Recensie Albert A.J. Scheffers, Om de kwaliteit van het geld

Albert A.J. Scheffers, Om de kwaliteit van het geld: Het toezicht op de muntproductie in de Republiek en de voorziening van kleingeld in Holland en West-Friesland in de achttiende eeuw Uitgeverij Clinkaert, Voorburg, 2013, 2 delen, 392 / 528 p., geïll., ISBN 9789490084004 / 9789490084028, prijs €39,95, hier te downloaden

door Christiaan van Bochove, Radboud Universiteit Nijmegen

In dit proefschrift dat hij aan de Universiteit Leiden verdedigde, overlegt Albert Scheffers de resultaten van zijn jarenlange onderzoek naar koperen duiten en zilveren enkele stuivers. Op het eerste gezicht misschien slechts saaie materie voor doorgewinterde numismaten, maar niets is minder waar. Het gaat hier namelijk om de betaalmiddelen van de gewone man en vrouw in de achttiende-eeuwse Republiek. Scheffers kijkt in zijn proefschrift niet naar hoe zij die duiten en enkele stuivers precies gebruikten, maar wil laten zien hoe zij over voldoende kwalitatief hoogwaardige munten konden beschikken. Het op peil houden van de muntvoorraad was echter een enorme uitdaging. De kwaliteit van de in omloop zijnde munten verminderde namelijk geleidelijk en grote hoeveelheden munten vonden bovendien hun weg naar het buitenland (met name de Zuidelijke Nederlanden). Door de verschillen in muntvoet en metaalinhoud van de munten kon met dat laatste namelijk enige winst gerealiseerd worden. In de Republiek resulteerde dit echter in een instroom van minderwaardige munten (Wet van Gresham) en schaarste van hoogwaardige munten, met allerlei economische en sociale problemen van dien. Het aanmunten van nieuwe duiten en enkele stuivers was daarom van groot belang en dit boek gaat over de tientallen miljoenen (!) munten die in de achttiende eeuw werden geproduceerd in de Republiek.

Aan de hand van diepgravend onderzoek in niet minder dan 22 archiefbewaarplaatsen van Alkmaar tot Deventer en van Groningen tot Middelburg, wat resulteerde in 19 pagina’s aan archiefverwijzingen, laat Scheffers zien hoe die productie precies georganiseerd werd. Alle aanmuntingen worden zeer gedetailleerd beschreven. Zo laat Scheffers bijvoorbeeld zien dat het benodigde koper alleen dan uit Zweden geïmporteerd kon worden als daar voldoende neerslag was gevallen. Voordat het werd uitgevoerd, moest het koper namelijk eerst bewerkt worden in door water aangedreven molens. De techniek en organisatie van het aanmunten in de Republiek worden besproken tot op het niveau van de gebruikte stempels en de bij de Munt in Dordrecht in dienst zijnde schoonmaakster. Tot slot wordt uitgebreid stilgestaan bij de niet onbelangrijke kwaliteitscontrole die achteraf plaatsvond. Kortom, Scheffers laat geen enkele schakel binnen het productieproces onbelicht.

Gelet op het belang van duiten en enkele stuivers voor de gewone man is het jammer dat Scheffers zich beperkt heeft tot het schrijven van een “beredeneerde bronnenpublicatie over de kwaliteit van het geld” (p. 11). Door aan te sluiten bij publicaties als Sargent en Velde’s The Big Problem of Small Change (2003) had hij het belang van zijn studie wellicht beter voor het voetlicht kunnen brengen. In dat geval was het retorisch overigens ook nodig geweest om eerst de enorme omvang van de productie uit te werken om vervolgens te laten zien hoe die gerealiseerd kon worden. Deze opmerkingen daargelaten, heeft Scheffers een mooie bijdrage geleverd aan de Muntgeschiedenis van de Republiek.

Deze recensie is verschenen in Holland Historisch Tijdschrift (2014-1).

Verwijzing: Holland Historisch Tijdschrift, Christiaan van Bochove, 13 september 2013.

Getagd met