Recensie Atlas van de Schie en Atlas van het Westland

Jaap Evert Abrahamse, Ad van der Zee & Menne Kosian, Atlas van de Schie. 2500 jaar werken aan land en water Thoth, Bussum, 2016, 201 p., 200 ill. in kleur, gebonden uitgave, 25 x 35 cm., ISBN 978 90 6868 719 4, prijs 39,90 euro

Marcel IJsselstijn & Yvonne van Mil, Atlas van het Westland. 10.000 jaar ruimtelijke ontwikkeling Thoth, Bussum, 2016, 223 p., 250 ill. in kleur, gebonden uitgave, 25 x 35 cm., ISBN 978 90 6868 720 0, prijs 34,50 euro

door Ben de Pater, Universiteit Utrecht

Sommige boeken zijn zo streekgebonden, dat ze buiten de streek in kwestie vrijwel geen aandacht krijgen, hoe aantrekkelijk ze ook zijn. Atlas van de Schie en Atlas van het Westland zijn daarvan voorbeelden bij uitstek. De Schieatlas gaat over het gebied in de driehoek Delft-Rotterdam-Schiedam, de Westlandatlas over de driehoek Den Haag-Hoek van Holland-Maassluis. Ze bestaan uit een combinatie van gedegen maar toegankelijke teksten, een ruime hoeveelheid van soms op groot formaat (‘spreads’) afgedrukte (lucht)foto’s, oude kaarten, plus kaarten die speciaal voor de boeken gemaakt zijn. Maar hoe goed van inhoud en hoe mooi ook vormgegeven, ze zullen toch bijna uitsluitend mensen aanspreken die in deze streken wonen of gewoond hebben en zich emotioneel en cognitief met hun (vroegere) thuisgebied verbonden weten.

Daar hoor ik bij. In de jaren zestig leefde ik als tienjarig jongetje in Schiebroek, vroeger een zelfstandige gemeente, tegenwoordig een wijk van Rotterdam. ‘Broek’ verwijst naar een moerassig gebied, in dit geval van de Schie. Ruim 200 jaar geleden is het gebied drooggelegd, maar nooit heb ik me als kind afgevraagd waarom, als je de wijk verliet, je een paar meter hoogteverschil moest overwinnen voordat je op de Ringdijk kwam. Bij geen Schiebroekenaar kwam ooit die vraag op, geloof ik  – in de aardrijkskundeles leerde je wel over schedelvormen van Afrikanen, maar niets over het feit dat Schiebroek een droogmakerij was.

Tegenwoordig, vijftig jaar later, is de aandacht voor de geografie en geschiedenis van de eigen omgeving sterk gegroeid. De verschijning van de Atlas van de Schie is daarvan een voorbeeld. Het initiatief kwam van de provincie Zuid-Holland, of nauwkeuriger: het Erfgoedhuis Zuid-Holland, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Zij leverden ook de auteurs. Jaap Evert Abrahamse is onderzoeker bij de RCE en onder meer bekend om zijn spraakmakende proefschrift De grote uitleg van Amsterdam, Ad van der Zee is verbonden aan het Erfgoedhuis, en kaartredacteur Menne Kosian is ook een RCE-man.

Het Zuid-Hollandse beleid is gebouwd op zeven erfgoedlijnen: de Atlantikwall, Landgoederenzone, de Limes, de waterdriehoek Biesbosch-Kinderdijk-Dordrecht, de Oude Hollandse Waterlinie, Goeree-Overflakkee en de trekvaarten. Atlas van de Schie is een project binnen deze laatste ‘lijn’. Het behandelt eigenlijk vier Schieën: de geografie en geschiedenis van de Schie van Delft naar Overschie (de Delftse Schie), die van Overschie naar Rotterdam (de Rotterdamse Schie), die naar Delfshaven (Delfhavense Schie) en die naar Schiedam (de Schiedamse Schie). En het gaat in het boek niet alleen over het water zelf, maar ook om het omringende landschap, waarop de mens steeds meer haar stempel drukte. Het natuurlandschap werd omgezet in een cultuurlandschap; het agrarische landschap werd op meer en meer plekken omgevormd tot een stedelijk of industrieel landschap. Deze ontwikkelingen worden min of meer chronologisch gevolgd: van de prehistorie tot het einde van de twintigste eeuw. De auteurs vertellen hun verhalen competent, met veel details zonder de grote lijnen uit het oog te verliezen.

De glazen stad

Anders dan het gebied van de Schie – dat zeer gevarieerd is: van oorspronkelijk agrarisch landschap via stadsrandgebied tot stad – is het Westland een uitgesproken economisch-geografische eenheid: een homogene regio van tuinbouwkassen. De atlas die er aan gewijd is, is evenzeer geslaagd als de Schieatlas. Ook deze atlas is uitgegeven door Thoth, maar nu in samenwerking met het Historisch Archief Westland in Naaldwijk. Auteurs van dienst zijn historisch-geograaf Marcel IJsselstijn en Yvonne van Mil, freelance historisch onderzoeker van stedenbouw en architectuur.

Ook zij beginnen met het landschap en bewoning in de prehistorie en de Romeinse tijd, om via de middeleeuwen en de (vroeg)moderne tijd in de eenentwintigste eeuw uit te komen. Uitvoerig analyseren zij de opkomst van de tuinbouw, eerst in de open grond, daarna onder glas. Het milde zeeklimaat en de geschiktheid van de grond (niet te zwaar, niet te los) speelden daarin mee, zo ook de nabijheid tot afzetmarkten – eerst Rotterdam en Den Haag, later het industrialiserende Engeland. Maar een ‘mechanisch’ proces was de ontwikkeling uiteraard niet. Actoren – monniken in kloosters, later eigenaren van buitenplaatsen – hadden een sleutelrol.

Uitgebreider dan hun collega’s in de Schieatlas, gaan IJsselstijn en Van Mil ook in op het wel en wee van de lokale economie en samenleving, zoals tramlijnen, het veilingwezen en gemeentelijke herindelingen. De Schieatlas is meer op het fysieke landschap en de waterlopen gericht. Dat is geen waardeoordeel: beide boeken verdienen evenzeer een ruim publiek, ook buiten de eigen regio – al zal dat laatste wel een vrome wens blijven.

Verwijzing: Historisch Tijdschrift Holland, Ben de Pater, 10 mei 2017.

Getagd met