Recensie Arie van der Schoor, De dorpen van Rotterdam

Arie van der Schoor, De dorpen van Rotterdam. Van ontstaan tot annexatie Ad. Donker, Rotterdam, 2013, 295 p., geïll, kaarten, ISBN 9789061006817, prijs €29,50

door Marcel IJsselstijn

Dit boek kent een bijzondere voorgeschiedenis. Naar aanleiding van het verschijnen van de tweedelige stadsmonografie van Rotterdam (Stad in aanwas van Arie van der Schoor, 1999; Stad van formaat van Paul van der Laar, 2000) merkte Anton Stapelkamp, raadslid van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek, in het Rotterdams Dagblad op dat de geschiedenis van de vele geannexeerde dorpen onderbelicht bleef. Hoogleraar stadsgeschiedenis Paul van der Laar pakte de handschoen samen met Stapelkamp op. Er werd een symposium georganiseerd, waarna in 2002 een stichting werd opgericht om te komen tot een wetenschappelijke dorpsgeschiedenis van Rotterdam. Na veel lobbywerk verkreeg het project in 2007 een financiële garantstelling van de Rotterdamse gemeenteraad. Historicus Arie van der Schoor van het Stadsarchief Rotterdam werd aangesteld als auteur en werkte tussen 2008 en 2011 aan het boek. Nadat de langverwachte presentatie verschillende malen was uitgesteld, werd uiteindelijk op 2 oktober 2013 het eerste exemplaar aan burgemeester Aboutaleb overhandigd.

Eigenlijk gaat het hier dus om het derde deel van de stadsmonografie, maar dan vanuit een invalshoek die in Nederland nog amper is beproefd. Interessant is vooral de vergelijking met de recent verschenen Geschiedenis van de Zaanstreek (2012), die bestaat uit twee kloeke delen van elk 400 pagina’s, geschreven door maar liefst 24 specialisten. Hoe anders is de werkwijze die in Rotterdam gevolgd werd: één auteur die de gehele Rotterdamse dorpsgeschiedenis vanaf 1200 tot heden in minder dan 300 pagina’s beschrijft. Geldt hier het adagium ‘less is more’ of heeft men zich er – ondanks de dertien jaar van voorbereiding – te gemakkelijk vanaf gemaakt?

De dorpen van Rotterdam is een overzichtelijke en relevante studie, die vooral toont dat het stedelijke annexatieproces een veel langere aanloop heeft gehad dan veelal wordt gedacht

Volgens de meest ruime definitie telt Rotterdam veertien voormalige dorpen, inclusief de atypische gevallen van het al vroeg (1811) geannexeerde ambacht Cool en de buurtschap Hoek van Holland. Op de noordoever van de Maas gaat het om Delfshaven, Overschie, Schiebroek, Hillegersberg en Kralingen. Op de zuidoever om Rozenburg, Blankenburg, Hoogvliet, Pernis, Charlois, Katendrecht en IJsselmonde. In het eerste hoofdstuk maakt de lezer kennis met de situatie in de dorpen omstreeks 1850, zoals die valt op te maken uit gemeentelijke jaarverslagen en andere contemporaine bronnen. Een originele en slimme zet om niet meteen ‘traditioneel’ chronologisch te beginnen: niet alleen kan zo de diversiteit van het Rotterdamse dorpenlandschap direct voor het voetlicht gebracht worden, het prikkelt ook om verder te lezen doordat de lezer vanzelf nieuwsgierig wordt naar de chronologie van gebeurtenissen die heeft geleid tot die diversiteit.

De chronologie komt aan bod in de volgende hoofdstukken en is opgehangen aan landschappelijke veranderingen en daarmee samenhangende maatschappelijke ontwikkelingen: ontstaan (1000-1300), crises en verandering (1300-1500), landverlies, landwinst en welvaart (1500-1700), land uit water (1700-1850), groei en einde van de zelfstandige dorpen (1850-1960). Elk hoofdstuk besluit met een typering van de dorpen in de betreffende periode op basis van de flexibele matrix die Peter Clark ontwikkelde in zijn artikel in de bundel Small towns in early modern Europe (1995). Daarin stelde Clark voor om het ontstaan en ontwikkelen van dorpen en kleine steden te beschrijven aan de hand van demografische, economische, sociale, politieke en culturele eigenschappen.

Door de nadruk op de grote hoofdlijnen ontbreekt het zo nu en dan aan details die de geschiedenis ‘tot leven wekken’

Het sterkste punt van het boek is dat het een overzicht op hoofdlijnen biedt en de lezer niet laat ‘verdrinken’ in de geschiedenis. De belangrijkste hoofdlijn van het boek betreft de verhouding tussen stad en platteland (de dorpen). Van der Schoor laat zien hoe door de eeuwen heen de wederzijdse afhankelijkheid steeds verder toenam maar de belangen van de stad altijd prevaleerden. Vooral de stedelijke behoefte aan brandstof holde het platteland letterlijk uit. In de late middeleeuwen waren het slimme stedelijke grondbezitters die zich allerlei vrijheden konden permitteren in de turfwinning omdat zij als poorters niet onder het landrecht maar onder het stadsrecht vielen. Later, na de Opstand tegen de Spaanse overheersing, verwierven de stadsbesturen van Rotterdam en Delft zelf complete ambachten en voorrechten om hun belangen veilig te stellen. Opvallend genoeg lijkt daartegen niet veel weerstand vanuit de dorpen te zijn geweest. Van der Schoor spreekt van een “complex geheel van samenwerking en wederzijdse afhankelijkheid die de welvaart van beide partijen ten goede kwam” (p.150). De stedelijke invloed op het platteland kwam de dorpen namelijk ook zeker ten goede, bijvoorbeeld toen steden in de negentiende eeuw nieuwe infrastructuur en nutsvoorzieningen aanlegden waarvan de dorpen profiteerden.

Ook de gereconstrueerde inwonertallen van de dorpen bieden aardige inzichten in de verhouding tussen stad en platteland. Wie alles op een rijtje zet en vergelijkt met de cijfers van omliggende steden – naast Rotterdam ook Delft, Schiedam en Dordrecht – ontdekt bijvoorbeeld dat in de achttiende eeuw de meeste dorpen doorgroeiden terwijl de steden stagneerden of zelfs krompen. Ook de opkomst van het fenomeen ‘voorstad’ is goed te volgen. Aan de westzijde van Rotterdam groeide het inwonertal van het ambacht Cool tussen 1622 en 1733 van 260 naar 2.424, een toename van maar liefst 832 procent. Die groei zette ook in de negentiende eeuw door: in 1850 woonde er 9.000 mensen in Cool, dat toen al bijna vier decennia bij Rotterdam hoorde. Aan de oostzijde van Rotterdam, in Kralingen, voltrok zich eenzelfde ontwikkeling. Het inwonertal groeide daar tussen 1622 en 1732 van 750 naar 2.500, een toename van 233 procent.

De sterke kant van het boek is paradoxaal genoeg ook de zwakste kant. Door de nadruk op de grote hoofdlijnen ontbreekt het zo nu en dan aan details die de geschiedenis ‘tot leven wekken’. Hoe verder in het boek – en dus dichterbij de huidige tijd – hoe algemener en oppervlakkiger het verhaal wordt. Aan jaartallen geen gebrek, dat zeker niet, maar een uitweiding hier en daar op basis van een specifieke bron had soms treffender kunnen zijn om de essentie van een historische ontwikkeling of gebeurtenis over te brengen. Er staan ook te weinig kaartjes in om het verhaal te ondersteunen en te verbeelden. De paragraaf over nieuwe infrastructuur op p.200-207 had bijvoorbeeld prima met een kaartje geïllustreerd of samengevat kunnen worden; nu raakt de lezer het spoor bijna letterlijk bijster door de grote hoeveelheid jaartallen en andere informatie.

Doordat de lijn van de bestuurlijke ontwikkeling als enige consequent over de lange termijn is doorgetrokken, kan Van der Schoor aan het einde wel komen tot een relevante conclusie over ‘bestuurlijke inertie’: experimenten met bestuurlijke vernieuwing acht hij kansrijker naarmate deze beter aansluiten bij de historische bestuursstructuur

De haast exponentieel toenemende hoeveelheid bronnen richting de huidige tijd maakt het ook zeer lastig – zo niet onmogelijk – voor een auteur om zo’n overzicht te hebben dat hij de hoofdlijnen met treffende casussen kan illustreren. Dat is de keerzijde van dit boek, dat enigszins als een nachtkaars uitdooft. Het zevende en laatste hoofdstuk, over de periode 1960 tot heden, is namelijk zeer summier en past ook niet in het stramien van de eerdere hoofdstukken. Hoewel Van der Schoor stelt dat de reeds geannexeerde dorpen in deze periode, waarin ze ook stedenbouwkundig werden verenigd met Rotterdam, “de meest ingrijpende landschappelijke transformatie” (p.262) ondergingen, worden alleen bestuurlijke ontwikkelingen behandeld. Veel onderwerpen die voor lezers een feest van herkenning hadden kunnen zijn – welke wijken zijn er allemaal gebouwd in die periode, wie kwamen daar wonen en werken, wat rest er nog van de dorpen, niet alleen materieel maar ook immaterieel – blijven helaas liggen.

Doordat de lijn van de bestuurlijke ontwikkeling als enige consequent over de lange termijn is doorgetrokken, kan Van der Schoor aan het einde wel komen tot een relevante conclusie over ‘bestuurlijke inertie’: experimenten met bestuurlijke vernieuwing acht hij kansrijker naarmate deze beter aansluiten bij de historische bestuursstructuur (p.256). Dat belooft niet veel goeds voor het nieuwe Rotterdamse bestuursmodel met wijkgerichte gebiedscommissies, dat het systeem met deelgemeentes dit jaar zal vervangen.

Concluderend is De dorpen van Rotterdam een overzichtelijke en relevante studie, die vooral toont dat het stedelijke annexatieproces een veel langere aanloop heeft gehad dan veelal wordt gedacht. Het boek is tevens een uitstekende basis voor vervolgonderzoek omdat Van der Schoor regelmatig aangeeft welke zaken nog onduidelijk zijn. Ten slotte rest mij enkel nog mijn verbazing uit te spreken over de slechte eindredactie van het boek. Niet alleen de grote hoeveelheid typefouten had eruit gehaald moeten worden, ook de hier en daar omslachtige zinsbouw had een betere redactieslag verdiend (zie bijvoorbeeld het bijschrift bij de foto op p.201). Dat dit niet goed is gedaan is beschamend voor een boek waar zo lang aan gewerkt is en naar uitgekeken werd.

Het signalement van dit boek is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-4)

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Marcel IJsselstijn, 25 januari 2014.

Getagd met