode.

De Haagse Schilderswijk belichaamt in de beeldvorming bijna alles wat er mis zou zijn in de ‘oude volkswijken’. Maar lijden deze waarderingen niet te zeer onder mythe- en beeldvorming?

Klein Kranenburg hanteert met het onderzoek naar een periode van meer dan zestig jaar, 1920 tot 1985, een langetermijnperspectief. Hierdoor wordt rekenschap gegeven van de veranderende inzichten in de oorzaken van ‘afwijkend gedrag in stadswijken’ – tot een korte weergave van de beroemde affaire Buikhuisen aan toe (p. 183). De verwijzingen naar buitenlandse casuïstiek of de sociologische literatuur zijn vaak inzichtelijk. Zo biedt de inleiding op het derde, naoorlogse deel van het boek een heel instructieve weergave van de ontwikkeling van het historische en sociologische wijkonderzoek in binnen- en buitenland.

In navolging van recent sociologisch onderzoek, zoekt Klein Kranenburg mogelijke verklaringen voor sociale (zelf)uitsluiting in de Schilderswijk in een combinatie van sociaaleconomische omstandigheden én – met nadruk – de groepsprocessen binnen een (langdurige) armoedecultuur. Daarin slaagt de auteur uitstekend, vooral in het naoorlogse deel van de studie. In een intelligent betoog, functioneel gelardeerd met vaak kleurrijke uitspraken van de geïnterviewde (oud)bewoners en ondersteund met relevante bronnen, ontstaat een rijkgeschakeerd beeld van de Schilderswijk. Naast elkaar bestaande historische processen van gemeenschapsvorming worden geplaatst tegen de achtergrond van heel lokale bepaalde (anti)burgerlijke waarden die van straat tot straat en soms zelfs van straathoek tot straathoek verschilden – en ook weer veranderden.

In navolging van recent sociologisch onderzoek, zoekt Klein Kranenburg mogelijke verklaringen voor sociale (zelf)uitsluiting in de Schilderswijk in een combinatie van sociaaleconomische omstandigheden én de groepsprocessen binnen een langdurige armoedecultuur 

Illustratief voor de waarde van het boek is de aangehaalde affaire rond een kinderrijk gezin in 1969. Na een geruchtmakende televisiedocumentaire – waarin de erbarmelijke huiselijke omstandigheden van Rinus, Bep en de kinderen in beeld werden gebracht –ontstak de buurt in een volkswoede die zich richtte tegen het gezin. De buurtbewoners ervoeren de beelden van het sociaal zwakke gezin als een onjuiste afspiegeling van hun wijk. In de ogen van de buren was dat vooral de schuld van het gezin. Rinus en Bep hadden een ingewikkeld complex van ongeschreven regels overtreden: ze lieten de buitenwereld toe, wat na de Tweede Wereldoorlog in toenemende mate als een doodzonde werd gezien, en hadden de precaire balans van afwijkende en burgerlijke normen de verkeerde kant op laten slaan (p. 321). In dit soort passages wordt het anekdotische in het boek steeds opnieuw verbonden met goed onderbouwde inzichten in de sociale logica’s en regels van de Schilderswijk – regels die overigens met de komst van arbeidsmigranten in de wijk vanaf de jaren 1970 steeds moeilijker konden worden afgedwongen.

Toch blijft een belangrijke sociaal-politieke dimensie grotendeels onderbelicht: het verband tussen het leven van alledag en de interventies van regulerende instituties in de stad. Het governmentality-werk van de Britse historicus Patrick Joyce, bijvoorbeeld, laat zien hoe op heel lokaal niveau sociale isolatie of segregatie het gevolg is van een soms doelbewuste regulering van de stedelijke ruimte. Een straat zonder tramhalte wordt (en blijft) eerder het domein van een in toenemende mate geïsoleerde sociale onderklasse dan een buurt waar alle voorzieningen aanwezig zijn. In zijn magistrale boek Segregation laat Carl Nightingale zien hoe segregatie op wereldschaal samenvalt met allerlei historische praktijken van stedelijke ordening. In zulke studies worden de contouren zichtbaar van de classificatie van de stadsbewoners aan de hand van niet zelden essentialistische categorieën als klasse, etniciteit, religie, afkomst of beroep.

Het boek zal iedere geïnteresseerde in wijkgeschiedenis en de Schilderswijk boeien – en verrassen! Het lijkt of Klein Kranenburg de gewenste drone van Opstelten heeft laten tijdreizen

Tegelijkertijd wordt ook de weerslag van classificatie op sociale normen, groepsprocessen en identiteitsvorming op straatniveau in deze en andere studies belicht. In ‘Samen voor ons eigen’ is zeker een aantal aanknopingspunten te vinden voor zo’n benadering (bijvoorbeeld over de gemeentelijke huisvestingspolitiek op p. 346), maar het verband tussen stedelijke governmentality en de moraal en codes van de buurt of straat wordt nergens instrumenteel, terwijl de rijkdom van het bronnenmateriaal daartoe wel aanleiding lijkt te geven. Een terloopse zin als ‘[t]oen de Schilderswijk steeds beruchter werd, ging de politie er zich steeds meer mee bemoeien’ (p. 191) kan in dezelfde adem omgekeerd worden, en daarmee aanzet geven voor het blootleggen van een veel complexere dynamiek tussen ‘instituties die in de wijk actief waren’ en de Schilderswijkers.

Wat desalniettemin bovenal beklijft, is dat ‘Samen voor ons eigen’ een boeiende en zeer uitvoerig gedocumenteerde studie is, die historici weer eens herinnert aan de (zeggings)kracht van de sociale geschiedenis ‘van onderop’. Het boek zal iedere geïnteresseerde in wijkgeschiedenis en de Schilderswijk boeien – en verrassen! Het lijkt of Klein Kranenburg de gewenste drone van Opstelten heeft laten tijdreizen.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-4).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Stefan Couperus, 26 februari 2014.

Getagd met